Posts tonen met het label 1982. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1982. Alle posts tonen

vrijdag 29 november 2013

Wah! | Nah = Poo – The Art Of Bluff

4 mei 1977: het eerste optreden van The Clash in Liverpool en het startsein van The Crucial Three. Ian McCullough, Julian Cope en Pete Wylie; samen zullen ze nooit een plaat maken, maar ieder voor zich wel. McCullough met Echo & The Bunnymen; Julian Cope met Teardrop Explodes; en Pete Wylie met Wah! Heat. Wah! Heat, dat even Crash Course heet, debuteert in 1979 met de geweldige single 'Better Scream', levert een van de beste tracks aan voor de verzamelaar Hicks From The Sticks en vervolgt in 1980 met de tweede machtige single 'Seven Minutes To Midnight'.
Als de debuut-lp in de zomer van 1982 verschijnt, heet de band – Wylie met wat muzikale hulpjes – opeens Wah!; de titel is ook al bijzonder: Nah = Poo – The Art Of Bluff. De muziek is dat ook, want tegenover Wylie's powerchords, gemodelleerd naar The Who en The Clash, staat de postpunk en cold wave van krassende gitaren, nervy ritmes en sferische synths. Liedjes schrijven kan Pete Wylie ook, getuige opwindende, jachtige tracks als 'Other Boys, 'Mission Impossible', 'Somesay', het broeierige 'Sleeeppp', de gierende gitaar-instrumental 'The Seven Thousand Names Of Wah!' en niet te vergeten de in nieuw jasje gestoken postpunk-klassieker 'Seven Minutes To Midnight'.
Een malle titel, dat wel, maar Nah = Poo – The Art Of Bluff is desondanks een fantastische postpunk-lp; een geweldig rockalbum. Het is de enige plaat van Wah!, al gaat Pete Wylie wel door onder diverse andere – malle – bandnamen: The Mighty Wah!, Shambeko! Say Wah! en Moloko Plus! – alle met uitroepteken!

The Wind-Up / Other Boys / Why D You Imitate The Cutout / Mission Impossible / Somesay / The Seven Thousand Names Of Wah! / Sleeeppp / Seven Minutes To Midnight / The Death Of Wah!.



woensdag 25 september 2013

The Comsat Angels | Fiction

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw heeft industriestad Sheffield een geduchte muzikale reputatie. De electrorock van Cabaret Voltaire en de synthipop van The Human League maken school in het Engeland van Thatcher. Het ligt dan ook voor de hand dat The Comsat Angels door de Britse muziekpers in hetzelfde vakje worden geduwd; elektronica is immers de rigeur anno 1980. Het is een schromelijke vergissing, maar wat erger is, het is een vergissing die de band nooit te boven zal komen. Eind jaren zeventig is er Radio Earth, een jazzrock-combo dat wordt gevormd door winkelbediende Steve Fellows (zang, gitaar), ziekenhuisbeddenreparateur Andy Peak (toetsen), tuinman Kevin Bacon (bas) en steuntrekker Mick Glaisher (drums). Met nota bene hulp van de sociale dienst bewijst het kwartet zijn bestaansrecht met gecompliceerde en technisch verantwoorde jazzrock. Maar dat verandert als de band volledig van het podium gespeeld wordt door Pere Ubu. De zeggingskracht, verwarring en maniakale gekte van de Amerikanen maakt de ogen van de jazzrockers wijd open. Het moet anders: intenser, kaler, meeslepender en dieper, veel dieper. De punk en de postpunk van Joy Division, The Sound en Echo & The Bunnymen is de katalysator die het kwartet in een andere en onbekende richting duwt. En er is een nieuwe naam: The Comsat Angels, vernoemd naar een verhaal van J.G. Ballard; The Comsat Angels – een samenvoeging van technologie en mythologie. In 1979 verschijnt dan de in eigen beheer uitgegeven EP Red Planet en bestaat The Comsat Angels uit Even Stephen, The Jazz Orange, Michael Spencer Farquahar en Dresden, schuilnamen om de uitkeringsinstanties om de tuin te leiden. Via BBC-dj John Peel tekent de groep een contract voor drie platen bij Polydor. Het majordebuut Waiting For A Miracle is een wonderlijk speelse en vitale plaat en schurkt dicht aan tegen Crocodiles, het drie maanden daarvoor verschenen debuut van Echo & The Bunnymen. Met de jachtige en onheilspellende grotestadsmuziek weet The Comsat Angels grote indruk te maken op pers en publiek. Een jaar later, in 1981, verschijnt de opvolger Sleep No More, een loodzware, fragmentarische en met doem geladen rock-lp die de veelbelovende reputatie van de Comsats ten volle bekrachtigt. De krassende gitaarlijnen van Fellows en de naar de bombast neigende toetsenpartijen van Andy Peake worden het handelsmerk van de grimmige postpunkers uit Sheffield. De synthetische klanktapijten die als kolkende lava over Fellows’ composities worden uitgestort zijn essentieel in het beklemmende klankbeeld, maar zorgen eveneens voor onbegrip in het door synthipop geregeerde Albion. Hoewel The Comsat Angels in Nederland relatief populair zijn, blijft een doorbraak in het thuisland uit. Het derde album is daarom van cruciaal belang.
Fiction combineert de melodieuze pracht van het debuut met de claustrofobische zeggingskracht van de opvolger, en vervolmaakt daarmee een nagenoeg perfecte trilogie. De accenten zijn onmerkbaar verschoven van het donker naar het licht, zonder dat het kenmerkende atmosferische karakter verloren is gegaan. Fiction is een oefening in schoonheid; Fellows’ bedachtzame en ingetogen composities – met een nadrukkelijke rol voor de weerscondities als metafoor voor de menselijke gemoedstoestand – sluiten naadloos aan bij de ingehouden arrangementen. De toetsen hebben hun dominantie verloren en gaan op in de hechte bandsound die gekenmerkt wordt door roffelende drums en etherische open gitaarakkoorden. ‘After The Rain’ is de sfeervolle opener en is getoonzet in een sfeer van hoopvolle verwachting als de wolken wegtrekken en plaatsmaken voor het heldere licht. Deze thematiek wordt op Fiction tot in de perfectie doorgevoerd en vindt zijn talloze climaxen in werkelijk wonderschone songs als ‘Now I Know’, ‘Pictures’, ‘Don’t Look Now’ en het duister ‘Ju Ju Money’. Het is deze serene melancholica die Fiction tot een postpunk-monument maakt. The Comsat Angels hebben met Fiction een equilibrium bereikt dat hun derde plaat tot een drie-eenheid smeedt met de illustere voorgangers. Fiction is de definitieve inlossing van een grote belofte en een mijlpaal in de vroege jaren tachtig.
Na Fiction ondernamen The Comsat Angels een tournee door de Verenigde Staten, maar aan de vooravond van het vertrek ontving de band een telefoontje van het Amerikaanse bedrijf Communication Satellite (ComSat) Corporation dat eiste dat de band zijn naam zou veranderen op straffe van een rechtzaak. The Comsat Angels gingen akkoord met een naamsverandering: The C.S. Angels. De Amerikaanse tour werd een ramp. Ook bleef een doorbraak in Engeland uit en verlengde Polydor – die geen benul had hoe The Comsat Angels in de markt te zetten – het contract niet. The Comsat Angels hielden het desondanks nog een aantal jaren vol, veranderden hun naam in Dream Command, maar wisten bij lange na niet het niveau te bereiken van de klassieke trilogie van Waiting For A Miracle, Sleep No More en de kroon op het indrukwekkende oeuvre, Fiction.

After The Rain / Zinger / Now I Know / Not A Word / Ju Ju Money / More / Pictures / Birdman / Don’t Look Now / What Else!?

vrijdag 14 juni 2013

The Room | Indoor Fireworks

Qua stijl lijkt The Room met zijn neurotische rammelrock eerder afkomstig uit de Schotse Postcard-stal of uit het deprimerende Manchester van The Fall dan uit thuisbasis Liverpool. Opgericht in 1979 menen zanger Dave Jackson en bassiste Becky Stringer – aangevuld met neo-hippies Robyn Odlum (gitaar) en Clive Thomas (drums) – aanvankelijk deel uit te kunnen maken van scene rondom Echo & The Bunnymen en The Teardrop Explodes, maar helaas: The Room breekt niet door en verdwijnt vrij snel in de vergetelheid. Toch heeft de band het goedkeuringsstempel van John Peel opgedrukt gekregen en is de debuutplaat Indoor Fireworks een ijzersterk postpunkalbum.
Voortgedreven door stekelige, jachtige gitaren en de nervy zang van Jackson past The Room uitstekend in het nerveuze muzikale en maatschappelijke tijdsbeeld. Uitgebracht in april 1982 is Indoor Fireworks vooral opgetrokken uit voortjakkerende gitaarpopsongs als 'Escalator', 'Chatshows' en 'Candle', terwijl meer atmosferische songs als 'No Dream' en 'Rewind' zich inderdaad kunnen meten met het beste van Echo & The Bunnymen en The Teardrop Explodes. Waarvan akte. The Room gooit er nog drie lp's tegenaan, maar baten doet het niet; in de zomer van 1985 valt de band in splinters uiteen.

No Dream / Escalator / Rewind / Chatshows / This Party Stinks / Heat Haze / Conversation / Things Have Learnt To Walk That Ought To Crawl / Candle / Bated Breath / In Sickness And In Health  

zondag 24 maart 2013

The Names | Swimming


Factory is begin jaren tachtig een allesomvattend Brits begrip: de doem van Joy Division; de kilte van het postindustriële Manchester; de arty vormgeving van Peter Saville; en de claustrofobische productie van Martin Hannett. Maar er zijn ook Belgen: The Names. Vier jonge muzikanten uit Brussel vinden aansluiting bij de hipsters in Manchester, komen onder contract bij Factory en releasen in november 1980 de door Martin Hannett geproduceerde single 'Nightshift'. De volgende single laat langer op zich wachten vanwege Hannetts door alcohol en drugs gedreven lethargie: in januari 1982 verschijnt 'Calcutta' op het zusterlabel Factory Benelux.
Dan gaan The Names met Martin Hannett de Strawberry Studios in om hun debuut-lp Swimming op te nemen. Uitgebracht in juni '82 op het sublabel van Factory Benelux, Les Disques du Crépuscule, is Swimming een doemplaat pur sang: hypnotiserende, repeterende drums, schurende, zagende gitaren en dreigende, ijzige synthesizers die steeds in het klankbeeld opdoemen en dan weer vervagen. De treurige zang is diep weg gemixt, terwijl geluidstovenaar Martin Hannett de echokamers volop open heeft gezet. De kille doem komt vooral geweldig tot zijn recht in atmosferische rocksongs als 'Floating The World', 'The Fire' en 'Life By The Sea', in de peilloos diepe treurigheid van 'White Shadown en in het imponerende muzikale grafschrift 'Leave Her To Heaven'. Swimming past perfect in het rijtje Britse doemplaten als Secondhand Daylight, Unknown Pleasures en Seventeen Seconds, maar in 1982 is de stroming redelijk passé en ook een marginaal label als Crépuscule kan weinig voor de Belgen betekenen, waarna The Names net als een mistige synthesizer-flard langzaam vervagen.

Discovery / Floating World / The Fire / Life By The Sea / White Shadow / (This Is) Harmony / Shanghaï Gesture / Leave Her To Heaven / Light 

dinsdag 20 november 2012

Blue Orchids | The Greatest Hit (Money Mountain)


‘Hopeless people’, zegt Mark E. Smith van The Fall over zijn werknemers Martin Bramah en Una Barnes als hij ze in 1979 uit zijn band zet. Het echtpaar Bramah (zang, gitaar) en Barnes (toetsen) vormt subiet hun eigen versie van The Fall: Blue Orchids. Bramah en Barnes worden bijgestaan door Rick Goldstraw (gitaar), Steve Toyne (bas) en Joe Kin (drums) en beconcurreren hun voormalig broodheer in het clubcircuit van Manchester. De gebutste rammelpunk van The Fall en Smiths angstaanjagende gutturale klanken zijn echter met niets vergelijkbaar; dus ook niet met de industriële punksound van de Blue Orchids. Bovendien wordt de sound van Blue Orchids gekenmerkt door een sterk psychedelische inslag, wat in extremis tot uiting komt in het zwabberende en jengelende Farfisa-orgel van Una Barnes. Het geeft Blue Orchids in het door doem gedomineerde Manchester een aparte en afwijkende sound. Het duurt dan ook maar even voordat een platenlabel Blue Orchids oppikt. Rough Trade – het indie punklabel uit Londen – tekent de band, waarmee Blue Orchids labelgenoten worden van The Fall.
De eerste singles van Blue Orchids – ‘The Flood’ en ‘Work’ doen het goed in een selecte, maar beperkte kring. Duidelijk wordt dat Blue Orchids méér is dan postpunk: The Stooges, The Seeds en vooral The Velvet Underground lijken de aartsvaders van Bramah en Barnes. Nog voor de opnamen van de debuut-lp verschuift Rick Goldstraw naar bas en is Toby de nieuwe drummer. In deze bezetting begeleidt Blue Orchids chanteuse Nico – dan extreem zwaar verslaafd – op een uitputtende tournee door Engeland en ook door Nederland. Met deze ervaring – en de nodige drugs – begint Blue Orchids in het voorjaar van 1982 aan de opnamen van hun debuutplaat. Na slechts twee weken zijn de opnamen voltooid, waarna al in mei het nogal ironische getitelde The Greatest Hit (Money Mountain) verschijnt. Tien postpunknummers, gedomineerd door monotone zang, voortjagende gitaren en zeurend orgel, het spits afgebeten door de zongedroogde acid-rock van ‘Sun Connection’. Blue Orchids etaleert op The Greatest Hit een soort tweedehands romantiek, gebutst en beschadigd, geworteld in nocturne rock-‘n-roll. Donker en intens zijn gejaagde rockers als ‘Dumb Magician’ en ‘Hanging Man’, geestverruimend is het prachtige ‘A Year With No Head’ en intens melancholiek ‘Bad Education’ – met alweer het rondzingende orgeltje van Baines Met het schitterende en downbeat ‘Mad As The Mist And Snow’ sluit The Greatest Hit dan zeer indrukwekkend af.
Het bleef bij een plaat: Blue Orchids viel uiteen; het echtpaar Bramah/Barnes viel uiteen. Ze kunnen wel bogen op een van de meer bijzondere underground-albums van de Britse postpunk, wat ook gelijk iets zegt over de marginale betekenis ervan.

Sun Connection / Dumb Magician / Tighten My Belt / A Year With No Head / Hanging Man / Bad Education / Wait / No Looking Back / Low Profile / Mad As The Mist And Snow

dinsdag 28 augustus 2012

XTC | English Settlement

In 1975 veranderen The Helium Kidz uit Swindon in het graafschap Wiltshire hun naam in XTC. De band is dan een vijftal, maar een jaar later, na de toetreding van de klassiek geschoolde toetsenist Barry Andrews is XTC een kwartet, verder bestaande uit Andy Partridge (zang, gitaar), Colin Moulding (bas, zang) en Terry Chambers (drums). Opgepookt door de punk, en beïnvloed door The Monkees, Captain Beefheart en The New York Dolls, creëert XTC zijn eigen vorm van new wave. XTC’s sound wordt gekenmerkt door jachtige ritmes, hakkelende slaggitaren, jengelende orgeltjes en slim geconstrueerde punky popsongs. Na twee redelijk ontvangen lp’s verdwijnt toetsenist Andrews van het podium en wordt hij vervangen door gitarist Dave Gregory. De volgende plaat, Drums And Wires, levert de band met ‘Making Plans For Nigel’ een grote hit op en het eindeloze toeren begint: Japan, Australië, Amerika. Maar ondanks de niet geringe ambities bereikt XTC het grote publiek niet omdat het een image aankleeft van het slimste jongetje van de klas. Deze vermeende (boeren)slimheid frustreert de band in hoge mate en doet Andy Partridge tegenover Rolling Stone verzuchten: ‘We zijn domme boerenlullen die pretenderen slim te zijn.’ Het volgende album, Black Sea, met zijn beatleske songs, Steve Lillywhite-productie en loodzware drums is dan toch XTC’s doorbraakalbum. Die prominente drums maken voor het volgende album desondanks plaats voor Partridge’s akoestische gitaar en Gregory’s 12-snarige Rickenbacker. Ook laat de band min of meer het uitgangspunt varen dat de studio-opnamen live uitgevoerd moeten kunnen worden, waardoor het met Lillywhite-assistent Hugh Padgham opgenomen English Settlement XTC’s meest geavanceerde album tot dan toe is. Titel en hoes verwijzen naar een prehistorische krijtrotstekening in het Britse heuvellandschap en relateren indirect aan XTC’s koerswijziging: terug naar de natuur. Of zoals Andy Partridge het omschrijft: ‘Folkmuziek van de twintigste eeuw.’ Het pastorale karakter van English Settlement komt via Partridge’s akoestische gitaar evident naar voren in de prachtige singlehit ‘Senses Working Overtime’. Maar ook de karakteristieke, meezingbare XTC-sound komt op English Settlement royaal aan bod in de vorm van politiek getinte songs als ‘No Thugs In Our House’, ‘Melt The Guns’ en het geweldige ‘Ball And Chain’. Temidden van dit indrukwekkende muzikale geweld zijn het echter de gecompliceerde songs die English Settlement zijn tijdloze schoonheid verlenen. ‘Runaways’, ‘Yacht Dance’, ‘Snowman’ zijn meeslepend en schitterend, maar moeten het toch afleggen tegen oeuvrehoogtepunten ‘All Of A Sudden (It’s Too Late)’ en ‘Jason And The Argonauts’, mede waardoor English Settlement tot de beste XTC-albums moet worden gerekend. Maar tot teleurstelling van de band wordt English Settlement begin 1982 alleen in Engeland als dubbelalbum uitgebracht; de rest van de wereld moet het met een enkele lp stellen. Tot overmaat van ramp krijgt Andy Partridge op het podium een zenuwinstorting - heftige maagkrampen en levensbedreigende paniekaanvallen overvallen hem. Het is het einde van XTC als live-band, en hoewel XTC in de studio nog een aantal geweldige albums zal produceren, wordt het tijdperk ervoor en erna gemarkeerd door het grensverleggende en klassieke studio-dubbelalbum English Settlement.

Runaways / Ball And Chain / Senses Working Overtime / Jason And The Argonauts / No Thugs In Our House / Yacht Dance / All Of A Sudden (It’s Too Late) / Melt The Guns / Leisure / It’s Nearly Africa / Knuckle Down / Fly On The Wall / Down In The Cockpit / English Roundabout / Snowman

donderdag 22 maart 2012

The Church | The Blurred Crusade

Zoals de titel aangeeft, is Untitled #23 in 2009 het 23e album van The Church. Er zijn dan 29 jaar verstreken sinds de band uit Canberra, Australië debuteerde met de hitsingle 'The Unguarded Moment'. Een succesvolle lp volgt in 1981, maar de kracht, finesse en de talenten van zanger/bassist Steve Kilbey en de gitaristen Marty Wilson-Piper en Peter Koppes komen voor het eerst tot hun recht op de fantastische tweede plaat, The Blurred Crusade. Geproduceerd door Bob Clearmountain en met nieuwe drummer Richard Ploog tasten de sombere Kilbey en zijn breed uitwaaierende gitaristen de grenzen af van de postpunk en de Westcoast-psychedelica. Stemmig en broeierig zijn liedjes als 'Almost With You' en 'Secret Corners', terwijl in heldere, jengelende gitaarsongs als 'An Interlude', 'A Fire Burns' en het epische 'You Took' ijle mellotronklanken en geestverruimende gitaarsolo's schitteren. The Blurred Crusade is het meest gitaar geörienteerde album van The Church en dus de plaat waarop de kenmerkende space-jangle-psychedelica-stijl het meest significant is. Volgende albums drijven meer op atmosfeer en synthesizers, wat ook geldt voor Heyday dat in 1986 voor een wereldwijde doorbraak moet zorgen. Maar de plaat flopt gigantisch, al revancheert The Church zich in 1988 met Starfish en de wereldhit 'Under The Milky' Way'. Na hoogte- en dieptepunten en vele albums, bewijzen Kilbey, Wilson-Piper en Koppes ook in 2009 nog hun bestaansrecht als het prachtige Untitled #23 verschijnt.
Almost With You / When You Were Mine / Field Of Mars / An Interlude / Secret Corners / Just For You / A Fire Burns / To Be In Your Eyes / You Took / Don't Look Back