Posts tonen met het label garagepunk USA. Alle posts tonen
Posts tonen met het label garagepunk USA. Alle posts tonen

donderdag 22 oktober 2015

The Travel Agency | The Travel Agency

Er is bitter weinig bekend over The Travel Agency. De band zou bestaan uit ene Frank Davis, een Texaan die met zijn vrienden van Fever Tree mee verhuisde naar San Francisco. Hij richt in Frisco The Act III op, die in 1966 een single uitbrengen. De volgende single, het geweldige 'Time', verschijnt onder de naam The Travel Agency. Vervolgens verhuist Davis met zijn onbekend gebleven bassist en drummer naar Southern California, naar Santa Barbara. In 1968 tekent Leon Russell het trio voor zijn Viva-label en stuurt The Travel Agency de studio in met als producer James Griffin (van softrockers Bread). Het zelfgetitelde album is een verrassend veelzijdige plaat waarop psychedelica, baroquepop, folkrock en garagepunk elkaar omarmen. Opvallend aan The Travel Agency is de fraaie harmoniezang die gebaseerd is op sterke, beatleske melodieën. Instrumentaal ligt de nadruk op akoestische gitaren, al worden die regelmatig bijgestaan door dreunende fuzz-gitaren en afgewisseld door Davis' scherpe gitaarsolo's. Tezamen levert dat geweldige liedjes op in de vorm van het fuzzy 'Cadillac George', 'Lonely Seabird' – met vervreemdende achterwaartse zang –, 'That's Good', 'Come To Me' en 'Old Man'. Hoewel onbekend en anoniem is het enige album van The Travel Agency een hoogtepunt van de jaren zestig soft psychedelica.

What's A Man / Sorry You Were Born / Cadillac George / Lonely Seabird / So Much Love / Make Love / That's Good / I'm Not Dead / She Understands / Come To Me / You Will Be There / Old Man

maandag 3 februari 2014

Grant Hart | Intolerance


Na bijna tien heftige jaren, onder te verdelen in een hardcorepunk-fase en een commerciëlere meer powerpop georiënteerde periode, viel Hüsker Dü uit elkaar. In 1988 bleek de chemie tussen de beide songschrijvers Bob Mould en Grant Hart volledig te zijn opgelost. Mould, verslaafd aan speed en alcohol, en Hart, heroïnegebruiker, spoorden niet meer. Het geruchtencircuit kwam volledig op stoom getuige de talloze insinuaties. Een bloemlezing: Hart was vanwege de heroïne onhandelbaar op het podium; Mould wilde een groter aandeel van de voorschotten; Hart was verliefd op Mould, doch dit was niet wederzijds (beiden zijn homoseksueel); de druk van Warner Bros. om een hit te scoren nam toe; speed en heroïne gaan niet samen; en als wellicht de belangrijkste reden: manager en vriend-voor-het-leven David Savoy Jr. hing zichzelf in het voorjaar van 1987 op. De druk voor de drie vrienden uit Minneapolis, Hart, Mould en bassist Greg Norton, werd te groot. Sleur en verveling deden de rest; in 1988 blaast Bob Mould het fiere gitaarbastion dat Hüsker Dü was op. Het einde van een tijdperk.
Grant Hart is de eerste die opkrabbelt na het Hüsker Dü-debacle. Hart lijkt zijn verslaving onder controle te hebben en tekent een contract bij het onafhankelijke SST Records, het label waar Hüsker Dü zijn eerste successen behaalde. Al gauw verschijnt Harts debuutsingle, het prachtige '2541'. Het is de veelbelovende voorbode van Grant Harts debuut-lp/cd. Hoewel zanger en drummer in Hüsker Dü, komen zijn composities voor de band louter tot stand via piano en gitaar. Dat Hart een uitstekende gitarist en toetsenist is, blijkt maar al te zeer uit de dominante rol die beide op Intolerance vervullen. Vooral het afwisselende gebruik van Hammond, kerkorgel en pianola geven kleur aan de tien composities die op Intolerance te vinden zijn. Hart neemt hiermee afstand van het van subtiliteit gespeende beeld dat Hüsker Dü in zijn ruige periode opriep, want op Intolerance kunnen we kennismaken met een sensitieve en kwetsbare singer-songwriter. Grant Hart treedt hiermee in de voetsporen van loners als Syd Barrett, Tim Buckley en Alexander Spence. Sowieso ademt Intolerance de sfeer van voorbije tijden, om precies te zijn; de sfeer van de jaren zestig. De tien nummers bezitten een losheid die doet vermoeden dat het voor de multi-instrumentalist die Hart is een bevrijding moet zijn geweest om zich te ontdoen van de knellende banden van het bandconcept, in casu Bob Mould. Grant Hart gaat in een aantal nummers zeer gecontroleerd te keer, hetgeen meeslepende rocksongs oplevert, maar verzandt nergens in het gitaargeweld dat Hüsker Dü’s handelsmerk was. 'Now That You Know Me' is zo’n nummer waarin de gitaren speels heen-en-weer stuiteren, maar waar eveneens een mondharmonica een folky toets toevoegt en het catchy refrein het nummer een poplading meegeeft. 'Fanfare In D Major (Come, Come)' is eveneens een rockende song waarin de gitaren heerlijk rondzoemen en zo bevat Intolerance ruim voldoende bite om te kunnen spreken van een enigmatisch rockalbum, maar is er meer. Wat volgt is een serie caleidoscopische composities waarin Hart de geschiedenis van de rockmuziek samenvat in een notendop. 'The Main' is een zwalkend zeemanslied dat gedragen wordt door piano, orgel en galmend shantykoor en waarin Hart zijn hart uitstort: There was smack in the middle in Alfabet Town / There was life on the corners and dead all around. Kant twee opent met het hoogtepunt van Intolerance: '2541', de eerder uitgebrachte single, hier omgedoopt tot 'Twenty-Five Forty-One'. Deze compositie, met zijn ingehouden agressie en zijn machtig meezingbare refrein, vormt de kern van Grant Harts muzikaliteit; '2541' is vier minuten samengebalde energetische zeggingskracht en is, het moet gezegd, Harts ultieme compositie. De koek is dan nog niet op, want zowel 'You Are The Victim', met een hoofdrol voor een fluitende Hart en een bijrol voor ritmische lepels en een gierende boormachine, als het spannende en vaag psychedelische 'She Can See The Angels Coming' geven Intolerance de benodigde meerwaarde om van een bescheiden meesterwerk te kunnen spreken. 'Reprise' ten slotte, met zijn ronkende bas, frenetiek drumwerk en gitaargeraas, sluit Intolerance passend af.
Na Intolerance maakte Grant Hart nog een aantal bovengemiddelde cd’s met zijn band Nova Mob, om vervolgens onder te duiken in de schemerzone van de hard drugs. Pas in 2000 verschijnt Hart weer aan de oppervlakte met een onopgemerkt gebleven solo-cd. Het betekent wel een nieuwe start – temeer daar Patti Smith Hart als gastmuzikant vraagt voor haar Gung Ho – en zo heet het dat Grant Hart een zonnige toekomst tegemoet gaat. Bewezen heeft hij zichzelf al; Intolerance, Harts enigmatische muzikale dagboek, spreekt voor zich.

All Of My Senses / Now That You Know Me / Fanfare In D Major (Come, Come) / The Main / Twenty-Five Forty-One / Roller-Rink / You’re The Victim / Anything / She Can See The Angels Coming / Reprise



dinsdag 9 oktober 2012

The Remains | The Remains


The Remains waren de eerste rock-‘n-rollband in Boston, Massachusetts. Al in 1963 oefenen de studenten Barry Tashian (zang, gitaar), Vern Miller (bas, zang) en Chip Damiani (drums) in de kelder van de universiteit van Boston. Het drietal vermengt blues en rhythm & blues met de Britse sound van The Beatles en The Rolling Stones. In het voorjaar van 1964 spelen ze wekelijks voor 25 dollar en vrij drinken in The Rathskeller. Als Bill Briggs (toetsen, zang) zich later dat jaar bij hen voegt, zijn The Remains geboren. De luide en rauwe optredens in ‘The Rat’ bezorgen The Remains een grote populariteit in Boston, waardoor Epic Records geïnteresseerd raakt. Nog in 1964 staan The Remains al in de Columbia-studio in New York en nemen daar Barry Tashians compositie ‘Why Do I Cry’ op. The Remains – gewend aan compromisloze live-optredens zijn onwennig in de studio en worden vriendelijk verzocht zachter te spelen; de technici weten geen raad met de ruige sound van The Remains. Ontevreden met het geluid gaan The Remains naar Nashville om daar in twee sessies nummers op te nemen voor hun debuut-lp. Van die sessies wordt de Bo Didley/Willy Dixon-cover ‘Diddy Wah Diddy’ de tweede single en een klein hitje. The Remains komen op tv bij de Ed Sullivan Show en verzorgen het voorprogramma van The Beatles op hun tournee door de States. In New York nemen ze nog een aantal nummers op voor hun debuut-lp, die in 1966 verschijnt. Hoewel de tien liedjes afkomstig zijn van vier sessies, vormen ze toch een coherent geheel en maken van The Remains – zeker voor 1966 – een garagepunk-klassieker. Het merendeel van de opwindende songs zijn covers, van uiteenlopende componisten als Billy Vera, Charlie Rich en Bo Didley, The Remains hebben bovendien veel opgestoken van The Yardbirds, zoals te horen is in ‘Heart’; Them in ‘Time Of Day’; en The Kinks in ‘Once Before’. Maar het vuur en enthousiasme van de band, de swingende elektrische piano van Bill Briggs, de stuwende tandem Miller/Damiani en de rauwe stem en het geweldige gitaarspel van Billy Tashian zetten The Remains apart van de rest. The Remains is dan ook een rockklassieker van het eerste uur, niet in de laatste plaats door de superieure garagerocksongs ‘Don’t Look Back’ en ‘Why Do I Cry’. De toekomst ligt dan open voor The Remains open, maar kort na het verschijnen van het debuut gaat de band uit elkaar. Het draagt bij aan de mythevorming dat The Remains een van de beste rock-‘n-rollgroepen ooit waren.

Heart / Lonely Week-end / Don’t Look Back / Why Do I Cry / Diddy Wah Diddy / You Got A Hard Time Coming / Once before / Thank You / Time Of day / Say You’re Sorry  

dinsdag 18 september 2012

The Lollipop Shoppe | Just Colour


In 1965 richt Fred Cole in Las Vegas, Nevada The Weeds op. De band maakt luide garagerock, aangejaagd door het maniakale, snerpende stemgeluid van Cole. De trek naar de hippe Westkust brengt The Weeds in Portland, Oregon en het succes in lokale clubs aldaar drijft de band naar Californië – the place to be. Via de Britse manager van The Seeds, Lord Tim Hudson, komen The Weeds onder contract bij Uni Records, al moet het vijftal wel een andere naam aannemen. Ze kiezen voor The Underground Railroad – naar een eigen compositie, maar zien tot hun afgrijzen op het singlehoesje dat het het bubblegum-achtige Lollipop Shoppe is geworden. Die single, ‘You Must Be A Witch’, is in ieder geval wel een garagepunkklassieker. Een debuutalbum wordt snel opgenomen – volgens Fred Cole in een dag – en borduurt voort op de gejaagde garagesound van krijsende vocalen, feedbackgitaren en primitieve ritmes. Maar tussen de rauwe sound van de demente rockers klinken ook prachtige psychedelische ballads op als ‘Don’t Close The Door On Me’ en het Love-achtige ‘It’s Only A Reflection’. Het sterke Just Colour is het enige album van The Lollipop Shoppe, maar niet van Fred Cole. Na Zipper in de jaren zeventig, kent Cole samen met zijn vrouw Toody in de jaren tachtig en negentig wereldwijd undergroundsucces met punkrockband Dead Moon en vanaf 2007 – Fred en Toody Cole zijn dan 40 jaar getrouwd – met de Pierced Arrows.

You Must Be A Witch / Underground Railroad / Baby Don’t Go / Who’ll read The Will / It’s Only A Reflection / Don’t Look Back / Don’t Close The Door On Me / It Ain’t How Long / It’s Makin’ It / I’m Gonna Be There / You Don’t Give Me No More / Sin