Posts tonen met het label 1968. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1968. Alle posts tonen

donderdag 22 oktober 2015

The Travel Agency | The Travel Agency

Er is bitter weinig bekend over The Travel Agency. De band zou bestaan uit ene Frank Davis, een Texaan die met zijn vrienden van Fever Tree mee verhuisde naar San Francisco. Hij richt in Frisco The Act III op, die in 1966 een single uitbrengen. De volgende single, het geweldige 'Time', verschijnt onder de naam The Travel Agency. Vervolgens verhuist Davis met zijn onbekend gebleven bassist en drummer naar Southern California, naar Santa Barbara. In 1968 tekent Leon Russell het trio voor zijn Viva-label en stuurt The Travel Agency de studio in met als producer James Griffin (van softrockers Bread). Het zelfgetitelde album is een verrassend veelzijdige plaat waarop psychedelica, baroquepop, folkrock en garagepunk elkaar omarmen. Opvallend aan The Travel Agency is de fraaie harmoniezang die gebaseerd is op sterke, beatleske melodieën. Instrumentaal ligt de nadruk op akoestische gitaren, al worden die regelmatig bijgestaan door dreunende fuzz-gitaren en afgewisseld door Davis' scherpe gitaarsolo's. Tezamen levert dat geweldige liedjes op in de vorm van het fuzzy 'Cadillac George', 'Lonely Seabird' – met vervreemdende achterwaartse zang –, 'That's Good', 'Come To Me' en 'Old Man'. Hoewel onbekend en anoniem is het enige album van The Travel Agency een hoogtepunt van de jaren zestig soft psychedelica.

What's A Man / Sorry You Were Born / Cadillac George / Lonely Seabird / So Much Love / Make Love / That's Good / I'm Not Dead / She Understands / Come To Me / You Will Be There / Old Man

zondag 25 januari 2015

The Moody Blues | In Search Of The Lost Chord

Platenlabel Decca is halverwege de jaren zestig op zoek naar iets nieuws. De muzikale revolutie heeft, zeker in Londen, de popmuziek volledig in zijn greep. Drugs, vrijheid, psychedelische muziek, het verleidt Decca tot het oprichten van het Deram-label. En met dit nieuwe label – een broedplaats van talent – introduceert Decca tevens voor een beter stereo-effect een nieuwe wijze van opnemen: Deramic Sound System. Decca/Deram vraagt daarom, als een showcase voor DSS, een rhythm & blues-band om Dvoraks 9e Symfonie met een orkest op te nemen. Die band bestaat uit Ray Thomas (zang, fluit), Mike Pinder (toetsen, zang), Graeme Edge (drums), John Lodge (bas, zang) en Justin Hayward (zang, gitaar) en heet The Moody Blues. Die band gaat met orkest de studio in, maar in plaats van Dvoraks symfonie op te nemen, nemen The Moody Blues hun eigen composities op, met als resultaat het orkestrale Days Of Future Passed. De lp is in 1967een flink succes, maar een nog groter – wereldwijd – succes is de single ‘Nights In White Satin’. Vanzelfsprekend krijgen The Moody Blues voor hun volgende lp van Decca volledige artistieke vrijheid. Hoewel de band wil voortborduren op de orkestrale sound, besluit ze toch om geen gebruik te maken van een orkest. The Moody Blues willen zelf alle instrumenten bespelen en een orkest laat zich gemakkelijk vervangen – door een mellotron. Het karakteristieke geluid van het toetseninstrument met tapelussen is voor altijd verbonden met het barokke geluid van The Moody Blues. Op In Search Of The Last Chord zijn The Moody Blues hun eigen symfonie-orkest, want het vijftal gebruikt maar liefst 33 verschillende instrumenten, van sitar tot cello, van tablas tot klavecimbel. En hoewel de tekstbijdragen van Graeme Edge beperkt blijven tot twee op muziek gezette poems, leveren alle bandleden compositorische bijdragen. Een sleutelnummer op de plaat, met hippiegoeroe Timothy Leary als onderwerp, is Ray Thomas’ ‘Legend Of A Mind’. Dit ligt overigens ingeklemd tussen ‘House Of Four Doors (Part 1)’ en ‘House Of Four Doors (Part 2)’, al even meesterlijke composities van John Lodge. Zanger Justin Hayward levert de fraaie melodramatische songs ‘Voices In The Sky’, ‘Visions Of Paradise’ en ‘The Actor’, en Mike Pinder ‘The Best Ways To Travel’ John Lodge is bovendien nog eens verantwoordelijk voor het prachtige ‘Ride My See-Saw’, een top 20-hit in Nederland. The Moody Blues ondernemen op In Search Of The Last Chord zonder meer een pretentieuze muzikale zoektocht; In Search Of The Last Chord is een bombastisch bouwwerk, een barokke kathedraal. En ondanks dat typeringen als pseudo-prog en quasi-symfo The Moody Blues altijd zijn blijven aankleven, In Search Of The Last Chord staat nog altijd fier overeind, inderdaad, als een barokke kathedraal.

Departure / Ride My See-Saw / Dr. Livingstone, I Presume / House Of Four Doors (Part 1) / Legend Of A Mind / House Of Four Doors (Part 2) / Voices In The Sky / The Best Way To Travel / Visions Of Paradise / The Actor / The Word / Om

zondag 31 augustus 2014

The Family Tree | Miss Butters

Bob Segarini wil dolgraag in een band, maar de eerste wordt hij uitgezet wegens te lang haar, de tweede vanwege het roken van marihuana. Dus richt hij in 1966, in Stockton, Californië zijn eigen band op: The Family Tree, dat net als Harry Nilsson bij RCA onder contract komt. Heftig beïnvloed door de psychedelica van Sgt. Pepper en de harmonieën van Pet Sounds creëert Segarina zijn eigen droomwereld met Miss Butters. Na een jaar schrijven op zijn kamertje in Stockton – afgewisseld door rondhangen met Nilsson – heeft Segarini, geïnspireerd door diens vroegere kleuterjuf, tekst en muziek gereed. De bandleden zingen zelf de teksten in, maar spelen geen noot. RCA kiest veilig voor de ervaren studiomusici van The Wrecking Crew. Zeer bijzonder zijn de zware orkestrale arrangementen en het vroege gebruik van de moog. Maar de uitgekiende melodieën en de fabuleus gearrangeerde zangharmonieën zijn de ware smaakmakers van dit barokke popalbum. Miss Butters – het enige album van The Family Tree – is een genegeerd hoogtepunt van de psychedelische pop, waarvoor de visionaire Bob Segarini ten volle de credits verdient.

Birthday/Dirgeday / Melancholy Vaudeville Man / Any Other Baby / Sideshow / Mrs. McPheeney (Has Flu In Her Chest And Has Needed A Rest For so Long) / Butters lament / Simple Life / Slippin' Thru My Fingers / Nine To Three / Lesson Book Life / Nickelodeon Music / Miss Butters / The

vrijdag 11 juli 2014

The Moving Sidewalks | Trash

Het lijkt alsof Billy Gibbons en ZZ Top er altijd geweest zijn, maar er was leven vóór ZZ Top. Voordat Billy Gibbons in 1969 ZZ Top opricht is hij drie jaar zanger en gitarist in The Moving Sidewalks. Na als teenager gitaar gespeeld te hebben in diverse bluesbands in Houston vormt Gibbons in ’66 met toetsenist Tom Moore, bassist Don Summers en drummer Dan Mitchell The Moving Sidewalks. Ze behoren al snel tot de top-psychedelische bands van Houston, en dus ook Texas. De klassieke garagepunksingle ‘99th Floor’, geschreven door Billy Gibbons en uitgebracht op het Texaanse label Tantara, wordt in 1967 een lokale hit. Even flirten The Moving Sidewalks met een landelijke distributiedeal, maar keren dan terug in de schoot van Tantara Records en producer Steve Ames. De Sidewalks krijgen een glimp van het muzikanten-sterrendom te zien als ze in het voorprogramma van Jimi Hendrix’ Texaanse tour staan. Billy Gibbons wordt hierdoor blijvend beïnvloed door Hendrix’ gitaarstijl. Die invloed is dan ook terug te vinden op de debuut-lp Trash, geproduceerd door Ames en in 1969 uitgebracht op dat kleine Tantara-label. Aan dit laatste dankt Trash zijn reputatie van obscuur en gezocht collector’s item. De muziek is op zichzelf beschouwd klassieke op blues geënte psychedelische rock – Hendrix heeft zijn werk gedaan – niet bepaald obscuur, wel stevig rockend. In bluesy en gitaar-dominante tracks als ‘You Make Me Shake’ en ‘Pluto – Sept. 31st’ klinkt niet alleen de gitaarsound van Hendrix door , maar ook diens lijzige zangstijl. Dit epigonisme – het smaakt er echter niet minder om – blijft tot deze rockers beperkt want Flash biedt veel meer, zoals de psychedelische garagerocker ‘Flashback’, het heavy rockende en groovende ‘Crimson Witch’ en de Hammond-gestuurde slowblues ‘Joe Blues’. Bijzonder fraai is het soulvolle, vloeiende en van gitaarsolo’s en rollend orgel voorziene ‘You Don’t Know The Life’. Al wordt dit wel overklast door het hoogtepunt van Flash, ‘No Good To Cry’, een cover van The Wildweeds. Flash wordt gedomineerd door het soms sublieme gitaarspel van Billy Gibbons en moet beschouwd worden als een van de beste lp’s van de Texaanse psychedelische scene. Helaas houden The Moving Sidewalks op te bestaan als Moore en Summers in 1969 worden opgeroepen om te gaan vechten in Vietnam. Als Gibbons Frank Beard en Dusty Hill rekruteert van American Blues wijzigt hij namelijk ook de naam: in ZZ Top.

Flashback / Scoun Da Be / You Make Me Shake / You Don’t Know The Life / Pluto – Sept. 31st / No Good To Cry / Crimson Witch / Joe Blues / Eclipse / Reclipse

dinsdag 21 januari 2014

Colours | Colours

Twee Canadezen uit Winsor, Ontario, Jack Dalton en Gary Montgomery, vinden elkaar in hun muzikale liefde voor The Beatles en Motown. Gitarist Dalton en pianist Montgomery gaan samen songs schrijven en wagen dan in 1965 de oversteek naar Detroit – en Motown. Als The Dalton Boys komen ze onder contract bij Motown, maar voor een blank duo met een voorliefde voor anglofiele pop is er niet echt veel aandacht bij het soullabel. En dus trekken Dalton en Montgomery in 1966 verder naar het westen; naar Los Angeles – en landen bij White Whale Records als songschrijvers voor The Turtles. Hier komen ze in aanraking met moderne studiotechnieken en ervaren studiomusici, hetgeen leidt tot de vorming van Colours – niet voor niets gespeld op Britse wijze. Met gitarist Rob Edwards, drummer Chuck Blackwell, bassist Carl Radle en een deal met Pat Boone's label Dot kunnen Dalton en Montgomery eindelijk hun droom verwezenlijken. Tussen september 1967 en februari 1968 nemen ze in de Columbia Studios in Hollywood hun debuut-lp op, waarbij ze voor de blazers- en strijkersarrangementen gebruik kunnen maken van het 36-koppige L.A. Philharmonic. 
In mei 1968 verschijnt het zelfgetitelde album van Colours; een geniale tour de force van anglofiele, multi-vocale en orkestrale pop. Barokke arrangementen en dromerige, zweverige en hartverscheurende samenzang bepalen de sfeer op superieure psychedelische popsongs als 'Bad Day At Black Rock, Baby' en 'Helping You Out', terwijl fuzzgitaren, vervreemdende effecten en sitar voorbijkomen in 'Where Is She', 'Rather be Me' en 'I'm Leaving'. Maar het wordt nog fantastischer: kant 2 biedt met de trits 'I Think Of Her (She's On My Mind)', 'Lovin'' en 'Cataleptic' ultieme baroque pop die tot de beste van de jaren zestig moet worden gerekend. Colours is dan ook een complexe, zeer geavanceerde studioplaat, ontsproten aan de meesterbreinen van Jack Dalton en Gary Montgomery. Het duo weigert echter live op te treden, waardoor de band uiteenvalt en het album wegzinkt in de vergetelheid. Er volgt nog een album in een andere bezetting, maar dat kan beslist niet tippen aan de majesteitelijke, orkestrale pracht van het debuut Colours.

Bad Day At Black Rock, Baby / Love Heals / Helping You Out / Where Is She / Rather Be Me / I'm Leaving / Brother Lou's Love Colony / I Think Of Her (She's On My Mind) / Lovin' / Cataleptic / Don't You Realize



vrijdag 23 augustus 2013

Neighb’rhood Childr’n | Neighb’rhood Childr’n

The Navarros is een collegeband uit Phoenix, Oregon, die onder invloed van de opkomende psychedelische San Francisco-sound zijn naam verandert in Neighb’rhood Childr’n. Maar niet alleen dat: bezettingswijzigingen, hippe kleren en acid-rock zetten de band neer als een boeiende variant op Jefferson Airplane. De manager van de band brengt de groep naar Californië – en naar Leo de Gar Kuka’s Golden State Recorders in San Francisco. Verspreid over 1967 en 1968 nemen de Neighb’rhood Childr’n daar hun debuut op. Het gelijknamige en enige album van Neighb’rhood Childr’n is een heavy psychedelische lp die steunt op fuzzgitaren, Ryan Hoffmans jengelende orgel en de wisselende zang van Hoffman en gitarist Rick Bolz. Het levert een gevarieerd en boeiend album op, met ‘Patterns’ als meest sprekende voorbeeld van de duistere, trippy sound van het viertal. Een veranderde geloofsovertuiging en een naamswijziging naar White Horse betekent in 1969 het einde van de Neighb’rhood Childr’n.

Feeling Zero / Long Years In Space / Up Down Turn Around World / Changes Brought To Me / Please Leave Me Alone / Hobbit’s Dream / Chocolate Angel / Patterns / Happy Child / Happy World Of Captain K / She’s Got No Identification / Over The Rainbow

vrijdag 7 juni 2013

Nirvana | All Of Us

Beslist een van de mooiste singles van de jaren zestig: ‘Rainbow Chaser’. De magnifieke song komt in Nederland echter niet hoger dan de tipparade. Niet zo gek, aangezien de uitvoerende groep – Nirvana – een typisch product is van de hippe Londense scene van Carnaby street, Mary Quant en Twiggy. Nirvana is eigenlijk niet een groep, maar een project. Een groots project, dat wel. Nirvana begon wel als band: in 1966 in Londen opgericht door de Ier Patrick Campbell-Lyons (zang, gitaar) en de Griek George Alex Spyropoulos (toetsen), tuigen zij Nirvana op met een gitarist, bassist, violist en celliste. Island Records, in de personen van Muff Winwood en stafproducer Jimmy Miller, hapt direct toe als Nirvana op de stoep staat. De bandleden worden echter losgeweekt van het duo Campbell-Lyons/Spyropoulos, die dan hun orkestrale arrangementen en muzikale ideeën laten vormgeven door ervaren studiomusici. Hoewel Islands Chris Blackwell in Nirvana de nieuwe Moody Blues of Procol Harum ziet, is Nirvana niet meer dan een baroque-pop kamerorkest – met harp en klavecimbel als de meest in het oor springende instrumenten. Deze sound, aangevuld met Jimmy Millers paukenslagen, is al geheel uitgekristalliseerd op de majestueuze debuutsingle ‘Tiny Goddess’. Vreemd genoeg staat de eerste release van Nirvana op hun tweede lp All Of Us, die in 1968 verschijnt. 
All Of Us is gestoken in een schokkende hoes waarop een beeld te zien is uit een nazi-propagandafilm van Hitlers favoriete filmmaker Leni Riefenstahl. Dit duistere beeld staat in hevig contrast met de kleurrijke muziek die op All Of Us te vinden. De barokke pop, voorzien van multigelaagde zang, een 30-koppige strijkerssectie en verrassende studio-effecten, komt fraai tot zijn recht in kunststukjes als ‘Melanie Blue’, ‘Trapeze’ en ‘Miami Masquerade’. ‘You Can Try It’ valt op vanwege spinet en Bacharach-zang, evenals het voor een speelfilm gecomponeerde ‘The Touchables (All Of Us)’. Top of the bill zijn echter de mini-symfonieën ‘Tiny Goddess’ en de met phasing-effecten versierde klassieker ‘Rainbow Chaser’. Maar de singles worden geen hits, waardoor Island de interesse in Nirvana verliest. Campbell-Lyons en Spyropoulos vinden dan onderdak bij een Amerikaans label dat echter vlak voor het derde album failliet gaat, Nirvana in zijn val meeslepend.

Rainbow Chaser / Tiny Goddess / The Touchables (All Of Us) / Melanie Blue / Trapeze / The Show Must Go On / Girl In The Park / Miami Masquerade / Frankie The Great / You Can Try It / Everybody Loves The Clown / St John’s Wood Affair 

zaterdag 1 juni 2013

Skip Bifferty | Skip Bifferty

Als zanger Graham Bell zich in 1966 bij The Chosen Few in Newcastle voegt, wordt de bandnaam gewijzigd in Skip Bifferty. Tijdens een optreden in Londen wordt de band ontdekt door entrepreneur Don Arden die ze belooft net zo groot te maken als The Rolling Stones. Een aantal singles geeft Skip Bifferty behoorlijke aandacht, helemaal als dj John Peel zich ermee gaat bemoeien. De debuut-lp wordt in een aantal etappes opgenomen en uiteindelijk, gestoken in een sprookjesachtige hoes en met liner notes van Peel, in 1968 gereleased. Ontevreden met de sound laat de band het album terugtrekken en een paar maanden later opvolgen door een geremixte versie. Het komt de verkoop niet ten goede, maar doet niet af aan de psychedelische pracht van het gelijknamige debuutalbum. Gekke stemmetjes, fluitjes, tape-effecten en achterwaartse gitaren verrijken de popsound van Skip Bifferty in avontuurlijke en spannende liedjes als 'Money Man', 'Come Around', 'Jeremy Carabine' en 'Yours For At Least 24', waardoor Skip Bifferty een hoogtepunt is van de Britse psychedelica. Helaas laat een fikse ruzie met manager Arden Skip Bifferty nog in december van datzelfde jaar imploderen.

Money Man / Jeremy Carabine / When She Comes To Stay / Guru / Come Around / Time Track / Gas Board Under Dog / Inside The Secret / Orange Lace / Planting Bad Seeds / Yours For At Least 24 / Follow The Path Of The Stars / Prince Germany The First / Clearway 51 

donderdag 2 mei 2013

Glen Campbell | By The Time I Get To Phoenix


Countrypop. Het gladde genre lijkt speciaal te zijn uitgevonden voor Glen Campbell. Diens soepele en zijdeachtige stem in combinatie met soms weeë strijkers en een voorzichtig countryritme heeft vele vrouwenharten sneller doen kloppen. De genreaanduiding is bovendien bij uitstek van toepassing op Glen Campbell omdat hij een cross-over bewerkstelligde tussen pop en country – in de jaren zestig twee strikt gescheiden genres, met in Amerika aparte hitlijsten. Maar Campbell is meer dan dat. Hij duikt steeds weer op in de popgeschiedenis: bij Frank Sinatra, bij Phil Spector, bij The Monkees, bij Sagittarius en hij speelde mee op Pet Sounds. Campbell is een zeer veelzijdig gitarist en in die hoedanigheid maakt hij in de jaren zestig samen met o.a. Carol Kaye, Hal Blaine, Larry Knechtel en Tommy Tedesco deel uit van een groep L.A.-sessiemuzikanten, bekend onder de naam The Wrecking Crew. Campbell weigert in 1965 zelfs het aanbod om toe te treden tot The Beach Boys, nadat hij met hen op tournee was geweest. Capitol, het label van The Beach Boys, biedt Campbell dan een langdurig solocontract aan en begint de good looking Campbell stevig te promoten. Campbell heeft een aantal flinke hits, zowel in de country- als de pophitlijsten. In 1968 gaat Glen Campbell een monsterverband aan met songschrijver Jimmy Webb, wat resulteert in een grote hit met het onwaarschijnlijk fraaie ‘By The Time I Get To Phoenix’. In datzelfde jaar wordt Campbell de presentator van de CBS televisieshow The Glen Campbell Goodtime Hour, waar hij zowel pop- als countryliefhebbers bereikt. By The Time I Get To Phoenix is de gelijknamige lp die dan op de markt komt, met daarop – naast een aantal niemendalletjes – een trits aantrekkelijke liedjes. De countryeske softpop is soms mierzoet, maar Campbells zijdezachte tenor en repertoirekeuze vergoeden veel. Zo zijn Dorsey Burnette’s ‘Hey Little One’ en Bill Andersons ’Bad Seed’ prachtige Campbell-interpretaties en is de licht-orkestrale afsluiter ‘Love Is Lonesome River’ zoet en bitterzoet tegelijk. By The Time I Get To Phoenix zorgt in 1968 voor een stevige commerciële doorbraak voor Glen Campbell, al blijft – naar de latere wereldhit – de Rhinestone Cowboy een typisch Amerikaans fenomeen.

By The Time I Get To Phoenix / Homeward Bound / Tomorrow Never Comes / Cold December (In Your Heart) / My Baby’s Gone / Back In The Race / Hey Little One / Bad Seed / I’ll Be Lucky Someday / You’re Young And You’ll Forget / Love Is A Lonesome River

woensdag 13 februari 2013

Southwest F.O.B. | Smell Of Incense


The Playboys 5 is een van de duizenden garagebands die halverwege de jaren zestig in Dallas, Texas actief zijn. Na een eerste naamswijziging in These Few wijzigt de band – de meeste bandleden studeren om de dienstplicht te ontlopen – in 1967 zijn naam in Southwest F.O.B.. Een eerste single genereert interesse van een aantal platenmaatschappijen, waarvan Stax’ poplabel Hip het snelst toehapt. Het debuutalbum Smell Of Incense – naar de gelijknamige eerste hit – wordt in een weekend opgenomen in een tot studio omgebouwde garage in Tyler, Texas. Het album is een afgewogen mix van covers (Buffalo Springfield, West Coast Pop Art Experimental Band, Chuck Berry) en sterke eigen composities. Deze combinatie en de zeurende Farfisa-orgels en rondzingende fuzzgitaren maken van Smell Of Incense eersteklas Texas-psychedelica. Al is er wel een uitputtende drumsolo in de ellenlange afsluiter, maar zijn er ook de zeer fraai samensmeltende stemmen van Dan Seals en John Colley, een duo dat na de beëindiging van Southwest F.O.B. groot commercieel succes zal behalen als England Dan & John Ford Coley.

Smell Of Incense / Tomorrow / Rock ‘N’ Roll Woman / Downtown Woman/Nadine / All One Big Game / On My Mind / Bells Of Baytown / And Another Thing

zaterdag 10 november 2012

Steve Miller Band | Sailor


Het moment dat Capitol bereid is te investeren in het product Steve Miller worden zijn singles en albums millionsellers. Dat begint in 1973 met de single ‘The Joker’, een nummer 1-hit in de VS, gevolgd door het zeer succesvolle gelijknamige album. Miller vindt zichzelf opnieuw uit en wordt de clevere hitschrijver van gepolijste singles die miljoenen verkopen, evenals de albums waarvan ze worden gelicht: Fly Like An Eagle (vijf miljoen exemplaren) en Book Of Dreams (vier miljoen exemplaren. Maar de Steve Miller van vóór zijn evident commerciële periode is een andere Miller. Steve Miller, geboren in Milwaukee, Wisconsin, groeit op in Texas en leert daar via legendes T-Bone Walker en Les Paul gitaar spelen. Als bluesgitarist trekt Miller naar Chicago, maar als er rond 1966 spannende dingen gebeuren in San Francisco wil Miller daarvan een graantje meepikken. Zijn Steve Miller Band blijkt zich te kunnen meten met de grote bands van de San Francisco-scene, treedt op op het Monterey Festival en sleept een langdurig contract met Capitol in de wacht. Met de blues als basis voegt Miller aan het bandgeluid rock en psychedelica toe, waardoor The Steve Miller Band over een avontuurlijke, opwindende en vernieuwende sound beschikt. Het debuut Childen Of The Future wordt in Londen opgenomen met Glyn Johns als producer, hetgeen ook gepland is voor de opvolger, maar de complete band wordt door de Britse autoriteiten het land uitgezet – Glyn Johns volgt in hun spoor. Met hem neemt The Steve Miller Band in San Francisco Sailor op, een plaat die net als het debuut in 1968 verschijnt. De bezetting van The Steve Miller Band is dan Boz Scaggs (gitaar), Tim Davis (drums), Lonnie Turner (bas) en Jim Peterson (orgel). De laatste is samen met Miller verantwoordelijk voor het atmosferische bandgeluid dat aldus gedomineerd wordt door orgel en elektrische gitaar. Maar als eerste wordt de aandacht op Sailor getrokken door de misthoorns en scheepstoeters in de baai van San Francisco die de fascinerende instrumentale opener ‘Song For Our Ancestors’ een vervreemdend effect geven. Dit wordt gevolgd door de verstilde, smartelijke ballad ‘Dear Mary’ – Steve Miller in optima forma – een kunstje dat hij herhaalt met het geestverruimende, zwevende ‘Quicksilver Girl’. ‘Gangster Of Love’ en You’re So Fine’ zijn twee in elkaar overlopende covers van bluessongs van respectievelijk Johnny Guitar Watson en Jimmy Reed, terwijl het door Jim Peterman geschreven en gezongen ‘Lucky Man’ doet denken aan pastorale soul van Traffic. De meest swingende, groovy tracks zijn ‘Dime-A-Dance Romance’ en ‘Living In The U.S.A’, die het royaal moeten afleggen tegen de pure acidrock van het bezwerende, zuigende en fantastische ‘My Friend’ – een klassieker van de San Francisco-sound. In totaal maakt The Steve Miller Band in de periode 1968-1970 een stuk of vijf uitstekende lp’s, die door Capitol niet gepromoot worden en dus matig verkopen. ‘The Joker’ verandert dit radicaal en maakt van Steve Miller een multimiljonair. Zoals gezegd, Sailor is die andere – avontuurlijke, vernieuwende, psychedelische – Steve Miller.

Song For Our Ancesters / Dear Mary / My Friend / Living In The U.S.A. / Quicksilver Girl / Lucky Man / Gangster Of Love / You’re So Fine / Dime-A-Dance Romance

dinsdag 25 september 2012

Joe South | Introspect


Joe South was in zijn tijd een alleskunner. Op 12-jarige leeftijd had hij al een wekelijks radioprogramma bij een lokaal muziekstation. Hij speelde als sessiegitarist mee op platen van Aretha Franklin, Fats Domino en Simon & Garfunkel en was bovendien te horen op Dylans Blonde On Blonde. Hij produceerde en arrangeerde hits voor The Tams en schreef ook nog eens de wereldhit ‘Down In The Boondocks’ voor Billy Joe Royal, en dat alles voor hij zelf debuteerde in 1968.
Geboren in 1940 in Atlanta, Georgia, was Joe South al op jonge leeftijd verslingerd aan muziek. Hij was discjockey bij WGST, en zong en speelde countryliedjes en soms zelfs een eigen compositie. South trad daarbij op in de honky tonks in en om Atlanta en na zijn middelbare schooltijd ruilde hij in 1962 Atlanta in voor Nashville. Nadat de British Invasion in 1964 op gang kwam en South deze invloed samenvoegde met zijn voorliefde voor soul en countrypop, keerde hij terug naar Atlanta – Nashville had hem, in tegenstelling tot vele anderen, weinig goeds gedaan. South had echter wel in Nashville het kunstje leren beheersen: in Atlanta richtte hij zijn eigen productiemaatschappij op en stelde zichzelf ter beschikking als songschrijver, gitarist, arrangeur en producer. In al deze hoedanigheden was Joe South dan ook verantwoordelijk voor Billy Joe Royals wereldhits, ‘Down In The Boondocks’ en ‘Hush’. Hij reisde heen en weer tussen de Muscle Shoals-studio’s en Nashville en werd een veel gevraagd arrangeur en sessiegitarist. Hij ontwikkelde een karakteristieke gitaarsound die leunde op het dan hippe sitargeluid in combinatie met een Zuidelijk soulgevoel.
Als gevolg van de sessies met Bob Dylan voor Blonde On Blonde en de opkomst van de flower-power wordt South zich bewust van het belang van zelfexpressie en – minstens zo belangrijk – ontdekt hij marihuana en acid. De drive om radiohits te schrijven verdwijnt dientengevolge naar de achtergrond en nieuwe ambities dringen zich op. Via een bevriende lokale platenbons weet Joe South een solo-deal af te sluiten met het machtige Capitol Records. Zelfverzekerd en vol elan vat South het ambitieuze plan op een plaat te schrijven en op te nemen die de vergelijking aankan met instituten als Pet Sounds en Sgt. Pepper. Natuurlijk gaat dit South niet lukken, maar hij krijgt van Capitol steun en een ruim budget om een poging te wagen. In de studio van Postice Record Productions in Atlanta neemt South elf nummers op met zijn begeleidingsband The Believers, bestaande uit broer Tommy South (drums), zus Barbara South (toetsen) en vriend John Mulkey (bas). Naast deze band wordt een strijkkwartet ingezet, waarvoor South uiteraard de arrangementen schrijft.
Introspect – de kijk naar binnen – verschijnt in 1968 en is nauwelijks vergelijkbaar met enig ander werk. De verzameling popsongs, want catchy popsongs blijven het, hebben een traditionele Zuidelijke inslag, maar zijn tegelijk experimenteel van aard. Het experiment zit hem in de sound, die nog het best te omschrijven is als countrysoul, en die een kaleidoscoop is van stijlen als rock-‘n-roll, gospel, rhythm & blues en uiteraard country en soul. Het is een dan unieke en progressieve mix, maar is bovendien stevig geworteld in de tradities van het Zuiden. Niet alleen de vermenging van diverse stijlen – en Souths arrangeertechnieken – zijn bijzonder; ook zijn psychedelische gitaarsound, met gebruikmaking van tapevertraging, is uniek en uit duizenden te herkennen. Het beste voorbeeld hiervan is ‘Games People Play’, een klassiek popnummer met een evenzeer klassiek intro. ‘Games People Play’ is bovendien een soort van protest tegen leugenachtig gedrag: Games people play / Every night and every day now / Never meaning what they say. Het introspectieve van de plaattitel komt terug in ‘Mirror Of Your Mind’ waarin South met een diepe en donkere stem – als een ware singer-songwriter – croont: Who’s that fool looking back at you in the mirror of your mind. South keert zich in zichzelf en reflecteert zijn amoureuze leven in juweeltjes van beeldspraak als we are birds of a feather en I never promised you a rose garden. De invloeden van het Diepe Zuiden komen terug in het bijbelse ‘Gabriel’, dat uitgesmeerd over ruim zeven minuten een meesterlijke afsluiter is van Introspect.
In eerste instantie weet Introspect nauwelijks aandacht te trekken, maar als een jaar later ‘Games People Play’ als single wordt uitgebracht, rijst Souths ster tot ongekende hoogten: ‘Games People Play’ wordt in 1969 zeer terecht uitgeroepen tot Song of the Year. De daaropvolgende jaren werkt South in de studio aan een oeuvre van vier lp’s en dompelt zich onder in drugs. Uiteenlopende artiesten als The Osmonds, Elvis Presley en Deep Purple scoren in de begin jaren zeventig grote hits met nummers van South, met als grootste de miljoenenhit van Lynn Anderson, ‘Rose Garden’. Joe Souths drugsgebruik weerhoudt hem echter van een definitieve doorbraak en in 1971 stort hij volledig in. Hij verdwijnt naar de jungle van Hawaii en zal in 1975 terugkeren naar de Atlanta om zijn laatste plaat op te nemen, Midnight Rainbows. En dan, dan verdwijnt Joe South voorgoed van het podium.
Op 5 september 2012 overlijdt hij, 72 jaar oud.

All My Hard Times / Rose Garden / Mirror Of Your Mind / Redneck / Don’t Throw Your Love To The Wind / The Greatest Love / Games People Play / These Are Not My People / Don’t Be Ashamed / Birds Of A Feather / Gabriel

dinsdag 18 september 2012

The Lollipop Shoppe | Just Colour


In 1965 richt Fred Cole in Las Vegas, Nevada The Weeds op. De band maakt luide garagerock, aangejaagd door het maniakale, snerpende stemgeluid van Cole. De trek naar de hippe Westkust brengt The Weeds in Portland, Oregon en het succes in lokale clubs aldaar drijft de band naar Californië – the place to be. Via de Britse manager van The Seeds, Lord Tim Hudson, komen The Weeds onder contract bij Uni Records, al moet het vijftal wel een andere naam aannemen. Ze kiezen voor The Underground Railroad – naar een eigen compositie, maar zien tot hun afgrijzen op het singlehoesje dat het het bubblegum-achtige Lollipop Shoppe is geworden. Die single, ‘You Must Be A Witch’, is in ieder geval wel een garagepunkklassieker. Een debuutalbum wordt snel opgenomen – volgens Fred Cole in een dag – en borduurt voort op de gejaagde garagesound van krijsende vocalen, feedbackgitaren en primitieve ritmes. Maar tussen de rauwe sound van de demente rockers klinken ook prachtige psychedelische ballads op als ‘Don’t Close The Door On Me’ en het Love-achtige ‘It’s Only A Reflection’. Het sterke Just Colour is het enige album van The Lollipop Shoppe, maar niet van Fred Cole. Na Zipper in de jaren zeventig, kent Cole samen met zijn vrouw Toody in de jaren tachtig en negentig wereldwijd undergroundsucces met punkrockband Dead Moon en vanaf 2007 – Fred en Toody Cole zijn dan 40 jaar getrouwd – met de Pierced Arrows.

You Must Be A Witch / Underground Railroad / Baby Don’t Go / Who’ll read The Will / It’s Only A Reflection / Don’t Look Back / Don’t Close The Door On Me / It Ain’t How Long / It’s Makin’ It / I’m Gonna Be There / You Don’t Give Me No More / Sin

donderdag 6 september 2012

Quicksilver Messenger Service | Quicksilver Messenger Service

In 1964 richt folkzanger Chester Powers Quicksilver Messenger Service op. Powers heeft dan onder de naam Dino Valenti al jarenlang het koffiehuizencircuit van Greenwich Village afgestroopt. In San Francisco gaat hij een verbond aan met Gary Duncan (gitaar, zang), John Cipollina (gitaar), David Freiberg (bas,zang), Jim Murray (zang) en Greg Elmore (drums). Quicksilver Messenger Service speelt in de talloze clubs in San Francisco en in de Bay Area en ontwikkelt gaandeweg zijn psychedelische sound van uitgesponnen gitaarsolo’s, geestverruimende songstructuren en zweverige songteksten. Met The Grateful Dead en Jefferson Airplane behoort Quicksilver Messenger Service tot de voorhoede van de acid-rock en gezamenlijk vormen zij het uithangbord van de hippiecultuur van Haight-Ashbury. Dino Valenti neemt dit nogal letterlijk, want rond 1965 wordt Valenti gearresteerd wegens drugsbezit. In zijn proeftijd wordt hij opnieuw opgepakt en dus draait hij voor jaren de gevangenis in. Ondertussen tekent zijn band, als laatste van de grote San Francisco-hippiebands, een contract met een platenlabel. Jim Murray is dan uit de band vertrokken, waardoor het viertal Cipollina, Freiberg, Elmore en Duncan overblijft en de laatste de zanger van de band wordt. De debuutplaat van Quicksilver Messenger Service verschijnt in een door de befaamde graficus Rick Griffin getekende hoes. Het kwartet is beïnvloed door jazz, country en de rock-‘n-roll van Bo Diddley. Het meest kenmerkende aan de psychedelische sound zijn echter de gitaar-suites die minutieus worden opgebouwd door de gitaristen Cipollina en Duncan. Op de zelfgetitelde debuut-lp komt dit het best tot uitdrukking in de geïmproviseerde en jazzy instrumentals ‘Gold And Silver’ en het eindeloze ‘The Fool’. De vocale stukken zijn echter zeer sterk, omdat Quicksilver Messenger Service de klassieke invloeden van folk en country aanwenden voor het maken van echte liedjes. De elektrische folkrock van ‘Pride Of Man’ – een cover van folkzanger Hamilton Camp – is fantastisch, evenals de gedegen bandcomposites ‘Light Your Windows’ en de liefdevolle boodschap aan de voorman in de gevangenis: ‘Dino’s Song’. Dat dit geweldige debuut van Quicksilver Messenger Service niet de status heeft die het verdient, komt louter door de opvolger Happy Trails. Deze Diddley-cover, uitgesmeerd over een gehele plaatkant, heeft helaas het zicht ontnomen op de psychedelische, kosmische rock van het prachtige debuut dat Quicksilver Messenger Service absoluut is.


Pride Of Man / Light Your Windows / Dino’s Song / Gold And Silver / Too Long / The Fool

zaterdag 14 juli 2012

Rodriguez | Cold Fact

De fansite meldt trots dat Rodriguez de grootste in levende zijnde cultartiest van de wereld is. Niet Alex Chilton, niet Don Van Vliet, niet Roky Erickson en niet The Legendary Stardust Cowboy. Nee, Rodriguez. Het is vermoedelijk nog waar ook, al was het maar omdat de geboren Amerikaan zelden tot nooit in de Verenigde Staten heeft opgetreden.
Hoewel geboren uit Mexicaanse ouders, Sixto Diaz Rodriguez’ wieg staat op Michigan Avenue, Detroit. Sixto – het zesde kind – wordt geboren op 10 juli 1942. Hij groeit op in een arbeidersfamilie en heeft baantjes als stukadoor, dakdekker en pompbediende. Als 25-jarige krijgt Rodriguez een kans om voor een klein labeltje een single op te nemen: ‘I’ll Slip Away’. De single wordt niet alleen een flop, maar wordt ook toegeschreven aan ‘Rod Riguez’. Een aantal later jaren probeert Rodriguez het weer en nu heeft hij Buddah Records achter zich staan en mag hij onder leiding van huisproducers Mike Theodore en multi-sessiegitarist Dennis Coffey voor Buddah-offshoot Sussex aan zijn debuut-lp werken. Sixto Diaz Rodriguez blijkt, eind jaren zestig, een typische singer-songwriter te zijn die zich wapent met subtiel akoestisch gitaarspel en maatschappijkritische teksten. Het leven in de achterstandwijken van Detroit, de hieruit voortvloeiende vervreemding en het vele drugsgebruik zijn de onderwerpen die Rodriguez in zijn teksten aanroert. En daarbij, als kansarm immigrantenkind is hij ervaringsdeskundige bij uitstek. Met de opnamen voor Cold Fact wordt hem niettemin de kans geboden zijn armetierige bestaan te ontstijgen. In minder dan twee maanden nemen Rodriguez en zijn uitgelezen studioband in de Tera-Shirma Studios in natuurlijk Detroit de nummers – alle eigen composities – op voor Cold Fact. Naast de superieure gitarist Dennis Coffey valt het logge en groovende basspel op van Bob Babbitt, bassist bij The Funk Brothers en te horen op tientallen hits van het Tamla Motown-label. Het is dan ook het knorrende basspel van Babbitt dat het psychedelische ‘Only Good For Conversation’ inluidt. Een meesterlijke rocksong op het snijvlak van singer-songwriter, psychedelische soul en hallucinerende sixtiesrock en een hoogtepunt op deze plaat. Het is sowieso die onwaarschijnlijke mix van folky protestzang à la Fred Neil, Motown en psychedelica die Cold Fact tot een heel bijzondere lp maakt. Rodriguez heeft de verloederende binnenstad tot het basisthema van Cold Fact verheven. In ‘Establishment Blues’ gaat Rodriguez het bestuur van de stad te lijf: Garbage ain’t collected, woman ain’t protected / The maffia’s getting bigger, like polluton in the river. Ook in ‘Inner City Blues’ en ‘Hate Street Dialogue’ spuit Rodriguez zijn kritiek – The inner city birthed me / The local pusher nursed me. ‘Gomorrah (A Nursery Rhyme)’ doet sterk denken aan soft-psychedelische folk van Donovan, ‘I Wonder’ is een anti-warsong met nerveus rollend orgel en ‘Like Janis’ is een bitterzoet folkrocknummer met mooi refrein en orkestrale begeleiding. Het topnummer is echter ‘Sugar Man’ – tevens Rodriguez’ bekendste nummer – waarin alle elementen samenvloeien: zwevende orgellijnen, galmende koperblazers en psychedelische effecten. Een single uit duizenden.
Met Cold Fact heeft Rodriguez in een muzikaal dagboek de stad Detroit fraai geportretteerd – net als Lou Reed dat twintig jaar later zou doen met New York. De geëngageerde teksten, het singer-songwritersidioom, het subtiele akoestische gitaarspel van Rodriguez en zeker ook de door wahwah en feedback gestuurde gitaar van Dennis Coffey maken van Cold Fact een uniek jaren zestig-document.
Maar Cold Fact bleek aan nagenoeg niemand besteed, net zo min als de opvolger Coming From Reality. En Rodriguez trok zich terug uit de business, concentreerde zich op de lokale politiek. Tot een onwaarschijnlijke speling van het lot van Cold Fact een megaseller in Australië maakte. Nieuw-Zeeland volgde, evenals Zuid-Afrika. In deze landen gaf Rodriguez in de jaren tachtig stadionconcerten en werd daar een megaster. De oudere Rodriguez is in Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika een muzikale held. In de rest van de wereld – inclusief Amerika – is Sixto Diaz Rodriguez niets meer dan een figuur in de marge; een cultartiest van de allerhoogste orde.

Sugar Man / Only Good For The Conversation / Crucify Your Mind / Establishment Blues / Hate Street Dialogue / Forget It / Inner City Blues / I Wonder / Jane S. Pidy / Gommorah (A Nursery Rhyme) / Rich Folks Hoax / Like Janis

woensdag 23 mei 2012

Thunderclap Newman | Hollywood Dream

Thunderclap Newman is slechts een terzijde in de geschiedenis van de popmuziek, toch heeft het illustere gezelschap een klassieke pophit geproduceerd, die zelfs tot de mooiste popsongs ooit gerekend mag worden: ‘Something In The Air’. Ook in Nederland wordt het romantische flower-powerliedje een hit; de hoogste notering is, in juni 1969, de 14e plaats in de Top-40. Thunderclap Newman had niet de minste achter zich staan: Pete Townsend. De Who-gitarist bracht zijn chauffeur John ‘Speedy’ Keen, de 16-jarige gitarist Jimmy McCullogh en de bejaard ogende ex-postbode Andy Newman bij elkaar. Het lijkt een grap, temeer daar Who-manager Kit Lambert voorstelt het trio My Favorite Freaks te noemen. Maar als ‘Something In The Air’ een wereldhit wordt, is het trio de grap voorbij.
Thunderclap Newman neemt, opnieuw met Pete Townsend als producer, een volwaardige langspeler op in dezelfde weemoedige en licht-psychedelische sfeer als ‘Something In The Air’. De sound op Hollywood Dream is opgebouwd rond de vaudeville-piano van Newman, de nasale maar melancholieke stem van Speedy Keen en het soms rauwe gitaarspel van wonderkind McCullogh. Het typerende Britse geluid van die tijd – Beatles, Kinks, Small Faces – komt terug in de weemoedige songs, waaronder zich prachtige melodieuze en zonovergoten tracks bevinden als ‘The Reason’ – met een fraaie gitaarclimax – , ‘Open The Door Homer’, ‘The Old Cornmill’ en het schitterende ‘I Don’t Know’. In het slotnummer ‘Hollywood # 2’ keert het thema van het openingsnummer terug, maar dan voorzien van zinderend gitaarspel van Jimmy McCullogh en Newmans honky-tonkpiano; een passend einde van een uitstekende poprockplaat. Hollywood Dream profiteert echter niet van het wereldwijde succes van ‘Something In The Air’, met als gevolg dat Thunderclap Newman zich al in 1970 opheft. Newman verdwijnt van het muzikale toneel, Speedy Keen maakt twee soloplaten en Jimmy McCullogh treedt in 1974 toe tot Paul en Linda McCartneys Wings, maar overlijdt al in 1979, 26 jaar oud.
Hollywood # 1 / The Reason / Open The Door Homer / Look Around / Accidents / Something In The Air / Wild Country / When I Think / The Old Cornmill / I Don’t Know / Hollywood Dream (Instrumental) / Hollywood # 2

woensdag 14 maart 2012

Kak | Kak

Nog geen jaar heeft Kak bestaan, maar tussen oprichting en uiteengaan maakten de Californische psych-rockers wel een monster van een rockplaat, die terecht beschouwd wordt als een Westcoast-klassieker. In de zomer van 1967 komt Gary Yoder op straat, in Davis, Californië, Gary Grelecki tegen. Zanger/gitarist Yoder is dan zonder band omdat The Oxford Circle net daarvoor is opgeheven. Grelecki zegt een platencontract voor Yoder te kunnen regelen bij CBS. En inderdaad; twee maanden later is Gary Yoder door bemiddeling van de vader van Grelecki getekend door CBS/Epic. Samen met Oxford Circle-gitarist Dehner Patten en de door hem meegebrachte drummer Chris Lockheed richt Gary Yoder Kak op, waaraan kort daarop bassist Joe-Dave Damrell wordt toegevoegd. Het vijftal – inclusief Grelecki – verhuist dan naar San Francisco en betrekt op kosten van CBS een oud Victoriaans pand: The Kak Mansion. In dit huis bereiden ze zich in de zomer van 1968 voor op plaatopnamen; Yoder schrijft de songs en Grelecki de teksten. In juni neemt Kak een aantal nummers op in de Columbia Studios in Los Angeles, in september gevolgd door de rest van de opnamen voor het debuutalbum. Ondanks dat ze onder tijdsdruk staan van Epic, hebben de muzikanten de tijd van hun leven; branden wierook, roken dope en creëren de mooiste psychedelische rockmuziek. Een omschrijving die dan ook geheel van toepassing is op Kak, het verbluffende album dat Kak in volle glorie toont. De dubbele gitaar-line-up van Yoder en Patten zorgt voor een stevige sound die in giftige rocknummers als ‘Bryte ‘N’ Clear Day’ en ‘Disbelievin’’ – opgebouwd rond een gemene, dreinerige gitaarriff – aan de gitaarsound van Moby Grape doet denken, terwijl de poëtische en van weemoed druipende song ‘Flowing By’ en het superieure ‘I’ve Got Time’ – waarin de gitaar klinkt als een wuivende pedal steel – Buffalo Springfield naar de kroon steekt. Maar Kak klinkt als zijn unieke zelf in de melodieuze acidrock die psychedelische klassiekers als ‘Lemonaide Kid’, ‘Electric Sailor’ en ‘Everything’s Changing’ kenmerken: vloeiende melodielijnen, gave harmoniezang en aardeverschroeiend gitaarwerk. Dat mag zo zijn, maar tegen de tijd dat Kak op de markt komt en de band net een aantal zinderende optredens heeft gedaan, ontstaan er irritaties en ruzies. Vanzelfsprekend hapert ook de promotiemachine van Epic, zodat begin 1969 zowel de band Kak als het album Kak roemloos ten onder gaat – wat in het geheel niet wegneemt dat het een van de allerbeste psychedelische Westcoast-rockalbums is. Kak rules.
HCO 97658 / Everything’s Changing / Electric Sailor / Disbelievin’ / I’ve Got Time / Flowing By / Bryte ‘N’ Clear Day / Trieulogy: (I) Golgotha (II) Mirage (III) Rain / Lemonaide Kid