Posts tonen met het label americana. Alle posts tonen
Posts tonen met het label americana. Alle posts tonen

maandag 15 oktober 2018

Ryan Martin | Gimme Some Light

Een dubbel-lp in een klaphoes, met op de voorkant een wat getroebleerde man in een gestrand treinstel. Aan de binnenkant dezelfde man in de herfstige, Amerikaanse natuur. Dit is geen vrolijke frans, nee, dat is Ryan Martin zeker niet: ex-verslaafde, ex-bajesklant en overlever van een zwaar auto-ongeluk. Allemaal materiaal voor een doorleefd americana-album, want dat is Gimme Some Light. Martin groeide op aan de Westkust, maar voelt zich meer thuis in Upstate New York, in de bossen, in de velden. Het Woodstock-idee, zeg maar. Die sfeer spreekt ook uit de zwierige countryrocksongs, uitgevoerd door een imposante band met daarin van alles vertegenwoordigd: gitaar, bas, drums, piano, orgel, mandoline, pedalsteel en blazers, stemmige blazers, dat wel. Over de vier plaatkanten verspreid bevindt zich een gevarieerd aanbod van doorleefde songs. De rake midtempo opener ‘All the Good Men’ is gelijk al een prachtsong en een blauwdruk van het vele moois dat volgt. Martin rockt in ‘Destitute Darlings’, ‘Say You Love Me’ en ‘Adeline’ - met glockenspiel - op een vlotte R.E.M.-manier, wat betekent: stevig jengelende elektrische gitaren. Nog meer gecharmeerd ben ik van de weemoedige, trieste liedjes, zoals ‘Death of Love’, ‘Regular Man’, ‘Be Kind’ en het klein gehouden ‘Parasol’, die geweldig mooi en intens gezongen worden door Martin, niet zelden geholpen door een jankende pedalsteel. In dat opzicht is het dramatische en naar een orkestrale climax gevoerde ‘Ask Your Mother’ misschien wel het hoogtepunt van de schatkamer aan prachtsongs die Gimme Some Light is.

‘All the Good Men’ | ‘Destitute Darlings’ | ‘Death of Love’ | ‘Parasol’ | ‘Say You Love Me’ | ‘Dangerously Unplugged’ | ‘Regular Man’ | ‘Suicide Parade’ | ‘Be Kind’ | ‘Adeline’ | ‘Lepers in Armor’ | ‘Ask Your Mother’ | ‘Real Human Being’ | ‘New England Song’ | ‘The Marchers’ | ‘The Prettiest Girl On This Side of Hell’

woensdag 31 januari 2018

Jackie Greene | Giving Up The Ghost

De New York Times noemde hem ‘The Prince of Americana’ en al jarenlang geldt Greene als een grote belofte. Zijn platen, zoals Sweet Somewhere Bound (2005) en American Myth (2006), werden beter en beter en dat culmineert nu in het even als atmosferische Giving Up The Ghost. Dit album kent bovendien een fantastische bezetting, want Greene is vanwege zijn bovengemiddelde vaardigheden op orgel en piano een graag geziene gast(muzikant) bij San Francisco-bands als The Mother Hips en Grateful Dead’s Phil Lesh And Friends – en die betalen nu terug. Zo spelen mee: Greg Leisz, Phil Lesh (Grateful Dead), Tim Bluhm (The Mother Hips), Pete Thomas en Davey Farragher (Elvis Costello), Larry Campbell (Bob Dylan) en David Hidalgo (Los Lobos), terwijl Steve Berlin (Los Lobos) ook produceerde. Je zou hierdoor bijna vergeten dat Jackie Greene zelf de grote ster is van Giving Up The Ghost
Greene loodst de luisteraar langs twaalf afwisselende eigen composities, passeert en passant soul, rhythm & blues en aanstekelijke pop, maar houdt stevig koers richting chicano-rootsrock. Hoogtepunten? De relaxte swing van ‘Another Love Gone Bad’, de soul van ‘Downhearted’, de Stax-blazers van ‘Don’t Let The Devil Take You Mind’, de stuurse rock van ‘Animal’ (à la David & David), de Lanois-broei van ‘Prayer For Spanish Harlem’ en de schitterende, meeslepende midtempo-songs ‘Shaken’ en ‘When You Return’. Ja, het is hier alles goud wat er blinkt.
Dat mag dan in 2008 gelden voor Giving Up The Ghosts, voor Greene’s toekomstige carrière geldt dat zeker niet. Een mondiale doorbraak à la Ryan Adams of Jason Isbell zit er vooralsnog niet in; Jackie Greene lijkt veroordeeld tot de marge. 

‘Shaken’ | ‘Animal’ | ‘I Don’t Live In A Dream’ | Like A Ball & Chain’ | Uphill Mountain’ | ‘Don’t Let The Devil Take Your Mind’ | ‘Prayer For Spanish Harlem’ | ‘Downhearted’ | ‘Follow You’ | ‘Another Love Gone Bad’ | ‘When You Return’ | ‘Ghosts of Promised Lands’  

zaterdag 25 november 2017

Susan Cowsill | Lighthouse

Bij verschijnen van Lighthouse in 2010 is het 43 jaar geleden dat ze als zangeres debuteerde bij The Cowsills, een popgroep bestaande uit louters broers en die grossierde in talloze bubblegum-hits. In de jaren negentig kwamen we haar, samen met haar toenmalige echtgenoot Peter Holsapple en Bangles-gitariste Vicki Peterson, tegen in The Continental Drifters. Susan Cowsill, over haar hebben we het, vestigde zich in New Orleans, Louisiana en het is deze stad en de ramp die zich daar voltrok die haar inspireerde tot Lighthouse. Cowsill verloor door Katrina niet alleen haar persoonlijke bezittingen, maar ook haar broer Barry, terwijl broer Billy bijna gelijktijdig in Canada overleed. Lighthouse is daardoor een album geworden dat is aangedreven door persoonlijke teksten en dat emotioneel diep gaat. Gedreven rockers en intense ballads, op een fundament van stekelige elektrische en rinkelende akoestische gitaren, Hammond, piano en strijkers; Susan Cowsill loodst ons langs een collectie schitterende americana-songs - met daartussen een cover van Jimmy Webbs/Glen Campbells ‘Galveston’. Lighthouse staat dan ook geheel in het teken van verdriet en verlies, maar bezingt tevens de liefde voor The Big Easy, zoals in ‘Onola': 

Oh New Orleans
You will always be my city
I will always be your daughter

Zonder overenthousiast te willen zijn, maar toch: Lighthouse is Susan Cowsills Car Wheels On A Gravel Road.

‘Dragon Flys’ | ‘Avenue of the Indians’ | ‘Sweet Bitter End’ | ‘You and Me Baby’ | ‘River of Love’ | ‘Could This Be Home’ | ‘Lighthouse’ | ‘The Way That It Goes’ | ‘’Onola’ | ‘Galveston’ | ‘Real Life’ | ‘Crescent City Sneaux’

maandag 23 oktober 2017

Lucinda Williams | This Sweet Old World

Sweet Old World was in 1992 het vierde, internationaal onbekende album van Lucinda Williams. De opvolger, Car Wheels On A Gravel Road, betekende zes later een wereldwijde doorbraak en maakte Lucinda Williams tot een van de sterren van de americana. Niet ongebruikelijk is dat een album dat de jublileum-gerechtigde leeftijd van 25 jaar heeft bereikt een rerelease krijgt, meestal in een nieuw jasje. Zoniet Sweet Old World: Lucinda Williams nam het hele album opnieuw op. 
De sound en productie van This Sweet Old World is totaal anders: het blikkerige en echoënde jarentachtiggeluid heeft nu plaatsgemaakt voor een warm, bluesy geluid, zoals we dat ook kennen van Down Where The Spirit Meets Bone (2014). Verassend is ook La Williams’ veranderde stem: eerst dun en onvolwassen, nu: op eikenhout gerijpt en met een heerlijke drawl. De ballads, zoals ‘Something About What Happens When We Talk’, ‘Sidewalks Of The City’ en de rauwe live-klassieker ‘Pineola’ klinken nu dan ook geweldig, mede door de prachtige gitaarsolo’s en de pedaalsteel van Greg Leisz. 
Aardig is ook dat This Sweet Old World completer is dan Sweet Old World: Lucinda Williams nam ook nog eens vier songs opnieuw op die toentertijd op de plank bleven liggen. Kortom, een geweldig oud, nieuw album.

‘Six Blocks Away’ | ‘Prove My Love’ | ‘Something About What Happens When We Talk’ | ‘Memphis Pearl’ | ‘Sidewalks of the City’ | ‘Sweet Old World’ | ‘Little Angel Little brother’ | ‘Pineola’ | ‘Lines Around Your Eyes’ | ‘Drivin Down A Dead End Street’ | ‘Hot Blood’ | ‘Which Will’ | ‘Factory Blues’ | ‘What You Don’t Know’ | ‘Wild and Blue’ | ‘Dark Side of Life’ 

zondag 20 augustus 2017

Lewis & Clarke | Bare Bones And Branches

Lou Rogai staat dicht bij de natuur, omarmt een levensfilosie waarin de mens in zijn natuurlijke leefomgeving centraal staat. De mens in de vrije natuur dus, vandaar dat Rogai zijn muzikale project Lewis & Clarke gedoopt heeft, naar de grote ontdekkingsreizigers die Noord-West Amerika in kaart brachten en als eersten de doorsteek naar de Grote Oceaan maakten. Lou Rougai, woonachtig in Delaware Water Gap, Pennsylvania, heeft na jaren van stevig drugsgebruik en het najagen van een carrière uiteindelijk gekozen voor een marginaal bestaan als muzikant in de heuvels van Pennsylvania. 
Tussen maart en oktober 2002 neemt Rogai – na onder eigen naam een tweetal singles te hebben uitgebracht – in zijn slaapkamer met een vier- en achtsporenrecorder de liedjes op die zijn debuutplaat zullen gaan vormen. In de studio van de bevriende Dan McKinney in Bethlehem, PA, kan Rogai zijn gang gaan en zijn muzikale ideeën verwezenlijken. Met een tweetal drummers, een lapsteel-speler, McKinney op orgel en Phillip Price op Fender Rhodes neemt Rogai tien prachtige, weemoedige songs op. Maar het lukt Lou Rogai niet zijn project Lewis & Clarke bij een Amerikaans label onder te brengen, er moet nota bene een Belgisch label aan te pas komen om de release van Bare Bones And Branches te realiseren. 
In het najaar van 2003 verschijnt dit kleinood op de Europese markt, en hoewel marginaal, het doet totaal niets af aan de lome schoonheid van Bare Bones And Branches. Dit wonderschone album is kunstig in elkaar getimmerd door singer-songwriter Rogai en zijn vrienden, vooral Phillip Price zet met avontuurlijk spel op piano en Fender Rhodes een sfeervol klankbeeld neer. Te midden hiervan is gitarist, bassist en zanger Rogai het stralende middelpunt van deze verzameling warmbloedige en zongedroogde countrysongs. Rogai weet met zijn donkere timbre een van weemoed doortrokken sfeer op te roepen die het pastorale en traditionele Amerika in beeld brengt. Zo ontrafelen de filmische prachtsongs ‘Western Movie Town’ en ‘Doc Holiday’ de mythe van het Westen, terwijl het landelijke en aanvankelijk verstilde ‘Waiting On A Friend’ in een fraai orgel-coda eindigt. De romantische gitaarflarden – af en toe fel aangezet zoals op hoogtepunt ‘No Name Disaster’ –, de laidback-beat en het toetsenspel voorzien de uiterst fraaie liedjes van een diepere laag. Lou Rogais Belgische debuut straalt warmte, diepere verlangens en passie uit. Een beslist authentieke en meesterlijke americanaplaat; het duurt nog tot 2005 voordat Bare Bones And Branches een Amerikaanse release krijgt.

Western Movie Town / Doc Holiday / Summerville / No Name Disaster / Bloody Coat / Waiting On A Friend / Underwater, Man / 6:15 / Dead And Gone / Sirens 

vrijdag 5 mei 2017

John Moreland | Big Bad Luv

In zijn jeugd speelde hij in talloze hardcorebands, maar in 2013 zag John Moreland het licht - net als de vele americana-liefhebbers die hem opmerkten: In The Throes was een prachtige plaat. De opvolger in 2014 was nog even een slagje beter. Op High On Tulsa Heat was een singer-songwriter aan het woord die het beste van Steve Earle en Guy Clark in zich verenigde. Het betekende voor de geboren Texaan, maar in Tulsa, Oklahoma woonachtige lijvige en zwaar bebaarde bard een bescheiden doorbraak. Moreland is nu moving into a bigger arena; heeft getekend bij het Britse 4AD, een adequate band in dienst genomen en laat nu in 2017 het ijzersterke Big Bad Luv verschijnen. Wat gelijk opvalt is dat Moreland beduidend vrolijker gestemd lijkt dan eerder en dat de instrumentatie nu rijker en voller is - en dat is een gouden combinatie. Drums zijn nadrukkelijker aanwezig en vaak up-tempo; akoestische gitaren jengelen en jubelen en er is royale versiering van piano, Hammond en twang-gitaar. Love Is Not An Answer is hiervan een o zo fraai voorbeeld, waar Moreland overigens doet denken aan Chris Stapletons Traveller (2015). Een andere vergelijking die opdoemt is dat Morelands stem gelijkt op die van Springsteen ten tijde van The River (Lies I Chose To Believe, No Glory in Regret). Denk overigens niet dat Moreland een vrolijke frans is geworden; hij zingt nog steeds over zijn persoonlijke angsten en duivels. Het indringendst in de afsluiter Latchkey Kid - hijzelf was inderdaad zo’n sleutelkind. Big Bad Luv is een ambitieus album, waarmee Moreland tot een grote groep van luisteraars kan doordringen. Dat moet lukken met zo’n ronduit schitterend america-album.

‘Sallisaw Blue’ | ‘Old Wounds’ | ‘Every Kind of Wrong’ | ‘Love Is Not An Answer’ | ‘Lies I Chose To Believe’ | ‘Amen, So Be It’ | ‘No Glory in Regret’ | ‘Ain’t We Gold’ | ‘Slow Down Easy’ | ‘It Don’t Suit Me (Like Before)’ | ‘Latchkey Kid’ 

Gepubliceerd in PlatoMania nr. 337.

maandag 27 maart 2017

The Jayhawks | Paging Mr. Proust

Hollywood Town Hall (1992) geldt als het onbetwiste meesterwerk van The Jayhawks. Goede tweede is Sound of Lies uit 1997, maar daarbij moet opgetekend worden dat de tandem Mark Olson/Gary Louris defunct was en de gave powerpop-achtige liedjes op die plaat geheel op het conto van Louris geschreven moeten worden. Weer bijna twintig jaar later keert Louris met zijn Jayhawks terug naar de sound van Sound of Lies; met Paging Mr. Proust keert de band terug naar zijn glorieuze verleden. Dit is niet alleen mogelijk gemaakt door de klassieke bezetting (minus Olson), maar mede door co-producers Tucker Martine en R.E.M.’s Peter Buck. The Jayhawks zelf zijn intussen in blakende vorm en sleet zit er, opgericht in 1985, nog niet op. Op Paging Mr. Proust krijg je de vintage Jayhawks-sound, wat betekent: gouden melodieën, vlekkeloze harmoniezang, klassieke countryrocksongs en scherp gitaarwerk van Louris op zijn Gibson SG. In ‘Lost the Summer’ klinkt de band heavier dan voorheen en ‘Ace’ wordt gedomineerd door gitaarfeedback, maar songs als ‘Quiet Corners & Empty Spaces’, ‘The Devil Is in Her Eyes’, Lies in Black & White’ en de mooie met mellotron versierde afsluitende ballad ‘I’ll Be Your Key’ doen fantastische tijden herleven. Paging Mr. Proust is een onverwachte, maar niettemin welkome terugkeer van The Jayhawks aan het americana-front met een voor 2016 bijzonder relevante (jaarlijstjes)plaat.

‘Quiet Corners & Empty Spaces’ | ‘Lost the Summer’ | ‘Lovers of the Sun’ | ‘Pretty Roses in Your Hair’ | Leaving the Monsters Behind’ | ‘Isabel’s Daughter’ | ‘Ace’ | ‘The devil’s Is in Her Eyes’ | ‘Comeback Kids’ | ‘The Dust of Long-Dead Stars’ | ‘Lies in Black & White’ | ‘I’ll Be Your Key’

Thirty Tigers, 2016.

Eerder gepubliceerd in Platomania.

maandag 27 oktober 2014

Grant-Lee Phillips | Virginia Creeper

De Virginia Creeper is een klimplant die in de herfst, wanneer de natuur zijn levenscyclus afsluit, schitterend rood gekleurd is. Grant-Lee Phillips’ derde solo-cd bezit net als zijn naamgever fraaie kaleidoscopische kleuren in een van weemoed doortrokken omgeving, want Phillips is op Virginia Creeper melancholieker en berustender dan ooit. Virginia Creeper is Phillips’ terugkeer naar oude waarden en tradities en valt dan ook het best te typeren als een ouderwetse country-folkplaat. Phillips heeft vanaf het eind van de jaren tachtig respect opgebouwd met zijn bands Shiva Burlesque en Grant Lee Buffalo, dat een commerciële doorbraak nabij was. Ook solo speelde hij zich in de kijker met Ladies’ Love Oracle en Mobilize. Maar waar Mobilize rijkelijk voorzien was van elektronica en drummachines, daar heeft Phillips op Virginia Creeper gekozen voor een traditioneler en organischer klankbeeld, en een royale bezetting met namen als Jon Brion en pedal steelspeler Greg Leisz. Virginia Creeper wordt echter gedomineerd door Phillips’ akoestische gitaar, de dobro, de viool en de zachte tweede stem van zangeres Cindy Wasserman. In dit countryrock-decor maakt Phillips veel indruk met meer dan fraaie liedjes als 'Dirty Secret', 'Josephina Of The Swamps' en de anti-Bushsong 'Calamity Jane'. Maar ook de overige composities, met als bitterzoet hoogtepunt 'Far End Of The Night', doen hier in geen geval voor onder. Zij dragen eerder bij aan de serene homogeniteit die Virginia Creeper uitstraalt. Reden waarom deze prachtige songcyclus een rustieke en doorleefde plaat is geworden die in klassieke americanastijl – met als toegift 'Hickory Wind'de mythologie van het Amerikaanse land bezingt. Grant-Lee Phillips verbreedt aldus op indrukwekkende wijze zijn horizon en vindt zijn definitieve vorm: die van klassiek singer-songwriter.
Virginia Creeper is dan ook in 2004 een carrière-hoogtepunt van de geboren Californiër, temeer daar de daarop volgende albums niet dezelfde artistieke kwaliteit bezitten. Een doorbraak ligt in feite verder weg dan ooit; Grant-Lee Phillips' solocarrière hapert, maar hoe dan ook is Virginia Creeper een americana-album om steeds weer naar terug te keren.

Mona Lisa / Waking memory / Lily-A-Passion / Dirty Secret / Always Friends / Calamity Jane / Josephine Of The Swamps / Far End Of The Night / Susanna Little / Wish I Knew / Hickory Wind




vrijdag 26 september 2014

Lucinda Williams | Where The Spirit Meets The Bone



 


Sinds 1998 – sinds Car Wheels On A Gravel Road – is Lucinda Williams de grande dame van de americana. Keer op keer bevestigde zij haar onbetwiste status met een adembenemende serie albums – van Essence (2001) tot Blessed (2011). Maar wie haar live aan het werk gezien heeft moet ook erkennen dat de jaren beginnen te tellen voor Lucinda (geboren 1953). Alleen al om die reden is het uiterst verheugend dat het dubbelalbum Where The Spirit Meets The Bone een gedreven en gepassioneerde Lucinda Williams laat horen, als was het 1998. Williams heeft inmiddels haar eigen platenlabel en is dus volledig in controle over haar eigen – schitterende – muziek. Voor Where The Spirit Meets The Bone beschikte Williams over een keur aan muzikanten, zoals Greg Leisz (pedal steel en productie), Bill Frisell (gitaar), Tony Joe White (gitaar), Ian McLagan (toetsen), Jakob Dylan (zang) en Elvis Costello's vaste ritmesectie. Het resulteert in een rauw en ongepolijst klankbeeld waarin Williams met haar schuurpapieren stem glorieert. Where The Spirit Meets The Bone bevat 20 nummers en bestrijkt het gehele terrein tussen countryrock en countrysoul; rauwe gitaarliedjes wisselen soulvolle ballads af. Ondertussen spat de urgentie van de groeven ( dan wel het bi-carbonaat van de cd) en geeft La Williams blijk van een huizenhoge ambitie en dito intensiteit. In die zin gelijkt Where The Spirit Meets The Bone nog het meest op Lucinda's fameuze live-dubbelaar Live @ The Fillmore (2005). Where The Spirit Meets The Bone is een ware tour de force – 20 gedreven songs met als slotstuk een cover van J.J. Cale's Magnolia – en een definitief bewijs van Lucinda Williams' importantie voor americana en alt.country.

Compassion / Protection / Burning Bridges / East Side Of Town / West Memphis / Cold Day In Hell / Foolishness / Wrong Number / Stand Right By Each Other / It's Gonna Rain / Something Wicked This Way Comes / Big Mess / When I Looked At The World / Walk On / Temporary Nature (Of Any Precious Thing) / Everything But The Truth / This Old Heartache / Stowaway In Your Heart / One More Day / Magnolia 

donderdag 14 augustus 2014

Buddy Miller | Poison Love

Singer-songwriters als John Hiatt en Steve Earle steken niet onder stoelen of banken dat ze de platen van Buddy Miller fantastisch vinden. En ook de grande dame van de country, Emmylou Harris, heeft Miller hoog zitten, want regelmatig is hij gitarist in Harris' begeleidingsband. Wonderlijk genoeg is Buddy Miller al een stuk in de veertig als hij in 1995 debuteert met Your Love And Other Lies. Vanaf die plaat is Miller een ware country-cultheld. Miller wordt geboren in Ohio, groeit op in New Jersey, vestigt zich in Manhattan en trekt in de jaren zeventig door het land met zijn country- en bluegrassband Partners In Crime. In Austin, Texas ontmoet hij de vrome countryzangeres Julie Griffin, met wie hij trouwt en een onafscheidelijk duo vormt. Vanaf eind jaren tachtig brengt Julie Miller religieus getinte platen uit, terwijl echtgenoot Buddy jarenlang geduld oefent – en met Jim Lauderdale optreedt. Eenmaal woonachtig in Nashville, Tennessee richt het echtpaar in hun achterkamer een studio in – Dogtown – en neemt Buddy zijn en Julie's songs op, met Your Love And Other Lies als resultaat. Twee jaar later, in 1997, ontvangt Miller in zijn Dogtown-studio wederom vele muzikale vrienden die hem begeleiden op wat zijn tweede album zal worden: Poison Love. In het titelnummer, een aanstekelijke uitvoering van mrs. Elmer Lairds countryclassic, is het Steve Earle die de harmoniezang doet, terwijl topmuzikanten als drummer Blady Blade, bassist Daryl Johnson, gitarist Gurf Morlix en pedal steelspeler Al Perkins Miller begeleiden op countryslijpers 'Baby Don't Let Me Down' en 'Lonesome For You' en de bluegrass van 'Love In The Ruins'. Natuurlijk duetteert Buddy met zijn Julie – op het smachtende 'Draggin The River' en op de aanklacht tegen het gebruik van landmijnen, het fantastische '100 Million Little Bombs' – maar op dit terrein gaat Buddy ook vreemd met niemand minder dan Emmylou Harris. Gezamenlijk stuwen ze 'Don't Tell Me' en een superieure cover van Otis Reddings 'That's How Strong My Love Is' naar grote hoogten: naar countrysoul-heaven. En zo is Poison Love een ronduit grandioos album dat soul en blues perfect laat samensmelten met eigentijdse country. Niet voor niets wordt de laatbloeier Buddy Miller gezien als een van de grote vernieuwers van een ouderwets genre als country.

Nothing Can Stop Me / 100 Million Little Bombs / Don't Tell Me / Poison Love / Baby Don't Let Me Down / Love Grows Wild / Love In The Ruins / Draggin The River / Help Wanted / That's How Strong My Love Is / Lonesome For You / I Can't Help It / Love Snuck Up

woensdag 2 juli 2014

Timber Timbre | Hot Dreams


Het wordt nu toch wel tijd dat Timber Timbre haar welverdiende plek in het americana-landschap inneemt. Ergens tussen Lambchop en The Handsome Family. Hot Dreams is alweer Timber Timbre's vijfde album – en hun beste. Op Hot Dreams vinden de Canadezen, onder de bezielende leiding van Taylor Kirk, hun definitieve vorm door een voller geluid en met gebruikmaking van een uitgebreider instrumentarium – zoals die heerlijk slepende sax in in titelnummer 'Hot Dreams'. Door de over het hele album heen hangende onheilspellende spaghetti-twang is Hot Dreams de ideale soundtrack van een moderne western; niet voor niets fungeert Timber Timbre's muziek als soundtrack voor Breaking Bad. Met schitterende, zinderend hete songs als 'Curtains?!', 'Grand Canyon', 'The New Tomorrow' en 'Run From Me' is Hot Dreams een zeer toepasselijke titel voor Timber Timbre's adembenemende desert gothic.

Beat The Drum Slowly / Hot Dreams / Curtains?! / Bring Me Simple Men / Resurrection Drive Part II / Grand Canyon / The Low Commotion / The New Tomorrow / Run From Me / The Three Sisters 

woensdag 14 mei 2014

Mercury Rev | Deserter’s Songs

Deserter’s Songs laat Mercury Rev’s transformatie zien van noiseniks naar psychedelische natuurliefhebbers. De eerste twee platen van de muzikale pioniers uit Buffalo, New York mengen prachtige momenten met chaotische noise. Na het vertrek van de onberekenbare en vaak onverstaanbare zanger David Baker maakt Mercury Rev in 1995 het meer gestructureerde See You On The Other Side, met als producer Dave Fridmann die daarvoor bassist van de band was. Songschrijvers van de band zijn zanger Jonathan Donahue en gitarist Sean Mackowiak, oftewel Grasshopper, en naast losvast bandlid Fridmann maken Adam Snyder (toetsen) en Jimy Chambers (drums, klavecimbel) deel uit van de band. Na de duistere drugsjaren volgen er drie jaren van bezinning, overpeinzing en loutering, waarvoor Mercury Rev zich terugtrekt in de heuvels van de Catskill Mountains. Grasshopper gaat zelfs in retraite in een klooster. Omgeven door de natuur, bloemen en insecten, werkt het vijftal in Fridmanns Tarbox Studio aan een set nieuwe songs. Met gebruikmaking van houtblazers, violen en flugelhorn is het nieuwe muzikale decor van Mercury Rev dat van pastorale symfonica, met een uitgesproken americana-sfeer. Mercury Rev gaat terug naar de basis van de ware Amerikaanse roots met intermezzo’s die als authentieke field-recordings klinken, krakende piano’s en klaterende klavecimbels. Met het verschijnen van Deserter’s Songs stapt Mercury Rev in het volle licht van het leven; zich ten volle bewust van de rol van de mens in de natuur. De majesteitelijke muziek klinkt als een eigentijdse Pet Sounds, terwijl Donahue’s nasale zang een Neil Young-element toevoegt. Een andere belangrijke inspiratiebron is The Band, van wie Garth Hudson en Levon Helm letterlijk buren zijn van Mercury Rev. Zij spelen dan ook mee op Mercury Revs meest rootsy cd: Hudson op ‘Hudson Line’ en Helm op het magisch-orkestrale ‘Opus 40’. Moogs, mellotrons, hartverwarmende harpen en zingende zagen rollen af en aan in de dromerige psychedelica van ‘Holes’, ‘Tonite It Shows’ en ‘Endlessly’. Ze worden echter overtroffen door de schitterende bombast van ‘Goddess On A Highway’ en het bonkende hart van Deserter’s Songs: ‘The Funny Bird’. Het joyeuze ‘Delta Sun Bottleneck Stomp’ sluit Deserter’s Songs op gepaste wijze af: Slidin’ away in a washed out delta sun; de zon tegemoet, het leven tegemoet. Deserter’s Songs – elf tijdloze songs; elf sublieme rocksongs – is het doorbraakalbum van Mercury Rev en is een magistrale triomf.

Holes / Tonite It Shows / Endlessly / I Collect Coins / Opus 40 / Hudson Line / The Happy End (The Drunk Room) / Goddess On A Hiway / The Funny Bird / Pick Up If You’re There / Delta Sun Bottleneck Stomp

dinsdag 18 februari 2014

Vic Chesnutt | Ghetto Bells

Sweet Relief II: Gravity Of The Situation betekent in 1996 Vic Chesnutts bescheiden doorbraak. Bijzonder daaraan is wel dat Chesnutt zelf op dat album niet te beluisteren is, want een tribute-plaat waarop groten als R.E.M. en Madonna diens liedjes vertolken, met de bedoeling de lamentabele Chesnutt financieel te ondersteunen. Vic Chesnutt, opgegroeid in Zebulon, Georgia, is namelijk veroordeeld tot een rolstoel omdat hij op zijn 18e verlamd raakte door een ernstig auto-ongeluk.
Tot '96 kenden weinigen de wanhopige lo-fi liedjes die op de albums Little (1990), West Of Rome (1992) en Is The Actor Happy? (1995) te vinden zijn, maar na het tribute-album komt daar verandering in. Een samenwerking met Lambchop en een groeiende belangstelling in 's mans prachtig wrange liedjes leiden in 2005 tot Chesnutts grandioze meesterstuk: Ghetto Bells. De songsmid kreeg hiervoor, naast vaste krachten echtgenote Tina op bas en nichtje Liz als zangeres, de hulp van muzikaal genie Van Dyke Parks, jazzgitarist Bill Frisell en sessiedrummer Don Heffington. Deze droombezetting zorgt voor een overweldigend geluidsdecor waarin barokke arrangementen – in de vorm van stemmige strijkers – zoemende orgels en psychedelische gitaarpartijen versmelten met Chesnutts aangrijpende, droeve stem en diens slimme woordspel. Opeens is Vic Chesnutt niet meer de minimale lo-fi singer-songwriter, maar een vertolker van transcendentale, etherische – ja – grandeur. Genre-overstijgend, maar altijd bezwangerd met een southern gothic broei, zijn het merendeel van de meeslepende songs: 'Virginia', 'What Do You Mean', 'Got To Me', 'Forthright', 'Vesuvius', 'Rambunctious Cloud' en het gevoelige sluitstuk 'Gnarls'. Zonder twijfel is Ghetto Bells niet alleen Chesnutts allerbeste plaat, maar ook objectief bezien een klinkklaar meesterwerk.
Ghetto Bells bezorgt Chesnutt alom erkenning, maar het blijkt onmogelijk dit te overtreffen. Ook trekt het leven zwaar aan de gehandicapte singer-songwriter. Het is ondanks diens relatieve succes niet vol te houden. Op eerste kerstdag van 2009 overlijdt Vic Chesnutt in het ziekenhuis van Athens, Georgia aan de gevolgen van een overdosis spierverslappers. Fate has been so good to me / You may not understand how I can be thankful to be where I am, zingt Vic Chesnutt in 'Ignorant People', begeleid door een treurige accordeon.

Virginia / Little Caesar / What Do You Mean? / Got To Me / Got To Me / Ignorant People / Fortright / To Be With You / Vesuvius / Rambunctious Cloud / The Garden / Gnats   

maandag 25 november 2013

The Gourds | Dem's Good Beeble

Een spraakmakend Texaans album op een Nederlands label, dat is Dem's Good Beeble van The Gourds. Allerlei authentieke Amerikaanse muziekstijlen zijn op unieke wijze samengebracht in een enthousiaste, aanstekelijke potpourri van liedjes, maar liefst 16 in getal. In Austin, Texas richten kernleden Kevin Russell en Jimmy Smith in 1994 The Gourds op. Ze laten zich gewillig inspireren door het Amerikaanse muzikale erfgoed, dat een melting pot van culturen is: van polka tot tex-mex; van tango tot zydeco; van country tot mountain-folk. De bezetting van de band is dienovereenkomstig: trekzak, mandoline en drums die nauwelijks een naam mogen hebben. The Gourds is een rudimentair orkestje. Hun debuut nemen ze op in een boerderij, The Laurels Ranch in Comfort, Texas. Zoals gezegd 16 liedjes, eerlijk verdeeld tussen de componisten Smith en Russell. Jimmy Smith is onder meer verantwoordelijk voor 'Jenny Brown', dat klinkt als The Clash in Appalachen-stijl, en de prachtige cajun-ballad 'When Wine Was Cheap'. Kevin Russell, de betere zanger, weet op zijn beurt de Appalachen-sfeer van afgelegen bergdorpjes – en de aangrijpende beelden van fotograaf Shelby Lee Adams – muzikaal uitstekend te treffen met zijn schitterende, hartverscheurende meezingers 'Dying Of The Pines', 'Clear Light' en 'Money Honey', en ook de Band-achtige tranentrekker 'Web Before You Walk Into It'. The Gourds verbeelden op Dem's Good Beeble – zoiets als die goeie mensen – een antiek, grotendeels verdwenen Amerika. Het is dan ook tamelijk bizar dat dit puur Amerikaanse muzikale document – americana in optima forma – in 1997 op een Nederlands label verschijnt.

Piss & Moan Blues / Caledonia / Dying Of The Pines / Jenny Brown / Clear Light / Sweet Li'l / When Wine Was Cheap / Money Honey / Honduras / Ringing Dark & True / Pine Tar Ramparts / Makes Me Roll / Trampled By The Sun / Web Before You Walk Into It / I Come Up / All The Labor 

dinsdag 20 augustus 2013

Victor Krummenacher’s Great Laugh | Out In The Heat

Vijf jaar lang is Out In The Heat alleen te verkrijgen via Magnetic, het platenlabel dat Victor Krummenacher oprichtte met Jonathan Segal. Gedurende deze periode, van 1995 tot 1999, is het Krummenacher zelf die de bestellingen verpakt en verzendt. Het typeert de kleinschaligheid en bescheidenheid die Krummenacher en Segal bewust nastreven. Het bijzondere hiervan is dat beiden speelden in de jaren tachtig cultband Camper Van Beethoven. CVB bestond van 1983 tot 1990 en maakte in deze periode een vijftal platen, met als hoogtepunt de bands zwanenzang Key Lime Pie. Na het vertrek van David Lowery maakten de resterende leden een doorstart met de Monks Of Doom, maar dit low profile project was geen lang leven beschoren. En dus kwam er voor Krummenacher, naast het bestieren van platenlabel Magnetic, tijd en ruimte om een soloplaat op te nemen.
Out In The Heat werd verspreid over 13 maanden in verschillende studio’s in en om San Francisco opgenomen. Begeleidingsband A Great Laugh bestaat uit een aantal ex-leden van CVB, van King Missile (wie herinnert zich Mystical Shit nog?) en pedal steel/lap steel-speler Bruce Kaphan, bekend van de American Music Club. Deze club neemt onder de productionele leiding van Krummenacher en Kaphan een aantal hartverscheurende desertsongs op. Victor Krummenacher’s Great Laugh neemt je op Out In The Heat mee op een tocht door New Mexico en Arizona, door de woestijn en naar de bergen, van de Sonora Desert tot de Grand Canyon – waarvan de hoesfoto getuigt. Out In The Heat is pure americana – ook al was die term in 1995 geen gemeengoed –; je waant je op verlaten woestijnweggetjes als je Krummenacher hoort zingen: ‘Down in Questa, down in Llama, down in Santa Fe / The road winds slowly through the hills and sucks up half the day.’ En dan zet een jankende slidegitaar in. Hoewel Out In The Heat een uitgesproken Amerikaans product is, zowel qua thematiek als muzikale benadering, doet de stem van Victor Krummenacher denken aan een jongere John Cale, terwijl diens manier van componeren invloeden van Richard Thompson verraadt. Het zijn aardse composities met een verhalende structuur, verpakt in gouden melodieën. Krummenacher weet met een pennestreek een beeld van verlatenheid en desillusie neer te zetten zoals in 'Clean As Filth And Finesse': The caress of the breeze through this rusted out car I’m driving. IJzersterke gitaarmotieven en vlammende solo’s zetten kracht bij aan de epische rocknummers en de getormenteerde ballads. Zo roept Out In The Heat veelvuldig de emotionele diepgang van American Music Club in herinnering en doet de gitaarlyriek denken aan Lee Clayton en diens klassieke 'I Ride Alone'. Out In The Heat biedt meer dan zestig minuten gepassioneerde rockmuziek, waarbij de afwisseling tussen vlijmscherp gespeelde gitaarrock en van pedal steel en mandoline voorziene balladen perfect in balans is. Het is deze diversiteit die Out In The Heat tot een coherent werkstuk maakt, met als verbindend element de hitte daarbuiten: Out In The Heat. Rotsen en woestijn, daar is het hart van de desolaatheid, van de eenzaamheid, van overgeleverd zijn aan jezelf. Dat is de boodschap die Krummenacher kenbaar maakt, zoals in het stevige 'Insomniac': Ready now to wake in the crazy mountains, waarop de luisteraar zich eenvoudig laat verleiden tot een woestijntrip met Krummenacher en zijn Great Laugh.
Victor Krummenacher betoont zich op zijn solo-debuut een meester in het genre. Out In The Heat bevat simpelweg alle elementen die muziek spannend maakt: lyrische en emotionele diepgang begeleid door rockende gitaren, dobro’s, pedal steels en in het hart daarvan, daar in de hitte, de dwingende stem van Victor Krummenacher. In 1999 beleeft Out In The Heat een re-release en weet Magnetic een distributiedeal te sluiten met Amerika, Engeland en ook Nederland. Een nieuwe kans om Out In The Dark voor de vergetelheid te behoeden, al bleek dit verspilde moeite. Hoe dan ook, Out In The Dark is wat het is; een weerbarstig en misschien zelfs obscuur meesterwerk.

Allright / Clean As Filth And Finesse / Evangelina Will Sleep No.1 / Water Gone To Mist / ’48 Or ’47 / Out In The Heat / New Mexico / Insomniac / Foot On The Pedal / The Resurrection Plant / Not An Inch / Sweet Talking Bill / Sister & Me / The Antebellum / As Real As Your Dreams

zondag 4 augustus 2013

The Setters | The Setters

Hoewel The Setters nooit aan die kwalificatie kunnen of hebben willen voldoen, springt de term americana-supergroep toch in gedachten. Ga maar na, de drie songschrijvers hebben hun sporen verdiend in Texaanse bands als The Silos, True Believers en The Wild Seeds. The Setters bleef echter een eenmalig project – dat overigens wel een mooie en sfeervolle plaat opleverde. Gek genoeg blijken de Texaanse muzikanten Walter Salas-Humara, Alejandro Escovedo en Michal Hall jeugdvrienden uit Arkansas te zijn. Ze ontmoetten elkaar in 1992 in Austin, Texas en besloten gezamenlijk een plaat te maken. Het trio had flink wat recent materiaal op de plank en toog naar de Loma Ranch in Fredericksburg, Texas. Ze namen nog wat vrienden uit Austin mee zoals bassist Scott Barber en gitarist Gurf Morlix. Morlix nam ook de producersrol op zich, maar veel meer dan een tapemachine was er niet op de ranch. Geen drumstel in ieder geval, want Salas-Humara gebruikt kartonnen dozen, drumkisten en metalen ophangbeugels. No drums vermeldt de hoestekst. Dat de plaat met drie zangers en drie componisten gevarieerd is, ligt voor de hand, maar The Setters is ook nog eens homogeen en qua idioom uitstekend afgestemd op een typische americana-sfeer van verlangen en melancholie. De composities zijn gelijkelijk verdeeld over de drie; ieder draagt vier songs bij – alle gecomponeerd in 1992; net zoals de liedjes keurig opgedeeld zijn in midtempo rootsrocksongs, zoals Halls ‘Don’t Love Me Wisely’ en ‘Escovedo’s ‘She’s Got’; stemmige moodrock op Salas-Humara’s ‘Shaking All Over The Place’, Escovedo’s ‘It’s Hard’ en Halls ‘Let’s Take Some Drugs And Drive Around’ en desolate ballads. De laatste blinken uit in zeggingskracht en het met muzikale penseelvegen neerzeten van een beeldende americanasfeer. ‘Susan Across The Ocean’ is een weemoedige herinnering aan de liefde die was, evenals ‘Tell Me Why’, terwijl Halls universele zielenpijn treffend wordt verbeeld in de hoogtepunten van de cd: ‘A Better Place’ en het machtige ‘River Of Love’. Een cover van The Stooges’ ‘I Wanna Be Your Dog’ – met in het ‘hondenkoor’ een nog jonge Damon Bramblett – completeert dan de setlist van dertien songs. The Setters heeft nagenoeg niets bijgedragen aan de populariteit van de makers ervan. Dat de cd werd uitgebracht op een onbekend Duits label zegt wat dat betreft genoeg. The Setters is slecht een voetnoot in de biografieën van de heren Hall, Escovedo en Salas-Humara.

Shaking All Over The Place / It’s Hard / Don’t Love Me Wisely / Susan Across The Ocean / Let’s Take Some Drugs And Drive Around / She’s Got / Nothing’s Gonna Last / Helpless / River Of Love / Tell My Why / Hook In My Lip / I Wanna Be Your Dog / A Better Place

dinsdag 18 juni 2013

Houndmouth | From The Hills Below The City



Hun zelfgetitelde ep was in 2012 al een lekkere appetizer voor het volwaardige debuutalbum. Houndmouth – Matt Myers, Katie Toupin, Shane Cody en Zak Appleby uit New Albany, Indiana, aan de andere kant van de rivier van Louisville, Kentucky – komt zomaar onder contract bij het Britse punklabel van het eerste uur, Rough Trade. Head honcho Geoff Travis betitelt Houndmouth spontaan als het beste dat hij ooit heeft getekend. Dat is natuurlijk niet waar, maar het zijn wel fraaie credentials die met de release van From The Hills Below The City enigszins bewaarheid worden. Het kwartet beschikt over ruim voldoende muzikale kwaliteiten – meerstemmige zang, gitaar, bas, drums, piano en orgel – om indruk te maken. Dat doet Houndmouth dan ook in de twaalf sterke songs van het debuut. De band baseert zich op ouderwetse Appalachen-countryfolk, maar betrekt ook The Band en Creedence Clearwater Revival in zijn idioom; en bevindt zich aldus ergens tussen de rauwe countryfolk van The Low Anthem en de retro-countryrock van The Sheepdogs en The Illegitimate Sons. Het resultaat is een album met sfeervolle countryrock-liedjes die zich lijken af te spelen in het sepia-getinte Amerika van het begin van de 20e eeuw. 'Come On, Illinois', 'Penitentiary', 'Ludlow' en 'Houston Train' behoren tot de hoogtepunten van een net weer even anders americana-album. From The Hills Below The City: een verrassing vanuit down home Kentucky, dan wel Indiana.

On The Road / Come On, Illinois / Penitentiary / Casino (Bad Things) / Ludlow / Hey Rose / Krampus / Long As You're At Home / Houston Train / Comin' Around Again / Halfway To Hardinsburg / Palmyra

woensdag 29 mei 2013

Stillhouse | The Great Reprise

Vergéét Chatham County Line. De akoestische Appalachan-folk van allen-rondom-de-microfoon moet, ja moet plaats maken voor The Great Reprise van Stillhouse, eveneens uit Raleigh, North Carolina. Stillhouse dateert van voor Chatham County Line, maar eindigt als de wegen van zanger-gitarist Dave Wilson en drummer Zeke Hutchins en basist Jay Brown zich scheiden; de laatste twee gaan Tift Merritt begeleiden, Wilson richt Chatham County Line op. In 2005 verschijnt het debuut van Stillhouse, Through The Winter, een prachtige, ouderwetse countryrockplaat. Wilson, Brown en Hutchins hebben Chatham County Line-instrumentalist Greg Readling weten te strikken – hij voegt pedal steel en piano toe – zodat Stillhouse een volwaardige countryrockgroep is. Dat blijkt acht jaar later opnieuw met de release van The Great Reprise, een warmbloedig, ronduit schitterend album en van een intense schoonheid. Dave Wilson is een begenadigd schrijver van magnifieke liedjes, waarin hij melodie aan muzikaliteit paart. Gezegend met een wondermooi stemgeluid, brengt Wilson warmte en een goed gevoel over in fraaie liedjes als 'Put It Back' en 'Running Away'; liedjes bovendien met catchy hooks. Ingetogen begeleid door 12-snarige gitaar, pedal steel en piano imponeert de singer-songwriter Wilson met intieme en melancholieke songs. Ronduit adembenemend zijn dan ook de verstilde hoogtepunten 'Automobile', 'Old Fool In Love' en 'To The Light'. Tien countryliedjes vol van berusting, weemoed en verlangen, The Great Reprise is een authentiek meesterstuk. Klein, bescheiden, maar van een groot gewicht.

Put It Back / Running Away / Leave This World / Say Goodbye / Automobile / Calling / Old Fool In Love / She Makes My Mind / Time It Takes To Die / To The Light

dinsdag 8 januari 2013

Sixteen Horsepower | Sackcloth 'N' Ashes


Gedreven door een pure aanbidding voor God en opgejaagd door de duivel; het is een mijnenveld waarin David Eugene Edwards zich begeeft. Het is daarom des te genialer dat Edwards met zijn Sixteen Horsepower die loodzware last weet om te zetten in een zinderend, striemend amalgaam van punk, country, blues en Appalachen-folk. Edwards, geboren uit half Schotse en half Cherokee ouders, groeit op bij zijn grootouders; zijn opa is een door Colorado en Texas rondtrekkende predikant – en daarvan krijgt de jonge Edwards een klap van de molenwiek mee. Hel, verdoemenis en oudtestamentisch onheil is dan ook de lyrische basis voor de band die Edwards begin jaren negentig in Denver, Colorado opricht met timmerman-drummer Jean-Yves Tola en staande bassist Kevin Soll. Zelf speelt David Eugene Edwards gitaar, banjo, lap steel en bandoneon, een Argentijnse trekzak. Zijn songs komen tot hem als in een koortsdroom – en dertien daarvan worden vastgelegd in de fameuze Ardent Studios in Memphis, Tennessee en komen onder de titel Sackcloth 'N' Ashes in het voorjaar van 1996 op de markt.
Hier is een betoverende, bezeten redenaar aan het woord die op weg is om zielen te winnen, die op reis is door een landschap van schuld, boete en loutering. I go round o Lord / I go round heet het in 'Scrawled In Sap', O praise Jesus I got her in in 'American Wheeze', meesterlijk opgepompt door Edwards' zuigende en trekkende bandoneon, en het wanhopige O Lord where is the fear in me in het door banjo aangejaagde 'Heel On The Shovel'. De teksten zijn als declamaties, de muziek is furieus – tezamen klinkt het als de niet te torsen last van de nalatenschap van William Faulkner en Jeffrey Lee Pierce: The Sound And The Fury en The Fire Of Love. De krakende stem van voorganger Edwards – geflankeerd door God en de duivel – sleept alles mee in een dwingende cadans, voortjakkerend in 'Ruthie Lingle', dreigend in 'Neck On The New Blade' en van apocalyptische proporties in 'Horse Head' en 'The Strong Man'. Het woords Gods gaat door Edwards' lichaam. Hij weet wat er van komt als je niet gehoorzaamt: vervloeking, een baksteen tegen de achterkant van je hoofd, want zo klinkt het in 'Black Soul Choir': every man a liar. David Eugene Edwards, begeleid door slidegitaar, banjo en trekzak pepert het ons in. Hij is de gehoorzamer van God. De boodschapper op Aarde. En Sixteen Horsepower is zijn vehikel; een rondreizende Medicine Show, een gezelschap van reizende apostelen. En met Sackcloth 'N' Ashes, en ook Low Estate (1997) en Secret South (2000), een exceptionele verrijking van de rockmuziek bovendien.

I Seen What I Saw / Black Soul Choir / Scrawled In Sap / Horse Head / Ruthie Lingle / Harm's Way / Black Bush / Heel On The Shovel / American Wheeze / Red Neck Reel / Prison Shoe Romp / Neck On The New Blade / Strong Man 

woensdag 8 augustus 2012

Motorpsycho | The International Tussler Society

Tien jaar na het debuut The Tussler – Original Motion Picture Soundtrack, de soundtrack van een fictionele spaghetti western, verschijnt in 2004 The Internattional Tussler Society. Een waanzinnig sterke kruising tussen Westcoast-, country- en southern rock, gemaakt door een illuster trio: Charlie Bob Bent, Duellin' Flint Gebhardt en Snakebite Ryan. Zij weten zich gesteund door Barrie 'Space' Hillen op piano en orgel, K.K. Karlsen op pedal steel en de drummers Ringo 'Fire' Karlsen en Chickenshakin' Lolly Hanks Jr. En hoewel het gezelschap onversneden, rammelende, zwalkende americana brengt, verschuilen zich achter de alter ego's de Noren van Motorpsycho. Een verrassende en meesterlijke zet.
Motorpsycho wordt in 1989 opgericht in Trondheim en ontleent, net als bijvoorbeeld Mudhoney, zijn naam aan een Russ Meyer-speelfilm. Aanvankelijk richt Motorpsycho zich op grunge, noiserock, metal en jazz. Hiermee brengen de drie grillige Noren, waaraan toegevoegd noise-specialist Deathprod, hun publiek danig in verwarring. Het maakt ze overigens ook tot de culthelden van de indierock en bezorgt ze een stevige following in Nederland. Vanaf Let Them Eat Cake (2000) zet Motorpsycho, dan weer een trio met Bent Saether, Hans Magnus Ryan en Gebhardt Haakon, de volgers opnieuw op het verkeerde been door strijkers, Westcoast en southern rock in hun indiesound te incorporeren. Het levert vervolgens met Phanerothyme (2001) en It's A Love Cult (2002) nog meer prachtige albums op – en leidt uiteindelijk tot de Cosmic American Music van The International Tussler Society. Hierop draagt Motorpsycho aanwijsbaar zijn liefde uit voor seventies bands als The Byrds, Crosby, Stills & Nash, Quicksilver Messenger Service, The Grateful Dead, New Riders Of The Purple Sage, The Outlaws en The Allman Brothers. 'That Ol' White Line' is dan ook pure, onversneden C,S&N; 'Laila Lou' herinnert sterk aan de country van The Byrds; 'Shitbox Ford' knipoogt naar de bluegrass van The Nitty Gritty Dirt Band; 'The West Ain't What It Used To Be' en 'The Skies Are Full Of ...Wine' klinken als vintage Allman Brothers Band compleet met hemelse gitaarsolo en de kenmerkende dubbele drums. The Internattional Tussler Society sluit af met het prachtige 'Cassie (Call On Me)' dat is opgedragen aan Cassie Gaines, de achtergrondzangeres van Lynyrd Skynyrd die bij de vliegramp in 1977 omkwam.
Motorpsycho verrast velen met dit verbluffende staaltje neo-countryrock uit onverwachte hoek, dat niet alleen ouderwetse genres eer betoont maar ook nog eens van niet geringe kwaliteit is. The Internattional Tussler Society is in 2004 vooralsnog Motorpsycho's laatste rootsplaat; met een enorme toewijding en productiviteit storten de Noren zich weer op jazz, metal en indierock.

Highway Zen / That Ol' White Line / The West Ain't What It Used To Be / September / Satan's Favorite Son / Laila Lou / Back In Your Bed / When We Were One / Shitbox Ford / Morning Rain / The Skies Are Full Of ...Wine? / Cassie (Call On Me)