Posts tonen met het label postpunk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label postpunk. Alle posts tonen

woensdag 7 maart 2018

The Cult | Love

Voorbij de punk en de postpunk is daar in 1982 positive punk; een kortstondige hype in de kelders van de Londense muziekscene. Het pathetische gedweep met vampiers, vleermuizen en voodoo terzijde, beslist interessant zijn bands als Sex Gang Children en The Southern Death Cult. De laatste wordt geleid door Ian Astbury, die geïnspireerd door de indiaanse cultuur en getooid met een mohawkkapsel de aandacht trekt. The Southern Death Cult wordt in no time een hype, maar als het kwartet 100.000 pond geboden wordt door zowel EMI als CBS, trekt bandleider Astbury aan zijn stutten. 
Astbury sluit vriendschap met ex-Theatre Of Hate-gitarist Billy Duffy en samen gaan zij verder als Death Cult, dat overigens slechts een ep en een single uitbrengt. Maar het partnerschap van Astbury en Duffy – een klassieke zanger-gitarist-tandem à la Jagger/Richards, Plant/Page en Tyler/Perry – bestendigt, want in januari 1984 is daar het definitieve vehikel: The Cult. Het debuut Dreamtime is in 1984 al een prachtplaat; de keldergalm is vervangen door trotse, bevlogen rock die hint naar U2. Astbury is de onstuitbare zanger met de melodramatische bariton, partner Duffy de pragmatische en briljante gitarist. Het duo wordt begeleid door bassist Jamie Stewart en drummer Nigel Preston. Het volgende album wensen Astbury en Duffy op te nemen met Steve Lillywhite, maar per abuis wordt het een andere Steve: Wham!-producer Steve Brown. Met Preston wordt nog de single 'She Sells Sanctuary' opgenomen, voor het overige worden de drumpartijen ingespeeld door Big Country's Mark Brzezicki. In Engeland wordt 'She Sells Sanctuary' in de zomer van 1985 een hit; in Nederland wordt de gedreven rocksong veelvuldig op de radio gedraaid, maar tip- noch hitparade wordt bereikt. Het album Love betekent wél een bescheiden doorbraak in Nederland. En terecht, want een gedreven gitaaralbum, aangewakkerd door passie, spiritualiteit en liefde. Muzikaal schuift The Cult op naar de klassieke rock van Led Zeppelin en Free, maar Duffy's gitaarsound, een beetje geleend van Big Country, klinkt moderner. Duffy blijkt een veelzijdige gitarist, getuige de monsterriff op titelnummer 'Love', het Hendrix-achtige gitaarspel op 'Phoenix' en de gloedvolle tremolo-sound op het weergaloze 'Black Angel'. Catchy en gedreven rocksongs, in het spoor van 'She Sells Sanctuary', zijn er in 'Nirvana', 'Rain', 'Hollow Man' en 'Revolution', terwijl 'Brother Wolf, Sister Moon' de barokke powerballad is waarin Astbury tot grote hoogten stijgt. Dit is schitterende rockmuziek; kracht bijgezet door de bloemetjes, kralen, paisley-motiefjes en de symbolen op de hoes. Dit alles tezamen maakt van Love een kleurrijk, neo-psychedelisch en hartstochtelijk hard rockend album.
Het succes van Love in Nederland wordt in 1986 bekroond met een optreden op Pinkpop. Het wereldwijde succes van The Cult wordt een jaar later bestendigd met het door Rick Rubin geproduceerde Electric, dat in 1989 gevolgd wordt door Sonic Temple. Dan is The Cult in Amerika een stadion-act en baden Astbury en Duffy in rijkdom, en dompelen zich onder in excessen, alcohol en drugs. Prachtige albums als Dreamtime, Love en Electric ten spijt, The Cult verwordt in de jaren negentig jammerlijk tot een soort van rock-'n-roll circusact. 

Nirvana / Big Neon Glitter / Love / Brother Wolf, Sister Moon / Rain / Phoenix / Hollow Man / Revolution / She Sells Sanctuary / Black Angel

vrijdag 14 november 2014

The Teardrop Explodes | Kilimanjaro

In 1976 komt Julian Cope naar Liverpool, met maar een doel: 'I want to be famous!' Cope doet daar hard zijn best voor; nestelt zich in de incrowd van Eric's, de hipste club van de stad en heeft met Ian McCulloch en Pete Wylie zijn eerste, embryonale band: The Crucial Tree. Julian Cope is een groot fan van The Doors, Love, Tim Buckley, Scott Walker en obscure Krautrock. Met zijn in de nazomer van '78 opgerichte groep The Teardrop Explodes vermengt hij psychedelica met postpunk, en creëert weirde, warme popmuziek. De eerste single 'Sleeping Gas' op het lokale Zoo-label is gelijk een hit, gevolgd door het springerige 'Bouncing Babies' en het ultra-pakkende 'Treason'. Major Phonogram/Mercury ziet de enorme potentie van Julian Cope als popster, tekent The Teardrops en releaset de vierde single 'When I Dream'. Maar tijdens de opnamen van de debuut-lp raakt Cope flink onder de invloed van LSD, al houdt de band de zinnen bij elkaar op Kilimanjaro, het album waar verwachtingsvol naar werd uitgekeken. Kilimanjaro is een klassieke popplaat met volop rinkelende gitaren, in reverb gedrenkt, een rondzoemend orgeltje en tribale drums. Alle – prachtige – singles zijn bijeengebracht op het album, naar de kroon gestoken door het fenomenale 'The Thief Of Baghdad'. Kilimanjaro wordt in 1980 in Engeland een hit, evenals het meer bespiegelende Wilder van het jaar daarop, maar Julian Cope, die in 1981 nog de schitterende Scott Walker-compilatie Fire Escape In The Sky samenstelt, raakt meer en meer vervreemd van de werkelijkheid. En is in 1984 uiteindelijk een LSD-slachtoffer dat zichzelf opblaast en zich vervolgens als een kluizenaar terugtrekt op het platteland. Het is het einde van de popster Julian Cope, al komt hij sterk terug als de muzikale druïde van het Stonehenge-tijdperk, met in zijn bagage fraaie, geflipte en ook onbeluisterbare albums.

Ha Ha I'm Drowning / Sleeping Gas / Treason / Second Head / Poppies In The Field / Went Crazy / Poppies In The Field / Went Crazy / Brave Boys Keep Their Promises / Books / The Thief Of Baghdad / When I Dream



woensdag 11 juni 2014

Modern Eon | Fiction Tales

Stad- en tijdgenoten van Echo & The Bunnymen, Teardrop Explodes en Wah! Heat, maar het succes van die bands is aan Modern Eon voorbij gegaan. Toch staat de band, dan nog een trio, in de voorhoede van de New Liverpool Scene, want in 1979 vertegenwoordigd op de verzamelaar Street To Street A Liverpool Album. De vervolgens uitgebrachte – magnifieke – singles 'Euthenics' en 'Child's Play' bezorgen Modern Eon, inmiddels uitgebreid met drummer, toetsenist en saxofonist, enige aandacht en een platendeal. De wens om met Ennio Morricone als producer hun debuutalbum op te nemen gaat helaas niet in vervulling, maar toch is de filmische, epische sound van Modern Eon treffend vastgelegd op Fiction Tales, het eerste en enige album. Het grootse, kamerbrede geluid – een en al ijlheid en doem – vertoont overeenkomsten met de duistere rock van Joy Division en Echo & The Bunnymen. Toch heeft Modern Eon genoeg eigens: schrapende gitaren, analoge synths, heftig tomtommende drums en de hese, in reverb gedrenkte stem van zanger Alex Johnson. En bovendien in 'Real Hymn', 'Child's Play', 'Choreography' en 'Euthenics' gloedvolle en majesteitelijke postpunksongs.

Second Still / The Grass Still Grows / Playwrite / Watching The Dancers / Real Hymn / Waiting For The Cavalry / High Noon / Child's Play / Choreography / Euthenics / In A Strange Way / Mechanic

woensdag 7 mei 2014

Big Country | The Crossing

De Schotse punkband The Skids is in feite een zieltogende bende als gitarist Stuart Adamson ze verlaten heeft. Joy, zonder Adamson, is in 1981 dan ook het treurige testament van The Skids. Adamson heeft zich dan al teruggetrokken in thuishaven Dunfermline een havenstad aan de voet van de Schotse Hooglanden en bezint zich op een nieuwe muzikaal avontuur. Partner in dit nieuwe avontuur is plaatsgenoot Bruce Watson, een gitarist die Adamson nog kent uit de punktijd. In een Londense studio maakt het duo contact met de ritmesectie van On The Air, ooit een voorprogramma van The Skids. Het klikt met Tony Butler (bas) en Mark Brzezicki (drums) en dus heeft Adamson een nieuwe groep: Big Country. Een nieuwe groep met een unieke sound; voortbouwend op de majesteitelijke postpunk van Echo & The Bunnymen, Simple Minds en U2, maar wat het verschil maakt is de fluitende, doedelzak-achtige gitaarsound van de Adamson/Butler-tandem.
'Harvest Home' is de debuutsingle en is een duidelijke verwijzing naar de Keltische roots van Adamson. Fierheid en trots over afkomst en historie van het onverzettelijke Schotland doordesemt de heartlandrock van Big Country, visueel benadrukt door de Schotse ruit-bloezen van het viertal. Big Country is in 1983 na de release van de single 'Fields Of Fire' hot – en nog hotter als op 15 juli 1983 The Crossing verschijnt. De beide singles zijn op het door Steve Lillywhite geproduceerde album terug te vinden, evenals opener, derde single en beginselverklaring 'In A Big Country': In a big country dreams stay with you. Harmonieuze melodieën, gierende doedelzak-gitaren en hoop, geloof en liefde maken van The Crossing, in een perfecte Lillywhite-productie, een spiritueel, klassiek rockalbum. Hoogtepunten zijn de afsluiters van beide plaatkanten, het magische 'The Storm' en het epische, wonderschone 'Porrohman' Belangrijk is ook de kracht van de sleutel-single van het majestueuze album, het onvergankelijke 'Change'. Big Country is klaar voor grote dingen. Dat blijkt al in 1984 als de band, onderdeel van een sterke line-up met John Hiatt, Marillion en The Pretenders, optreedt op Pinkpop. Big Country wordt een grote band en breekt ook door in het beloofde land Amerika.
De tol die Stuart Adamson uiteindelijk betaalt is groot; een combinatie van drugs, stress en depressiviteit leiden op 16 december 2001 tot een eenzame zelfmoord, in een hotelkamer op Hawaii. Oh Lord I never felt so low ('Chance').

In A Big Country / Inwards / Chance / 1000 Stars / The Storm / Harvest Home / Lost Patrol / Close Action / Fields Of Fire / Porrohman


vrijdag 28 februari 2014

Doll By Doll | Remember

In het begin van de jaren zeventig is Jackie Leven, alias John St. Field, een rusteloze troubadour met een woeste levensstijl. Dit wordt nog eens versterkt wanneer Leven in 1977 een Londense flat deelt met zijn muzikale trawanten Jo Shaw (gitaar, zang), David McIntosh (drums, zang) en Robin Spreafico (bas, zang), en leeft op een dieet van rockmuziek, LSD en cider. Datzelfde jaar, Leven is dan al 27 jaar, richten de vier – met de pubrock op het sterfbed en de punk in de embryonale fase – een band op, die gelijk al indruk maakt met zijn duistere psychedelische rock. Razendsnel heeft Doll By Doll, vernoemd naar een gedicht van e.e. cummings, in het Londense clubcircuit de reputatie van een agressieve, intimiderende rockband, aangevoerd door een maniakale zanger. De dubbelloops gitaren, de heavy ritmesectie en Levens teksten over vagevuur, seks en geweld onderscheiden zich duidelijk van de doorsnee punkband, reden waarom Warner-offshoot Automatic de Doll By Doll-sound laat vastleggen door Sex Pistols-producer Bill Price in de Wessex Studios. De weerslag hiervan is Remember, uitgebracht in het voorjaar van 1979, een harde rockplaat die gedomineerd wordt door Levens stentorstem en diens sardonische teksten, en de acid-rockgitaren die de San Francisco-psychedelica van Moby Grape in herinnering roepen. Omgeven door oorverdovende gitaarfeedback en wonderlijk fraaie harmoniezang zijn rocksongs als ‘The Palace Of Love’, ‘More Than Human’ en ‘Butcher Boy’ onkarakteristiek voor het punktijdperk – maar des te typerender voor de gepassioneerde en enigmatische Doll By Doll-sound. Remember, met op de hoes de Franse surrealist Antonin Artaud, is in 1979 een anachronistische, maar schitterende gitaarrockplaat.

Butcher Boy / Chances / Sleeping Partners / More Than Human / Lose Myself / Janice / The Palace Of Love / The Fountain Is Red, The Fountain Is White

woensdag 5 februari 2014

The Soft Boys | Underwater Moonlight

Vraag: wat heeft een Britse folkzanger die in 2002 een live opgenomen dubbel-cd met Dylan-covers uitbrengt gemeen met de gitarist die met zijn song ‘Love Shine A Light’ in 1997 het Eurovisie Songfestival wint? Antwoord: zij waren eind jaren zeventig de gezichtsbepalende figuren in The Soft Boys, een neo-psychedelische poppunkband uit Cambridge, Engeland. In 1976 treedt gitarist Kimberley Rew – van de latere Katrina & The Waves – toe tot de punkband die zanger en songschrijver Robyn Hitchcock reeds heeft opgericht met drummer Morris Windsor. Geïnspireerd door de opkomende punkbeweging en beïnvloed door de psychedelica van de sixties groeien The Soft Boys in de luwte van Cambridge uit tot een van de best bewaarde geheimen van de Britse new wave. De rammelpunk van het eerste uur maakt na de komst van funky bassist Matthew Seligman plaats voor nieuwe en meer gestructureerde songs. Op de bovenverdieping van een boothuis met zicht op de rivier de Cam oefent het kwartet dagelijks op Hitchcocks nieuwe meer pop-georiënteerde composities. Tussen januari en maart 1980 nemen The Soft Boys met Vibrators-bassist Pat Collier in drie verschillende Londense studio’s voor een loutere 600 pond de basistracks op voor hun lp, die volgens Windsor een perfecte misinterpretatie van popmuziek is. Toch komen op Underwater Moonlight – in juni 1980 uitgebracht op indie-label Armagaddon – Hitchcocks voorkeuren voor Syd Barretts Pink Floyd en de Westcoast-folkrock van The Byrds duidelijk naar voren. De driestemmige zang van Morris, Rew en Hitchcock verschaft Underwater Moonlight een psychedelische lading die nogal afwijkt van de dan heersende postpunktrend. Mede vanwege die zang zijn nummers als de single ‘I Wanna Destroy You’, ‘Positive Vibrations’, ‘Tonight’ en het weergaloze ‘Kingdom Of Love’ zulke fantastische naar de sixties knipogende poprocksongs. Rews twaalfsnarige gitaar en de Byrdsy benadering maken van ‘The Queen Of Eyes’ een prachtige folkrock-pastiche, terwijl het afsluitende titelnummer de psychedelica van Pink Floyd nog eens gereviseerd in de etalage zet. Wat verwacht werd gebeurde: Underwater Moonlight kon in Engeland op een incidentele positieve reactie rekenen, maat overal daarbuiten – Amerika, Nederland – was de ontvangst lauw. Een jaar na de release van Underwater Moonlight waren The Soft Boys al opgelost in het niets. Jaren later zal een van de grootste bands van de jaren tachtig – R.E.M. – op de vraag wie hun grootste invloed is, antwoorden: The Soft Boys.

I Wanna Destroy You / Kingdom Of Love / Positive Vibrations / I Got The Hots / Insanely Jealous / Tonight / You’ll Have To Go Sideways / Old Pervert / The Queen Of Eyes / Underwater Moonlight

zaterdag 11 januari 2014

Siouxsie And The Banshees


Susan Ballion en Steven Severin maken in 1976 deel uit van The Bromley Contigent, een schare fanatieke Sex Pistols-volgelingen. Kort daarop maken zij zich daarvan los en pogen op eigen benen te staan met hun eigen punkband: Siouxsie And The Banshees. De band van non-muzikanten buit de verwarring en chaos van de punk ten volle uit en weet de aandacht van de media op slimme wijze op zich gericht te houden. Als laatste van de grote punkbands tekent Siouxsie And The Banshees in 1978 een platencontract, bij major Polydor. Debuutalbum The Scream slaat in als een bom, opvolger Join Hands is in 1979 het spreekwoordelijke lastige tweede album.
Dan wordt de band gehalveerd en blijven alleen Siouxsie Sioux en Severin over, Bevriende gitaristen en drummer Budgie bieden de helpende hand, zodat Siouxsie And The Banshees ten tijde van het fragmentarische Kaleidoscope weer min of meer een band zijn. Fantastische singles zijn er in de vorm van 'Happy House', 'Christine' en 'Israel'. Bovendien is Siouxsie Sioux met haar tartan-look, leer- en spandex-uitdossingen en koele afstandelijkheid een stijl-icoon, en een media-manipulator bovendien. Anno 1981 is Siouxsie, zich verschuilend achter een duimendik make-upmasker in ieder geval in Engeland een popster. The Banshees zijn ook weer op volle oorlogssterkte als Magazine-gitarist John McGeoch definitief toetreedt. 'Spellbound', de eerste single, is veelbelovend en een prelude voor het vierde album dat in de zomer van 1981 verschijnt: Juju. The Banshees zijn op Juju een hecht opererend collectief dat in een productie van Nigel Gray een zwaar, hermetisch dichtgetimmerd geluid genereert van duistere bas en drums en krassende, schreeuwende gitaarlijnen. Opener 'Spellbound' kent, een single waardig, bovendien rinkelende akoestische gitaren. De volgende single van het album, 'Arabian Knights' is echter gejaagd en neurotisch en is representatiever voor de beklemmende gothische punk van The Ice Queen die op Juju zwarte magie bedrijft. Heftig en compromisloos, maar ook vakkundig gearrangeerd en gecomponeerd zijn hypnotische songs als 'Into The Light', het onheilspellende 'Voodoo Dolly' en het meeslepende albumhoogtepunt 'Night Shift': I'm out of mind with you / In heaven and hell with you...
Juju is hét hoogtepunt in Siouxsie Sioux' langdurige muzikale carrière. Hoewel A Kiss In The Dreamhouse (1982) een evenzeer intrigerend album is, wordt Juju toch algemeen beschouwd als de beste lp van The Banshees, temeer daar het heilige vuur de jaren daarop langzaam uitdooft. De band moet dan ook vooral worden vereenzelvigd met de hoogtijdagen – 1977-1982 – van de punk en de postpunk; Siouxsie And The Banshees zijn iconen daarvan.

Spellbound / Into The Light / Arabian Knights / Halloween / Monitor / Night Shift / Sin In My Heart / Head Cut / Voodoo Dolly



zaterdag 4 januari 2014

The Blue Nile | A Walk Across The Rooftops

Geen zicht op een baan, en dus verlaten Paul Buchanan (Engelse literatuur), Paul Joseph Moore (elektrotechniek) en Robert Bell (wiskunde) begin jaren tachtig de universiteit van Glasgow om met zijn drieën The Blue Nile te vormen. Met een minimaal instrumentarium en gedomineerd door synths brengen Buchanan (zang, gitaar), Moore (toetsen) en Bell (bas) in 1981 een eerste single uit op nota bene Robert Stigwoods RSO-label (The Bee Gees, Eric Clapton), Anti-sterren als ze zijn levert het niet meer dan een paar keer draaien op de radio op; The Blue Nile lijkt dan al op een dood spoor beland.
Bij toeval speelt een bevriende opname-technicus geluidsapparatuur-fabrikant Lynn een Blue Nile-tape in handen. Lynn is op zoek naar een band die een demonstratieplaat voor hun producten kan maken. En dus financiert Lynn de opnamen voor het debuutalbum van The Blue Nile, opgenomen in het rustieke Pencaitland, dicht bij Edinburgh. Niettemin is A Walk Across The Rooftops – in mei 1984 uitgebracht op Lynn Records – in het bijzonder een muzikaal portret van het industriële Glasgow; het nachtelijke Glasgow. Met een gezamenlijke speelduur van 38 minuten zijn de zeven tracks vooral impressionistische klankschilderingen van de stad bij nacht. De golvende ritmes en de syncoperende toetsen doen in de verte herinneren aan Japans Tin Drum, maar zijn vooral uniek: 'A Walk Across The Rooftops', het groovende 'Tinseltown In The Rain', het catchy-weemoedige 'Stay' en het elektronische 'From Rags To Riches' zijn ronduit imposant, want muzikaal fantasierijk en verrassend: gitaaraanslagen die oplossen in het niets, ijle toetsenvegen, de schitterend smachtende stem van Paul Buchanan en de schrijnende stiltes. En meer nog, in emotionele achtbanen als 'Easter Parade', 'Heatwave' en 'Automobile Noise' is de sfeer beeldend en evocatief:de stank van de metro, autogeluiden in de nacht, neon-weerspiegelingen in een plas.
A Walk Across The Rooftops is zo'n album dat raakt en verwondt; onmogelijk onberoerd laat. The Blue Nile – anti-sterren – beseffen in 1984 niet dat ze met A Walk Across The Rooftops een van de beste Britse albums van de jaren tachtig hebben afgeleverd. Wij aanvankelijk ook niet.

A Walk Across The Rooftops / Tinseltown In The Rain / From Rags To Riches / Stay / Easter Parade / Heatwave / Automobile Noise


woensdag 11 december 2013

Crime and the City Solution | Paradise Discotheque

Hoewel Simon Bonney en zijn Crime and the City Solution het spoor volgen van mede-Australiërs Nick Cave and the Bad Seeds, wil de overlevering dat Bonney juist de inspiratie vormt voor Cave en zijn Birthday Party. Al in 1978 is Bonney in Melbourne actief met Crime & The City Solution maar pas in 1984 is het spel definitief op de kar als ex-Birthday Party-leden Rowland S. Howard en Mick Harvey en Swell Maps-trommelaar Epic Soundtracks zich aansluiten bij Bonney en zijn vriendin, tekstschrijver Bronwyn Adams. Het gezelschap vestigt zich dan in Londen en tekent, net als Nick Cave, bij Mute.
Crime & The City Solution wijdt zich vol overgave aan punkblues en rioolrock, met als voorganger de door duistere krachten aangejaagde Bonney. De albums die de band produceert kunnen zij aan zij gedraaid worden met die van The Bad Seeds, maar gaandeweg verschuiven de accenten naar een lichtere toets; naar een transparanter geluid. Bonney en Adams zijn dan inmiddels verhuisd naar Berlijn en hebben daar een Duitse City Solution geformeerd met onder andere Einstürzende Neubauten-gitarist Alexander Hacke.
Het vierde, laatste en beste album neemt de band in 1990 op in Conny Planks Keulse studio – en is de kroon op Bonneys werk: Paradise Discotheque is een meesterlijk werkstuk. Aanvankelijk dartelen Bonney en kornuiten speels door galopperende prachtsongs als 'I Have The Gun', 'The Sly Persuaders' en het waanzinnige 'The Dolphins And The Sharks', maar dalen dan af in de krochten van de ziel met een meer gothic-geluid, dat bepaald wordt door een grommend orgel, reverb-gitaren, cello en Bronwyn Adams' weemoedige viool. Aldus is het angstaanjagend fraaie 'The Sun Before The Darkness' een voorlopig hoogtepunt, maar het gaat nog dieper op 'The Last Dictator', een donker, plaatkant vullend vierluik over de Roemeense dictator Ceausescu dat luistert als een gothic novel. Het besluit een meeslepend album dat laveert tussen licht en donker, tussen melodie en pathos, maar altijd van een gloeiende intensiteit is. Een waardige zwanenzang van een cultband, die overigens in filmmaker Wim Wenders zijn grootste fan had.

I Have The Gun / The Sly Persuaders / The Dolphins And The Sharks / The Sun Before The Darkness / Motherless Child / The Last Dictator I / The Last Dictator II / The Last Dictator III / The Last Dictator IV


vrijdag 29 november 2013

Wah! | Nah = Poo – The Art Of Bluff

4 mei 1977: het eerste optreden van The Clash in Liverpool en het startsein van The Crucial Three. Ian McCullough, Julian Cope en Pete Wylie; samen zullen ze nooit een plaat maken, maar ieder voor zich wel. McCullough met Echo & The Bunnymen; Julian Cope met Teardrop Explodes; en Pete Wylie met Wah! Heat. Wah! Heat, dat even Crash Course heet, debuteert in 1979 met de geweldige single 'Better Scream', levert een van de beste tracks aan voor de verzamelaar Hicks From The Sticks en vervolgt in 1980 met de tweede machtige single 'Seven Minutes To Midnight'.
Als de debuut-lp in de zomer van 1982 verschijnt, heet de band – Wylie met wat muzikale hulpjes – opeens Wah!; de titel is ook al bijzonder: Nah = Poo – The Art Of Bluff. De muziek is dat ook, want tegenover Wylie's powerchords, gemodelleerd naar The Who en The Clash, staat de postpunk en cold wave van krassende gitaren, nervy ritmes en sferische synths. Liedjes schrijven kan Pete Wylie ook, getuige opwindende, jachtige tracks als 'Other Boys, 'Mission Impossible', 'Somesay', het broeierige 'Sleeeppp', de gierende gitaar-instrumental 'The Seven Thousand Names Of Wah!' en niet te vergeten de in nieuw jasje gestoken postpunk-klassieker 'Seven Minutes To Midnight'.
Een malle titel, dat wel, maar Nah = Poo – The Art Of Bluff is desondanks een fantastische postpunk-lp; een geweldig rockalbum. Het is de enige plaat van Wah!, al gaat Pete Wylie wel door onder diverse andere – malle – bandnamen: The Mighty Wah!, Shambeko! Say Wah! en Moloko Plus! – alle met uitroepteken!

The Wind-Up / Other Boys / Why D You Imitate The Cutout / Mission Impossible / Somesay / The Seven Thousand Names Of Wah! / Sleeeppp / Seven Minutes To Midnight / The Death Of Wah!.



woensdag 30 oktober 2013

Prefab Sprout | Steve McQueen

Al jong een muzikaal talent: Paddy McAloon schrijft zijn eerste liedjes op zijn twaalfde. Met zijn eerste bandjes Chrysalis Cognosco en Grapled Institution speelt hij covers van T.Rex, Mott The Hoople en Slade in koffiehuizen en bejaardentehuizen in zijn woonplaats Newcastle. In 1977 begint hij met zijn broer Martin Prefab Sprout dat in 1982 zijn eerste single uitbrengt. Dan voegt zich Wendy Smith, met haar zwoele sirenenzang, bij de broers en verschijnt een tweede single op het Kitchenware-label. Debuutalbum Swoon maakt vooral op popcritici indruk vanwege de ambachtelijke popliedjes die tegen de heersende mores in niet op klinische synthesizers leunen, maar op akoestische gitaren, mondharmonica en piano. Voor een grote doorbraak zorgt in 1985 echter opvolger Steve McQueen. 
Dit geweldige popalbum, geproduceerd door de professorale Thomas Dolby en voorzien van een sophisticated sound, opent met het opzienbare 'Faron Young' – door McAloon al in 1978 geschreven – dat een Smiths-gitaarsound koppelt aan een country-ritme en genoemd is naar jaren vijftig country & western-zanger Faron Young. Er volgt dan een fraaie serie schijnbaar eenvoudige en lichtvoetige popliedjes die subtiel leunen op jazz en blue-eyed soul: de trits 'Bonny', 'Appetite' en 'When Love Breaks Down' bezit een sprankelende, ongrijpbare pracht. Roland- en Yamaha-synthesizers duiken op in zwoel-sophisticated liedjes als 'Hallelujah' en 'Moving The River'; 'Horsin' Around' knipoogt vanwege de jazzy toetsen sterk naar Steely Dan. Het moge duidelijk zijn; Steve McQueen – geen postpunk en geen synthpop – is halverwege de jaren tachtig een tamelijk uniek album en daarom iconisch voor het tijdsgewricht. Hoewel typisch Brits, krijgt Prefab Sprout met Steve McQueen ook een voet aan de grond in Amerika. Alleen heet het album daar Two Wheels Good omdat de erven-McQueen de albumtitel bepaald niet op prijs stellen. Overigens is Paddy McAloon met de Triumph-motorfiets op de lp-hoes stevig onderuit gegaan.

Faron Young / Bonny / Appetite / When Love Breaks Down / Goodbye Lucille #1 / Hallelujah / Moving The River / Horsin' Around / Desire As / Blueberry Pies / When The Angels

woensdag 25 september 2013

The Comsat Angels | Fiction

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw heeft industriestad Sheffield een geduchte muzikale reputatie. De electrorock van Cabaret Voltaire en de synthipop van The Human League maken school in het Engeland van Thatcher. Het ligt dan ook voor de hand dat The Comsat Angels door de Britse muziekpers in hetzelfde vakje worden geduwd; elektronica is immers de rigeur anno 1980. Het is een schromelijke vergissing, maar wat erger is, het is een vergissing die de band nooit te boven zal komen. Eind jaren zeventig is er Radio Earth, een jazzrock-combo dat wordt gevormd door winkelbediende Steve Fellows (zang, gitaar), ziekenhuisbeddenreparateur Andy Peak (toetsen), tuinman Kevin Bacon (bas) en steuntrekker Mick Glaisher (drums). Met nota bene hulp van de sociale dienst bewijst het kwartet zijn bestaansrecht met gecompliceerde en technisch verantwoorde jazzrock. Maar dat verandert als de band volledig van het podium gespeeld wordt door Pere Ubu. De zeggingskracht, verwarring en maniakale gekte van de Amerikanen maakt de ogen van de jazzrockers wijd open. Het moet anders: intenser, kaler, meeslepender en dieper, veel dieper. De punk en de postpunk van Joy Division, The Sound en Echo & The Bunnymen is de katalysator die het kwartet in een andere en onbekende richting duwt. En er is een nieuwe naam: The Comsat Angels, vernoemd naar een verhaal van J.G. Ballard; The Comsat Angels – een samenvoeging van technologie en mythologie. In 1979 verschijnt dan de in eigen beheer uitgegeven EP Red Planet en bestaat The Comsat Angels uit Even Stephen, The Jazz Orange, Michael Spencer Farquahar en Dresden, schuilnamen om de uitkeringsinstanties om de tuin te leiden. Via BBC-dj John Peel tekent de groep een contract voor drie platen bij Polydor. Het majordebuut Waiting For A Miracle is een wonderlijk speelse en vitale plaat en schurkt dicht aan tegen Crocodiles, het drie maanden daarvoor verschenen debuut van Echo & The Bunnymen. Met de jachtige en onheilspellende grotestadsmuziek weet The Comsat Angels grote indruk te maken op pers en publiek. Een jaar later, in 1981, verschijnt de opvolger Sleep No More, een loodzware, fragmentarische en met doem geladen rock-lp die de veelbelovende reputatie van de Comsats ten volle bekrachtigt. De krassende gitaarlijnen van Fellows en de naar de bombast neigende toetsenpartijen van Andy Peake worden het handelsmerk van de grimmige postpunkers uit Sheffield. De synthetische klanktapijten die als kolkende lava over Fellows’ composities worden uitgestort zijn essentieel in het beklemmende klankbeeld, maar zorgen eveneens voor onbegrip in het door synthipop geregeerde Albion. Hoewel The Comsat Angels in Nederland relatief populair zijn, blijft een doorbraak in het thuisland uit. Het derde album is daarom van cruciaal belang.
Fiction combineert de melodieuze pracht van het debuut met de claustrofobische zeggingskracht van de opvolger, en vervolmaakt daarmee een nagenoeg perfecte trilogie. De accenten zijn onmerkbaar verschoven van het donker naar het licht, zonder dat het kenmerkende atmosferische karakter verloren is gegaan. Fiction is een oefening in schoonheid; Fellows’ bedachtzame en ingetogen composities – met een nadrukkelijke rol voor de weerscondities als metafoor voor de menselijke gemoedstoestand – sluiten naadloos aan bij de ingehouden arrangementen. De toetsen hebben hun dominantie verloren en gaan op in de hechte bandsound die gekenmerkt wordt door roffelende drums en etherische open gitaarakkoorden. ‘After The Rain’ is de sfeervolle opener en is getoonzet in een sfeer van hoopvolle verwachting als de wolken wegtrekken en plaatsmaken voor het heldere licht. Deze thematiek wordt op Fiction tot in de perfectie doorgevoerd en vindt zijn talloze climaxen in werkelijk wonderschone songs als ‘Now I Know’, ‘Pictures’, ‘Don’t Look Now’ en het duister ‘Ju Ju Money’. Het is deze serene melancholica die Fiction tot een postpunk-monument maakt. The Comsat Angels hebben met Fiction een equilibrium bereikt dat hun derde plaat tot een drie-eenheid smeedt met de illustere voorgangers. Fiction is de definitieve inlossing van een grote belofte en een mijlpaal in de vroege jaren tachtig.
Na Fiction ondernamen The Comsat Angels een tournee door de Verenigde Staten, maar aan de vooravond van het vertrek ontving de band een telefoontje van het Amerikaanse bedrijf Communication Satellite (ComSat) Corporation dat eiste dat de band zijn naam zou veranderen op straffe van een rechtzaak. The Comsat Angels gingen akkoord met een naamsverandering: The C.S. Angels. De Amerikaanse tour werd een ramp. Ook bleef een doorbraak in Engeland uit en verlengde Polydor – die geen benul had hoe The Comsat Angels in de markt te zetten – het contract niet. The Comsat Angels hielden het desondanks nog een aantal jaren vol, veranderden hun naam in Dream Command, maar wisten bij lange na niet het niveau te bereiken van de klassieke trilogie van Waiting For A Miracle, Sleep No More en de kroon op het indrukwekkende oeuvre, Fiction.

After The Rain / Zinger / Now I Know / Not A Word / Ju Ju Money / More / Pictures / Birdman / Don’t Look Now / What Else!?

vrijdag 20 september 2013

Talk Talk | Spirit Of Eden

En zoals zo vaak ontkiemde het vanuit de punk. Eddie Hollis maakte deel uit van de inner circle rondom Dr. Feelgood en was een punker van het eerste uur. Vanuit zijn duizelingwekkende platencollectie startte Hollis in 1975 een van de eerste Britse punkbands: Eddie And The Hot Rods. Eddie neemt op zijn wilde toers door het land zijn jongere broer Mark mee op sleeptouw en in de pubs waar The Hot Rods spelen zet ook Mark de eerste schreden op het muzikale pad. Als Mark Hollis dan in 1981 met bassist Paul Webb en drummer Lee Harris een new wave-band oprichten, is Talk Talk een feit. In deze beginjaren volgt Talk Talk het hippe en dan moderne Blitz-stramien; in navolging van bands als Duran Duran, Orchestral Manoeuvres In The Dark en Spandau Ballet wordt de sound volledig gedomineerd door synthesizers en ingeblikte toetsen. EMI Records heeft grote verwachtingen van de band rondom Mark Hollis en tekent een langdurig contract met Talk Talk. De groep brengt dan naast een elpee een aantal singles uit en heeft in 1981 ook in Nederland een hitje met het met synthesizers volgesmeerde deuntje ‘Talk Talk’. 
In de volgende jaren ontworstelt Talk Talk zich voorzichtig aan de eendimensionale synthipop door van de nood een deugd te maken en de synthetische klanktapijten op te blazen tot barokke proporties en daarbij en passant de piano een grote rol toe te dichten. Het levert Mark Hollis en de zijnen klassieke hits op met ‘Dum Dum Girl’, ‘It’s My Life’ en ‘Such A Shame’ – alle afkomstig van de succesvolle langspeler It’s My Life. Maar dan gaat het roer om: de bombastische keyboards worden radicaal overboord gezet ten faveure van de akoestische piano.
De drijvende kracht achter deze transformatie is producer en toetsenist Tim Friese-Green. Mede door zijn bemoeienis wordt Talk Talk omgetoverd tot een symfonische band voor wie sfeer en verstilling belangrijker is dan technisch machtsvertoon. The Colour Of Spring (1986) is al een magnifiek meesterstuk van atmosfeer en nuance – en levert Talk Talk zelfs nog een wereldhit op met ‘Life’s What You Make It’ – maar het kwartet, Friese-Green is inmiddels fulltime bandlid, zoekt de grenzen van het muzikaal impressionisme nog verder op. Met Spirit Of Eden zet Talk Talk de eerste stappen op weg naar een nieuwe symfonica.
Veertien maanden wordt er in de studio gesleuteld aan Spirit Of Eden. Een keur aan muzikanten draaft op, onder wie bassist Danny Thompson (Nick Drake, John Martyn), gitarist Robbie McIntosh (The Pretenders) en klassiek violist Nigel Kennedy. Daarnaast worden er houtblazers als klarinet en oboe ingezet die voor een organische en pastorale sfeer zorgen. Friese-Green is als instrumentalist bovendien meesterlijk wanneer hij orgel en harmonium bespeelt. En dan is er nog het verstilde pianospel en het uit duizenden herkenbare stemgeluid van de initiator van dit alles, Mark Hollis.
De zes composities die Spirit Of Eden vormen – in gezamenlijkheid gecomponeerd door Hollis en Friese-Green – ontberen elke klassieke popstructuur en stromen voort op ijle en organische klanken die aan impressionisten als Erik Satie of Claude Debussy doen denken. Startend vanuit wat vaag op een bluesschema lijkt, neemt openingsnummer ‘The Rainbow’ algauw het filmische karakter aan van Pink Floyds ‘Shine On You Crazy Diamond’, maar Talk Talk gaat verder en graaft dieper in zijn symfonische verklanking van het surrealisme van Salvador Dalí en Joan Miró. In een vorm die tere schoonheid verklankt en tegelijk een elementaire kracht verbeeldt, zweven de Talk Talk-muzikanten van de ene muzikale droom naar de andere. Hollis’ minuscule teksten raken aan de eenvoud van het bestaan, zoals in het majestueuze ‘Eden’: Everybody needs someone to live by. Of dienen als vocaal bestanddeel van de ambient-achtige en volmaakte afsluiter ‘Wealth’: Take my freedom for giving me a sacred love.
Ondanks de loodzware pretenties is Spirit Of Eden geheel vrij van bombast en holle pathetiek. Het magisch-realistische meesterwerk van Hollis en Friese-Green is een nieuw muzikaal concept en brengt de popmuziek een fikse stap verder. Spirit Of Eden is dan ook totaal onvergelijkbaar met elke vorm van popmuziek die tot dan toe verscheen en is zoals gezegd baanbrekend op het gebied van de vernieuwing van de symfonische popmuziek. Dit is wat Spirit Of Eden duidelijk maakt: Mark Hollis is een muzikaal genie.

The Rainbow / Eden / Desire / Inheritance / I Believe In You / Wealth



dinsdag 16 juli 2013

Aztec Camera | High Land, Hard Rain

Nog maar een tiener is Roddy Frame als hij in Glasgow zijn eerste bandje opricht en met zelfgeschreven liedjes de aandacht trekt van het hippe Postcard Records. Frame's band, Aztec Camera, vormt met Orange Juice en Josef K The Sound of Young Schotland, en dat vindt ook John Peel na de release van debuutsingle in 1981. Roddy Frame komt via The Teardrop Explodes en Julian Cope in contact met de muziek van Love en Buffalo Springfield. Aztec Camera – in feite het particuliere eigendom van Frame – heeft vooral een Westcoast-sound van wuivende akoestische gitaren met een hipster jazz-accent, gegoten in romantische, bespiegelende liedjes met een twist. Bij Rough Trade komt in 1983 het debuutalbum High Land, Hard Rain uit dat een wat gepolijster geluid kent dan de eerste singles. Niettemin is het een fraai album met prachtige, weemoedige maar hoopvolle popliedjes, jubelende akoestische gitaren en aanstekelijke hits. 'We Could Send Letters' is het (opnieuw opgenomen) b-kantje van de debuutsingle, 'Pillar To Post' de Britse doorbraaksingle en album taster, gevolgd door 'Oblivious' en 'Walk Out To Winter.' Geweldige singles, een prachtig debuutalbum; Roddy Frame is dan nog maar net 19 jaar oud.

Oblivious / The Boy Wonders / Walk out To Winter / The Bugle Sounds Again / We Could Send Letters / Pillar To Post / Release / Lost Outside The Tunnel / Back On Board / Down The Dip


vrijdag 14 juni 2013

The Room | Indoor Fireworks

Qua stijl lijkt The Room met zijn neurotische rammelrock eerder afkomstig uit de Schotse Postcard-stal of uit het deprimerende Manchester van The Fall dan uit thuisbasis Liverpool. Opgericht in 1979 menen zanger Dave Jackson en bassiste Becky Stringer – aangevuld met neo-hippies Robyn Odlum (gitaar) en Clive Thomas (drums) – aanvankelijk deel uit te kunnen maken van scene rondom Echo & The Bunnymen en The Teardrop Explodes, maar helaas: The Room breekt niet door en verdwijnt vrij snel in de vergetelheid. Toch heeft de band het goedkeuringsstempel van John Peel opgedrukt gekregen en is de debuutplaat Indoor Fireworks een ijzersterk postpunkalbum.
Voortgedreven door stekelige, jachtige gitaren en de nervy zang van Jackson past The Room uitstekend in het nerveuze muzikale en maatschappelijke tijdsbeeld. Uitgebracht in april 1982 is Indoor Fireworks vooral opgetrokken uit voortjakkerende gitaarpopsongs als 'Escalator', 'Chatshows' en 'Candle', terwijl meer atmosferische songs als 'No Dream' en 'Rewind' zich inderdaad kunnen meten met het beste van Echo & The Bunnymen en The Teardrop Explodes. Waarvan akte. The Room gooit er nog drie lp's tegenaan, maar baten doet het niet; in de zomer van 1985 valt de band in splinters uiteen.

No Dream / Escalator / Rewind / Chatshows / This Party Stinks / Heat Haze / Conversation / Things Have Learnt To Walk That Ought To Crawl / Candle / Bated Breath / In Sickness And In Health  

maandag 20 mei 2013

The Saints | All Fools Day


The Saints van de debuutsingle 'I'm Stranded' uit 1976 is een heel andere dan die van All Fools Day. Die debuutsingle is punk van het eerste uur en slaat in Engeland in als een bom. Niet gek voor een band uit Brisbane, Australië. De constante factor in The Saints door alle jaren heen is Chris Bailey, een romantische ziel die zijn jeugd doorbrengt in Belfast, Ierland en zijn puberjaren down under. Na een niet geheel gelukt punk-avontuur – een periode die Bailey platzak en als straatzanger afsluit – pendelt de rusteloze alcoholist tussen Australië en Engeland, maar richt toch in Brisbane weer een nieuwe Saints op. In steeds wisselende samenstellingen bedient Bailey zich van blazers, strijkers en nemen rinkelende akoestische gitaren en heldere elektrische een steeds dominantere plaats in. Halverwege de jaren tachtig heeft Bailey The Saints weer behoorlijk op de rails en is de band onderdak bij het Australische Mushroom-label. Die stuurt The Saints naar Wales om daar met postpunkproducer Hugh Jones een nieuw album op te nemen dat in maart 1986 op de Australische markt komt: All Fools Day. 
 De zevende Saints-lp is een juweel van een album, dat gekenmerkt wordt door een organisch en transparant geluid – Jones produceerde eerder Echo & The Bunnymen en The Sound – en dat vooral veel celtic soul bevat. Bailey laat zich in soulvolle sturm-und-drang-songs overduidelijk gelden als de Van Morrison van de punkgeneratie. Energiek en sprankelend in de bijna-hit 'Just Like Fire Would' en in het door strijkers en blazers opgepookte 'Hymn To Saint Jude', rockend en snerend in 'Empty Page' en lyrisch lallend in 'Celtic Ballad', dat pure Ierse folk is. Bailey en zijn Saints schitteren echter vooral in de donker getinte ballads: in 'Blues On My Mind' klinkt Bailey als Tom Waits ten tijde van Closing Time; het schitterende titelnummer 'All Fools Day' viert en betreurt het aardse bestaan. Het sleutelnummer van All Fools Day is niettemin het hemelbestormende 'See You In Paradise', dat soul, rock en folk versmelt tot een smeulend amalgaam en waarin Bailey zijn boodschap aan de wereld uitdraagt: There be no call to arms tonight / And this ain't no holy fight / I'll see you in paradise / I'll see you in paradise. Beter dan All Fools Day zullen The Saints niet meer worden; nooit meer.

Just Like Fire Would / First Time / Hymn To Saint Jude / See You In Paradise / Love Or Imagination / Celtic Ballad / Empty Page / Big Hits (On The Underground / How To Avoid Disaster / Blues On My Mind / Temple Of The Lord / All Fools Day

zondag 24 maart 2013

The Names | Swimming


Factory is begin jaren tachtig een allesomvattend Brits begrip: de doem van Joy Division; de kilte van het postindustriële Manchester; de arty vormgeving van Peter Saville; en de claustrofobische productie van Martin Hannett. Maar er zijn ook Belgen: The Names. Vier jonge muzikanten uit Brussel vinden aansluiting bij de hipsters in Manchester, komen onder contract bij Factory en releasen in november 1980 de door Martin Hannett geproduceerde single 'Nightshift'. De volgende single laat langer op zich wachten vanwege Hannetts door alcohol en drugs gedreven lethargie: in januari 1982 verschijnt 'Calcutta' op het zusterlabel Factory Benelux.
Dan gaan The Names met Martin Hannett de Strawberry Studios in om hun debuut-lp Swimming op te nemen. Uitgebracht in juni '82 op het sublabel van Factory Benelux, Les Disques du Crépuscule, is Swimming een doemplaat pur sang: hypnotiserende, repeterende drums, schurende, zagende gitaren en dreigende, ijzige synthesizers die steeds in het klankbeeld opdoemen en dan weer vervagen. De treurige zang is diep weg gemixt, terwijl geluidstovenaar Martin Hannett de echokamers volop open heeft gezet. De kille doem komt vooral geweldig tot zijn recht in atmosferische rocksongs als 'Floating The World', 'The Fire' en 'Life By The Sea', in de peilloos diepe treurigheid van 'White Shadown en in het imponerende muzikale grafschrift 'Leave Her To Heaven'. Swimming past perfect in het rijtje Britse doemplaten als Secondhand Daylight, Unknown Pleasures en Seventeen Seconds, maar in 1982 is de stroming redelijk passé en ook een marginaal label als Crépuscule kan weinig voor de Belgen betekenen, waarna The Names net als een mistige synthesizer-flard langzaam vervagen.

Discovery / Floating World / The Fire / Life By The Sea / White Shadow / (This Is) Harmony / Shanghaï Gesture / Leave Her To Heaven / Light 

zaterdag 9 februari 2013

Japan | Quiet Life


Kunstmatig, cerebraal en afstandelijk, zo is de muziek van Japan meer dan eens omschreven. Ook David Batts, artiestennaam David Sylvian, beaamt dit. Vernieuwend en invloedrijk was Japan evenzeer, wat dan weer niet door Sylvian wordt beaamd. Valse bescheidenheid. Opgericht in de midden jaren zeventig in Londen en opererend in de vaste bezetting met naast zanger/componist Sylvian diens broer Steve Jansen (drums), Mick Karn (bas, saxofoon), Richard Barbieri (toetsen, synrhesizers) en gitarist Rob Dean doorloopt Japan verschillende muzikale en conceptuele fasen. Uitgedost als een gestileerde variant van de New York Dolls brengt Japan eerst funkende rock op Adolescent Sex, waarna vervolgens de Velvets, Reed en Bowie hun invloeden doen gelden op Obscure Alternatives. Wanneer aan het eind van het decennium de punk verschuift van protest en lawaai naar narcisme en artrock, behoort Japan tot de nieuwe voorhoede. De nieuwe dandylook, compleet met eyeliner en lippenstift, zet Japan en vooral diens voorman David Sylvian nadrukkelijk in de etalage. Vooral in Japan, waar de gelijknamige groep mega-zalen als de Budokan uitverkoopt. Dan gaat de band in zee met discoproducer Giorgio Moroder voor de single ‘Life In Tokyo’ en aldus doet een geraffineerde discobeat zijn intrede. Moroder en hardrock-producer Sandy Pearlman zijn kandidaat producers voor Japans volgende lp, maar het lukt de band de eerste kandidaat te strikken: John Punter, engineer van de eerste Roxy Music-platen. 
In Punters vaste Londense studio, Air Studios, en met diens vaste crew neemt Japan zijn derde plaat op: Quiet Life. De grandeur en het Europese karakter van Quiet Life doen direct denken aan het vroege werk van Bryan Ferry en zijn kompanen; Quiet Life kan beslist doorgaan voor de natuurlijke opvolger van Siren. Het titelnummer wordt aangejaagd door een synthetische beat, maar bevat ook scherp gitaarspel van Rob Dean. Het machtige ‘In Vogue’ wordt aangedreven door het knorrende, fretloze basspel van Mick Karn, al spelen diens massieve saxofoon-harmonieën evenzeer een voorname rol – net als in het schitterende ‘Alien’. Sylvian croont in de beste Ferry-traditie, zingt in ‘Despair’ in het Frans gelijk Ferry in diens ‘Song For Europe’ en etaleert zijn gespeelde gekweldheid op superieure wijze in ‘The Other Side Of Life’. Dit magische slotakkoord sterft uiteindelijk in de schoonheid van barokke strijkers die onder regie staan van Ann O’Dell. Weltschmerz en gekwelde grandeur ten spijt, Quiet Life, met zijn distinctie en eloquentie, is een waar tijdloos meesterwerk. Het zal de tand des tijds met een met lippenstift besmeurde glimlach doorstaan.

Quiet Life / Fall In Love With Me / Despair / In Vogue / Halloween / All Tomorrow’s Parties / Alien / The Other Side Of Life  

woensdag 16 januari 2013

Echo & The Bunnymen |Crocodiles


Punk is uitgewoed, Ian Curtis heeft zelfmoord gepleegd. Het is de zomer van 1980. Temidden van de bruisende Liverpoolse muziekscene staat een groep op die debuteert met een album dat inslaat als een bom. Na de singles 'Rescue', 'Monkeys' en 'Villiers Terrace' brengt de groep met de nogal ironische naam Echo & The Bunnymen hun debuutplaat Crocodiles uit. Hun muziek is geladen, ruimtelijk en ongewoon zelfverzekerd. Postpunk is de geuzennaam die hun muziek – een bruisend amalgaam van punk en psychedelica – later zal krijgen.
Echo is de naam van de drumcomputer die Ian McCullogh, Will Sergeant en Les Pattison bijstaat voordat de machine vervangen wordt door een drummer van vlees en bloed. Deze dynamiek completeert de anno-nu klassiek geworden Bunnymen-sound. De roffelende drums voorzien McCullochs theatrale zang en Sergeants atmosferische gitaarspel van een stevige ruggengraat. De ongemeen felle voordracht en de uiterst melodieuze composities zetten Crocodiles op de kaart als een icoon van zijn tijd: nerveuze voortjakkerende rock uitgevoerd door ogenschijnlijk verveelde middleclass-jongeren. Poseurs zijn het, dat laat de hoesfoto zien, met McCullogh en zijn glimmende sensuele lippen als het stralende middelpunt. Als een reïncarnatie van een jonge Jim Morrison of een punk-uitvoering van David Bowie straalt Ian McCulloch de luisteraar tegemoet, alsof hij zowel in woord of gebaar wil zeggen: hier zijn wij, we weten wat we willen en we zijn onontkoombaar, of je het nu wilt of niet. En onontkoombaar is Crocodiles.
Tien nummers in krap 35 minuten, slechts twee klokkend boven de vier minuten, dat is Crocodiles in tijd gemeten. Korte nummers getoonzet in een punk-traditie, uitgevoerd met een atmosferische diepgang die doem paart aan jaren zestig psychedelica. McCullogh croont en schmiert als een volleerde melancholicus die de wereld op zijn rug draagt, partner-in-crime Sergeant ondersteunt met krassende gitaarlijnen, nerveuze ritmiek en bovenal met wonderschone open akkoorden-motiefjes. Het is een sound die, zeker in retrospectief, herkenbaar is uit duizenden en simpelweg klassiek is. Crocodiles schiet uit de startblokken met mistige gitaarflarden die beelden oproepen van een grauwe negentiende-eeuwse industriestad. Dickens vervat in popmuziek. Heldere melodieuze pop-lyriek voert je de wereld binnen van het Bunnymen-universum. Onzekerheid vertolkt met grandeur en bravoure, handelend over Things that shouldn’t be. 'Going Up' is een overrompelende opener, exempel van wat er komen gaat. Negen van de tien composities bezitten een hoge popgevoeligheid en zouden radiohits hebben moeten zijn in een betere wereld. Nummer tien, de afsluiter 'Happy Death Men', is van een andere orde en wordt naar een einde gebracht door schallend koper. In de laatste seconden die Crocodiles telt keert de melodie terug van plaatopener 'Going Up' en is de cirkel rond, waarmee de luisteraar bijna gedwongen is de reis door Bunnymen-land nog eens te maken. En nog eens en nog eens.
In 1988, na vijf veelal hoogstaande platen verbreekt McCullogh de band met Sergeant. Maar al in 1991 komt het duo weer bijelkaar. Pas in 1995 levert dit onder de naam Electrifixion in de vorm van Burned weer een aansprekende plaat op. Dan neemt het duo de vertrouwde groepsnaam weer aan en laat Evergreen en What Are You Going To Do With Your Life? op de wereld los. Om in 2001 herboren te verschijnen met Flowers. De plaat wordt in de Britse pers ruimhartig geprezen en impliciet wordt hiermee het bestaansrecht van de vaandeldragers van de new wave erkend. Waarmee de hoop op een betere wereld nieuw leven ingeblazen wordt.

Going Up / Stars Are Stars / Pride / Monkeys / Crocodiles / Rescue / Villiers Terrace / Pictures On My Wall / All That Jazz / Happy Death Men


zondag 16 december 2012

The Only Ones | Even Serpents Shine


Hoewel de ster van Peter Perrett en zijn broeders in het kwaad rees in de eind jaren zeventig – en aldus meereed op de toen heersende golven – hadden The Only Ones in feite geen ene reet te maken met de heersende punk- en new wave-trend. The Only Ones waren een ouderwetse vuige rockband, wier scheppingsdrang niet voortkwam uit de chaos van de punk. Nee, Lou Reed, Television, David Bowie, The Who en zelfs Wishbone Ash lijken eerder in aanmerking te komen om als invloeden te dienen voor de supergeile nachtrock van het Zuid-Londense kwartet. En wat voor een kwartet; een onwaarschijnlijk samenwerkingsverband van een heroïne en cocaïne dealende bohémien, diens vazal, een veteraan-drummer en dito bassist. Peter Perrett is een romantisch kind van de nacht dat weigert deel te nemen aan de realiteit van alledag, zijn alter ego is Mike Perry die met zijn gitaar evenveel weet uit te drukken als Perrett met zijn teksten. Mike Kelly is een muzikale veteraan die drumde bij Spooky Tooth en Alan Mair is de nog oudere bassist. Vanzelfsprekend is Peter Perrett de onbetwiste leider van dit bonte gezelschap, het zijn dan ook zijn composities en teksten die de aandacht trekken van platenmaatschappij CBS. In 1979 is de gelijknamige debuut-lp een jaar eerder verschenen en heeft de single 'Another Girl / Another Planet' de aandacht getrokken van het publiek. De verwachtingen van zowel publiek als platenmaatschappij zijn hooggespannen als The Only Ones de studio ingaan om aan hun volgende plaat te werken.
De sessies voor Even Serpents Shine worden in verschillende studio’s opgenomen. Vanwege de mogelijk ontbrekende coherentie zorgt bassist en zelfbenoemd producer Alan Mair voor een dikke en dichte sound. Perrets snuiven en spuiten, een maîtresse die op onverwachte momenten een gedementeerde striptease in de studio opvoert en de donkere en van ennui doordrenkte sfeer maken Even Serpents Shine tot een onontkoombaar document. Peter Perrett laat zich volledig gaan, waarbij zijn slepende en snerende voordracht zowel Dylan als Reed in herinnering roepen. Perretts stuwende slaggitaar biedt een effectief fundament voor het lyrische gitaarspel van John Perry. Zijn solo’s en vloeiende gitaarlicks zijn één van de pijlers van Even Serpents Shine. De andere pijler is natuurlijk Perrett – de rocker in pyamabroek en berenvel – die door middel van zijn teksten zijn verlichting zoekt. In 'From Here To Eternity' heet het But in the darkness and in the light / I have found some hope of me getting out from this underground, in 'You’ve Got To Pay' spreekt Perrett van I’ve had enough of this poison and decay. Maar deze verwijzingen zijn niet genoeg, in 'No Solution' sneert Perrett I can’t take it anymore terwijl hij in 'Miles From Nowhere' uit de werkelijkheid wil vluchten: maybe you will set me free from this sorrow. De teksten zijn vervat in epische rocksongs die gemodelleerd zijn naar de classic rock van de jaren zeventig, maar die tegelijk zoveel eigens hebben dat zij van niemand anders afkomstig kunnen zijn dan van The Only Ones. Even Serpents Shine komt over de luisteraar als een gloeiende lavastroom, een lavastroom waarmee solide drumwerk, stuwende bas en gierende gitaarriffs en ijle solo’s getransporteerd worden en die als omlijsting dienen van het poëtisch vernuft van nachtvlinder Perrett. Zo is 'Out There In The Night' een lovesong waarin Perretts liefde verdween in de nacht en over wiens reine en onvoorwaardelijk liefde Perrett lamenteert: You gave me pure unspoilt love. De romantische rocksong blijkt echter een loflied te zijn op poes Candy die Perrett ontviel. Deze poëtische kwaliteit – Peter Perrett dus – zet The Only Ones apart van de rest. En als naast al deze subtiele pracht en ademende kracht er bovendien nog ruimte is voor het zuigende en diepduistere 'In Betweens', is de conclusie eenvoudig en simpel: Even Serpents Shine is van de beste rockalbums ooit gemaakt. The Only Ones hebben aldus met Even Serpents Shine anno 1979 rockgeschiedenis geschreven. Niets meer, niets minder – onbetwistbaar.
Even Serpents Shine en diens uitstekende opvolger Baby’s Got A Gun ten spijt, toch delfden The Only Ones al snel het onderspit. Tijdens een succesvolle tournee door Amerika reed Peter Perrett in een paniekaanval een bewaker dood. De band vluchtte halsoverkop uit Amerika, hetgeen tot gevolg had dat CBS de band dropte. Het betekende het einde van The Only Ones. Peter Perrett probeerde het in de jaren negentig nog met The One, maar zijn verslaving dwong hem eindeloos door de nacht te dolen, waarop onontkoombaar het doek viel voor de Lord Byron van de nachtrock: There’s no sense in suffering / As the rocks tumble and the earth slides too / This means curtains for you. We houden er Even Serpents Shine aan over, één van de mooiste rockalbums ooit.

From Here To Eternity / Flaming Torch / You’ve Got To Pay / No Solution / Inbetweens / Out There In The Night / Curtains For You / Programme / Someone Who Cares / Miles From Nowhere / Instrumental