Posts tonen met het label white blues. Alle posts tonen
Posts tonen met het label white blues. Alle posts tonen

woensdag 18 september 2013

The Red Devils | King King

Tamelijk geniaal van Rick Rubin om The Red Devils op te nemen in de tent waar hij ze het eerst zag. In de King King dus, een voormalig Chinees restaurant in West Hollywood, Californië. In 1988, als de club zijn deuren opent, zijn de muzikanten die The Red Devils zullen vormen al van partij. Ze worden de huisband van de King King en op de vaste maandagavond is het bal. De spil van de band is Lester Butler, een punkrocker die hartstochtelijk verslingerd is aan de blues en zijn blueshelden. Butler is een virtuoos op de mondharmonica, heeft het ding al vanaf zijn vroege jeugd in de kontzak. Om zich heen heeft Butler de gebroeders Johnny Ray (bas) en Dave Lee Bartel (slaggitaar), Bill Bateman (drums) en de Texaanse gitarist Paul ‘The Kid’ Size verzameld. Een zooitje ongeregeld is het. Maar ze zetten wel de King King wekelijks in vuur en vlam – en daar komen beroemdheden op af als Bruce Willis, Peter Wolf en Mick Jagger. En ook producer Rick Rubin. 
De twaalf schroeiende bluessongs op King King zijn door Rubin en rechterhand Brendan O’Brien zonder genade op tape gekwakt. Het is, bij beluistering van King King, alsof je er bij geweest bent. De live-sfeer in de King King-club is primitief en opwindend en wordt nog versterkt door de aanwijzingen die baas Butler aan zijn bandleden geeft, al blijft dit voornamelijk beperkt tot de mededeling dat het volgende lied weer een blues is. Dan spuugt Lester Butler weer zijn teksten in de buizenmicrofoon, klemt zijn scheurijzer er tegenaan en rost er weer een huiveringwekkende solo uit, die vervolgens de dialoog aangaat met Paul Size’s fabuleuze gitaarspel. Butlers grote helden worden ruimschoots eer betoond; er zijn kokende versies van ‘She’s Dangerous’ en ‘Tail Dragger’ (Willie Dixon), ‘Mr. Highway Man’ (Howlin’ Wolf), ‘I Wish You Would’ (Billy Boy Arnold) en ‘Cross Your Heart’ (Sonny Boy Williamson). Maar ook Butler laat zich niet onbetoond; zijn ‘Goin’ To The Church’ is meesterlijk evenals ‘Devil Woman’ dat stevig aanleunt tegen de swamprock van Creedence Clearwater Revival. Na de instrumentale Little Walter-slowblues ‘Quarter To Twelve’ sneert Butler totaal overbodig:‘Alright, a little blues yeah,’ waarna de band weer loos gaat in een knetterende uitvoering van Junior Wells’ ‘Cut That Out’, dat tegelijk het wervelende slotakkoord is en er bijna een uur ruwe, wild en aartsgemene blues op zit. King King, met zijn elementaire en geile blues, gloeit nog lang na. Maar het zal bij een plaat blijven. De ongeremde, onberekenbare en aan alcohol en heroïne verslaafde Butler houdt The Red Devils niet bijeen. Butler maakt dan in 1997 nog een fraaie bluesplaat met zijn nieuwe band 13, maar ook dit is geen lang leven beschoren. Op 8 mei 1998 overlijdt Lester Butler in Los Angeles aan de gevolgen van een overdosis.

Automatic Man / Goin’ To The Church / She’s Dangerous / I Wish You Would / Cross Your Heart / Tail Dragger / Devil Woman / No Fightin’ / Mr. Highway Man / I’m Ready / Quarter To Twelve / Cut That Out

dinsdag 27 augustus 2013

The Groundhogs | Split

The Groundhogs staan garant voor eersteklas moddervette bluesrock. Het trio onder leiding van supergitarist Tony 'TS' McPhee maakt vanaf het begin van de jaren zeventig vanuit het hippe Londen – waar psychedelica en progrock de boventoon voeren – een serie geweldige bluesrockalbums. Spetterende witte gitaarblues, altijd afgetopt – als slagroom op de cake – met het vuurspuwende gitaarwerk van McPhee. Oorsplijtende solo's, knetterende riffs en een overdaad aan wah-wah kenmerken de bluesy boogierock van de aardvarkens. Hoewel puur Brits – McPhee tripte op Earl Grey – is de verwantschap met Amerikaanse bands als ZZ Top en Mountain opvallend en de stap naar southern rock niet zo groot. Split uit 1971 is met zijn orgiastische gitaarvuurwerk – en de schitterende akoestische countryblues 'Groundhog' – een waar carrièrehoogtepunt.

Split-Part 1 / Split-Part 2 / Split-Part 3 / Split-Part 4 / Cherry Red / A Year In The Life / Junkman / Groundhog

zondag 7 april 2013

Canned Heat | Canned Heat


Meer nog dan bluesmuzikanten zijn Bob ‘The Bear’ Hite, Al ‘Blind Owl’ Wilson en Henry ‘Sun’ Vestine bluesstudenten en -archeologen. Met zijn drieën gaan ze zich in 1965 op de praktijk richten en gaan authentieke, elektrische jugbandmuziek en countryblues spelen. Ze noemen zich Canned Heat, naar de bijnaam van een vloeibare drug in een blikje: Sterno, afgebeeld op de hoes van het debuut. De bluesmuziekverzamelaars uit Los Angeles herinterpreteren de vooroorlogse countryblues van Howlin’ Wolf, Muddy Waters, John Lee Hooker, Willy Dixon en Elmore James. Vandaar dat op het debuut Canned Heat uit 1967 voornamelijk covers te horen zijn. Canned Heat voegt er wel een vitale boogie-sound aan toe, wat de bluesstandards een hippere uitstraling geeft. Maar Canned Heat, met zijn hoogtepunt ‘Catfish Blues’, is wel de band in zijn meest ruwe en primitieve vorm, met de grommende rasp van Hite, het slide- en fantastische mondharmonicaspel van Wilson en de zinderende, elektriserende gitaarsolo’s van Vestine. De combinatie van elektrische countryblues en vette boogie maken van Canned Heat een band die eind jaren zestig uniek in zijn soort is.

Rollin’ And Tumblin’ / Bullfrog Blues / Evil Is Going On / Goin’ Down Slow / Catfish Blues / Dust My Broom / Help Me / Big Road Blues / The Story Of My Life / The Road Song / Rich Woman