Posts tonen met het label 2003. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 2003. Alle posts tonen

zondag 20 augustus 2017

Lewis & Clarke | Bare Bones And Branches

Lou Rogai staat dicht bij de natuur, omarmt een levensfilosie waarin de mens in zijn natuurlijke leefomgeving centraal staat. De mens in de vrije natuur dus, vandaar dat Rogai zijn muzikale project Lewis & Clarke gedoopt heeft, naar de grote ontdekkingsreizigers die Noord-West Amerika in kaart brachten en als eersten de doorsteek naar de Grote Oceaan maakten. Lou Rougai, woonachtig in Delaware Water Gap, Pennsylvania, heeft na jaren van stevig drugsgebruik en het najagen van een carrière uiteindelijk gekozen voor een marginaal bestaan als muzikant in de heuvels van Pennsylvania. 
Tussen maart en oktober 2002 neemt Rogai – na onder eigen naam een tweetal singles te hebben uitgebracht – in zijn slaapkamer met een vier- en achtsporenrecorder de liedjes op die zijn debuutplaat zullen gaan vormen. In de studio van de bevriende Dan McKinney in Bethlehem, PA, kan Rogai zijn gang gaan en zijn muzikale ideeën verwezenlijken. Met een tweetal drummers, een lapsteel-speler, McKinney op orgel en Phillip Price op Fender Rhodes neemt Rogai tien prachtige, weemoedige songs op. Maar het lukt Lou Rogai niet zijn project Lewis & Clarke bij een Amerikaans label onder te brengen, er moet nota bene een Belgisch label aan te pas komen om de release van Bare Bones And Branches te realiseren. 
In het najaar van 2003 verschijnt dit kleinood op de Europese markt, en hoewel marginaal, het doet totaal niets af aan de lome schoonheid van Bare Bones And Branches. Dit wonderschone album is kunstig in elkaar getimmerd door singer-songwriter Rogai en zijn vrienden, vooral Phillip Price zet met avontuurlijk spel op piano en Fender Rhodes een sfeervol klankbeeld neer. Te midden hiervan is gitarist, bassist en zanger Rogai het stralende middelpunt van deze verzameling warmbloedige en zongedroogde countrysongs. Rogai weet met zijn donkere timbre een van weemoed doortrokken sfeer op te roepen die het pastorale en traditionele Amerika in beeld brengt. Zo ontrafelen de filmische prachtsongs ‘Western Movie Town’ en ‘Doc Holiday’ de mythe van het Westen, terwijl het landelijke en aanvankelijk verstilde ‘Waiting On A Friend’ in een fraai orgel-coda eindigt. De romantische gitaarflarden – af en toe fel aangezet zoals op hoogtepunt ‘No Name Disaster’ –, de laidback-beat en het toetsenspel voorzien de uiterst fraaie liedjes van een diepere laag. Lou Rogais Belgische debuut straalt warmte, diepere verlangens en passie uit. Een beslist authentieke en meesterlijke americanaplaat; het duurt nog tot 2005 voordat Bare Bones And Branches een Amerikaanse release krijgt.

Western Movie Town / Doc Holiday / Summerville / No Name Disaster / Bloody Coat / Waiting On A Friend / Underwater, Man / 6:15 / Dead And Gone / Sirens 

woensdag 20 februari 2013

The Aerovons | Resurrection


Er zijn in de populaire muziekhistorie vele, vele wannabee-Beatles geweest. The Aerovons is misschien wel de band die – op The Rutles na – de sound van Fab Four het meest natuurgetrouw nagebootst heeft. The Aerovons? Ja, The Aerovons: Tom Hartman (zang, gitaar,piano), Phil Edholm (gitaar), Bill Lombardo (bas) en Mike Lombardo (drums). Opgericht in St. Louis, Missouri in 1966 door Tom Hartman, dan nog met andere bandleden, en gemanaged door moeder Maurine Hartman, spelen The Aerovons voornamelijk covers gebaseerd op the ‘smashing’ English sound, aldus de publiciteitsfoto. De 16-jarige Tom Hartman is een obsessieve Beatle-fan en wordt hierin gesteund door zijn moeder – wat niet echt rock-‘n-roll is. Maurine Hartman daagt haar zoon uit zelf een song te schrijven en financiert de opnamen. Het geweldig fraaie ‘World Of You’ wordt op demo vastgelegd, waarop Capitol Records The Aerovons aanbiedt een plaat op te nemen. Moeder Maurine stemt toe; maar die plaat moet wel worden opgenomen in Engeland. In januari 1968 komen The Aerovons aan in Londen, en vanwege de kwaliteit van de demo van ‘World Of You’ regelt Maurine een deal met Parlophone, waarop de Hartmans en The Aerovons teruggestuurd worden naar de Verenigde Staten. In St. Louis schrijft Tom Heartman een collectie songs die een jaar later, met de terugkeer naar Engeland, in de Abbey Road-studio’s zullen worden opgenomen. In maart, april, mei en de eerste week van juni 1968 neemt de band, onder aanvoering van de 17-jarige Tom Hartman, hun debuutplaat op, terwijl ook The Beatles in Abbey Road aan het werk zijn. Hartman ontmoet daar zijn ultieme helden. Op de als Resurrection getitelde plaat bevinden zich uiterst fraaie composities die uiteraard Beatles-invloeden herbergen, maar ook The Hollies, The Bee Gees en The Zombies in herinnering roepen. De melodieuze poprocksound en de schitterende melodieën lijken zelfs een voorbode te zijn van het werk van bijvoorbeeld The Raspberries en Badfinger. Naast ‘World Of You’ is – tussen de Rubber Soul-achtige liedjes – een hoofdrol weggelegd voor ‘Quotes And Fotos’, waarop Tom Hartman zich uitleeft op zijn elektrische gitaar. Op 13 juni 1968 keren The Aerovons terug naar de VS, in afwachting van de release van Resurrection – die nooit zal komen. EMI/Parlophone weigert om onverklaarbare redenen Resurrection uit te brengen. Het betekent het einde van The Aerovons, al is het een mooi naschrift dat Resurrection 35 jaar later op een klein Brits label zijn première zal beleven.

World Of You / Resurrection / Say Georgia / With Her / Quotes And Photos / Words From A Song / Bessy Goodheart / Something Of Yours / She’s Not Dead / The Years / Everything’s Alright / The Children

dinsdag 12 februari 2013

Ai Phoenix | I’ve Been Gone – Letter One


I’ve Been Gone – Letter One is een verraderlijke cd. Verraderlijk omdat hij zijn schoonheid aanvankelijk maar mondjesmaat loslaat. Een eerste beluistering levert nog niet veel op, maar een volgende keer al weet Ai Phoenix de ziel te raken, om vervolgens een blijvende indruk achter te laten. Conclusie: I’ve Been Gone – Letter One is van een verbluffende schoonheid en doorwrochtheid. Alles aan I’ve Been Gone – Letter One is echt, integer en overtuigend. Ai Phoenix is een drietal uit het Noorse Bergen dat in 2003 onderdak vindt bij het Duitse kwaliteitslabel Glitterhouse Records. Bij Ai Phoenix draait het in de eerste plaats om de broeierige en uiterst spanningsvolle samenzang tussen Mona Mørk en Patrick Lundberg en vervolgens om het zeer smaakvol en gedoseerd inzetten van mandoline, pedal steel, Farsisa-orgel, Fender Rhodes-piano en fraaie gitaareffecten. Voorts lijkt Ai Phoenix getuige 'A Country Life In The Autumn' in sound, sfeer en teksten op zoek te zijn naar een soort van herfstig en weemoedig alt.countrygevoel. Hierin slagen de Noren met hun slepende en introverte interpretatie van americana volledig en vertonen in prachtige liedjes als 'Autobahn' en 'Leaving The Fairground' vele malen meer durf en diepgang dan bijvoorbeeld de narcoleptische Cowboy Junkies. I’ve Been Gone – Letter One is dan ook veel beter vergelijkbaar met schitterende cd’s als The Dumbest Magnets (2000) van Dolly Varden, Buttercup (1998) van de gelijknamige band en het vroege werk van de meer op liedjes georiënteerde Yo La Tengo. Ai Phoenix’ I’ve Been Gone – Letter One past dan ook perfect in dit rijtje van absolute kwaliteitsmuziek.

Somewhere Nice And All / A Country Life In The Autumn / Call Me In, Piccard / The Last Resort / The Pilot And The Pilgrim / Autobahn / Leaving The Fairground / Trolley In The Train /Sing Ghost Song / Small, Red, Heartshaped Pillow / Held Into The Fire / Melt Our Hearts Forever  

maandag 3 december 2012

Lewis & Clarke | Bare Bones And Branches


Lou Rogai staat dicht bij de natuur, omarmt een levensfilosie waarin de mens in zijn natuurlijke leefomgeving centraal staat. De mens in de vrije natuur dus, vandaar dat Rogai zijn muzikale project Lewis & Clarke gedoopt heeft, naar de grote ontdekkingsreizigers die Noord-West Amerika in kaart brachten en als eersten de doorsteek naar de Grote Oceaan maakten. Lou Rougai, woonachtig in Delaware Water Gap, Pennsylvania, heeft na jaren van stevig drugsgebruik en het najagen van een carrière uiteindelijk gekozen voor een marginaal bestaan als muzikant in de heuvels van Pennsylvania. Tussen maart en oktober 2002 neemt Rogai – na onder eigen naam een tweetal singles te hebben uitgebracht – in zijn slaapkamer met een vier- en achtsporenrecorder de liedjes op die zijn debuutplaat zullen gaan vormen. In de studio van de bevriende Dan McKinney in Bethlehem, PA, kan Rogai zijn gang gaan en zijn muzikale ideeën verwezenlijken. Met een tweetal drummers, een lapsteel-speler, McKinney op orgel en Phillip Price op Fender Rhodes neemt Rogai tien prachtige, weemoedige songs op. Maar het lukt Lou Rogai niet zijn project Lewis & Clarke bij een Amerikaans label onder te brengen, er moet nota bene een Belgisch label aan te pas komen om de release van Bare Bones And Branches te realiseren. In het najaar van 2003 verschijnt dit kleinood op de Europese markt, en hoewel marginaal, het doet totaal niets af aan de lome schoonheid van Bare Bones And Branches. Dit wonderschone album is kunstig in elkaar getimmerd door singer-songwriter Rogai en zijn vrienden, vooral Phillip Price zet met avontuurlijk spel op piano en Fender Rhodes een sfeervol klankbeeld neer. Te midden hiervan is gitarist, bassist en zanger Rogai het stralende middelpunt van deze verzameling warmbloedige en zongedroogde countrysongs. Rogai weet met zijn donkere timbre een van weemoed doortrokken sfeer op te roepen die het pastorale en traditionele Amerika in beeld brengt. Zo ontrafelen de filmische prachtsongs ‘Western Movie Town’ en ‘Doc Holiday’ de mythe van het Westen, terwijl het landelijke en aanvankelijk verstilde ‘Waiting On A Friend’ in een fraai orgel-coda eindigt. De romantische gitaarflarden – af en toe fel aangezet zoals op hoogtepunt ‘No Name Disaster’ –, de laidback-beat en het toetsenspel voorzien de uiterst fraaie liedjes van een diepere laag. Lou Rogais Belgische debuut straalt warmte, diepere verlangens en passie uit. Een beslist authentieke en meesterlijke americanaplaat; het duurt nog tot 2005 voordat Bare Bones And Branches een Amerikaanse release krijgt.

Western Movie Town / Doc Holiday / Summerville / No Name Disaster / Bloody Coat / Waiting On A Friend / Underwater, Man / 6:15 / Dead And Gone / Sirens

zaterdag 30 juni 2012

The Redwalls | Universal Blues

Universal Blues is een tamelijk overrompelend debuut van vier jonge adolescenten die erin slagen het rock-‘n-roll-wiel opnieuw uit te vinden. The Redwalls, uit Deerfield, Illinois, zijn overigens ook alweer relatief snel opgebrand, want na het debuut in 2003 voor indielabel Undertow is het na twee teleurstellende albums over en uit voor het talentvolle kwartet.
Het is vaker vertoond, maar hier zijn vier knapen – bas, drums, gitaar, vocalen, vocalen en vocalen – die zonder steun van het grote geld een dampende en kokende schijf op de wereld loslaten. The Redwalls hebben hun oren goed te luisteren gelegd bij de garagerock van The Standells en The Electric Prunes, maar hebben ook een fikse dosis blanke rhythm and blues – denk aan Dr. Feelgood en The Red Devils – in hun ultra-pittige cocktail gestopt. The Redwalls zijn primitief – met veel treble en reverb – en tegelijk helemaal retro-chique. En als het kwartet ook nog eens meermalen klinkt als The Beatles die à la White Album terugkeren naar hun rock-‘n-roll-roots en en passant Rubber Soul nog eens dunnetjes overdoen, is het helemaal áf. Universal Blues kent hoogtepunten in de Beatles-jengel van 'Colorful Revolution', 'de soulslijper 'How The Story Goes' en de werkelijk messcherpe cover van ZZ Tops ‘Balinese’. Psych-bluesrocker ‘What A Shame’ – verrijkt met jengelend orgeltje – is de absolute kraker, compleet met adembenemende gitaarbreak. Dit jonge en tomeloze kwartet levert kortom met Universal Blues een weergaloos debuut af.
Na Universal Blues gaan de deuren wijd open voor The Redwalls: een contract bij major Capitol, twee keer Lollapalooza, optredens bij David Letterman en Jay Leno en de goedkeuring van Liam Gallagher. Dit genereert succes, maar de bijproducten hiervan zijn twee matige, onbezielde langspelers. Eind 2008 is de koek dan ook op. Wat overblijft is Universal Blues: een ultieme en geslaagde poging 40 jaar rock-‘n-roll te vangen in een krappe 40 minuten.

Colorful Revolution / You’ll Never Know / It’s Alright / Speed Racer / How The Story Goes / It’s Love You’re On / What A Shame / Home / Balinese / I Just Want To Be The One / Universal Blues

zaterdag 18 februari 2012

The Shins | Chutes Too Narrow

Als een grote fan van de Britse postpunk van Echo & The Bunnymen en The Jesus And Mary Chain zoekt James Mercer in zijn omgeving – Albequerque, New Mexico mede-anglofielen om een band te starten. Hij vindt luchtballon-piloot Neal Langford (bas), Marty Crandall (toetsen) en Jesse Sandoval (drums), en samen formeren ze in 1992 Flake Music. Mercer, de zanger, gitarist en componist van de band raakt echter nogal onder de indruk van de psychedelische pop van de rond Denver, Colorado gevestigde The Apples In Stereo en Olivia Tremor Control. En dus komt er een radicale koerswijziging richting melodieuze sixtiespop – en een naamswijziging: The Shins. De wijziging levert ook een platendeal op, met Sub Pop. In 2001 debuteren The Shins met het uiterst charmante Oh! Inverted World, een verzameling dromerige kampvuurliedjes versierd met akoestische gitaren en bordkartonnen drums. Doordat het mooie folky liedje ‘Folky Slang’ in de cultfilm Garden State te horen is breken The Shins nationwide door. Vervolgens verhuist de complete band, met nieuwe bassist Dave Hernandez, naar Portland, Oregon. In Mercers kelder werken The Shins aan nieuw materiaal, dat in de zomer van 2003 wordt opgenomen in Seattle en dat als Chutes Too Narrow in november van dat jaar uitkomt. Chutes Too Narrow trapt op identieke wijze af als de voorganger, maar al binnen een minuut zijn we de psychedelische wereld binnengezogen van de vernieuwde Shins. Weg zijn de kale songstructuren, weg zijn eenvoud en introverheid. Het heeft plaatsgemaakt voor zelfverzekerdheid, expressiviteit en muzikale rijkdom. The Shins weven op Chutes Too Narrow een majesteitelijk tapijt van gelijke delen melancholie, ironie, zeggingskracht en muzikaliteit. James Mercer ontstijgt zichzelf getuige de wonderschone liedjes die ook nog eens zijn voorzien van een spannend klanktapijt waarin akoestische gitaren jubelen, ouderwetse synthesizers ronddwarrelen en elektrische gitaren rinkelen en raggen. Al in het openingsnummer ‘Kissing The Lippless’ zijn de juiste ingrediënten aanwezig en deze receptuur behoudt zijn kracht voor de volle duur van deze sublieme cd. Er zijn invloeden waar te nemen van Cotton Mather, van The Posies en zelfs de reverb-sound van Echo & The Bunnymen is waar te nemen in het schitterende ‘Mine’s Not A High Horse’, maar The Shins zijn vooral hun unieke zelf. James Mercer overtreft zichzelf bovendien in het ongekend fraaie ‘Saint Simon’; een schitterend arrangement, opgetuigd met volmaakte samenzang. Natuurlijk hebben Mercer en zijn Shins goed geluisterd naar sixtiesmuziek, met name naar bands als The Left Banke, The Zombies en The Beatles. Het is dé vruchtbare bodem voor tijdloze popmuziek. Ook The Shins hebben met Chutes Too Narrow een tijdloze plaat afgeleverd.
Kissing The Lipless / Mine’s Not A High Horse / So Says I / Young Pilgrims / Saint Simon / Fighting In A Sack / Pink Bullets / Turn A Square / Gone For Good / Those To Come