Posts tonen met het label 1992. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1992. Alle posts tonen

zondag 22 november 2015

Sonny Landreth | Outward Bound


Als John Hiatt in 1988 live het succes van Bring The Family wil kapitaliseren haakt Ry Cooder af en moet Hiatt op zoek naar een vervanger. Die vindt hij in de begenadigde bottleneck- en slidegitarist Sonny Landreth. Landreth, geboren in Canton, Mississippi - bluesterritorium - en opgegroeid in Lafayette, Louisiana, waar hij in aanraking komt met cajun en zydeco, wordt een van de Goners in Hiatts begeleidingsband. Hij speelt een prominente rol op Slow Turning (1988) en gaat toeren met Hiatt. Vervolgens neemt Landreth de Goners David Ranson (bas) en Kenneth Blevins (drums) mee om het nog eens solo te proberen, nadat hij eerder in 1981 een poging had gewaagd met Blues Attack en nog eens in 1985 met Way Down In Louisiana. Nu lijkt het tij wel gunstig, want Outward Bound wordt alom gunstig ontvangen. En niet voor niets: Landreths derde plaat - drie keer scheepsrecht - is een enorm swingende rockplaat, met een heerlijk pompende gumbo-sound. Vanzelfsprekend staat Landreths zeer herkenbare slide- en bottleneck gitaarspel op de Fender Stratocaster centraal; begeleid door bas, drums en de hammond en accordeon van Steve Conn. Hoewel opgenomen in Nashville, Tennessee is Outward Bound een 100% bayou-plaat, die in alles de swamps van Louisiana ademt. In de broeierige, sferische stukken (‘Soldier Of Fortune’, ‘Planet Cannonball’) zijn er overeenkomsten met de cajun-getinte albums van Daniel Lanois. In de swingende rocker ‘Common-law Love’ zingt Landreths voormalige werkgever John Hiatt zijn partijtje mee, maar Landreth kan het ook alleen, getuige ‘Back To Bayou Têche’, ‘New Landlord’ en de vuige blues ‘Speak Of The Blues’. Schitterend zijn ook de dobro-ballad ‘Sacred Ground’ en titelsong ‘Outward Bound’. Ronduit fenomenaal is de catchy rocksong ‘When You’re Away’ - die Landreth in een betere wereld een internationale hit had kunnen opleveren. Helaas. Gelukkig wordt Outward Bound in rock- en rootskringen terecht laaiend enthousiast ontvangen. Dat geldt overigens ook voor de opvolger South Of I-10 (1995), maar daarna is het heel lang stil en verliest Sonny Landreth als singer-songwriter zijn momentum.

Soldier Of Fortune / Back To bayou Têche / When You’re Away / Sacred Ground / New Landlord / Speak Of The Devil / Yokamoma / Planet Cannonball / Common-law Love / Bad Weather / Outward Bound

zondag 2 november 2014

Suzanne Rhatigan | To Hell With Love

Mysterieus is ze, onbevattelijk. Slechts één solo-album maakte ze, en dan ook alweer in 1992. Zwoel is ze, kirrend, maar ook vol venijn – en ondubbelzinnig in haar verdict over de amoureuze kant van het leven: To Hell With Love. Het is de titel van Suzanne Rhatigans debuutplaat. Iers is ze, en achtergrondzangeres was ze op Stock, Aitken and Watermans en Kylie Minogue’s wereldhit ‘I Should Be So Lucky'. Op To Hell With Love klinkt ze echter als een New-Yorkse die ergens in de Lower East Side een vaste hangout heeft; To Hell With Love is dan ook een volbloed New York-plaat, met muzikanten als Robert Quinne (Richard Hell and the Voidoids), Bernie Worrell (Talking Heads) en Matthew Sweet. En meer nog; teleurstelling, onverschilligheid, drank en drugs vormen het louche decor waartegen deze grande dame haar aangrijpende rol speelt. To Hell With Love is een meesterlijk muzikaal dagboek uit onverwachte hoek. Maar als Rhatigans platenlabel failliet gaat, loopt haar net gestarte carrière op de klippen. Het is een triest voorlopig einde, want sindsdien probeert Rhatigan, nu vanuit Londen, nu alweer zo’n 20 jaar haar carrière weer op de rails te krijgen. Wat vooralsnog niet lukt. Suzanne Rhatigan is een mysterie.

To Hell With Love / Open Up / The Further In We Go / Nearly 18 / The Games We Play / Indian Summer / Don’t Talk / Shelter Me / All You Ever Need / Daddy / Learning To Cry / The Spinner Of Years




dinsdag 12 november 2013

Trains And Boats And Planes | Engulfed

Trains And Boats And Planes heeft in haar bestaan tussen 1989 en 1994 niet kunnen doorbreken, terwijl de band uit Kopenhagen, Denemarken over een unieke sound beschikte die plaats bood aan moodrock, gitaarpop en folk. Spil in de vijf-koppige band is zanger, gitarist, producer en componist Nikolaj Nørlund, die met zijn sonore stemgeluid een sterk bepalende factor is. Verder wordt de donkere, folky gitaarsound gekenmerkt door de sirenzang en de cello van Soma Hammarland en de gruizige, schelle productie van Kramer – die al het studiowerk van Trains And Boats And Planes produceerde. De band debuteert in 1991 met de EP (zes nummers) Hum, een jaar later gevolgd door het volwaardige debuutalbum Engulfed.
Engulfed overspoelt de luisteraar inderdaad met prachtige, donker gekleurde en introspectieve popsongs die sterk leunen op een bescheiden wall of sound van elektrische gitaren en sferische cello's. 'Ill Seen', 'Likewise', 'Spinning Home', 'One Year' en '(I'm Glad It's) Soon' zijn dan ook alle van een grote schoonheid. Tussen al deze fraaie liedjes bevindt zich tevens een stemmige versie van de Lennon/McCartney-compositie 'Run For Your Life', compleet met krassende gitaren en stuwende cello. Het hoogtepunt van Engulfed is echter het trage, wurgend romantische 'Foreign Places'. Engulfed is met zijn donkere melancholie een karakteristiek Scandinavisch prachtalbum, maar het is aan dovemansoren. In 1993 verschijnt dan nog Minimal Star maar snel daarop valt Trains And Boats And Planes uiteen; in trains en boats en planes.

Ill Seen / Likewise / Divine Souls / Spinning Home / Snehvidekys / Foreign Places / (I'm Glad It's) Soon / Run For Your Life / One Year / Flabbergast / All My Friends


woensdag 18 september 2013

The Red Devils | King King

Tamelijk geniaal van Rick Rubin om The Red Devils op te nemen in de tent waar hij ze het eerst zag. In de King King dus, een voormalig Chinees restaurant in West Hollywood, Californië. In 1988, als de club zijn deuren opent, zijn de muzikanten die The Red Devils zullen vormen al van partij. Ze worden de huisband van de King King en op de vaste maandagavond is het bal. De spil van de band is Lester Butler, een punkrocker die hartstochtelijk verslingerd is aan de blues en zijn blueshelden. Butler is een virtuoos op de mondharmonica, heeft het ding al vanaf zijn vroege jeugd in de kontzak. Om zich heen heeft Butler de gebroeders Johnny Ray (bas) en Dave Lee Bartel (slaggitaar), Bill Bateman (drums) en de Texaanse gitarist Paul ‘The Kid’ Size verzameld. Een zooitje ongeregeld is het. Maar ze zetten wel de King King wekelijks in vuur en vlam – en daar komen beroemdheden op af als Bruce Willis, Peter Wolf en Mick Jagger. En ook producer Rick Rubin. 
De twaalf schroeiende bluessongs op King King zijn door Rubin en rechterhand Brendan O’Brien zonder genade op tape gekwakt. Het is, bij beluistering van King King, alsof je er bij geweest bent. De live-sfeer in de King King-club is primitief en opwindend en wordt nog versterkt door de aanwijzingen die baas Butler aan zijn bandleden geeft, al blijft dit voornamelijk beperkt tot de mededeling dat het volgende lied weer een blues is. Dan spuugt Lester Butler weer zijn teksten in de buizenmicrofoon, klemt zijn scheurijzer er tegenaan en rost er weer een huiveringwekkende solo uit, die vervolgens de dialoog aangaat met Paul Size’s fabuleuze gitaarspel. Butlers grote helden worden ruimschoots eer betoond; er zijn kokende versies van ‘She’s Dangerous’ en ‘Tail Dragger’ (Willie Dixon), ‘Mr. Highway Man’ (Howlin’ Wolf), ‘I Wish You Would’ (Billy Boy Arnold) en ‘Cross Your Heart’ (Sonny Boy Williamson). Maar ook Butler laat zich niet onbetoond; zijn ‘Goin’ To The Church’ is meesterlijk evenals ‘Devil Woman’ dat stevig aanleunt tegen de swamprock van Creedence Clearwater Revival. Na de instrumentale Little Walter-slowblues ‘Quarter To Twelve’ sneert Butler totaal overbodig:‘Alright, a little blues yeah,’ waarna de band weer loos gaat in een knetterende uitvoering van Junior Wells’ ‘Cut That Out’, dat tegelijk het wervelende slotakkoord is en er bijna een uur ruwe, wild en aartsgemene blues op zit. King King, met zijn elementaire en geile blues, gloeit nog lang na. Maar het zal bij een plaat blijven. De ongeremde, onberekenbare en aan alcohol en heroïne verslaafde Butler houdt The Red Devils niet bijeen. Butler maakt dan in 1997 nog een fraaie bluesplaat met zijn nieuwe band 13, maar ook dit is geen lang leven beschoren. Op 8 mei 1998 overlijdt Lester Butler in Los Angeles aan de gevolgen van een overdosis.

Automatic Man / Goin’ To The Church / She’s Dangerous / I Wish You Would / Cross Your Heart / Tail Dragger / Devil Woman / No Fightin’ / Mr. Highway Man / I’m Ready / Quarter To Twelve / Cut That Out

zondag 4 augustus 2013

The Setters | The Setters

Hoewel The Setters nooit aan die kwalificatie kunnen of hebben willen voldoen, springt de term americana-supergroep toch in gedachten. Ga maar na, de drie songschrijvers hebben hun sporen verdiend in Texaanse bands als The Silos, True Believers en The Wild Seeds. The Setters bleef echter een eenmalig project – dat overigens wel een mooie en sfeervolle plaat opleverde. Gek genoeg blijken de Texaanse muzikanten Walter Salas-Humara, Alejandro Escovedo en Michal Hall jeugdvrienden uit Arkansas te zijn. Ze ontmoetten elkaar in 1992 in Austin, Texas en besloten gezamenlijk een plaat te maken. Het trio had flink wat recent materiaal op de plank en toog naar de Loma Ranch in Fredericksburg, Texas. Ze namen nog wat vrienden uit Austin mee zoals bassist Scott Barber en gitarist Gurf Morlix. Morlix nam ook de producersrol op zich, maar veel meer dan een tapemachine was er niet op de ranch. Geen drumstel in ieder geval, want Salas-Humara gebruikt kartonnen dozen, drumkisten en metalen ophangbeugels. No drums vermeldt de hoestekst. Dat de plaat met drie zangers en drie componisten gevarieerd is, ligt voor de hand, maar The Setters is ook nog eens homogeen en qua idioom uitstekend afgestemd op een typische americana-sfeer van verlangen en melancholie. De composities zijn gelijkelijk verdeeld over de drie; ieder draagt vier songs bij – alle gecomponeerd in 1992; net zoals de liedjes keurig opgedeeld zijn in midtempo rootsrocksongs, zoals Halls ‘Don’t Love Me Wisely’ en ‘Escovedo’s ‘She’s Got’; stemmige moodrock op Salas-Humara’s ‘Shaking All Over The Place’, Escovedo’s ‘It’s Hard’ en Halls ‘Let’s Take Some Drugs And Drive Around’ en desolate ballads. De laatste blinken uit in zeggingskracht en het met muzikale penseelvegen neerzeten van een beeldende americanasfeer. ‘Susan Across The Ocean’ is een weemoedige herinnering aan de liefde die was, evenals ‘Tell Me Why’, terwijl Halls universele zielenpijn treffend wordt verbeeld in de hoogtepunten van de cd: ‘A Better Place’ en het machtige ‘River Of Love’. Een cover van The Stooges’ ‘I Wanna Be Your Dog’ – met in het ‘hondenkoor’ een nog jonge Damon Bramblett – completeert dan de setlist van dertien songs. The Setters heeft nagenoeg niets bijgedragen aan de populariteit van de makers ervan. Dat de cd werd uitgebracht op een onbekend Duits label zegt wat dat betreft genoeg. The Setters is slecht een voetnoot in de biografieën van de heren Hall, Escovedo en Salas-Humara.

Shaking All Over The Place / It’s Hard / Don’t Love Me Wisely / Susan Across The Ocean / Let’s Take Some Drugs And Drive Around / She’s Got / Nothing’s Gonna Last / Helpless / River Of Love / Tell My Why / Hook In My Lip / I Wanna Be Your Dog / A Better Place

maandag 24 september 2012

The Wallflowers | The Wallflowers


Jakob Dylan heeft altijd gewaardeerd willen worden om zijn eigen muzikale talent en niet om het feit dat hij toevallig een van de zonen van Bob Dylan is. Het talent van Jakob Dylan staat buiten kijf, zonder meer, maar toch… Ten eerste is Jakob Dylan de in 1970 geboren zoon van Sara Lowndes en Robert Zimmermann, dus de naam Dylan is niets anders dan een zelfgekozen artiestennaam. Ten tweede dopen Jakob Dylan en zijn vrienden hun band in 1990 om van The Apples naar The Wallflowers – juist; de titel van een Bob Dylan-song. Enfin, The Wallflowers opereren vanuit Los Angeles en bestaan naast componist en zanger Dylan uit gitarist Tobi Miller, toetsenist Rami Jaffee, bassist Barry Maguire en drummer Peter Yanowitz. Het is, o wonder, voor The Wallflowers geen probleem een label te interesseren voor hun rockmuziek gebaseerd op jaren zestig rock en de Paisley Underground van de jaren tachtig. Met producer Paul Fox nemen The Wallflowers in een week of vier hun debuutplaat op voor Virgin in de American Recording-studio in Hollywood. In 70 minuten rockmuziek hebben The Wallflowers heel veel te vertellen. De zang van Jakob Dylan doet qua frasering – vooral op ‘Asleep At The Wheel’ – sterk denken aan die van zijn vader, maar de aandacht op het zelfgetitelde debuut gaat vooral uit naar het warme orgel- en pianospel van Jaffee, de gitaarsound van Miller die herinnert aan die van Richard Thompson, en Dylans epische composities. Het zijn inderdaad epische gitaarsongs die The Wallflowers bevolken: ‘Sugarfoot’, ‘Sidewalk Annie’, ‘Hollywood’ en het fenomenale ‘Ashes To Ashes’. Uitgesponnen rocksongs als ‘Somebody’s Else’s Money’ en ‘Honeybee’ neigen zelfs naar de tien minuten. Maar The Wallflowers blijft een lekker logge, maar scherpe gitaarplaat, nauw aansluitend bij de tijdgenoten, maar schatplichtig aan het verleden van Little Feat en Neil Young in de jaren zeventig en Green On Red in de jaren tachtig. Een geweldige plaat dus, maar daar denkt het publiek anders over. Virgin laat de band al na een cd vallen, waarna Dylan en Jaffee een nieuwe Wallflowers vormen. Met een nieuw platencontract op zak neemt de band met papa Bobs vriend T-Bone Burnett Bringin Down The Horse op, een cd die meer dan een miljoen keer verkoopt en ook nog eens singlehits oplevert. Uiteindelijk zijn Jakob Dylan en zijn Wallflowers redelijk populair geworden, ook in latere jaren, maar de kracht en lyriek van het debuut The Wallflowers blijft onovertroffen.

Shy Of The Moon / Sugarfoot / Sidewalk Annie / Hollywood / Be Your Own Girl / Another One In The Dark / Ashes To Ashes / After The Black Bird Sings / Somebody Else’s Money / Asleep At The Wheel / Honeybee / For The Life Of Me

zondag 22 juli 2012

Bettie Serveert | Palomine

Ze zijn de populairste Nederlandse gitaarband van de jaren negentig, ze komen uit Arnhem en ze vernoemen zich naar een net niet top-tennisspeelster. Ze zijn zeer succesvol in het Nederlandse clubcircuit, geven meerdere geslaagde optredens op Pinkpop en breken door in de Verenigde Staten. Al vanaf de oprichting in 1991 zijn de ogen gericht op Bettie Serveert. Bettie Serveert ontstaat als De Artsen uiteenvallen en gitarist Peter Visser en bassist Herman Brunskoeke samen met roadie Berend Dubbe en geluidsmixer Carol van Dijk een nieuwe band oprichten. Dubbe wordt de drummer en de van oorsprong Canadese Van Dijk de frontvrouw. Er ontstaat gelijk een buzz rond het kwartet, want de eerste demo zorgt gelijk al voor enthousiaste reacties en bezorgt de band in de zomer van 1992 een optreden op het prestigieuze New Music Seminar. Bettie Serveert heeft dan de platenlabels voor het uitkiezen, en kiest voor het kleine Nijmeegse independent-label Brinkman – maar sluit ook deals voor Engeland met een sublabel van 4AD en voor Amerika met independent Matador.
In de nazomer van 1992 wordt de debuutplaat dan opgenomen in Frans Hagenaars' Sound Enterprise-studio – waar later ook nederklassiekers als Weeps (1996) van Daryll-Ann Pergola (2001) van Johan zullen worden opgenomen. De single 'Tom Boy' is de voorbode van Palomine dat begin november uitkomt en al snel de Moordlijst van Oor/VPRO aanvoert. Opvallend op Palomine is de songgerichte aanpak; de gitaartrance van De Artsen heeft plaatsgemaakt voor scherp afgebakende liedjes die zijn opgebouwd volgens het hard-zacht-principe, karakteristiek voor de gitaarpop van de begin jaren negentig. Dromerige en soms ragfijne melodielijnen worden op Palomine dan ook meestal opgeduwd door een swingende, slepende rockbeat, die werkelijk fantastische songs als het broeierige 'Leg', 'Kid's Allright' en 'Tom Boy' in vuur en vlam zet. De zelfbenoemde verwantschap met een groep als Buffalo Tom komt tot uiting in 'Healthy Sick' – overigens een cover van Sebadoh –, terwijl Betty Serveert hun onderscheidende dynamiek subtiel neerzet in het moody 'Brain-Tag'. De sleutelsongs op het machtige Palomine zijn echter 'Balantine' en titelnummer 'Palomine, waarin de schuchtere, dromerig-naïeve zang van Van Dijk volmaakt samenvloeit met Peter Vissers aanvankelijk rammelende en jengelende gitaar, die daarop uitbarst in gierende en jankende feedback. Palomine is een waanzinnig sterk debuutalbum dat Bettie Serveert de jaren negentig in katapulteert en hen overal – Engeland, Amerika, Japan – ter wereld brengt. Bij een dergelijke staus hoort dan ook in ieder geval één geniaal album: Palomine.

Leg / Palomine / Kid's Allright / Brain-Tag / Tom Boy / Under The Surface / Balantine / This Thing Nowhere / Healthy Sick / Sundazed To The Core / Palomine (Small)

vrijdag 11 mei 2012

Chris Bell | I Am The Cosmos

In de zomer van 1974 bevond Chris Bell zich in een helse crisis. Zonder aanwijsbare reden – of het moet zijn dat Bell het zat was in de schaduw van Alex Chilton te moeten opereren – was hij uit Big Star gestapt. Chris Bell was in een innerlijke strijd met zichzelf gewikkeld; vechtend tegen latente homoseksualiteit, zwaar aan de drank en de Dilaudid en heen en weer geslingerd tussen God en wereldse verleidingen. 23 Jaar, de credits van Big Stars weergaloze # 1 Record op zak, opgesloten in Memphis en arm aan illusies. Talent in overvloed, dat wel. Dat had Bell nog laten zien door in de Ardent Studios, samen met Chilton, You And Your Sister op te nemen. Daarnaast had hij in een kleine studio – slechts uitgerust met acht sporen – een aantal liedjes opgenomen waaronder I Am The Cosmos, een rocksong met een onwaarschijnlijke impact; een lied balancerend tussen hoop en hopeloosheid. Dat gold ook voor Chris Bell: zijn gemoedstoestand was zo uit balans dat gevreesd werd dat Bell de hand aan zichzelf zou slaan. Bells broer David, woonachtig in Italië, haalde Chris over naar Europa te komen, zodat hij kon gaan opnemen in Chateau D’Heurville, de studio nabij Parijs waar Goodbye Yellow Brick Road was opgenomen. Chris’ broer David moet wel over uitstekende connecties beschikt hebben, want niet alleen vonden de opnames daadwerkelijk plaats met een vanuit Memphis ingevlogen band, ook kregen de broers Bell het voor mekaar het resultaat te laten mixen door Geoff Emerick in George Martins Air Studio’s. Maar vanaf dat moment droogde het kortstondige geluk op: het lukte de Bells niet de plaat onder te brengen bij een platenmaatschappij. Na weer een seizoen van optredens in koffiehuizen in London en Berlijn en een mislukte Big Star-reünie hing Chris Bell zijn gitaar gedesillusioneerd aan de wilgen. Hij trad in dienst bij zijn vader, een eigenaar van een hamburgerketen.
In 1978 brachten Chris Stamey en Peter Holsapple – van de powerpopband The dB’s – een bezoek aan Bells hamburgertent. Het leidde ertoe dat zij I Am The Cosmos/You And Your Sister als single uitbrachten op hun eigen Car label. Chris Bell raakte mede hierdoor weer geïnteresseerd in popmuziek. Met muzikanten uit zijn Big Star-tijd oefende hij in een studio; er waren zelfs geruchten over een Big Star-reünie. Maar in 1978 nog, op 26 december, reed Chris zich onder invloed van drugs in zijn Triumph TR-6 te pletter tegen een telefoonpaal.
Zes jaar later werd David Bell gebeld met de vraag of hij betrokken wilde worden bij het uitbrengen van Chris’ materiaal. In 1992 uiteindelijk, verscheen I Am The Cosmos, de solo-lp van Chris Bell. En dat simpele feit is iets waar liefhebbers van klassieke popmuziek de betrokkenen voor mogen bedanken, want I Am The Cosmos is een onwaarschijnlijke verzameling hypermelodieuze popsongs waar de wanhoop vanaf spat. Het titelnummer alleen al is ongenaakbaar in zijn melancholieke pracht en dringt diep door in de ontvankelijke ziel. Ook een nummer als There Was A Light is sublieme popmuziek, zoet en bitter tegelijk. De dreigende gitaren van het Lennoneske Better Save Yourself leveren ruim vier minuten spannende muziek op en Speed Of Sound, met zijn geniale refrein compleet met roffelende xylofoon, laat zien en horen welk een fantastisch componist aan Chris Bell verloren is gegaan. De afwisseling tussen bij de strot grijpende melancholie en felle rocknummers boordevol teenangst is op I Am The Cosmos boeiend van begin tot eind. En wie een nummer als You And Your Sister kan schrijven behoort bijgezet te worden in het pantheon der grootheden van de popmuziek. Gedurende I Am The Cosmos is Chris Bell even groot als het universum, de luisteraar in staat stellend zich te verliezen in drie kwartier geniale popmuziek. 28 Jaar na dato is er geen groter gelijk dan hetgeen Chris Bell de luisteraar meedeelt: Every night I tell myself I am the cosmos. Chris Bell moet in de hemel vertoeven.
I Am The Cosmos / Better Save Yourself / Speed Of Sound / Get Away / You And Your Sister / Make A Scene / Look Up / I Got Kinda Lost / There was A Light / Fight At The Table / I Don’t Know / Though I Know She Lies

donderdag 10 mei 2012

Gin Blossoms | New Miserable Experience

De Gin Blossoms zijn vijf slackers uit Tempe, Arizona met sloom lang haar, houthakkersbloezen en korte broeken. Hoewel geheel gekleed overeenkomstig de tijdgeest van Amerikaanse college-rock en Seattle-grunge, is de muziek die de Gin Blossoms maken up-beat en springerige rock die evenveel R.E.M.-bestanddelen als powerpop-ingrediënten bevat. In 1987 formeren de jeugdvrienden Doug Hopkins (gitaar) en Bill Leen (bas) samen met Jesse Valenzuela (zang, gitaar) The Gin Blossoms. Na wat personeelwisselingen is de band compleet met zanger Robin Wilson en drummer Philip Rhodes. Na een album, Dusted, tekent A&M Gin Blossoms en stelt het vijftal in staat hun major-debuut op te nemen in de legendarische Ardent-studio in Memphis. Die opnamen vinden plaats van februari tot maart ’92 onder leiding van Ardent-huisproducer John Hampton. Ze verlopen echter niet soepel; songschrijver en zelfbenoemd leider van de band, Doug Hopkins, is onhandelbaar en agressief, en kampt met een alcoholverslaving. Nog in 1992 verschijnt New Miserable Experience – een titel misschien wel gekozen vanwege Hopkins’ gedrag –; een prachtige plaat vol messcherpe rootsy poprock. Knallende, adrenaline-opjagende drums en stuwend basspel zorgen voor een strak fundament. Daar overheen leggen Hopkins en Valezuela een ademend gitaartapijt en daar bovenop zijn fraaie koortjes gevleid die aan The Byrds doen denken. Er staan nogal wat opzwepende klasse-rocksongs op New Miserable Experience. ‘Lost Horizons’ is de knallende en tegelijk melodische opener die de trend zet voor nog veel meer moois. ‘Mrs Rita’, ‘Hold Me Down’ en ‘Hands Are Tight’ jagen de bloedspiegel nog verder op, al zijn er ook rustmomenten in ‘Until I Fall Away’ en het countryeske ‘Cheatin’. ‘Cajun Song’ is een met accordeon verfraaid uitstapje naar de bayou, maar wordt in de schaduw gesteld door de rocksongs die gerust als klassiekers beschouwd mogen worden: ‘Hey Jealousy’ en ‘Found Out About You’. New Miserable Experience moet bij verschijnen echter alle media-aandacht ontberen. De spanningen in de band lopen op, wat tot gevolg heeft dat de onhandelbare Doug Hopkins uit de band wordt gezet. Maar dan, in ’93, wordt het catchy ‘Hey Jealousy’ een grote hit. De nog grotere hit ‘Found Out About You’ zorgt er bovendien voor dat New Miserable Experience een jaar na verschijnen in Amerika meer dan een miljoen keer over de toonbank gaat. Een succesverhaal, lijkt het. Maar niet voor Doug Hopkins. De schrijver van ‘Hey Jealousy’ en ‘Found About You’ pleegt op 5 december 1993 zelfmoord met een pistool. Dit zijn zijn woorden in ‘Lost Horizons’: Drunk, drunk, drunk in the gardens and the graves.
Lost Horizons / Hey Jealousy / Mrs. Rita / Until I Fall Away / Hold Me Down / Cajun Song / Hands Are Tied / Found Out About You / Allison Road / 29 / Pieces Of The Night / Cheatin’

woensdag 25 april 2012

Levitation | Need For Not

Was de gitaarpop van The House Of Love eind jaren tachtig/begin jaren negentig al een anachronisme met zijn sound gebaseerd op de postpunk van 10 jaar eerder, Levitation maakte het wat dat betreft nog bonter. In 1990 stapt gitarist Terry Bickers uit The House Of Love en formeert zijn eigen gitaarband: Levitation. De band zal furore gaan maken met een totaal verloren gewaande muziekstijl: progrock. Al vanaf het begint timmert het kwintet stevig aan de weg; de live-optredens zijn heftig en spectaculair en de eerste ep is zeer veelbelovend. De band maakt bovendien bekend minstens twee cd’s per jaar te willen uitbrengen. Het is echter bij één gebleven; het in 1992 verschenen Need For Not. De zweverige hippiestijl – Bickers is gefascineerd door vliegende schotels, egyptologie en progrockfestivals – contrasteert op Need For Not sterk met hoog opgetrokken gitaarmuren, zwaar aangezette drums in een repetitieve, mitraillerende stijl en orkestrale keyboardpartijen. Vooral de agressieve en bijtende gitaar van Bickers doet sterk aan metal denken, terwijl diens composities vooral op popmelodieën leunen. Need For Not is een behoorlijk intense hutspot van stijlen en is dynamisch en gevarieerd in zijn tempowisselingen. Het prachtige feërieke intro van ‘Pieces Of Mary’ doet aan Genesis denken, waarna heavy gitaarriffs en de ratelende drums van Dave Francolini het overnemen. ‘Against Nature’ en ‘Hangnail’ zijn psychedelische mantra’s, terwijl ‘Resist’ postpunk in de stijl van Echo and the Bunnymen is en het bezwerende Embedded ongekend melodieus. ‘Smile’ – in een andere versie dan van de eerste EP – is het epische scharnierpunt van Need For Not en is een ware showcase waarin Levitation laat horen dat de progressieve rock – anno 1992 – springlevend is. Need For Not is een tamelijk unieke cd die nagenoeg geen navolging kent; er ontstaat geen nieuwe trend zoals in het Verenigd Koninkrijk zo vaak het geval is. Evenmin zorgt Levitation zelf voor een opvolger; al in 1993 houdt Terry Bickers het voor gezien. Tijdens een optreden in London stapt hij van het podium en keert niet weer terug.
Against Nature / World Around / Hangnail / Resist / Arcs Of Light And Dew / Pieces Of Mary / Smile / Embedded / Coterie

dinsdag 17 april 2012

Indian Summer | Upriver

Indian Summer. De browser van het Nederlands Pop Instituut geeft geen enkel resultaat; Indian Summer bestaat niet bij het NPI. Zoekmachines op het internet laten evenmin informatie los. Nergens lijkt er informatie te bestaan over Indian Summer, een Nederlandse countryrockband die in 1992 een magnifieke cd op de wereld losliet. Met als resultaat: zilch.
Indian Summer heeft zich niet kunnen manifesteren in het Nederlandse muzikale landschap, terwijl juist in de begin jaren negentig er volop aandacht was voor de ontwikkeling van een volwassen popcultuur. Het pad geplaveid door de Amsterdamse gitaarschool – met in de voorhoede Claw Boys Claw en Fatal Flowers – ontstonden er ook buiten Amsterdam lokale scenes die interessante bands opleverden. Een nieuwe gitaarlichting met als voorname exponenten De Artsen (later getransformeerd tot Bettie Serveert), Hallo Venray, Blue Guitars, The Prodigal Sons, The Serenes, Daryll-Ann en ook Indian Summer baseerde zich op klassieke rock en vermengde dat met folk- en countryrock-elementen. Vooral de laatste – Indian Summer – toonde zich een spannende hybride van gitaarrock en countryrock; met de nadruk op het laatste.
Indian Summer werd opgericht in Nijmegen, bestond uit zes bandleden en werd aangevoerd door zanger en componist Marc Brand. De band verdiende in 1990 een ereplaats tijdens de Roos van Nijmegen, een regionale talentenwedstrijd, en kwam hierdoor onder de aandacht van het Haagse platenlabel VAN. Indian Summer maakte vervolgens door hun intense optredens veel indruk op VAN, zodat het label de enige juiste beslissing nam: het bood Indian Summer aan een cd op te nemen.
In 1992 – een topjaar wat de doorbraak van de Nederlandse alternatieve gitaarrock betreft – verschijnt Upriver, een debuut waar Indian Summer voor altijd trots op mag zijn. Upriver is namelijk een ijzersterke countryrockplaat, die zelfs naar internationale maatstaven gemeten een van de beste platen in het genre is in het muziekjaar 1992. Indian Summer behoort vanzelfsprekend niet tot de originators van het genre dat zich op het kruispunt bevindt van gitaarrock en country, maar betoont zich wel op een respectvolle manier schatplichtig aan iconen als The Byrds, Warren Zevon en natuurlijk Neil Young. In die zin kan Indian Summer vergeleken worden – en de vergelijking doorstaan – met een band als R.E.M. Natuurlijk is de scope waarbinnen Indian Summer acteert van een totaal andere orde dan die van R.E.M., maar het zou – zeker in retrospect – een grote vergissing zijn om Indian Summer af te doen als epigonen. Indian Summer is namelijk uitstekend gekwaliceerd en zou, wellicht arbitrair, een wereldband hebben kunnen zijn, ware ze afkomstig geweest uit Amerika of Engeland. Helaas is dat niet zo, maar dat doet totaal niets af aan de kwaliteit van Upriver.
Upriver trapt af met het opzwepende en fraaie ‘Every Flower’ en hierin komen gelijk de kenmerkende elementen naar voren: de dubbele gitaarline-up – met een wisselwerking tussen de ritmische slaggitaar en de soepele soli van de leadgitarist – en de samenzang tussen Marc Brand en zangeres Lisa Pals. Deze samenzang roept de herinnering op aan de ultieme tandem Gram Parsons/Emmylou Harris en dat is een kwaliteit die de gehele plaat naar een hoger plan tilt. Marc Brand bedient zich daarbij van een cowboy- en westernachtige vocabulaire, waarbij hij obligate beeldtaal niet bepaald schuwt. Niettemin roepen de nummers een reële sfeer op van dorre landschapen, verlaten weggetjes en zinderende temperaturen – desertrock in optima forma. Hoogtepunten zijn er in overvloed, zoals ‘Southern Land’ met een gitaarsolo die qua intensiteit en sfeer niet ver verwijderd is van Neil Youngs ‘Like A Hurricane’, ‘For That Day’, met jankende pedal steel en ‘Long Forgotten Trails’ met zijn messcherpe en bloedmooie samenzang. Upriver sluit op zinderende wijze af met het epische – en ruim acht minuten klokkende – ‘The Hollow Road’. Een schitterend slotakkoord van een zeer overtuigende en fantasievolle cd.
Het blijft echter bij een cd. Indian Summer ondernam nog een tournee langs de vaderlandse podia, maar het lijkt erop dat de band als snel ontbonden werd. Op het platenfront werd nooit meer iets vernomen van deze uiterst talentrijke band. Zoals gezegd, zowel componist Marc Brand als Indian Summer is helaas geen voetnoot gegund in de historie van de Nederlandse popmuziek. En dat is een groot onrecht.
Every Flower / High Rider / Falling To Pieces / For That Day / Wind In My Hair / Long Forgotten Trails / Badlands / Bigger Than You / Osma / Southern Land / Wind All The Way / The Hollow Road

zaterdag 3 maart 2012

Sloan | Smeared

Plotseling kan alles; Nirvana breekt alle records, Sonic Youth is opeens een ware noiserock-icoon. Het is 1991; the year that punk rock broke. Maar als Seattle het muzikale centrum van de wereld is, komt ook aan de andere kant van het continent een Canadese stad volop in de belangstelling: Halifax, Nova Scotia. Bands als Jale, Thrush Hermit en Eric’s Trip gelden als grote beloftes, maar nog hoger zijn de verwachtingen gestemd over Sloan. In 1991 gevormd aan de stedelijke universiteit is de bezetting van Sloan verbazingwekkend stabiel. Vijftien jaar na dato bestaat Sloan nog steeds uit Jay Ferguson (gitaar,zang), Chris Murphy (bas, zang), Patrick Pentland (gitaar, zang) en Andrew Scott (drums, zang, gitaar). Zonder platencontract, maar wel met een fikse dosis eigenwijsheid en 18-karaats songs in de bagage, neemt Sloan thuis bij vriend Terry Pulliam een serie liedjes op die opgenomen moesten worden. De bandleden hebben het idee dat het in een dag vastgelegde materiaal zo sterk is dat de twaalf liedjes tezamen wel eens een potentiële major-release zou kunnen zijn. Dat blijkt een rake gedachte als drie maanden later de talentenjagers van Geffen – koortsachtig op zoek naar nóg een Nirvana – overkomen uit Los Angeles en Sloan direct contracteren. De opgenomen songs – slechts geremixed in een Californische hi-techstudio – vormen inderdaad de basis voor Sloans major-debuut, Smeared. Sloan is hoorbaar geworteld in de gitaartraditie van de Velvet Underground, maar beslist aangespoord door de punkrock van Nirvana en Seattle. De luide gitaren van Ferguson en Pentland hebben inderdaad een grungy sound, maar er ligt een suikerlaag van dromerige harmonievocalen overheen – met een overduidelijke verwijzing naar de shoegazerspop van het Britse My Bloody Valentine. Gecombineerd leveren de gruizige, maar kristalheldere gitaren en de meerstemmige zang prachtige liedjes op als ‘Underwhelmed’, ‘Raspberry’ en ‘Sugartune’. Op ‘I Am The Cancer’ krijgt de zamenzang nog meer kracht door stem van Jale’s Jennifer Pierce. De met galm overladen psychedelische ballad ‘What’s There To Decide?’ is een passende afsluiter van Smeared, een verrassend noisepopalbum opgepept met stekelige gitaren en bestrooid met zoetstof. Sloan springt aldus mee op de golven van de dan heersende gitaartrend, maar een tweede Nirvana is Sloan – helaas voor Geffen – niet. Daar hoeft de band geen spijt van te hebben; vijftien jaar later maakt Sloan nog steeds verrassend goede albums, en ook nog eens in de oorspronkelijke bezetting.
Underwhelmed / Raspberry / I Am The Cancer / Median Strip / Take It In / 500 Up / Marcus Said / Sugartune / Left Of Centre / Lemonzinger / Two Seater / What’s There To Decide?