Posts tonen met het label 1967. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1967. Alle posts tonen

zaterdag 3 juni 2017

The Beatles | Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band

Meerdere malen hebben The Beatles het aangezicht van de popmuziek veranderd. Het verschijnen van ‘Love Me Do’ is zo’n moment, evenals de verkennende psychedelische momenten van Revolver. Maar het meest grandioos en majesteitelijk is de muzikale aardverschuiving die Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band in 1967 veroorzaakt. Drie maanden na het verschijnen van Revolver in augustus ’66, komen The Beatles weer bij elkaar in de Abbey Road-studio. Het zal de meest intense studioperiode van The Beatles worden. Nieuwe ervaringen en bewustzijnsveranderde ontmoetingen hebben hun invloed op de bandleden: George Harrison is onder invloed gekomen van Maharashi Mahesh Yogi; John Lennon heeft Yoko Ono ontmoet; terwijl Ringo Starr daarentegen gewoon op zijn boerderij in Sussex verbleef. Paul McCartney komt naar Abbey Road met het idee voor een vermomming, een gedaantewisseling. Sgt. Pepper is dat nieuwe alter-ego waarmee The Beatles los zouden kunnen komen van hun imago. En los komen The Beatles. De Abbey Road-studio is gedurende het bivak van The Beatles constant mistig vanwege de onmatige consumptie van marihuana, terwijl John Lennon via Brian Epstein beschikt over puur vloeibare LSD. Een half jaar lang bivakkeren The Beatles en vaste producer George Martin en vaste technicus Geoff Emerick in Abbey Road – en nemen 700 uur aan muziek op. De techniek laat op dat moment niet meer dan vier sporen toe, en dus wordt alles dubbel opgenomen, worden de sporen gesplitst en weer samengevoegd, hetgeen een totaal nieuwe studiotechniek oplevert. George Martin maakt het technisch mogelijk dat de muzikale fantasieën en geestverruimende ideeën van de in hogere sferen verkerende heren kunnen worden vastgelegd. The Beatles gebruiken daarvoor harp, tubular bells, klavecimbel, celeste, french horns, accordeon, klassieke Indiase instrumenten, een strijkers-octet, een klarinettrio, een vloeitje-en-kammetje-trio en een orkest bestaande uit 41 muzikanten. Drums en zang worden bovendien beurtelings versneld en vertraagd opgenomen, zodat er een onontkoombaar psychedelisch en halucinerend klankbeeld ontstaat. Het zijn absolute klassiekers: ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, ‘With A Little help From My Friends’, ‘Lucy In The Sky With Diamonds’, ‘Lovely Rita’ en het fantastische ‘Fixing A Hole’. Ze worden afgewisseld door geniale flauwiteiten als ‘Being For The Benefit Of Mr. Kite!’ en ‘When I’m Sixty-Four, die sterk beïnvloed zijn door Alice In Wonderland en het Victoriaanse tijdperk. De afsluiting van Sgt. Pepper is het ongeëvenaarde ‘A Day In The Life’, dat op 10 februari wordt opgenomen met een enorm orkest en dat gevierd wordt met een feestje in de studio. De studiomogelijkheden blijken ongekend, waardoor Sgt. Pepper niets minder dan een muzikale revolutie veroorzaakt. De wereld is na het verschijnen van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band op 1 juni 1967 simpelweg niet meer hetzelfde, en is nooit meer hetzelfde geweest.

Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band / With A Little help From My Friends / Lucy In The Sky With Diamonds / Getting Better / Fixing A Hole / She’s Leaving Home / Being For The Benefit Of Mr. Kite! / Within You Without You / When I’m Sixty-Four / Lovely Rita / Good Morning Good Morning / Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band (Reprise) / A Day In The Life

zondag 26 januari 2014

Cuby & The Blizzards | Groeten uit Grollo

De lp Groeten Uit Grollo is opgenomen in de canon van Drenthe en de boerderij in Grolloo waar Harry Muskee zes jaar lang woonde is een heus museum. Het moge duidelijk zijn: Cuby & The Blizzards is een muzikale legende. Een legende die vooral zijn weerslag vindt in dat unieke bluesdocument, die mijlpaal van ongepolijste plattelandsmuziek: Groeten Uit Grollo. Niettemin wordt begin jaren zestig niet in Grollo – dan nog met een o – maar in Assen de kiem gelegd van Cuby & The Blizzards, als beatnik en jazzfanaat Harry Muskee en rock-'n-rollgitarist Eelco Gelling een pact met de bluesduivel sluiten.
In navolging van Britse bleekneuzen als The Rolling Stones, The Bluesbreakers en The Animals speelt de Assense band, met op bas PTT-elektricien Willy Middel en op drums Dick Beekman, in biljartzalen en cafetaria's hun versie van de countryblues. In 1966 dringt ook tot de rest van Nederland door dat daar in Drenthe, het land van turf, jenever en achterdocht, een bluesband het evangelie predikt van John Lee Hooker, Willy Dixon en Eddie Boyd. Ontworsteld aan het relatieve isolement van de Drentse venen en heidegronden, komt Cuby onder contract bij Phonogram en debuteert datzelfde jaar nog met de langspeler Desolation. Het zijn dan turbulente tijden voor C + B: een Edison voor Desolation, waarop de nieuwe drummer, de 17-jarige Hans Waterman al te horen is, en de komst van een nieuwe pianist: Hermanus Brood. Hij kan gelijk blijven overnachten in de bedstee van Harry Muskee, die dan een boerderij in Grolloo bewoont. Daar repeteert de band voor de opnamen van de tweede lp, die in 1967 verschijnt, ná een chaotische tournee als begeleidingsband van Van Morrison en ná de release van Praise The Blues, een in een dag opgenomen lp met blueslegende Eddie Boyd.
Op Groeten Uit Grollo klinkt C + B in optima forma. In de eerste plaats door de ongepolijste, intense beleving van de countryblues, zoals Eddie Boyds gave The Big Bell', een speelse interpretatie van 'Baby Please Don't Go (Back To New Orleans)' vanwege Muskee's aparte frasering, en een fantastische uitvoering van John Lee Hookers 'King Of The World', met in de hoofdrol een scheurende, rauwe gitaarriff van Gelling. Opener 'Another Day, Another Road', met lekkere pingelpiano van Brood en Eelco Gellings vlammende gitaarspel, wordt de single die de top 20 haalt. Het is een uitstekende compositie van de tandem Muskee/Brood, die niettemin wordt overtroffen door 'Somebody Will Know Someday', een poëtische en tegelijk hartverscheurende treurballad van de hand van Muskee en Gelling die het bluesgenre verre ontstijgt – en aldus een nederklassieker is. Net als Groeten Uit Grollo overigens. Dat klassieke album – opnieuw gelauwerd met een Edison – zal Cuby & The Blizzards niet meer overtreffen, want malheur in de vorm van arrestaties (Brood), depressies (Muskee) en drugsexcessen (Gelling en uiteraard Brood) teisteren de band. In 1968 is C + B nog wel de populairste band van Nederland, maar drugs, lamlendigheid en de vele bezettingswijzigingen krijgen Muskee en Gelling in hun greep.
Een geweldige band blijft Cuby & The Blizzards nog jarenlang, maar de brille van Groeten Uit Grollo, Nederlands beste bluesplaat, blijft voorgoed buiten bereik.

Another Day, Another Road / The Big Bell / Somebody Will Know Someday / So Many Roads / King Of The World / Baby Please Don't Go (Back To New Orleans) / No Shoes / Another Land

woensdag 8 januari 2014

Tim Buckley | Goodbye And Hello


Wankel balancerend op de dunne scheidslijn tussen folkrock en jazzrock, tussen faam en falen, tussen avontuur en roekeloosheid, is Tim Buckley een tragische figuur die op veel te jonge leeftijd zijn lot bezegelde met een overdosis. In zijn te korte leven maakte hij een indrukwekkende ontwikkeling door; van traditionele folksinger tot avant-jazzmusicus – met zijn zuivere tenor en een bereik van maar liefst drie en een halve octaven als voornaamste instrument. Buckley is de singer-songwriter van de improvisatie en experimenteerdrift, maar daarvoor, voor het transitie-album Happy Sad uit 1969, is de singer-songwriter van de koffiehuizen aan het woord. Tim Buckley wordt in 1966 getekend door Elektra's Jac Holzman als hij nog deel uitmaakt van The Bohemians, een folkrockband uit Orange County, Californië. Datzelfde jaar nog komt Buckleys zelfgetitelde debuutplaat uit, een album vol plezierige folkrock.
Maar met het volgende album graaft Tim Buckley dieper en dieper. In Bohemians-drummer Larry Beckett heeft Buckley een creatieve partner gevonden die hem voor teksten voorziet, in Jerry Yester, ex-Lovin' Spoonful en ex-Modern Folk Quartet, een producer die hem de vrije hand laat in zijn improvisaties en verbeelding. Buckley speelt zelf op de 12-snarige akoestische gitaar, maar de sound wordt verrijkt door Don Randi op klavecimbel, Yester op orgel en harmonium, de gitaristen Brian Hartzier en John Forsha en vooral de jazzy gitaarimprovisaties van Lee Underwood. Deze verzorgt prachtige, vloeiende tegenmelodieën, in innige verstrengeling met Buckleys engelachtige stem, die meestal in een take op de band is vastgelegd. Buckley klinkt op Goodbye And Hello, uitgebracht in oktober 1967, dan ook betoverend en als in trance in indrukwekkende songs als 'Pleasant Street' en 'Morning Glory', Schitterend is 'Hallucianations', een folk-baroque ballad met inderdaad een hallucinerend effect; gejaagd en opgewonden 'I Never Asked To Be Your Mountain', gericht aan het adres van zijn ex-vrouw Mary Guibert en zijn nog geen jaar oude zoon Jeff. Titelnummer 'Goodbye And Hello' is een mini-opera, geëxalteerd en gedragen door blazers en strijkers. Centraal op Goodbye And Hello staat het magistrale 'Once I Was', in feite een blauwdruk van 'Dolphins' van de door Buckley bewonderde Fred Neil: Something I wonder just for awhile / Will you ever remember me. En: I find myself searching / Through the ashes of our ruins / For the days when we smiled. Maar de zoektocht is veel te snel voorbij, na negen albums – waaronder Starsailor en Greetings From L.A. – overlijdt Tim Buckley op 29 juni 1975 in zijn huis in Santa Monica, Californië, 28 jaar oud.

No Man Can Find The War / Carnival Song / Pleasant Street / Hallucinations / I Never Asked To Be Your Mountain / Once I Was / Phantasmagoria In Two / Knight-Errant / Goodbye And Hello / Morning Glory 

zondag 6 oktober 2013

Clear Light | Clear Light

Ze behoren tot de fameuze Elekta-stal, het label van Jac Holzman en Paul Rothchild. Als The Brain Train wordt de band getekend, maar tegen de tijd, in september 1967, dat de eerste veelbelovende single op het kleine Titan-label uitkomt en nieuwe zanger Cliff De Young toetreedt, heet de groep Clear Light. Zoals het een ware Westcoastband uit het zonnige Los Angeles van the summer of love betaamt, bestaat het repertoire uit psychedelische folkrock, maar bijzonder is de bezetting met twee drummers. De debuut-lp komt echter moeizaam tot stand vanwege het dictatoriale gedrag van manager en producer Paul Rothchild. Niettemin bevat het enige en zelfgetitelde album geestverruimende popsongs volgestopt met Farfissa-orgeltjes, klavecimbels en fuzzgitaren. Clear Light heeft dan ook het nodige gemeen met de folky psychedelica van labelgenoten Love, Evident in 'Sand', 'A Child's Smile', 'They Who have Nothing' en 'With All In Mind', waaraan Neil Young meewerkt. Krachtig – te danken aan de dubbele drumsound – en rockend is Clear Light in de geweldige powersongs 'Black Roses', 'Think Again' en 'Night Sounds Loud'. Clear Light komt aan zijn eind als oprichter Bob Seal uit de band wordt geschopt en de opnamen van een tweede lp op niets uitlopen. De andere oprichter, Dallas Taylor, zal echter nog aardig beroemd worden: als drummer van Crosby, Stills & Nash.

Black Roses / Sand / A Child's Smile / Street Singer / The Ballad Of Freddie & Larry / With All In Mind / Mr. Blue / Think again / They Who Have Nothing / How Many Days Have Passed / Night Sounds Loud



donderdag 29 augustus 2013

The Beau Brummels | Triangle

Het is nog maar 1967, de popmuziek staat in de kinderschoenen, en The Beau Brummels zijn reeds toe aan hun tweede carrière. Al een jaar na hun oprichting in 1964 hadden The Beau Brummels, dan een vijftal, een trits nationale hits waarvan het Beatleske 'Laugh, Laugh' de grootste was. De Britse popmuziek – onder aanvoering van The Beatles, The Searchers en The Yardbirds – heeft dan, in 1965, vaste voet gekregen op Californische bodem. The Beau Brummels, vernoemd naar een 19e eeuwse Britse zot, krijgen volop ondersteuning van Tom Danahue van Autumn Records, een platenlabel uit San Francisco en een zwarte discjockey, genaamd Sylvester Stewart, oftewel Sly Stone. Stewart produceert zelfs de eerste twee succesvolle lp’s van de band. The Beau Brummels treden op in tv-shows, worden geportretteerd in The Flintstones en doorkruisen Amerika van oost naar west. The Beau Brummels zijn hot. Maar dan gaat Autum Records failliet en worden alle banden van onuitgebrachte opnamen overgedragen aan een obscuur label. En dat zou, anno 1966, het einde van het verhaal zijn: exit Beau Brummels. Maar dat bleek nog maar het begin te zijn.
De band, gereduceerd tot trio, sluit zich op in een studio en oefent en experimenteert met nieuwe muziekvormen. Binnen de tijspanne van een jaar evolueren The Beau Brummels van Amerikaanse copycats van de British Invasion-sound naar enigmatische en oorspronkelijke folkrockers. The Beau Brummels vinden op Triangle een nieuw genre uit. Zoals het trio – Ron Elliott (op de hoes van Triangle met één t), Sal Valentino en Ron Meagher – folk, country, music hall en embryonale psychedelica weet te mengen tot een nouveauté nooit eerder vertoond, is ronduit fascinerend, adembenemend zelfs. Op Triangle boren The Beau Brumels nieuwe gronden aan die vast verankerd zullen blijven in de popmuziek van de toekomst, let wel, geredeneerd vanuit 1967, het jaar van verschijnen van het fabuleuze Triangle.
De trio-bezetting is geen beperking; door de arrangementen van Ron Elliott, de op zichzelf toegesneden vocale arrangementen van zanger extra-ordinaire Sal Valentino en de voor die tijd volle en heldere productie van Lenny Waronker had Triangle door een grotere bezetting gemaakt kunnen zijn en ja, zelfs tien jaar later opgenomen kunnen zijn. Triangle is dan ook een uitnemend voorbeeld van het ten volle benutten van de aanwezige studiotechnieken anno 1967. In die zin kan Triangle in retrospect dan ook beschouwd worden als een state of the art kunstwerk; zijn tijd op dat moment ver vooruit, avantgardistisch in zijn majestueuze eenvoud. De basis is akoestische softrock; droog en subtiel baswerk, shuffelende drums, akoestische gitaren in alle soorten en bovenal de dramatische, vibrerende en duistere stem van unicum Sal Valentino. Unicum, want weinigen bezitten de zeggingskracht en verbeelding die gegenereerd wordt door de hemelse stembanden van de tovenaar uit San Francisco. De strijkers, banjo’s en het klavecimbel van Van Dyke Parks vervolmaken het klankbeeld en zetten kracht bij aan de compacte, maar o zo rijke composities. De elf nummers komen zelden boven de drie minuten – de speelduur van Triangle is nog geen half uur –, maar dat is geen bezwaar want in die beperkte speelruimte ontvouwt zich een volledig universum waarin blinde schilders, zwaar wegende hamers, tijdbewakers en fluwelen wolven figureren. Naast de melodieuze en tegelijk melancholieke composities van Ron Elliott zijn er in de vorm van 'Nine Pound Hammer' en 'Old Kentucky Home' covers opgenomen van respectievelijk Merl Travis (of althans in diens arrangement) en Randy Newman. Maar het zijn vooral Elliotts 'Only Dreaming Now' (met prachtige strijkers), 'Painter Of Women' en 'The Wolf Of Velvet Fortune' die, voorzien van Valentino’s sensitieve en tegelijk macho stemgeluid, Triangle tot een revolutionaire plaat maken. Met Triangle wordt geschiedenis geschreven, folkrock is een feit.
De studioband die The Beau Brummels dan zijn, slinkt verder tot het duo Elliott/Valentino. In die samenstelling wordt het uitstekende countryrock-album Bradley’s Barn gemaakt. Dan scheiden de wegen van Elliott en Valentino zich. Ron Elliott maakt vervolgens een legendarische solo-lp, The Candlestickmaker en richt de groep Pan op die verdienstelijk debuteert met het gelijknamige album. Valentino ondertussen verliest zich in drugs en gaat deel uitmaken van de hippieband Stoneground. En dan, in 1974 komen de wegen weer samen. Na een live optreden besluiten alle oorspronkelijke Beau Brummels een comebackplaat op te nemen. Zo geschiedt. In 1975 verschijnt het gelijknamige en vijfde album van The Beau Brummels. Een uitstekende plaat, opgetrokken uit subtiele countryrock en een meer dan waardig slotakkoord.

Are You Happy? / Only Dreaming Now / Painter Of Women / The Keeper Of Time / It Won’t Get Better / Nine Pound hammer / Magic Hollow / And I’ve Seen Her / Triangle / The Wolf Of Velvet Fortune / Old Kentucky Home



zondag 7 april 2013

Canned Heat | Canned Heat


Meer nog dan bluesmuzikanten zijn Bob ‘The Bear’ Hite, Al ‘Blind Owl’ Wilson en Henry ‘Sun’ Vestine bluesstudenten en -archeologen. Met zijn drieën gaan ze zich in 1965 op de praktijk richten en gaan authentieke, elektrische jugbandmuziek en countryblues spelen. Ze noemen zich Canned Heat, naar de bijnaam van een vloeibare drug in een blikje: Sterno, afgebeeld op de hoes van het debuut. De bluesmuziekverzamelaars uit Los Angeles herinterpreteren de vooroorlogse countryblues van Howlin’ Wolf, Muddy Waters, John Lee Hooker, Willy Dixon en Elmore James. Vandaar dat op het debuut Canned Heat uit 1967 voornamelijk covers te horen zijn. Canned Heat voegt er wel een vitale boogie-sound aan toe, wat de bluesstandards een hippere uitstraling geeft. Maar Canned Heat, met zijn hoogtepunt ‘Catfish Blues’, is wel de band in zijn meest ruwe en primitieve vorm, met de grommende rasp van Hite, het slide- en fantastische mondharmonicaspel van Wilson en de zinderende, elektriserende gitaarsolo’s van Vestine. De combinatie van elektrische countryblues en vette boogie maken van Canned Heat een band die eind jaren zestig uniek in zijn soort is.

Rollin’ And Tumblin’ / Bullfrog Blues / Evil Is Going On / Goin’ Down Slow / Catfish Blues / Dust My Broom / Help Me / Big Road Blues / The Story Of My Life / The Road Song / Rich Woman

dinsdag 29 januari 2013

Tim Hardin | Tim Hardin 2

If I Were A Carpenter’ stond in de jaren zestig twee keer in de Nederlandse Top 10; in 1966 in de versie van Bobby Darin, in 1968 in de versie van The Four Tops. Geestelijk vader van deze evergreen is echter Tim Hardin, een uiterst getalenteerde singer-songwriter, maar ook een agressieve, maniakale en ziekelijk dwangmatige persoonlijkheid. Tim Hardin vlucht na zijn middelbare schooltijd bij zijn ouders vandaan het leger in. Eenmaal bij de mariniers raakt Hardin bij zijn uitzending naar het Verre Oosten al snel verslaafd aan heroïne, als vervanger voor de pijnstillers die hij al jaren gebruikt. In 1961 duikt Tim Hardin op in Greenwich Village en ontwikkelt zich in het circuit als een singer-songwriter die zich, in tegenstelling tot de protestzangers, focust op zijn innerlijke wereld. Het spreekt bijna voor zich dat Hardin een onaangepaste, compromisloze – en verslaafde – kunstenaar is. Na een mislukte deal met Columbia Records tekent Hardin medio jaren zestig bij Verve en vertrekt naar Los Angeles om daar aan de piano aan zijn songs te werken. Het is zijn meest creatieve fase; Hardin schrijft de songs die terecht zullen komen op Tim Hardin 1 en Tim Hardin 2. Hij ontmoet er ook zijn toekomstige vrouw en muze, Susan Morrs, over wie hij het prachtige ‘Lady Came From Baltimore’ schrijft. In juli 1966 verschijnt Tim Hardin 1, met daarop het klassieke ‘How Can We Hang On To A Dream?’ – ook een flinke hit in Nederland. Hardin is furieus over de buiten zijn toestemming om toegevoegde strijkers, een feit dat zich zal herhalen als Tim Hardin 2 in april 1967 uitkomt. Maar ondanks Hardins woede is 2 een schitterend album, opgebouwd uit tien korte songs die op een perfecte wijze folk, jazz en blues versmelten. Fenomenale liedjes als ‘Lady Came From Baltimore’, ‘If I Were A Carpenter’ en ‘Black Sheep Boy’ zijn opgesierd met dwarsfluit, vibrafoon en romantische strijkers. De overige liedjes doen er weinig voor onder, temeer daar Hardins gruizige en gepokte stem en diens piano- en gitaarspel de luisteraar volledig in de greep neemt. Tim Hardin legt zijn getormenteerde ziel volledig bloot. De beide lp’s zijn geen verkoopsucces en, erger nog, Tim Hardin zakt verder weg in zijn door heroïne veroorzaakte waanwereld. De haat-liefde verhouding met zijn vrouw Susan, zijn agressieve gedrag en het excessieve drank- en drugsgebruik maken van Hardin een menselijk wrak. Tot 1976 zal hij nog zes van kwaliteit wisselende albums maken. Op 29 december 1980 overlijdt Tim Hardin in Los Angeles aan een overdosis, 39 jaar oud.

If I Were A Carpenter / Red Balloon / Black Sheep Boy / Lady Came From Baltimore / Baby Close Its Eyes / You Upset The Grace Of Living If You Lie / Speak Like A Child / See Where You Are And Get Out / It’s Hard To Believe In Love For Long / Tribute To Hank Williams 

woensdag 12 december 2012

Art | Supernatural Fairy Tales


Als The V.I.P.’s wordt de band uit Noord-Engeland al in 1965 getekend door Island. Na de wijziging van de bandnaam in Art neemt Island-huisproducer en madman Guy Stevens met het kwartet een puur psychedelisch album op. Uitgebracht in 1967 en gestoken in een door Haphash And The Coloured Coat ontworpen hoes, is Supernatural Fairy Tales een kleurrijk product van het hippe Londen. De opvallende single van het album, ‘What’s That Sound’ is een geweldige cover van Buffalo Springfields ‘For What It’s Worth’ en past uitstekend tussen het eigen materiaal. Supernatural Fairy Tales heeft zijn verworven cultstatus altijd behouden, temeer daar Art in 1967 al zijn naam wijzigt in Spooky Tooth.

I Think I’m Going Weird / What’s That Sound / African Thing / Room With A View / Flying Anchors / Supernatural Fairy Tales / Love Is Real / Come On Up / Brother’s, Dads And Mothers / Talkin’To Myself / Alive Not Dead / Rome Take Away Three

zondag 23 september 2012

The Grassroots | Let’s Live For today


Philip F. Sloan en Steve Barri zijn in 1964 in dienst als songschrijvers bij Lou Adlers Dunhill Records, maar twee jaar later hebben ze hun eigen folkrockband: The Grassroots. Ze scoren een aantal flinke hits en besluiten dan dat er een echte band moet komen. Enter Rob Grill (zang, bas), Warren Entner (gitaar), Creed Bratton (gitaar) en Rick Coonce (drums). Ze hebben in 1967 gelijk al een wereldhit, niet met een Sloan/Barri-compositie maar met een uit het Italiaans vertaald liedje: 'Let's Live For Today'. Met producer Steve Barri scoren The Grassroots een hele serie hits met harmonieuze popsongs die zwaar leunen op samenzang en folkrock-gitaren. Het spreekt vanzelf dat op het debuutalbum Let's Live For Today al deze aanstekelijke, zonnige Sloan/Barri-composities te vinden zijn – 'Things I Should Have Said', 'Wake Up, Wake Up', 'Tip Of My Tongue'. Opvallend is dat de bandcomposities – opgetuigd met fuzzgitaren en klavecimbel – niets onderdoen voor de hits. Samengevoegd maakt dit van Let's Live For Today een prachtig album waarop anglofiele pop, Westcoast folkrock en psychedelica-light een perfect verbond smeden.

Things I Should Have Said / Wake Up, Wake Up / Tip Of My Tongue / Is It Any Wonder / Let's Live For Today / Beatin' Round The Bush / Out Of Touch / Won't You See Me / Where Were You When I Needed You / No Exit / This Precious Time / House Of Stone 

vrijdag 10 augustus 2012

The Small Faces | Ogden’s Nut Gone Flake

Al halverwege de jaren zestig zijn de mods van The Small Faces zeer succesvol. Afkomstig uit het Oost-Londense Eastend – en dus nadrukkelijk working class – hebben Steve Marriott, Ronnie Lane, Ian McLagan en Kenny Jones in de jaren 65-67 een achttal singlehits en twee lp’s op de markt gebracht. Maar als de Britse bleekneusjes geestverruimde drugs ontdekken – en door hun nieuwe manager Andrew Loog Oldham worden opgejaagd – beraadt het kwartet zich op iets nieuws, iets wilds, iets geks. Tijdens psychedelische boottochtjes over de Thames ontstaat het idee voor een soort van Cockney-conceptalbum. In de eerste vijf maanden van 1968 werken The Small Faces aan hun Sgt. Pepper, en ze triomferen, alleszins. Fragiel verpakt in een uitvergroot tabaksblik – een directe marihuana-verwijzing – maakt Ogden’s Nut Gone Flake zijn bedoelingen gelijk duidelijk: gekte, puberaal gedoe en geniale muzikaliteit. Marriott, de zanger met de immense strot, en bassist en multi-instrumentalist Lane zijn de componisten van The Small Faces, terwijl McLagans orgelspel Amerikaanse rhythm & blues de groep binnenhaalt en Jones voor een stevige ritmische ruggengraat zorgt. De majestueuze instrumentale opener ‘Ogden’s Nut Gone Flake’ gaat naadloos over in een waar sixties hoogtepunt: ‘Afterglow’. De vier Small Faces jagen elkaar na in geestverruimende songs waarin mellotrons, zoemende orgels en onderwatergitaren domineren en alles en iedereen elkaar ontmoet in de afsluiter van kant een: ‘Lazy Sunday’ – in mei '68 een nummer 1-hit in de Top 40. Op kant twee begeven The Small Faces zich in een aan Alice’s Wonderland parallelle wereld, maar hier in de geflipte wereld van de dolgedraaide mods is het Happiness Stan die op zoek gaat naar de verdwijnende volle maan. Deze wondere wereld wordt bevolkt door de knotsgekke vertelstem van acteur Stanley Unwin die zich omgeeft met harp, glockenspiel, klavecimbel, strijkers en achterwaarts afgespeelde gitaren. Toch klinkt de swingende Small Faces-sound, met McLagans prominente Hammond, er stevig doorheen, zoals in ‘Rollin’ Over’. De Happines Stan-suite is zowel in zijn lulligheid als avontuurlijkheid typisch Britse humor op muziek gezet – onder invloed van een fikse dosis LSD. Maar typisch Brits of niet, Ogden’s Nut Gone Flake is een prachtig voorbeeld van hoe de popmuziek zich aan het eind van de jaren zestig ontwikkelt. De ronde hoes is dan ook een fraaie afspiegeling van de muzikale vernieuwingsdrang van de eens bleke bekjes van The Small Faces. Al verschijnt in 1989 Ogden’s Nut Gone Flake in de definitieve vorm: de cd verpakt in een echt tabaksblik.

Ogden’s Nut Gone Flake / Afterglow / Long Ago And Worlds Apart / Rene / Song Of A Baker / Lazy Sunday / Happiness Stan / Rollin’ Over / The Hungry Intruder / The Journey / Mad John / Happy Days Toy Town

zaterdag 2 juni 2012

Gene Clark | Gene Clark And The Gosdin Brothers

De eerste solovlucht van Gene Clark vond niet plaats onder een gunstig gesternte. Columbia Records lanceerde Younger Than Yesterday van The Byrds namelijk in dezelfde week als het debuut van de ex-Byrd. De tijd, ’66-’67, was sowieso niet rijp voor lp’s van solo-artiesten als Clark; alle aandacht ging uit naar The Beatles, The Rolling Stones, The Monkees en The Byrds. Na anderhalf jaar en twee lp’s had Gene Clark The Byrds verlaten: ‘It was time to make an album on my own.’ Clark heeft muzikale ideeën te over, en was met zijn engelachtige stem, weergaloze melodiewendingen en poëtische teksten een bepalende factor in The Byrds. Manager Jim Dickson koppelt Clark voor de harmoniezang aan countryartiesten Vern en Rex Gosdin, en met hen komt gitarist Clarence White mee. Chris Hillman, Michael Clarke en gitarist Bill Rhinehart (van The Leaves) completeren in eerste instantie het gezelschap, dat in de herfst van 1966 de basistracks voor Clarks solo-album gaat opnemen in de Columbia Recording Studio aan Sunset Boulevard. Maar later brengt Dickson nog veel meer sessiemuzikanten in: Earl Palmer (drums), Glen Campbell (gitaar), Van Dyke Parks (keyboards), Doug Dillard (elektrische banjo) en een 32 leden tellend orkest – onder leiding van Leon Russell. Dit orkest en Russells prachtige arrangement wordt ten volle uitgebuit op het barokke hoogtepunt van Gene Clark And The Gosdin Brothers: ‘Echoes’. Een meesterlijke compositie, prachtig uitgevoerd en een van de miskende klassiekers van de popgeschiedenis. ‘Echoes’ laat zich vergezellen door nog meer typerende Clark-composities, zoals ‘Tried So Hard’, met zijn countrybeat en melancholieke zang, ‘Is Yours Is Mine’ en ‘So You Lost Your Baby’ – opnieuw met uitbundige strijkers. Maar ook ‘Keep On Pushin’ – aangedreven door Dillards banjo –, het hartverscheurende ‘The Same One’ en ‘I Found You’ zijn kleine muzikale wonders – en doorstaan de tand des tijds met soeverein gemak. Bij verschijnen van Gene Clark And The Gosdin Brothers begin 1967, denkt het publiek er echter anders over. De barokke pre-countryrock van Clarks debuut is zijn tijd vooruit en verkoopt weinig, zeker in vergelijking met Younger Than Yesterday van The Byrds. Ook Gene Clark zelf is niet gelukkig met Gene Clark And The Gosdin Brothers. Vijf jaar later zal hij samen met Jim Dickson het album geheel remixen, de sound veranderen en bijna alle zangpartijen opnieuw opnemen. ‘Elevator Operator’ wordt zelfs in zijn geheel verwijderd. In 1972 verschijnt de lp opnieuw, maar dan onder de weinig aansprekende titel Collector’s Series: Early L.A. Sessions.
Echoes / Think I’m Gonna Feel Better / Tried So Hard / Is Yours Is Mine / Keep On Pushin’ / I Found You / So You Say You Lost Your Baby / Elevator Operator / The Same One / Couldn’t Believe Her / Needing Someone