Posts tonen met het label psychedelica. Alle posts tonen
Posts tonen met het label psychedelica. Alle posts tonen

maandag 20 november 2017

Leaf Hound | Growers Of Mushroom

Voor originele exemplaren van Growers Of Mushroom moeten astronomische bedragen neergeteld worden. Logisch als er in 1971 slechts 500 exemplaren geperst zijn. Op de releasedatum is Leaf Hound al een jaar ter ziele en heeft ook niet veel langer dan een jaar bestaan. Wel lang genoeg om in elf studio-uren een absoluut rockmonster te produceren. Het kwartet uit Zuid Londen zijn de ware meesters van de scheurende bluesrock met een psychedelische twist. Zanger Pete French bezit een ijzeren strot en zijn neef Mick Halls hanteert de elektrische gitaar als een bouwvakker een betonboor. In de heavy traditie van Free en Cream, al wordt Growers Of Mushroom vooral gezien als het bastaardneefje van Led Zeppelin II. Hoe dan ook, dit magistrale hardrockalbum is zijn reputatie meer dan waard; de aardeverschroeiende riffs – waarin niettemin akoestische gitaren helder opklinken – zijn een solide bodem voor de geile zang en de werkelijk hemelsplijtende gitaarsolo’s. Growers Of Mushroom is het meest onbekende hardrockmeesterwerk in de muziekhistorie. 

Freelance Fiend / Sad Road To The Sea / Drowned My Life In Fear / Work My Body / Stray / With A Minute To Go / Growers Of Mushroom / Stagnant Pool / Sawdust Caesar 

zaterdag 3 juni 2017

The Beatles | Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band

Meerdere malen hebben The Beatles het aangezicht van de popmuziek veranderd. Het verschijnen van ‘Love Me Do’ is zo’n moment, evenals de verkennende psychedelische momenten van Revolver. Maar het meest grandioos en majesteitelijk is de muzikale aardverschuiving die Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band in 1967 veroorzaakt. Drie maanden na het verschijnen van Revolver in augustus ’66, komen The Beatles weer bij elkaar in de Abbey Road-studio. Het zal de meest intense studioperiode van The Beatles worden. Nieuwe ervaringen en bewustzijnsveranderde ontmoetingen hebben hun invloed op de bandleden: George Harrison is onder invloed gekomen van Maharashi Mahesh Yogi; John Lennon heeft Yoko Ono ontmoet; terwijl Ringo Starr daarentegen gewoon op zijn boerderij in Sussex verbleef. Paul McCartney komt naar Abbey Road met het idee voor een vermomming, een gedaantewisseling. Sgt. Pepper is dat nieuwe alter-ego waarmee The Beatles los zouden kunnen komen van hun imago. En los komen The Beatles. De Abbey Road-studio is gedurende het bivak van The Beatles constant mistig vanwege de onmatige consumptie van marihuana, terwijl John Lennon via Brian Epstein beschikt over puur vloeibare LSD. Een half jaar lang bivakkeren The Beatles en vaste producer George Martin en vaste technicus Geoff Emerick in Abbey Road – en nemen 700 uur aan muziek op. De techniek laat op dat moment niet meer dan vier sporen toe, en dus wordt alles dubbel opgenomen, worden de sporen gesplitst en weer samengevoegd, hetgeen een totaal nieuwe studiotechniek oplevert. George Martin maakt het technisch mogelijk dat de muzikale fantasieën en geestverruimende ideeën van de in hogere sferen verkerende heren kunnen worden vastgelegd. The Beatles gebruiken daarvoor harp, tubular bells, klavecimbel, celeste, french horns, accordeon, klassieke Indiase instrumenten, een strijkers-octet, een klarinettrio, een vloeitje-en-kammetje-trio en een orkest bestaande uit 41 muzikanten. Drums en zang worden bovendien beurtelings versneld en vertraagd opgenomen, zodat er een onontkoombaar psychedelisch en halucinerend klankbeeld ontstaat. Het zijn absolute klassiekers: ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, ‘With A Little help From My Friends’, ‘Lucy In The Sky With Diamonds’, ‘Lovely Rita’ en het fantastische ‘Fixing A Hole’. Ze worden afgewisseld door geniale flauwiteiten als ‘Being For The Benefit Of Mr. Kite!’ en ‘When I’m Sixty-Four, die sterk beïnvloed zijn door Alice In Wonderland en het Victoriaanse tijdperk. De afsluiting van Sgt. Pepper is het ongeëvenaarde ‘A Day In The Life’, dat op 10 februari wordt opgenomen met een enorm orkest en dat gevierd wordt met een feestje in de studio. De studiomogelijkheden blijken ongekend, waardoor Sgt. Pepper niets minder dan een muzikale revolutie veroorzaakt. De wereld is na het verschijnen van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band op 1 juni 1967 simpelweg niet meer hetzelfde, en is nooit meer hetzelfde geweest.

Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band / With A Little help From My Friends / Lucy In The Sky With Diamonds / Getting Better / Fixing A Hole / She’s Leaving Home / Being For The Benefit Of Mr. Kite! / Within You Without You / When I’m Sixty-Four / Lovely Rita / Good Morning Good Morning / Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band (Reprise) / A Day In The Life

dinsdag 25 november 2014

Aorta | Aorta

Een waanzinnige hutspot aan stijlen, verbonden door een bonkende hartenklop. Dat is het genre-overstijgende, onderschatte psychedelische meesterwerk van Aorta. Het viertal Jim Donlinger (zang, gitaar), Jim Nyeholt (orgel), Bobby Jones (bas) en Billy Herman, afkomstig uit Rockford – what's in a name – Illinois maakt al in het midden van de jaren zestig furore als The Exceptions. Het eind van het decennium dwingt de muzikanten tot een avontuurlijke koerswijziging en een naamsverandering in Aorta, de grote lichaamsslagader. De zeer getalenteerde band raakt onder invloed van de muzikale revolutie en geestverruimende drugs besmet door het psychedelica-virus en experimenteert met stijlen als jazz, soul, garagepunk en onvervalste acidrock. Dankzij het muzikale vakmanschap en de geweldige composities wordt Aorta's avontuurlijke rock geen rommeltje. Dat blijkt wel uit het gelijknamige debuut Aorta, dat de band opneemt in de Great Lakes Recording-studio in Sparta, Michigan. Het grote Columbia-label brengt in 1969 Aorta uit, een waanzinnige plaat, een duizelingwekkende tour de force, maar wel een verrassend coherent geheel. Aorta begint met het kloppen van het hart in 'Main Vein I' – een thema dat in meerdere intermezzo's terugkomt – om dan los te barsten in de machtig fuzzende rocker 'Heart Attack', die op zijn beurt wordt opgevolgd door de barokke strijkers en houtblazers van'What's In My Mind's Eye' Kamerbrede orkestrale kamerpop is er in 'Magic Bed', het heerlijk wegzwevende 'Sprinkle Road To Cork Street' en in de meeslepende uitvoering van Colours' 'Catalyptic'; psychedelische soul in 'ode To Missy Mxyzosptlk' en avant-progrock in 'Strange'; terwijl in 'Sleep Tight' kerkorgel en fuzzgitaren de dienst uitmaken. De orkestrale baroque pop van het voortreffelijke 'Thousand Thoughts' en de opwindende acidrock van Thoughts And Feelings' sluiten een waanzinnig sterk album af, dat gerust tot de sixties-klassiekers mag worden gerekend, ware het niet dat Aorta al bij verschijnen aan het zicht werd onttrokken. Een slappe opvolger in een andere bezetting heeft dan ook alleen maar bijgedragen aan de obscuriteit van de band. Het sixties-meesterwerk Aorta had een beter lot verdiend.

Main Vein I / Heart Atack / What's In My Mind's Eye / Magic Bed / Main Vein II / Sleep Tight / Catalyptic / Main Vein III / Sprinkle Road To Cork Street / Ode To Missy Mxyzosptlk / Strange / A Thousand Thoughts / Thoughts And Feelings / Main Vein IV



woensdag 5 november 2014

The Wizards From Kansas | The Wizards From Kansas

Inderdaad, The Wizard From Kansas komen uit Kansas. Aanvankelijk heet het psychedelische vijftal Pig Newton And The Wizards From Kansas, maar op aandringen van platenlabel Mercury wordt de bandnaam ingekort. De band heeft dan, in de zomer van 1969, succesvol getoerd langs de oostkust en opgetreden in de Fillmore East, waarna de platenlabels op de stoep staan bij de tovenaars uit Kansas. Een jaar later vinden in San Francisco de opnamen plaats van The Wizard From Kansas, dat ondanks de herkomst van de bandleden een typisch product is van de San Francisco-sound: acidrock dus, met kenmerkende uitgesponnen, lyrische gitaarpartijen à la Quicksilver Messenger Service, Moby Grape-vocalen en Grateful Dead-hippiesfeer. Naast geweldig sfeervolle vertolkingen van Billy Ed Wheelers ‘High Flying Bird’ en Buffy Sainte-Marie’s ‘Codeine’ zijn de zeven bandoriginelen stuk voor stuk prachtige songs die zich bewegen tussen melodieuze psychedelica en kosmische countryrock. De bitterzoete harmoniezang is een fraai tegenwicht tegen de slangachtige, kronkelende gitaarlijnen, zoals te horen is op superieure songs als ‘Freedom Speech’, ‘Misty Mountainside’ en ‘Country Dawn’ ‘She Rides With Witches’ rondt een uitstekende Westcoastcoast-acidrockplaat af, die gelijk de uitverkoopbakken in gaat omdat The Wizards From Kansas direct na de lp-opnamen uiteen vallen; een combinatie die het album een verdiende cultstatus oplevert.

High Flying Bird / High Mister / 912 ½ Mass / Codeine / Freedom Speech / Flyaway Days / Misty Mountainside / Country Dawn / She Rides With Witches


vrijdag 9 mei 2014

Traffic Sound | Traffic Sound

Ondanks de militaire dictatuur in Peru kent Lima eind jaren zestig een levendige jongerencultuur. Een van de groepen die muzikale vrijheid en experimenteerdrift uitdraagt is Traffic Sound. Het eerste album uit 1969 kent nogal wat covers, maar de tweede plaat van een jaar later bestaat geheel uit eigen materiaal. Datzelfde jaar nog, 1970, verschijnt het beste album van de band, het zelfgetitelde Traffic Sound, ook wel eens abusievelijk Tibet's Suzettes genoemd. 'Tibet's Suzettes' is echter het openingsnummer dat avontuurlijk de toon zet van de zes bandcomposities. Avontuurlijk, want psychedelisch en progressive tegelijk en voorzien van een lichte latin-groove, is het een ijzersterke plaat met fuzzgitaren, dwarsfluit, saxofoon en bovenal prachtige melodieën. 'Those Days Have Gone', met zijn vloeiende gitaarlijnen en dwarrelende dwarsfluit, de garagepopsong 'Yesterday's Game' en het psychedelische 'America' vervolmaken een schitterend album dat niet hoeft onder te doen voor de betere Westcoast-muziek, de beste Traffic-plaat of Etcetera van het bevriende Laghonia. Na nog een album zal Traffic Sound versmelten met Laghonia en voor een aantal jaren door het leven gaan als We All Together, dat overigens ook nog eens twee prachtige beatleske platen het licht doet zien. Traffic Sound is echter op zichzelf beschouwd een van de allerbeste albums van de Peruviaanse psychedelische rock.

Tibet's Suzettes / Those days Have Gone / Yesterday's Game / America / What You Need & What You Want / Chicama Way

dinsdag 21 januari 2014

Colours | Colours

Twee Canadezen uit Winsor, Ontario, Jack Dalton en Gary Montgomery, vinden elkaar in hun muzikale liefde voor The Beatles en Motown. Gitarist Dalton en pianist Montgomery gaan samen songs schrijven en wagen dan in 1965 de oversteek naar Detroit – en Motown. Als The Dalton Boys komen ze onder contract bij Motown, maar voor een blank duo met een voorliefde voor anglofiele pop is er niet echt veel aandacht bij het soullabel. En dus trekken Dalton en Montgomery in 1966 verder naar het westen; naar Los Angeles – en landen bij White Whale Records als songschrijvers voor The Turtles. Hier komen ze in aanraking met moderne studiotechnieken en ervaren studiomusici, hetgeen leidt tot de vorming van Colours – niet voor niets gespeld op Britse wijze. Met gitarist Rob Edwards, drummer Chuck Blackwell, bassist Carl Radle en een deal met Pat Boone's label Dot kunnen Dalton en Montgomery eindelijk hun droom verwezenlijken. Tussen september 1967 en februari 1968 nemen ze in de Columbia Studios in Hollywood hun debuut-lp op, waarbij ze voor de blazers- en strijkersarrangementen gebruik kunnen maken van het 36-koppige L.A. Philharmonic. 
In mei 1968 verschijnt het zelfgetitelde album van Colours; een geniale tour de force van anglofiele, multi-vocale en orkestrale pop. Barokke arrangementen en dromerige, zweverige en hartverscheurende samenzang bepalen de sfeer op superieure psychedelische popsongs als 'Bad Day At Black Rock, Baby' en 'Helping You Out', terwijl fuzzgitaren, vervreemdende effecten en sitar voorbijkomen in 'Where Is She', 'Rather be Me' en 'I'm Leaving'. Maar het wordt nog fantastischer: kant 2 biedt met de trits 'I Think Of Her (She's On My Mind)', 'Lovin'' en 'Cataleptic' ultieme baroque pop die tot de beste van de jaren zestig moet worden gerekend. Colours is dan ook een complexe, zeer geavanceerde studioplaat, ontsproten aan de meesterbreinen van Jack Dalton en Gary Montgomery. Het duo weigert echter live op te treden, waardoor de band uiteenvalt en het album wegzinkt in de vergetelheid. Er volgt nog een album in een andere bezetting, maar dat kan beslist niet tippen aan de majesteitelijke, orkestrale pracht van het debuut Colours.

Bad Day At Black Rock, Baby / Love Heals / Helping You Out / Where Is She / Rather Be Me / I'm Leaving / Brother Lou's Love Colony / I Think Of Her (She's On My Mind) / Lovin' / Cataleptic / Don't You Realize



dinsdag 24 december 2013

Alexander Spence | Oar

Voor een muzikant met zo een status – de cult hero der cult heroes – heeft Alexander Spence de wereld een zeer bescheiden oeuvre geschonken. Hoewel van origine gitarist, was Skip Spence de eerste drummer van Jefferson Airplane en maakte met deze hippieband in 1966 Jefferson Airplane Takes Off. Als gitarist en componist speelde Spence een belangrijke rol in één van de meest getalenteerde bands van het San Francisco van de jaren zestig, Moby Grape. Slechts twee lp’s – Moby Grape en Wow (met de gratis meegeleverde live-lp Grape Jam) – houdt Skip Spence het te knellende samenwerkingsverband vol. Spence’s gewelddadige en psychotische gedrag, opgestookt door heftig drugsgebruik, doen hem in 1968 in een psychiatrische kliniek in New York belanden. Spence verblijft maar liefst een half jaar in de kliniek en ondergaat heftige aanvallen van dementie en paranoia, maar weet toch zijn hoofd vrij te maken om in de schaarse momenten van luciditeit liedjes voor een soloplaat te schrijven. Als Alexander Spence in december 1968 uit het hospitaal ontslagen wordt, haast hij zich op een motorfiets naar Nashville. In CBS’s Nashville Studios neemt Spence in vier dagen – de hoestekst van Oar spreekt zelfs van één dag, namelijk 16 december – in z’n eentje 17 liedjes op waarvan de 12 meest uitgewerkte een plekje krijgen op Oar. Stoned, maar tegelijk euforisch en on top of it, speelt Skip Spence alle instrumenten zelf, doet de productie en laat de banden in één dag mixen in New York. Oar is dan áf en klaar om aan het publiek geopenbaard te worden. In februari 1969 verschijnt Oar dan, Alexander Spence’s tijdloze meesterwerk.
Oar is als een kaleidoscoop; er ontrolt zich een afwisselend en kleurrijk landschap. Het stonede Little Hands zet de toon met zijn mix van Moby Grape-psychedelica en folkblues. Cripple Creek vervolgens, is een weergaloos countrylied waar Spence met zijn donkere bariton Kris Kristofferson naar de kroon steekt. Spence’s losse psychedelica raakt aan de blues, de country, de folkrock en laat zien dat hij een geestverwant is van Syd Barrett. Oar heeft daarmee raakvlakken met The Madcap Laughs maar ook met Terry Reids River. Oar bevindt zich daarmee in uniek gezelschap. Spence bewijst zich keer op keer als psychedelische space-blues cowboy. Diana, Dixie Peach Promenade, het slepende War In Peace en het geniale Weighted Down (The Prison Song) zijn fenomenale composities. Broken Heart is een gevoelige kampvuursong, het oudtestamentische Books Of Moses beklemt tot op het bot en de afsluiter Grey/Afro is negen minuten samengebalde experimenteerdrift met een hoofdrol voor Spence’s elektrische gitaarspel.
Oar klinkt als een compleet orkest, maar het zijn slechts Skip Spence’s drums, basgitaar, akoestische en elektrische gitaar, die geraffineerd in laagjes gestapeld zijn. De shuffelende drums zijn onnadrukkelijk aanwezig en lijken nauwelijks als begeleiding te fungeren; de nerveuze ritmiek stuitert alle kanten op zonder de aandacht op zich te vestigen. Spence’s elementaire en funky baswerk knort en bromt en leidt net als de drums een eigen leven. Dit alles dient als ondersteuning van het magische en uiterst gedoseerde gitaarspel van Alexander Spence. De gitaarakkoorden laten zich niet in een keurslijf dwingen en waaieren alle kanten op. Er ontstaat als het ware een nieuwe hybride, een extra dimensie tot dan toe zelden vertoond. Instrumentatie en productie zijn in één persoon verenigd en dat geeft Oar de gebalde kracht en subtiliteit die het bandconcept en de solo-artiest met begeleidingsband ten enenmale ontbeert. Het is de kracht van de unieke entiteit die alles in zich verenigt; de kracht van de singer-songwriter als scheppende mens. Dit experiment, het experiment van de muzikale doe-het-zelver en ontdekkingsreiziger, is anno 1968 – het tijdperk van muzikale creativiteit en psychedelica –, dan ook volledig geslaagd. Oar is een universum op zich, een speeltuin van experimentele dadendrang, een grensoverschrijdend kunstwerk dat nieuwe terreinen verkent. Alexander Spence is de pionier die de luisteraar aan de hand neemt naar de onontdekte verten van een stromenlandschap waar alles vloeit: panta rhei.
Natuurlijk behaalde Oar slechte verkoopcijfers en natuurlijk ging het niet goed met Alexander Spence. Alcoholisme en schizofrenie eisten zijn tol. Toch bleef Spence songs bijdragen aan Moby Grape en wist hij het zelfs op te brengen om acte de présence te geven op het in 1978 gereleasde Live Grape. Hoewel er in de loop der jaren steeds meer aandacht kwam voor Oar, ging Spence’s fysieke en mentale toestand hard achteruit. Skip Spence leefde jarenlang in een trailerpark, totdat zijn gesteldheid verregaand verslechterde en hij moest worden opgenomen in een hospitaal. In 1999 onstond het initiatief voor een eerbetoon aan Alexander Spence. Platenbaas Bill Bentley stelt een tribute-plaat samen: More Oar: A Tribute To The Skip Spence Album en het lukt hem om Spence te laten luisteren naar dit eerbetoon. Slechts enkele uren voor zijn dood neemt Skip Spence kennis van het tribute-album. Op 16 april 1999, twee dagen voor zijn 53ste verjaardag, overlijdt Alexander Spence aan longkanker. Skip Spence’s laatste op vinyl gematerialiseerde woorden zijn te vinden op Moby Grape’s reünieplaat uit 1983: My hopes and dreams will soon begin to fade / When thoughts of men and dreams have all been weighed / Darks shadows hide my destined fate they cannot wait / For I shall see a better day, uh uh.

Little Hands / Cripple Creek / Diana / Margaret-Tiger Rug / Weighted Down (The Prison Song) / War In Peace / Broken Heart / All Come Together / Books Of Moses / Dixie Peach Promenade / Lawrence Of Euphoria / Grey/Afro



zondag 13 oktober 2013

Cosmic Dealer | Crystallization

Amsterdam en Den Haag zijn dé beatsteden van Nederland, maar ook Dordrecht laat zich met The Zipps, Snowflake, The Curve en Cosmic Dealer niet onbetuigd. The Zipps zijn misschien de grote legenden, maar Cosmic Dealer is de maker van een van beste Nederlandse psychedelische lp's: Crystallization. Een gaaf exemplaar moet algauw zo'n € 400 kosten en ook de eerste cd-release uit 1993 is bijzonder schaars.
Frans Poots (zang, dwarsfluit), Bas van der Pol (gitaar, zang), Jan Reijnders (gitaar, zang), Angelo Noce Santoro (bas) en Ad Vos (drums) richten in 1968 Cosmic Dealer op. Het vijftal treedt veel op in het land en wordt opgemerkt door producer Eddy Ouwens. Een contract met Negram genereert in 1971 de singles 'The Scene' en 'Head In The Clouds' – beide niet in de Top 40 genoteerd – en datzelfde jaar nog een monster van een debuutplaat. In dertien nummers biedt Crystallization – op het snijpunt van stijlen – nederbeat, psychedelische Westcoastrock en progrock. De Nederlandse traditie van The Motions, Q 65 en Golden Earring is terug te horen in 'If There Is Nothing Behind The Hills', 'I Had A Friend' en titelnummer 'Crystallization', terwijl de steeds opduikende dwarsfluit aan Jethro Tull doet herinneren en het zinderende gitaarwerk aan sixtiesgoden als Quicksilver Messenger Service en Moby Grape – met het ronduit schitterende 'Child Of The Golden Sun' als lichtend voorbeeld. Anderszins behoren de hemelbestormende gitaarsolo's, het kwakende wah-wahspel en de sterke zang – zowel de bariton van Poots als de harmoniezang – tot de uitzonderlijke kwaliteiten van deze neder-klassieker. Opgeluisterd met fantastische songs als 'The Scene', 'The Fly', 'Flying In The Winter' en 'Head In The Clouds' is Crystallization inderdaad die ultieme klassieker; dat hooggeprijsde collector's item; dat universele prog-psych-album.
Cosmic Dealer – dat in 1973 de pijp aan Maarten geeft – is daarmee een van 's-Neerlands meest legendarische bands. Crystallization is dan ook per saldo een legendarisch album, dat overigens ruim 38 jaar later door de originele Cosmic Dealer-bezetting weer live zal worden uitgevoerd – en beslist een vintage klassieker is.

Daybreak / If There Is Nothing Behind The Hills / Child Of The Golden Sun / Swingin' Joe Brown / I Had A Friend / Crystallization / The Scene / The Fly / One Night / Find Your Way / Flying In The Winter / Head In The Clouds / Illusions





zondag 6 oktober 2013

Clear Light | Clear Light

Ze behoren tot de fameuze Elekta-stal, het label van Jac Holzman en Paul Rothchild. Als The Brain Train wordt de band getekend, maar tegen de tijd, in september 1967, dat de eerste veelbelovende single op het kleine Titan-label uitkomt en nieuwe zanger Cliff De Young toetreedt, heet de groep Clear Light. Zoals het een ware Westcoastband uit het zonnige Los Angeles van the summer of love betaamt, bestaat het repertoire uit psychedelische folkrock, maar bijzonder is de bezetting met twee drummers. De debuut-lp komt echter moeizaam tot stand vanwege het dictatoriale gedrag van manager en producer Paul Rothchild. Niettemin bevat het enige en zelfgetitelde album geestverruimende popsongs volgestopt met Farfissa-orgeltjes, klavecimbels en fuzzgitaren. Clear Light heeft dan ook het nodige gemeen met de folky psychedelica van labelgenoten Love, Evident in 'Sand', 'A Child's Smile', 'They Who have Nothing' en 'With All In Mind', waaraan Neil Young meewerkt. Krachtig – te danken aan de dubbele drumsound – en rockend is Clear Light in de geweldige powersongs 'Black Roses', 'Think Again' en 'Night Sounds Loud'. Clear Light komt aan zijn eind als oprichter Bob Seal uit de band wordt geschopt en de opnamen van een tweede lp op niets uitlopen. De andere oprichter, Dallas Taylor, zal echter nog aardig beroemd worden: als drummer van Crosby, Stills & Nash.

Black Roses / Sand / A Child's Smile / Street Singer / The Ballad Of Freddie & Larry / With All In Mind / Mr. Blue / Think again / They Who Have Nothing / How Many Days Have Passed / Night Sounds Loud



zaterdag 17 augustus 2013

Gypsy | In The Garden

Een obscure band, die in de jaren 1970-1973 vier prachtige en zeer beluisterbare albums het licht liet zien. Gypsy had meer verdiend dan totale obscuriteit. In 1964 in Minneapolis, Minnesota opgericht als The Underbeats, trekken de bandleden in 1969 naar de Gouden Kust; naar Los Angeles. Daar schopt de band, nu met de hippe naam Gypsy, het tot huisband van The Whiskey A Go-Go. Een afgesloten contract met het Metromedia-label – dat de band verkiest boven het grote Atlantic – leidt in 1970 tot de opnamen van het zelfgetitelde debuut; een heuse dubbel-lp, zeer ongebruikelijk voor die tijd. Gypsy, bomvol zwierige orgelpartijen, lyrische gitaarsolo's en fantastische samenzang, is getooid in een opvallende hoes van art nouveau-schilder Alfons Mucha, die wonderwel op Gypsy's dromerige acidrock aansluit. De band onderneemt een succesvolle nationale tournee en speelt op het fameuze (tweede) Atlanta Pop Festival, waarna Gypsy terugkeert naar de studio in LA en het vervolg op het debuut opneemt, het ietwat gepolijstere In The Garden, opnieuw met Mucha-signatuur. Maar schitterend is het wel: de voortreffelijke zangharmoniën komen uitstekend tot hun recht in fantasierijke rocksongs die Westcoast à la Moby Grape en Manassas, psychedelica en melodieuze progressive rock verbinden. Het meest evident is dit in het ruime 12 minuten durende 'As Far As You Can See (As Much As You Can Feel)', maar Gypsy excelleert evenzeer in 'Around You', het tweeluik 'Here (In The Garden)' en de prachtige popsong 'Time Will Make It Better'. In The Garden is een uitstekend Westcoast-album dat in 1971 helaas, mede door geldproblemen bij Metromedia, niet de eer krijgt die het verdient. Gypsy stapt dan over naar RCA, doet nog twee prima lp's verschijnen, maar in 1973 is het momentum definitief voorbij en rest de vergetelheid. Gypsy: obscuur en prachtig.

Around You / Reach Out Your Hand / As Far As You Can See (As Much As You Can Feel) / Here (In The Garden) Part One / Here (In The Garden) Part Two / Blind Man / Time Will Make It Better





dinsdag 2 oktober 2012

Da Capo | Da Capo


Vloeiende gitaarsolo's, lekker stonede melodieën en traag trekkende ritmes, Da Capo's zelfgetitelde debuutplaat staat er vol mee. Het is alsof de LA-psychedelica van Love en de countryrock van Neil Youngs Crazy Horse samenvloeien met de acidrock van Moby Grape en Quicksilver Messenger Service. Da Capo is pure Westcoast, alleen komen de makers ervan niet uit Californië, maar uit Zuid-Duitsland. Da Capo wordt in 1969 opgericht in Fürth en vernoemt zich naar Love's tweede lp. Van meet af houden de bandleden – Peter Stanek (zang, gitaar), Peter Treiber (zang, gitaar), Peter Wiesner (zang, bas) en Alfred Urban (drum) – alles in eigen hand; in een platendeal zijn ze nauwelijks geïnteresseerd. In eigen beheer nemen ze in twee dagen zeven originele stukken op, laten van de opnamen 500 lp's persen en brengen deze begin 1972 in omloop op het eigen California-label. Hoewel de band hun debuutplaat aan de straatstenen niet kwijt raakt, en de productie niet bijster professioneel klinkt, is het album toch een sterke acidrock-schijf. De mooie, harmonieuze composities zijn opgetuigd met luie ritmes, fijne riffs en lyrisch gitaarwerk. De dubbele gitaar line-up, die werkelijk knetterende solo's genereert, geeft een enorme boost aan songs als 'Free', 'Future' en 'She's Leaving. Da Capo sluit af met een lange, zinderende instrumentale acid-jam, wat als het slotakkoord van de band beschouwd moet worden. Door het uitblijven van enige erkenning houdt Da Capo begin '74 op te bestaan, al komt die erkenning wel decennia later: een mint exemplaar van het album wordt heden ten dage gewaardeerd op zo'n € 1.000.

Free / Future / Find My Way Home / Young Man / Can Smile / She's Leaving / A Day In The Rest In My Life

dinsdag 18 september 2012

The Lollipop Shoppe | Just Colour


In 1965 richt Fred Cole in Las Vegas, Nevada The Weeds op. De band maakt luide garagerock, aangejaagd door het maniakale, snerpende stemgeluid van Cole. De trek naar de hippe Westkust brengt The Weeds in Portland, Oregon en het succes in lokale clubs aldaar drijft de band naar Californië – the place to be. Via de Britse manager van The Seeds, Lord Tim Hudson, komen The Weeds onder contract bij Uni Records, al moet het vijftal wel een andere naam aannemen. Ze kiezen voor The Underground Railroad – naar een eigen compositie, maar zien tot hun afgrijzen op het singlehoesje dat het het bubblegum-achtige Lollipop Shoppe is geworden. Die single, ‘You Must Be A Witch’, is in ieder geval wel een garagepunkklassieker. Een debuutalbum wordt snel opgenomen – volgens Fred Cole in een dag – en borduurt voort op de gejaagde garagesound van krijsende vocalen, feedbackgitaren en primitieve ritmes. Maar tussen de rauwe sound van de demente rockers klinken ook prachtige psychedelische ballads op als ‘Don’t Close The Door On Me’ en het Love-achtige ‘It’s Only A Reflection’. Het sterke Just Colour is het enige album van The Lollipop Shoppe, maar niet van Fred Cole. Na Zipper in de jaren zeventig, kent Cole samen met zijn vrouw Toody in de jaren tachtig en negentig wereldwijd undergroundsucces met punkrockband Dead Moon en vanaf 2007 – Fred en Toody Cole zijn dan 40 jaar getrouwd – met de Pierced Arrows.

You Must Be A Witch / Underground Railroad / Baby Don’t Go / Who’ll read The Will / It’s Only A Reflection / Don’t Look Back / Don’t Close The Door On Me / It Ain’t How Long / It’s Makin’ It / I’m Gonna Be There / You Don’t Give Me No More / Sin

donderdag 6 september 2012

Quicksilver Messenger Service | Quicksilver Messenger Service

In 1964 richt folkzanger Chester Powers Quicksilver Messenger Service op. Powers heeft dan onder de naam Dino Valenti al jarenlang het koffiehuizencircuit van Greenwich Village afgestroopt. In San Francisco gaat hij een verbond aan met Gary Duncan (gitaar, zang), John Cipollina (gitaar), David Freiberg (bas,zang), Jim Murray (zang) en Greg Elmore (drums). Quicksilver Messenger Service speelt in de talloze clubs in San Francisco en in de Bay Area en ontwikkelt gaandeweg zijn psychedelische sound van uitgesponnen gitaarsolo’s, geestverruimende songstructuren en zweverige songteksten. Met The Grateful Dead en Jefferson Airplane behoort Quicksilver Messenger Service tot de voorhoede van de acid-rock en gezamenlijk vormen zij het uithangbord van de hippiecultuur van Haight-Ashbury. Dino Valenti neemt dit nogal letterlijk, want rond 1965 wordt Valenti gearresteerd wegens drugsbezit. In zijn proeftijd wordt hij opnieuw opgepakt en dus draait hij voor jaren de gevangenis in. Ondertussen tekent zijn band, als laatste van de grote San Francisco-hippiebands, een contract met een platenlabel. Jim Murray is dan uit de band vertrokken, waardoor het viertal Cipollina, Freiberg, Elmore en Duncan overblijft en de laatste de zanger van de band wordt. De debuutplaat van Quicksilver Messenger Service verschijnt in een door de befaamde graficus Rick Griffin getekende hoes. Het kwartet is beïnvloed door jazz, country en de rock-‘n-roll van Bo Diddley. Het meest kenmerkende aan de psychedelische sound zijn echter de gitaar-suites die minutieus worden opgebouwd door de gitaristen Cipollina en Duncan. Op de zelfgetitelde debuut-lp komt dit het best tot uitdrukking in de geïmproviseerde en jazzy instrumentals ‘Gold And Silver’ en het eindeloze ‘The Fool’. De vocale stukken zijn echter zeer sterk, omdat Quicksilver Messenger Service de klassieke invloeden van folk en country aanwenden voor het maken van echte liedjes. De elektrische folkrock van ‘Pride Of Man’ – een cover van folkzanger Hamilton Camp – is fantastisch, evenals de gedegen bandcomposites ‘Light Your Windows’ en de liefdevolle boodschap aan de voorman in de gevangenis: ‘Dino’s Song’. Dat dit geweldige debuut van Quicksilver Messenger Service niet de status heeft die het verdient, komt louter door de opvolger Happy Trails. Deze Diddley-cover, uitgesmeerd over een gehele plaatkant, heeft helaas het zicht ontnomen op de psychedelische, kosmische rock van het prachtige debuut dat Quicksilver Messenger Service absoluut is.


Pride Of Man / Light Your Windows / Dino’s Song / Gold And Silver / Too Long / The Fool

maandag 6 augustus 2012

Stalk-Forrest Group | The Elektra Recordings

Soft White Underbelly is een groep motorrijders en Grateful Dead-fans van Long Island, New York. Onder leiding van gitarist Donald Roeser maken ze psychedelische jamrock. De band raakt bevriend met de filosofen annex journalisten Sandy Pearlman en Richard Meltzer. Pearlman weet Soft White Underbelly in 1968 onder te brengen bij Elektra, maar als de te solistische zanger wordt vervanger door roadie Eric Bloom taant de belangstelling van Elektra’s Jac Holtzman. De nieuwe bandnaam wordt eerst Oaxaca en dan Stalk-Forrest Group en onder die naam neemt de band voorjaar 1970 hun debuutalbum op in Los Angeles. Maar het enige wat van de lp verschijnt is de single ‘What Is Quicksand?’; Elektra laat het album onuitgebracht op de plank liggen. De band keert terug naar de kroegen van Long Island en wacht op hun volgende kans. Die komt als de groep zijn naam wijzigt in Blue Öyster Cult en voor CBS hun debuutplaat in 1972 mag uitbrengen. De opnamen van de Stalk-Forrest Group blijven decennialang op de plank liggen, totdat Rhino ze in 2001 openbaart. Te horen is dan ijzersterke, heavy Westcoast psychedelica met een donkere orgelsound en vooral messcherp gitaarspel van ‘Buck Dharma’ Roeser.

What is Quicksand? / I’m On The Lamb / Gil Blanco County / Donovan’s Monkey / Ragamuffin Dumplin’ / Curse Of The Hidden Mirrors / Arthur Comics / A Fact About Sneakers / St. Cecilia

zaterdag 14 juli 2012

Rodriguez | Cold Fact

De fansite meldt trots dat Rodriguez de grootste in levende zijnde cultartiest van de wereld is. Niet Alex Chilton, niet Don Van Vliet, niet Roky Erickson en niet The Legendary Stardust Cowboy. Nee, Rodriguez. Het is vermoedelijk nog waar ook, al was het maar omdat de geboren Amerikaan zelden tot nooit in de Verenigde Staten heeft opgetreden.
Hoewel geboren uit Mexicaanse ouders, Sixto Diaz Rodriguez’ wieg staat op Michigan Avenue, Detroit. Sixto – het zesde kind – wordt geboren op 10 juli 1942. Hij groeit op in een arbeidersfamilie en heeft baantjes als stukadoor, dakdekker en pompbediende. Als 25-jarige krijgt Rodriguez een kans om voor een klein labeltje een single op te nemen: ‘I’ll Slip Away’. De single wordt niet alleen een flop, maar wordt ook toegeschreven aan ‘Rod Riguez’. Een aantal later jaren probeert Rodriguez het weer en nu heeft hij Buddah Records achter zich staan en mag hij onder leiding van huisproducers Mike Theodore en multi-sessiegitarist Dennis Coffey voor Buddah-offshoot Sussex aan zijn debuut-lp werken. Sixto Diaz Rodriguez blijkt, eind jaren zestig, een typische singer-songwriter te zijn die zich wapent met subtiel akoestisch gitaarspel en maatschappijkritische teksten. Het leven in de achterstandwijken van Detroit, de hieruit voortvloeiende vervreemding en het vele drugsgebruik zijn de onderwerpen die Rodriguez in zijn teksten aanroert. En daarbij, als kansarm immigrantenkind is hij ervaringsdeskundige bij uitstek. Met de opnamen voor Cold Fact wordt hem niettemin de kans geboden zijn armetierige bestaan te ontstijgen. In minder dan twee maanden nemen Rodriguez en zijn uitgelezen studioband in de Tera-Shirma Studios in natuurlijk Detroit de nummers – alle eigen composities – op voor Cold Fact. Naast de superieure gitarist Dennis Coffey valt het logge en groovende basspel op van Bob Babbitt, bassist bij The Funk Brothers en te horen op tientallen hits van het Tamla Motown-label. Het is dan ook het knorrende basspel van Babbitt dat het psychedelische ‘Only Good For Conversation’ inluidt. Een meesterlijke rocksong op het snijvlak van singer-songwriter, psychedelische soul en hallucinerende sixtiesrock en een hoogtepunt op deze plaat. Het is sowieso die onwaarschijnlijke mix van folky protestzang à la Fred Neil, Motown en psychedelica die Cold Fact tot een heel bijzondere lp maakt. Rodriguez heeft de verloederende binnenstad tot het basisthema van Cold Fact verheven. In ‘Establishment Blues’ gaat Rodriguez het bestuur van de stad te lijf: Garbage ain’t collected, woman ain’t protected / The maffia’s getting bigger, like polluton in the river. Ook in ‘Inner City Blues’ en ‘Hate Street Dialogue’ spuit Rodriguez zijn kritiek – The inner city birthed me / The local pusher nursed me. ‘Gomorrah (A Nursery Rhyme)’ doet sterk denken aan soft-psychedelische folk van Donovan, ‘I Wonder’ is een anti-warsong met nerveus rollend orgel en ‘Like Janis’ is een bitterzoet folkrocknummer met mooi refrein en orkestrale begeleiding. Het topnummer is echter ‘Sugar Man’ – tevens Rodriguez’ bekendste nummer – waarin alle elementen samenvloeien: zwevende orgellijnen, galmende koperblazers en psychedelische effecten. Een single uit duizenden.
Met Cold Fact heeft Rodriguez in een muzikaal dagboek de stad Detroit fraai geportretteerd – net als Lou Reed dat twintig jaar later zou doen met New York. De geëngageerde teksten, het singer-songwritersidioom, het subtiele akoestische gitaarspel van Rodriguez en zeker ook de door wahwah en feedback gestuurde gitaar van Dennis Coffey maken van Cold Fact een uniek jaren zestig-document.
Maar Cold Fact bleek aan nagenoeg niemand besteed, net zo min als de opvolger Coming From Reality. En Rodriguez trok zich terug uit de business, concentreerde zich op de lokale politiek. Tot een onwaarschijnlijke speling van het lot van Cold Fact een megaseller in Australië maakte. Nieuw-Zeeland volgde, evenals Zuid-Afrika. In deze landen gaf Rodriguez in de jaren tachtig stadionconcerten en werd daar een megaster. De oudere Rodriguez is in Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika een muzikale held. In de rest van de wereld – inclusief Amerika – is Sixto Diaz Rodriguez niets meer dan een figuur in de marge; een cultartiest van de allerhoogste orde.

Sugar Man / Only Good For The Conversation / Crucify Your Mind / Establishment Blues / Hate Street Dialogue / Forget It / Inner City Blues / I Wonder / Jane S. Pidy / Gommorah (A Nursery Rhyme) / Rich Folks Hoax / Like Janis

maandag 28 mei 2012

Music Emporium | Music Emporium

In 1968 richt Amerika’s accordeonkampioen Bill ‘Casey’ Cosby in Torrance, California een rockband op die na naam- en personeelswisselingen Music Emporium gedoopt wordt. Het kwartet – met een vrouwelijke ritmesectie – laat zich beïnvloeden door de hippiepsychedelica van Jefferson Airplane en de heavy rock van Iron Butterfly. Eerdere experimenten met krakkemikkige versterkers en ongebruikelijke apparatuur worden in de Sunset Studio op demotape vastgelegd, die wegens geldgebrek gewoon gebruikt worden voor het uiterst fascinerende debuutalbum, dat aldus in minder dan 20 uur is vastgelegd. Music Emporium is opgebouwd uit complexe en barokke rocknummers met koraalgezang, vloeiend, superieur gitaarspel, stuwende drums en het massieve orgelgeluid van Cosby, dat meer dan eens als een kerkorgel klinkt. Als tegenwicht tegen dit geestverruimde sonische geweld klinken de door bassiste Carolyn Lee gezongen ballads ‘Velvet Sunsets’ en ‘Gentle Thursday’ als hallucinerende muzikale sprookjes. Uitgebracht op een klein label zijn er slechts 300 exemplaren geperst van dit hoogtepunt van de Westcoast psychedelica.
Nam Myo Renge Kyo / Velvet Sunsets / Prelude / Catatonic Variations / Times Like This / Gentle Thursday / Winds Have Changed / Cage / Sun Never Changed / Day Of Wrath

woensdag 14 maart 2012

Kak | Kak

Nog geen jaar heeft Kak bestaan, maar tussen oprichting en uiteengaan maakten de Californische psych-rockers wel een monster van een rockplaat, die terecht beschouwd wordt als een Westcoast-klassieker. In de zomer van 1967 komt Gary Yoder op straat, in Davis, Californië, Gary Grelecki tegen. Zanger/gitarist Yoder is dan zonder band omdat The Oxford Circle net daarvoor is opgeheven. Grelecki zegt een platencontract voor Yoder te kunnen regelen bij CBS. En inderdaad; twee maanden later is Gary Yoder door bemiddeling van de vader van Grelecki getekend door CBS/Epic. Samen met Oxford Circle-gitarist Dehner Patten en de door hem meegebrachte drummer Chris Lockheed richt Gary Yoder Kak op, waaraan kort daarop bassist Joe-Dave Damrell wordt toegevoegd. Het vijftal – inclusief Grelecki – verhuist dan naar San Francisco en betrekt op kosten van CBS een oud Victoriaans pand: The Kak Mansion. In dit huis bereiden ze zich in de zomer van 1968 voor op plaatopnamen; Yoder schrijft de songs en Grelecki de teksten. In juni neemt Kak een aantal nummers op in de Columbia Studios in Los Angeles, in september gevolgd door de rest van de opnamen voor het debuutalbum. Ondanks dat ze onder tijdsdruk staan van Epic, hebben de muzikanten de tijd van hun leven; branden wierook, roken dope en creëren de mooiste psychedelische rockmuziek. Een omschrijving die dan ook geheel van toepassing is op Kak, het verbluffende album dat Kak in volle glorie toont. De dubbele gitaar-line-up van Yoder en Patten zorgt voor een stevige sound die in giftige rocknummers als ‘Bryte ‘N’ Clear Day’ en ‘Disbelievin’’ – opgebouwd rond een gemene, dreinerige gitaarriff – aan de gitaarsound van Moby Grape doet denken, terwijl de poëtische en van weemoed druipende song ‘Flowing By’ en het superieure ‘I’ve Got Time’ – waarin de gitaar klinkt als een wuivende pedal steel – Buffalo Springfield naar de kroon steekt. Maar Kak klinkt als zijn unieke zelf in de melodieuze acidrock die psychedelische klassiekers als ‘Lemonaide Kid’, ‘Electric Sailor’ en ‘Everything’s Changing’ kenmerken: vloeiende melodielijnen, gave harmoniezang en aardeverschroeiend gitaarwerk. Dat mag zo zijn, maar tegen de tijd dat Kak op de markt komt en de band net een aantal zinderende optredens heeft gedaan, ontstaan er irritaties en ruzies. Vanzelfsprekend hapert ook de promotiemachine van Epic, zodat begin 1969 zowel de band Kak als het album Kak roemloos ten onder gaat – wat in het geheel niet wegneemt dat het een van de allerbeste psychedelische Westcoast-rockalbums is. Kak rules.
HCO 97658 / Everything’s Changing / Electric Sailor / Disbelievin’ / I’ve Got Time / Flowing By / Bryte ‘N’ Clear Day / Trieulogy: (I) Golgotha (II) Mirage (III) Rain / Lemonaide Kid

dinsdag 21 februari 2012

The 13th Floor Elevators | Psychedelic Sounds Of The 13th Floor Elevators

Als de eerste single van The 13th Floor Elevators in januari 1966 uitkomt, heeft de band al een geduchte live-reputatie in de hoofdstad van Texas, Austin. Die single is 'You're Gonna Miss Me', een compositie van zanger, gitarist en wildeman Roky Erickson, die eind '65 debuteerde met diezelfde single – maar dan als Roky Erickson & The Spades. Als Roky in aanraking komt met Tommy en Clementine Hall, een met filosofie en hallucinogene drugs experimenterend echtpaar, sluit hij zich op aanbeveling van Tommy Hall aan bij The Lingsmen uit Kerrville, Texas, te weten: gitarist Stacy Sutherland, bassist Benny Thurman en drummer John Ike Walton. De nieuw gevormde band is niet alleen muzikaal gretig, maar tript er ook lustig op los. Ze ontdekken nieuwe, bizarre sounds – in het bijzonder de elektrisch versterkte stenen kruik waarin Tommy Hall wezenloos murmelt – opgepookt door buitensporige LSD-trips. The Elevators, bedacht door Clementine Hall, is een te korte naam en dus komt het nummer dertien erbij – de dertiende letter van het alfabet: de M van marihuana. Bovendien, in Amerika hebben de gebouwen geen dertiende verdieping: welkom bij The 13th Floor Elevators.
Hun eerste optreden is op 8 december 1965 in The Jade Room. Een optreden in de New Orleans Club wordt door The Austin Statesmen verslagen en om de maniakale energie van in november 1966 te omschrijven wordt in dat verslag voor het eerst de term psychedelic rock gebruikt. Een adequate omschrijving van de mengeling van de folkrock van Dylan en The Byrds, de rhythm & blues van The Kinks en The Rolling Stones, de in een reverb-bad gedrenkte gitaar van Stacy Sutherland en het kannibalengebrul en wolvengehuil van Roky Erickson. Op een recept van uppers, downers, pillen en paddenstoelen – en niet te vergeten LSD – werkt de band koortsachtig aan een eigen repertoire, wil de vleugels uitslaan naar grote hoogten, maar krijgt huisarrest als in het huis van de drugsdealende filosoof annex manipulator Tommy Hall kilo's marihuana worden aangetroffen. Maar ondanks deze tegenslag – en het vertrek van de geflipte Thurmann – wordt de op het kleine International Artists-label uitgebrachte single 'You're Gonna Miss Me' een flnke hit, niet alleen in Texas, maar ook in Californië. Aanvankelijk mag de band Texas niet uit – en treedt dus veel op in Austin, Dallas, Houston en Corpus Christi, maar als de band wordt vrijgesproken en International Artists-baas Lelan Rogers, de broer van Kenny, de voogdij voor de jongens op zich neemt, vluchten The 13th Floor Elevators in augustus '66 hals over kop naar San Francisco. Daar worden ze, met nieuwe bassist Ronnie Leathermen, een vriend uit Kerrville, met open armen ontvangen door de ontvankelijke hippies.
Maar door excessief drugsgebruik – barbituraten, codeïne, LSD, Listerine en Romilar hoestdrank – raken Erickson, Hall en Sutherland totaal doorgedraaid. Opgejaagd door politie en de rekrutering voor het leger slaat de gekte en paranoïa toe, en geeft de band toe aan het dreigement van International Artists: naar Texas komen en een album opnemen. Dat gebeurt dan ook als de band op 9 oktober arriveert in de Sumet-studios in Dallas en met Lelan Rogers in razend tempo en aangejaagd door LSD de nummers opneemt die live zijn uitgetest, en in de Jones Studio in Houston de nieuwe song 'Don't Fall Down' opneemt. Het resultaat, Psychedelic Sounds Of The 13th Floor Elevators, is een waanzinnige muzikale trip, omgeven door het mystieke waas van Tommy Halls raadselachtige hoestekst en John Clevelands spectaculaire psychedelische graphics op de voorkant. Na de jachtige, maniakale opener 'You're Gonna Miss Me' dendert het voort met het spookachtige 'Roller Coaster' – met de in de kruik drenzende Hall in de hoofdrol – het bonkende ritme en de reverb-gitaar van 'Reverberation (Doubt)' en 'Fire Engine' – over het heerlijke hallucinaties veroorzakende dimethyltriptamine, als de LSD even op is. Tegenover de greasy garagerock – de productie is nogal modderig – staat de geestverruimende lyriek van verknipte ballads als het waanzinnige 'Splash 1', het verraderlijke 'Don't Fall Down' en het gierende, duivelse 'Kingdom Of Heaven'.
Niemand – en zeker International Artists niet – beseft bij de release in november 1966 van Psychedelic Sounds Of The 13th Floor Elevators dat het hier gaat om een historisch fenomeen en een psychedelisch meesterwerk bovendien. Decennia moeten verstrijken voordat het magistrale debuut van The 13th Floor Elevators op de juiste waarde wordt geschat. De doorgetripte en doorgekookte Roky Erickson maakt dat allemaal niet zo mee; in 1969 wordt hij opgepakt en vier jaar lang in het Rusk State Hospital For The Criminally Insane 'verpleegd' met elektroshocks.
You're Gonna Miss Me / Roller Coaster / Splash 1 / Reverberation (Doubt) / Don't Fall Down / Fire Engine / Thru The Rythmn / You Don't Know / Kingdom Of Heaven / Monkey Island / Tried To Hide