Posts tonen met het label neo-garage. Alle posts tonen
Posts tonen met het label neo-garage. Alle posts tonen

zondag 17 december 2017

The Vipers | Outta The Nest!

Outta The Nest! is een plaat om smoorverliefd op te worden. Een plaat die overbekende elementen bevat, maar met nét die vervreemdende twist. Rock, garage, psychedelica, maar dan wel met een tintelend popgevoel: The Vipers. Het openingsnummer, ‘Nothing’s From Today’, is ook te vinden op Battle Of The Garage Vol.II, deel 2 van een legendarische serie neo-psychedelica uitgebracht op het Voxx-label. Maar hier, als onderdeel van een langspeler, klinkt het nieuw, nooit gehoord. Echo, Rickenbackers, fuzz. Alleen al de klank van Outta The Nest! is klassieke garage. Zwaar leunend op de sound van The Yardbirds, The Electric Prunes en The Chocolate Watchband, maar ook overduidelijk beïnvloed door The Beatles en knipogend naar The Monkees. Pakkende composities, uiterst competent uitgevoerd en versierd met sitars, klavecimbel en agressieve fuzz-gitaren. Outta The Nest! is een wild feest.
The Vipers worden in 1981 opgericht door Jon Weiss die afkomstig is uit The Fleshtones. Het New Yorkse muzikale landschap in die tijd wordt onder anderen gevormd door Patti Smith, Television en Suicide. Zij zijn beïnvloed door punk, garage en psychedelica. Dit is de vruchtbare grond waarin het zaad van The Vipers kan kiemen. Door veel op te treden in lokale hangout The Dive onstaat een totaal eigen sound en groeit hun hun repertoire uit tot een mix van originals en covers zoals ‘Why Do I Cry?’ van The Remains en ‘Medication’ van The Standells. Na de debuutsingle ‘Never Alone’ nemen The Vipers in de zomer van ’84 hun debuutelpee op in de Sear Sound-studio, thuishaven van sixtieslegende Lothar And The Hand People. 
Outta The Nest! wordt direct herkend als een klassiek sixties garage/psych album, alleen is de plaat twintig jaar later opgenomen. Vertrekpunt is 1967, het scharniermoment tussen garagerock en Sgt. Pepper. The Vipers mengen beide fenomenen tot een adembenemende cocktail. Het jeugdige elan spat van het vinyl en bovendien klinkt de plaat als een klok. Galm, echo, reverb, The Vipers passen het op de enige juiste manier toe; alsof de plaat in een diepe, zompige kelder is opgenomen. Uitstekende, pakkende composities die klokken binnen drieëneenhalve minuut – een enkele iets langer. ‘Borrowed Time’, ‘Cheated And Lied’, ‘Dark As My Day’; binnen het pop/psych genre is het tot op de dag van vandaag zelden beter gedaan. Samen met uitgekiende covers als het al eerder genoemde ‘Medication’ behoren de nummers op deze lp tot de essentie van garage en psychedelica.
Maar zoals zo vaak komen er na de euforie ook mindere tijden. De band raakt ontregeld door de dood van hun manager en wordt slachtoffer van mismanagement. Ze maken singles, toeren door Europa en nemen een tweede lp op, getiteld How About Somemore? een waardige opvolger van Outta The Nest!, maar meer ook niet. De beatleboots en skinny ties zijn vervangen door leren vestjes en blote armen, de pagekapsels door golvende manen. De muziek is meer opgepompt; meer rock dan garage. En net als die andere legendarische neo-garageband, The Chesterfield Kings, lopen The Vipers in de val van de jaren negentig metal. De powerpop psychedelica is in rook opgelost, de magie verdampt. Er resten een handvol singles en twee lp’s, een goede en een briljante. De briljante bezit de zeldzame klasse die te vergelijken valt met de vermaarde Nuggets dubbel-lp (of de cd-box): voor Outta The Nest! geldt onverkort wat er in de liner notes op de lp-hoes vermeld staat: ‘classic album number one’. 

Nothing’s From Today / Now I Remember / Cheated And Lied / Dark As My Day / Tellin’ Those Lies / Medication / Surprise, Surprise / Tears (Only Dry) / Ain’t Nothin’ Like Her / Borrowed Time / Not To Be In Love / We’re Outta’ Here!

Eerder gepubliceerd in Platenblad.

zondag 17 september 2017

The Stems | At First Sight... Violets Are Blue

Eind 2007 verschijnt Head Up, het tweede album van The Stems. Merkwaardig, omdat de eerste plaat van The Stems van twintig jaar eerder dateert en dat de bezetting van de band exact dezelfde is. In 1987, als het debuutalbum At First Sight… Violets Are Blue verschijnt, bestaan The Stems al drie jaar, gedurende welke tijd het kwartet uit Perth, Australië een aantal fenomenale singles uitbrengt. Begin 1985 maken Dom Mariani (zang, leadgitaar), Richard Lane (zang, toetsen, gitaar), Julian Matthews (bas, zang) en Gary Chambers (drums) de oversteek van West Australië naar Oost Australië. Hét garagerocklabel Citadel Records neemt The Stems op in hun stal en releasen kort na elkaar de fantastische singles ‘Make You Mine’ en ‘Tears Me In Two’. Het zijn perfecte neo-garagerocksongs die de sixtiessfeer ademen van bands als The Yardbirds, The Standells, The Electric Prunes en The Monkees. 
De zinderende, over het gehele continent verspreide liveshows bevestigen de reputatie van The Stems als een opwindende rock-‘n-rollband. De band vestigt zich definitief in Sydney en maakt de EP ‘Love Will Grow’ met Radio Birdman-zanger Rob Younger als producer, die de band een meer poppy en modernere sound geeft. Landelijke tournees in 1986 met The Hoodoo Gurus en de Amerikaanse Flamin’ Groovies leveren The Stems veel erkenning op, maar Citadel-baas John Needham is te druk met Died Pretty om The Stems voldoende aandacht te geven. Met nieuwe drummer Dave Shaw – Chambers gaat aardappelen telen – tekenen The Stems een contract bij EMI-sublabel White Label Records. Met producer Rob Younger en sessiemuzikant Steve Harris op Wurlitzer-piano nemen The Stems dan hun debuut-lp op in de Planet Studios in thuishaven Perth. 
At First Sight… Violets Are Blue laat horen dat The Stems het primitieve geluid van de begintijd ontstegen zijn. Toegevoegd is een duidelijke powerpop-invloed van bands als Raspberries en The Plimsouls. Het geluid is diverser, kleurrijker, maar de spirit van de garagerock is nog volop aanwezig, zoals in de melodieuze rockers als ‘For Always’ en ‘Mr Misery’, niet toevallig vroege bandcomposities. ‘Can’t Forget That Girl’ speelt wel erg nadrukkelijk leentjebuur bij The Monkees’ ‘Day Dream Believer’, maar dat maakt het aanstekelijke liedje niet minder goed. ‘At First Sight’, ‘Sad Girl’, ‘Running Around’ en ‘Move Me’ zijn voorzien van orgeltjes, riffende gitaren en een heerlijke bubblegumbeat. Maar het zijn bovenal uitstekende liedjes met doordachte structuren. Wat in extreme mate geldt voor het prijsnummer van het album: ‘You Can’t Turn The Clock Back’, met zijn overvloed aan ruimtelijke gitaren, bongobeat en het prachtige jazzy coda. At First Sight… Violets Are Blue is een klassiek powerpopalbum, met een vette knipoog naar zowel de jaren zeventig powerpop als naar de garagerock van de midden jaren zestig. Met At First Sight… Violets Are Blue verbinden The Stems beide werelden op voorbeeldige wijze. Het album ontvangt dan ook goede kritieken en is een prima opstap naar een tournee door Europa. Maar daar komt het niet van; om mysterieuze redenen houdt The Stems al eind 1987 op te bestaan. De nieuwe start – twintig jaar later – biedt wat dat betreft nieuwe perspectieven.

At First Sight / Sad Girl / Rosebud / Man With The Golden Heart / Running Around / For Always / You Can’t Turn The Clock Back / Move Me / Mr Misery / Can’t Forget That Girl / Never Be Friends / The Otherside


Gepubliceerd in Platenblad 230, sept/okt 2017

zondag 23 maart 2014

The Cynics | Blue Train Station

Gregg Kostelich is een enorme fan van sixties garagepunk en dus ligt het voor de hand dat hij zijn eigen garagerockband opricht. Dat gebeurt in 1983 in Pitsburgh, Pennsylvania en die band heet The Cynics. Eerst is het veelal oefenen in Kostelichs kelder, maar als The Cynics in 1985 een bezetting hebben naar de zin van diens oprichter ontwikkelen ze zich tot een opzwepende liveband, die het Midwesten bestookt met lawaaiige psych-punk. Na een aantal heerlijk primitieve singles en verschijningen op interessante neo-garageverzamelaars nemen gitarist Kostelich, drummer Bill Von Hagen, bassist Steve Magee, Farfissa-speler Beki Smith en zanger met de woeste schreeuw Michael Kastelic hun debuutplaat op in een zaaltje in de Aircraft Studios. In korte tijd en nagenoeg live kwakken The Cynics een serie rauw-rammelende songs op de band, waarvan er twaalf terechtkomen op Blue Train Station. Tussen de covers van The Remains, The Litter en meer obscure bands als The Sparkles, de Australische Sunsets en de Ierse Wheels, bevinden zich acht Kastelic/Kostelich-composities en samen vormen ze een samenhangend, rammelend geheel. In de stompende eigen composities – alle acht goed – klinken The Cynics energiek, fel en gruizig als grind. Striemende gitaren, een bonkende bongobeat, een zeikerig orgeltje en Kostelichs doordenderende fuzzgitaar zijn het fundament voor de oerbrul van Kastelic en diens kermende mondharmonica, dit alles tezamen komend in de uitputtende afsluiter, het stampende, kolkende 'Roadblock'. Blue Train Station is de eerste van een trits klassieke neo-garageplaten die ervoor zorgen dat The Cynics in Europa een fikse populariteit verwerven en ook in 1991 live voor de VPRO-radio optreden. Echt goede albums zoals Blue Train Staion en Rock 'N' Roll uit 1989 maakt de band dan niet meer.

Blue Train Staion / On The Run / Waste Of Time / No Friend Of Mine / Soul Searchin' / Love Me Then Go Away / No Way / Hold Me Right / Why You Left Me / I Can't Get Away From You / I Want Love / Road Block

zondag 19 januari 2014

The Kliek | Behind Bars

The Kliek zijn de aartsvaders van de neo-nederbeat. In Amsterdam in slechts kleine kring – de kliek in De Stip – gevierd; internationaal is The Kliek een gerespecteerde band in de neo-garagebeatscene. Ontstaan uit The Other Side, Just Colours en The Stoneage Romeos maken The Kliek vanaf 1987 singles, ep's en cassettes en toeren door Europa in het voetspoor van The Fuzztones en The Headless Horsemen. Als The Kliek in Weesp bij producer Frans Hagenaars hun debuut-lp gaat opnemen bestaat de band uit de oorspronkelijke leden Robert Müter (zang) en Marcel Kruup (gitaar), en de The Exist-ritmesectie Gert Veltink (bas) en Zjenja Guberman (drums). Behind Bars heeft in tegenstelling tot de wilde live-optredens een beheerste sound gebaseerd op Westcoast folkrock, Britse rhythm & blues en nederbeat. Niettemin een geweldige combinatie, die zich uit in covers van onder meer Gene Clark, The Searchers en The Golden Earrings – en Müters folkrockliedjes 'I Never Told You' en 'Quiet Side Of The Bay', en de Veltink-compositie 'None Of Your Business', een opwindend hoogtepunt van Behind Bars. Er volgt nog een aantal jaren van toeren, een studioplaat en een live-plaat, maar dan is de koek op. Behind Bars is de neo-nederbeatklassieker, op de hoes aangeprezen door niemand minder dan Ray Davies: 'They had so much power and enthousiasm.' En een grote liefde voor de sixties van de nederbeat, folkrock en rhythm & blues.

Going Too Far / I'm Gonna Get That Girl / Quiet Side Of The Bay / I Wonder / None Of Your Business / Pushover / Boston / Now I Have / I Never Told You / Today I'm Gay / You're The Only World I Know / I'm Never Coming Back / Leave My House  

woensdag 6 november 2013

The Thanes | Thanes Of Cawdor

Voor zanger/gitarist Lenny Helsing en toetsenist/gitarist Bruce Lyall begint de adoratie voor de sixties garagebeat pas echt als zij in 1983 vinylverzamelaar Alan McLean ontmoeten. Hij voegt zich als bassist bij Helsings en Lyalls band: The Green Telescope, een retrosixtiesbandje uit Edinburgh, Schotland. De zoektocht naar een drummer is niet eenvoudig, maar op de in 1985 opgenomen debuut-ep 'Two By Two' – inmiddels een veelgezocht item – is de bezetting compleet en klinkt er een hechte beatgroep. In september 1986 verandert The Green Telescope zijn naam in Thanes Of Cawdor, vijf maanden later in The Thanes – met nieuwe drummer Calvin Burt. In deze bezetting nemen The Thanes in juli en augustus van 1987 in Chamber Studio in Edingburgh hun debuutlangspeler op: Thanes Of Cawdor. Net als vele andere neo-sixtiesbands zijn The Thanes zwaar beïnvloed door de nederbeat van The Outsiders, maar het zijn andere Nederlandse bands die The Thanes coveren op hun plaat. Naast 'Some Kinda Fun', een weirde cover van popidool Chris Montez, een cover van The Allusions' 'Where Have All The Good Times Gone' en een gierende uitvoering van The Beaux Jens' 'She Was Mine, zijn er verrassende, naïef-primitief klinkende covers van 'Cold As Ice', een obscuur b-kantje van Peter And The Blizzards, en 'Kicks And Chicks' van The Zipps. Maar ook authentiek en rauwe klinkende originals van The Thanes als 'Keep You Out', 'Buzz Buzz Yeh Yeh' en het broeierige 'You'll Be Blue' – met knarsend en piepend Farfissa-orgeltje – zijn ijzersterke beatsongs. Dit alles tezamen maakt van Thanes Of Cawdor een van de allerbeste Britse neo-garageplaten van de jaren tachtig – en van The Thanes een onovertroffen beatband.

Keep You Out / Kicks And Chicks / You'll Be Blue / Won't You C'mon Girl / Days Go Slowly By / When I Love You / She Was Mine / Girls / Buzz Buzz Yeh Yeh / Cold As Ice / Where have All The Good Times Gone / Before I Go / All Gone Now / Some Kinda Fun




dinsdag 6 augustus 2013

Watermelon Men | Past, Present And Future

Ook in Zweden grijpt het garagerockvirus begin jaren tachtig om zich heen. De Zweden hebben de muzikale ontwikkelingen in Amerika met een scherp oog in de gaten gehouden. En als de garagerock en de algehele herwaardering voor psychedelica en Westcoast-folkrock naar Europa overwaait, raken groepen als The Nomads, The Wayward Souls en Watermelon Men als eerste met het virus besmet. Zonder het overigens van elkaar te weten. Zanger Erik Iles en de gitaristen Imre von Polgár en Johan Lundberg richten in Uppsala in 1982 de Watermelon Men op. Het mag nog geen naam hebben, want het trio oefent niet echt op nummers, maar plugt de gitaren in en ramt er dan een paar uur op los. Verrast door het bestaan van The Nomads – via de single ‘Psycho’ – leggen de Watermelon Men zich ook toe op garagerockers als ‘I Ain’t No Miracle Worker’ en ‘I’m A Man’. Met de toevoeging van Hans Sacklén (bas) en Erik Westin (drums) en een orgel aan de groepssound zijn de Watermelon Men een meer dan volwaardige rockband geworden. Het handelsmerk van de Watermelon Men zijn de rinkelende elektrische gitaren, zoemende twaalfsnarige Rickenbackers en meerstemmige harmoniezang. De EP Four Stories By The Watermelon Men uit 1985 is de voorbode van de debuut-lp, die ook in Engeland wordt uitgebracht. Gek genoeg hebben de Watermelon Men dan in hun hele bestaan niet meer dan acht keer opgetreden. Dat doet niets af aan de kwaliteit van Past, Present And Future, dat is volgeladen met melodieuze retrorockers, en waarop de Rickenbacker de boventoon voert. Het jengelende spel van de gitaristen Von Polgár en Lundberg stuwt garagepopsongs als ‘Seven Years’, ‘Pretty Days In The Summertime’ en ‘Tell That Girl’ op tot grote hoogten. De cello en violen voorzien het melancholieke ‘Hungarian Heart’ van een grootse grandeur, terwijl ‘Autumn Girl’ een scherpe observatie is van de bubblegumpop van The Monkees en ‘You Should Be Mine’ een fraaie Standells-pastiche. De ingezette lijn van knisperende gitaarpop – met zoete herinneringen aan Love, The Byrds en vooral The Flamin’ Groovies – zet zich door in ‘Back In My Dreams’ en vindt zijn hoogtepunt in ‘New Hope For The Lonely’, met dank aan Iles’ reutelende Farfisa-orgel. Past, Present And Future is een uitstekende garagepop-plaat, maar behalve een zeer bescheiden succes in Engeland blijven de Watermelon Men, ook na een tweede album, onopgemerkt. Ze laten echter wel een prachtige erfenis met een relativerende titel achter: Past, Present And Future.

Seven Years / Pretty Days In The Summertime / Tell That Girl / Hungarian Heart / New Hope For The Lonely / You Should Be Mine / Lonesome Time / Autumn Girl / Back In My Dreams / There She Goes / Nowhere Train / Still I’m Dressed In Blue 

zondag 23 juni 2013

The Not Quite | The Not Quite

Al in 1977 is de eerste versie van The Not Quite actief in Enfield, Connecticut. Alleen bassist en songschrijver Rob Mckenzie is nog over van de originele bezetting als The Not Quite begin 1984 zijn definitieve vorm krijgt met zanger/gitarist Joe Guidone, leadgitarist Morrie McCarthy en drummer Tom Donelly. Naast de optredens in het live-circuit van Connecticutt zijn de eerste tekens van leven demo-uitvoeringen van 'Paint Me In A Corner' op de legendarische Garage Sale-verzamelaarcassette en 'Wars Or Hands Of Time' op de Glitterhouse-verzamelaar Declaration Of Fuzz. Ondertussen werkt de band, aangevuld met toetsenist en technicus Mike Zappulla, in de eigen kelderstudio aan het materiaal voor de debuut-lp, dat in de Nickel Studio's in Hartford wordt vastgelegd. In 1986 komt dat album uit: op het Nederlandse Resonance-label. Het zelfgetitelde album is gevuld met sixtiespunk en fuzzende gitaren, zo blijkt uit de openingssongs 'Let Her Go' en 'Get Lost Girl'. Dan is er een superieure versie van The Masters Apprentices' 'Wars Or Hands Of Time' en prachtige Byrdsy folkrock met galmende 12-snarige Rickenbacker in 'I Don't Know How To Tell You'. Niet alleen zijn er nog albumhoogtepunten in 'Paint Me In A Corner' en het sublieme 'Just Like Us', The Not Quite is, althans bij de eerste 1.000 stuks, vergezeld van een exclusieve single, wat The Not Quite tot een begerenswaardige neo-garage-collector maakt. De band vergaat het na de release van het debuut niet bijzonder goed; een vervolgalbum wordt afgekeurd en postuum verschijnt in 1990 en tweede langspeler. Op Voxx, dat wel.

Let Her Go / Get Lost Girl / Wars Or Hands Of Time / I Don't Know How To Tell You / Get Away / Mushroom People / You're Gonna Need Me / Just Like Us / Heaven Sent / Fickle Wind / Paint Me In A Corner

zondag 21 april 2013

The Sick Rose | Faces


Ook Italië heeft in de jaren tachtig zijn garagescene. Vanuit Pavia creëert Claudio Sorge met zijn Electric Eye-label een scene naar het Amerikaanse voorbeeld waar jonge beatgroepen de garagepunk van de sixties herontdekken. De grootste troef van Electric Eye is The Sick Rose, een neo-garageband uit Turijn, in 1983 opgericht door zanger Re Luca en gitarist Diego Mese en vernoemd naar een gedicht van William Blake. Zij dragen bij aan de verzamelaars Eighties Colours, Declaration Of Fuzz en Battle Of The Garages Vol. IV en debuteren met de fantastische single 'Get Along Girl!'. Die wordt eind '86 opgevolgd door Faces, een rammelend, gruizig garagepunkalbum. Over de strakke beat van bassist Mauizio Campfisi en drummer Dante Garimanno legt Rinaldo Doro een dreinende laag Farfisa, waarover Diego Meso dreunende fuzzgitaren en jengelende tremolo drapeert. Vol venijn – en zichzelf begeleidend met maraccas – spuugt Luca Re zijn primitieve teksten met Italiaanse dikke tong in de microfoon; The Sick Rose is pure eurotrash. Eén cover – van de Amerikaanse Outsiders – bevindt zich tussen de elf bandcomposities, die wringen, swingen en hypermelodieus zijn: 'Searching For', 'Nothing To Say', 'Everybody Wants To Know', 'About You' en de fantastische catchy garagepunker 'It's A Mystery'. Faces is de beste Italiaanse gragerockplaat ooit gemaakt en behoort de canon van de Europese neo-garagerock. Een obscure klassieker dus.

Searching For / It's A Mystery / Nothing To Say / Night Comes Falling Down / I Don't Care (She Doesn't Care) / I'm Not Trying To Hurt You / Everybody Wants To Know / You've Got My Mind / About You / Black Or White / Can You Find Me A Place / What You Are (Bad Girl!)

vrijdag 19 april 2013

The Last Drive | Underworld Shakedown


De sirtaki doen ze niet, maar wel vuige surfinstrumentals. Geen mandolines en balalaika’s, maar wel Voxx- en Rickenbackergitaren. Een minimale drumkit en tonnen echo. The Last Drive, een garageband uit Athene, Griekenland. Onwaarschijnlijk maar waar. Op de golven van het hoogtij van Amerikaanse neo-psychedelische beatbands die Europa overvallen, ontstaat er iets moois in die garage in Athene. The Last Drive wordt in 1983 opgericht door Alex K., zang en ripper bass, Nick “Pop Mind”, fuzztone gitaar en feedback, en drummer Chris B.I. Aanvankelijk is The Last Drive een coverband die rockabilly en psychobilly door de mangel haalt. Maar als George, slide en fuzztone mess, overkomt van Burnin’ Skulls stapt The Last Drive definitief over naar de garagepunk van The Sonics en The Cramps. Na intensief toeren door het garagegekke Griekenland en het releasen van de single ‘Midnight Hop’, tekent The Last Drive in 1986 voor het zojuist opgerichte neo-garagelabel Hitch-Hyke Records. Gelijk duikt de band de studio in en produceert zelf de debuut-lp Underworld Shakedown. De lp – gestoken in een kanariegele punky hoes – trapt af met de scheurende instrumental ‘Me ’N My Wings’. De gitaren van Nick en George gaan gelijk in de overdrive en zullen daar de hele lp op blijven staan. Underworld Shakedown is een fuzzende en galmende rockplaat waarop surfinstrumentals afgewisseld worden met treffend gekozen covers en melodieuze – maar wel in feedback gedrenkte – eigen composities als ‘Valley Of Death’ en ‘Every Night’. ‘Repulsion’, met zijn rondzingende- en zagende gitaren, brengt Underwold Shakedown naar een zinderend eind. De plaat wordt bij de garagisten uitstekend ontvangen, hetgeen in een tournee door West Europa resulteert – en ook in een optreden in de Amsterdamse Stip. The Last Drive vindt vervolgens een plekje op Greg Shaws verzamelaar Battle Of The Garages Vol.IV en maakt nog de opvolgers Heatwave en Blood Nirvana. Maar al in 1990 is het heilige vuur gedoofd, al houdt The Last Drive het nog vol tot 1995.

Me ’N My Wings / Valley Of Death / Poison / Misirlou / This Fire Inside / Blue Moon / Sidewalk Stroll / The Shade Of Fever / Every Night / The Night Of The Phantom / Repulsion

donderdag 4 april 2013

Mozes and The Firstborn | Mozes and The Firstborn


Vier jongens uit Eindhoven, Melle (zang, gitaar), Ernst-Jan (gitaar), Corto (bas) en Raven (drums), hebben een heel leuk bandje. Begin 2011 brengen ze een eerste ep uit, 'I Got Skills', waarna optredens volgen met Alabama Shakes en op Jack White's afterparty in de HMH. De voorbereidingen voor het debuutalbum treffen Mozes and The Firstborn met producer en ex-Urban Dance Squad-drummer Michel Schoots en onder een contract met nederhop-label Top Notch zetten de vier hun krabbel. De weg ligt open voor Mozes and The Firstborn, dat al onder de aandacht kwam van jong en hip Nederland vanwege de ouderwetse debuut-ep. Maar is 'I Got Skills' een alleraardigst novelty-hitje dat de jongens bij De Wereld Draait Door brengt, het debuutalbum is in zijn totaliteit compleet andere koek, want gruizig, dirty en pure echoput-rock-'n'-roll. Mozes and The Firstborn is een ronduit geweldige plaat die sixtiespop, oude rhythm & blues en rauwe garagerock weer onder de mensen brengt. Ergens tussen de garagepop van The Allah-Las, de luidruchtige indie-blues van Cold War Kids en de psychedelica van The 13th Floor Elevators bevindt zich de opwindende sound van Mozes en diens eerstgeborene. 'Bloodsucker', 'Seasons' en 'Gimme Some' blinken uit door een bonkige garagebeat, 'Skinny Girl' is een fijn folkrockliedje, 'What's Wrong Momma een acidrock-ballad en 'Peter Jr.' en het fantastische 'Party Crasher' hebben inderdaad een hoog 13th Floor Elevators-gehalte. Als de branieschoppers zelf beweren dat ze (nu al) de beste band van Nederland zijn, dan zitten ze werkelijk waar niet ver van de waarheid af. Mozes and The Firstborn: fantastisch debuut en toekomstige neder-klassieker.

Bloodsucker / Peter Jr. / What's Wrong Momma / I Got Skills / Seasongs / Time's A Headache / Skinny Girl / Heaven / Gimme Some / Down With The Band / Party Crasher

woensdag 3 april 2013

The Beasts Of Bourbon | The Axeman’s Jazz


Vuig, vuig, vuig. Rockabilly, gruizige rhythm and blues en emmers psychedelica. The Beasts Of Bourbon waren een zootje ongeregeld, een kwintet vagebonden afkomstig uit verschillende contreien van het Australische continent. Vijf muzikanten bijeengeraapt door Gregory ‘Tex’ Perkins en op een hete oktobermiddag in 1983 neergekwakt in de Paradise Studios te Sydney. Gestart als een grap door Tex Perkins – bandleider, doch zelf de minste bekende van het illustere gezelschap – maakte de band, bestaande uit drummer en Hoodoo Guru James Baker, gitarist Spencer Jones van The Johnnys en bassist Boris Sudjovic en gitarist Kim Salmon van Stooges-adepten The Scientists, bij wijze van grap het Australische pubcircuit onveilig. Hoewel de ambitie niet veel verder reikte dan loltrappen, zuipen en rock-‘n-roll spelen, kregen The Beasts Of Bourbon het terechte predikaat supergroep opgeplakt. En dat terwijl de bandleden zichzelf als één grote grap beschouwden, getuige de nogal ironische bandnaam: The Beasts Of Bourbon, een verbastering van The Rolling Stones’ ‘Beast Of Burden’. De vijf rockers in hart en nieren, aangevuurd door de putdiepe gromstem van Perkins, produceerden live een unieke ruige rommelpot van wat rock-‘n-roll en gore garagerock spannend en bedreigend maakt. De volgende stap lag dan ook in de uitdaging om die smerige live-sound in de studio te reproduceren en op vinyl vast te leggen. En dus verzamelde Tex Perkins zijn broeders in het kwaad om zich heen om met producer Tony Cohen een middagje te keten in de studio. Het werd een hete, zweterige en dorstige middag, met het verbluffende The Axeman’s Jazz als tastbaar resultaat.
De live-sound is op een perfecte wijze nagebootst: het galmende en echoënde klankbeeld lijkt tot stand te zijn gekomen in een vochtige grafkelder; de ritmesectie is overdadig ingesmeerd met motorolie en klinkt vooral greasy. En bovenop deze bonkende bastonen, elementair beukende drums en knallende bekkens klinken de schurende en hakkende slaggitaren van Kim Salmon en Spencer Jones die elkaar bovendien naar de kroon steken met psychedelische en opgerekte gitaarlicks. De cockrock van The Beasts Of Bourbon wordt dan nog vervolmaakt door de dwingende en zelfzekerde voordracht van gorgelaar Tex Perkins.
Perkins is niet overal de agressieve dwingeland; in Leon Payne’s ‘Psycho’ is hij eerder de naïeveling die zich er niet van bewust lijkt te zijn dat hij iedereen om zich heen uitmoordt: You think I’m psycho, don’t you mama? Zijn moeder is echter hetzelfde lot beschoren: O mama, why don’t you get up? En dan nemen de jengelende en gierende gitaren het nummer mee naar het eind. In ‘Evil Ruby’ kan Old Dan geen keuze maken tussen zijn liefje en een trein, waarop Evil Ruby Dans bloed laat vloeien. En ook hier raggen en rammelen de gitaren in een dans met de dood. The Beasts Of Bourbon is een ingemeen rockcombo; The Beasts Of Bourbon zijn bad news. Dood, verderf en rottende lijken –Take these coffins from my home, heet het in John Fogerty’s ‘Grave Yard Train’ – is het decor waarbinnen zich de smerige rock-‘n-roll van het gezelschap afspeelt. ‘Drop Out’, ‘Lonesome Bones’ en vooral ‘The Day Marty Robbins Died’ rammelen en bonken zoals het hoort. Try it more twangy, Spence, vraagt Tex Perkins aan Spencer Jones, waarop de drumkit van James ‘Bambam’ Baker spontaan rammelt als Spence de lage snaren aanslaat en ‘The Day Marty Robbins Died’ loos gaat, waarop gescheiden paarden en huilende varkens ten tonele gevoerd worden op de dag dat Marty Robbins stierf. Het furieuze slotstuk, ‘Ten Wheels For Jesus’, handelt over de evangeliseringsdrang van een vrachtwagenchauffeur. In een aan Johnny Cash verwante stijl – en voorzien van een woest galopperend ritme – knetteren de twangende gitaren, schreeuwt Perkins de longen uit zijn lijf en declameert dat hij toch echt Jezus nodig heeft, want A man cannot live on beer alone. Het is de grande finale van een vitaal, vuig en verschrikkelijk strak rock-‘n-roll-album.
The Beasts Of Bourbon hebben werkelijk iets groots gepresteerd met deze uiterst boeiende mengeling van ruige country, blues en garagerock. En dat voor een hobbyclubje dat alleen maar lol wil trappen. Dertig jaar rock-‘n-roll – Hank Williams, Johnny Cash, The Rolling Stones, The Birthday Party en The Cramps – gecomprimeerd op een zwarte schijf vinyl: The Axeman’s Jazz, ruim veertig minuten boete en schuld.

Psycho / Evil Ruby / Love & Death / Grave Yard Train / Good Times / Drop Out / Save Me A Place / Lonesome Bones / The Day Marty Robbins Died / Ten Wheels For Jesus

vrijdag 22 maart 2013

The Creeps | Enjoy The Creeps


Almhult is een afgelegen stadje in de bossen van Zuid-Zweden. In het begin van de jaren tachtig herbergt het een modband en een garagepunkgroep: The Pow en The Creeps. The Pow wordt geleid door Hans Ingemannson, The Creeps door zijn jeugdvriend Robert Jelinek. Een van een tape opgenomen track van The Creeps verschijnt in 1985 op de neo-garageverzamelaar A Real Cool Time, maar een jaar eerder zijn The Creeps al ter ruste gelegd. De bassist en drummer moeten hun dienstplicht vervullen, waarna de overgebleven Jelinek begin 1984 gitarist van The Pow wordt, terwijl Ingemannson op zijn beurt orgel gaat spelen in een door Jelinek nieuw opgezette Creeps. Maar twee bands is teveel van het goede voor het duo en dus gaat The Creeps in winterslaap. The Pow daarentegen gaat op tournee door Duitsland, wordt aanmerkelijk ruiger door Jelineks garagerock-inbreng en diens rauwe stemgeluid, en neemt een passender naam aan: The Backdoor Men. Via het Tracks On Wax-label verschijnt in juni 1985 de fenomenale single ‘Out Of My Mind’, gevolgd door vele optredens in Duitsland waar de band populair is, en de geweldige folkrocksingle ‘Going Her Own Way’ op het Duitse FAB Records. Gestimuleerd door het succes van The Backdoor Men brengt Robert Jelinek de oorspronkelijke Creeps, met bassist Anders Johansson en drummer Patrick Olsson, weer tot leven. 
Als The Creeps een contract tekenen met Tracks On Wax richt Jelinek zich geheel op zijn eigen band en heffen The Backdoor Men zichzelf op wegens gebrek aan een zanger. Backdoor Men-gitarist Hans Ingemannson stapt over naar The Creeps en wordt daar bespeler van een Farfisa-orgel. In deze viermansbezetting nemen The Creeps in kleine lokale studio’s Jelineks composities op, met als resultaat Enjoy The Creeps. Twaalf opwindende, rauwe rhythm & blues-nummers in de stijl van Them en The Pretty Things, met in de hoofdrollen Ingemannsons gierende orgeltje, Jelineks fuzzende gitaar en bluesy stem. Naast dampende covers van ‘Maintaining My Cool’ en ‘I’m A Rolling Stone’, beide van The Sonics, klinken Robert Jelineks opwindende, soulvolle liedjes als klassiekers uit de beatgeschiedenis. De rhythm & blues-ballads ‘Darling’ en ‘Come Back, Baby’ laten een radeloze, maar meesterlijk zingende Jelinek horen, terwijl een stompende beat, overstuurde gitaren en het gemeen knerpende orgeltje ‘The Creep’, ‘She’s Gone’ en ‘Ain’t No Square’ naar grote hoogten stuwen. Maar niet zo hoog als ‘Down At The Nightclub’, klinkend als Them met een furieuze Van Morrison, en zondermeer een van de beste songs van de het neo-garage tijdperk. Enjoy The Creeps wordt in Zweden uitgebracht in een oplage van 2.000 stuks en bij FAB Records in Duitsland in een oplage van 1.750, waardoor de plaat al snel uitverkocht raakt. Maar daar staat niemand bij stil als The Creeps tekenen bij major WEA, bij wie het zeer matige Now Dig This! verschijnt. The Creeps worden echter een totale aanfluiting als ze op Blue Tomato een soort van partyfunk spelen. Het is in niets vergelijkbaar met Enjoy The Creeps, een ware neo-garage klassieker.

Down At The Nightclub / Ain’t No Square / Come Back, Baby / Rattlesnake Shake / City Of People / Just What I Need / The Creep / Darling / Hi, Hi, Pretty Girl / Maintaining My Cool / I’m Rolling Stone / She’s Gone 

zondag 10 maart 2013

Gringo Star | All Y'all


Al vanaf het intro van 'All Y'all' – het liedje – had ik de onbedwingbare neiging de debuutplaat van Gringo Star tot mijn plaat van het jaar te bestempelen. Wat een geweldige zomerhit is deze soulvolle garagerock-knaller toch; gezongen met de neusverkouden stem van Ray Davies en met een klinkende gitaarrriff à la The Kinks in 1965. Dit zijn jonge gassies uit Altanta, Georgia, die met een toch niet zo lullige naam – iemand, las ik ergens, vond Gringo Star een melige bandnaam – in 2010 een ijzersterk rock-'n-roll-debuut afleveren. All Y'all zweet rock-'n-roll uit al zijn poriën – twangende gitaren, akoestische gitaren, elektrische gitaren ondergedompeld in echo en reverb, een krakend orgeltje, dat allemaal. En meer nog: de superieur rammelende en uiterst doeltreffende liedjes herinneren aan uiteenlopende acts als Marah, Reigning Sound, Redwalls en vanzelfsprekend The Kinks. De vier knapen, de broertjes Furgivele en hun vrienden Matt en Pete – houden het niveau van opener All Y'all echter niet helemaal vol. Er zijn een paar flauwiteiten waar ik niet zo gecharmeerd van ben, maar voor krakers als 'Ask Me Why', 'All Day Long', 'I Will Not Follow', 'Take A Walk' en de slepende spaghetti-twang van 'Transmission' kan Gringo Star me midden in de nacht waker maken. Liefhebbers van dampende pop-'n-roll gaan subiet voor de bijl.

All Y'all / Ask Me Why / Come On Now / Transmission / All Day Long / Holding On To Hate / Your Eve Of Expression / March Of The Gringo / Take A Walk / Don't Go / I Will Not Follow / Black Night

maandag 4 maart 2013

The Barracudas | Mean Time


Weliswaar gestart als punkband in de herfst van 1977 switchen The Barracudas – dwars tegen alle trends in – rond 1979 naar surf en modpop. Met ‘Summer Fun’ halen ze zelfs in Engeland de hitlijsten, maar na de debuut-lp verleggen The Barracudas opnieuw hun bakens: sixties-rock, psychedelica en Westcoast-folkrock zijn de nieuwe ingrediënten van hun opwindende rock-‘n-roll-recept. Het roer gaat om, waardoor de min of meer definitieve bezetting van deze Londense rockband in 1982 bestaat uit oprichter Robin Wills (gitaar, zang), Jeremy Gluck (zang), Terry Smith (drums), de Australiër Jim Dickson (bas, zang) en de Amerikaanse zanger-gitarist – en afkomstig van The Flamin’ Groovies – Chris Wilson. Het is een nieuw begin voor The Barracudas, want gedropt door EMI. Vandaar dat The Barracudas uitgebreid gaan toeren door Zweden, Spanje en Frankrijk, dat een beduidend gunstiger garagerock-klimaat kent dan Engeland. Voor het Franse Closer-label – specialist in neo-garage – nemen The Barracudas eind 1982 hun tweede lp in Engeland op. Mede door de komst van Chris Wilson leunt de garagebeat-sound van The Barracudas op Mean Time sterk op die van The Flamin’ Groovies. Dit betekent een adoptie van retrostijlen als merseybeat, garagerock en Westcoast-folkrock, hetgeen het nadrukkelijkst naar voren komt in de sound van de 12-snarige Rickenbacker-gitaar. Het Barracudas-geluid rinkelt en rockt, maar is wel gevat in drieminutenplus-rocksongs met catchy refreinen. ‘Grammar Of Misery’ is als opener van Mean Time gelijk al typerend voor de jengelende sound van The Barracudas, wat nog eens dunnetjes overgedaan wordt in het aanstekelijke ‘Bad News’. De cover ‘I Ain’t No Miracle Worker’ – geschreven door de dames Nancy Mantz en Annette Tucker – is in feite een solidariteitsverklaring aan de garagerock van de sixties. Hierop borduren The Barracudas in hun eigen composities – waarvoor de tandem Gluck/Wills voornamelijk verantwoordelijk is – voort, wat parelende beatsongs oplevert als ‘Shades Of Today’, ‘Hear My Calling’ en het Barracudas-anthem ‘Dead Skin’. De rauwe rock met klassieke melodieën van Mean Time levert slechts een marginale belangstelling op voor The Barracudas. Het thuisland reageert lauw, zo lauw dat de band jarenlang geen live-optredens doet in Engeland. In Frankrijk is de band het populairst, waardoor het Franse label Closer ook de opnamen van de opvolger Endeavour To Persevere financiert. Het haalt weinig uit; eind 1984 gooien de bandleden het bijltje erbij neer. The Barracudas laten twee cultplaten na; Endeavour To Persevere en Mean Time – mooie platen, bomvol energieke garagerock-‘n-roll.

Grammar Of Misery / Bad News / I Ain’t No Miracle Worker / Be MY Friend Again / Shades Of Today / Dead Skin / Middle Class Blues / Yo’ve Come A Long Way / Ballad Of A Liar / When I’m Gone / Eleventh Hour / Hear Me Calling  

maandag 7 januari 2013

Claw Boys Claw | Shocking Shades Of Claw Boys Claw


Vijfhonderd gulden. Vijfhonderd gulden kostten de opnamen van een van de wellicht beste Nederlandse rockplaten ooit. Na het winnen van een talentenjacht in een Amsterdamse discotheek mag Claw Boys Claw een singletje opnemen. Leuk. Maar in één middag, of eigenlijk in drie uren, neemt de band voor dat geld twaalf nummers op in de studio van Stichting Popmuziek. Die opnamen verschijnen zonder overdubs – gewoon het ruwe product – in het voorjaar van 1984 als Shocking Shades Of Claw Boys Claw; als de debuutplaat van trash-rockers Claw Boys Claw. De plaat slaat een diepe krater in het dan vlakke Nederlandse muzieklandschap en komt bovendien van een geoliede, vette rock-’n-rollmachine die dan krap aan een jaar bestaat. Oprichter Allard Jolles en bassiste Bobbie Rossini komen uit de punkgroep The Suspenders, gitarist John Cameron uit Odorex. De groep noemt zich dan Combala, maar na de toetreding van Peter te Bos – docent aan de Rietveld Academie en toegerust met een enorme muil – wordt het kwartet omgedoopt tot Claw Boys Claw. Claw Boys Claw is de punk voorbij en heeft de blik strak gericht op de garagerock van The Gun Club en The Cramps en de sixtiespunk van The Stooges. Aangevoerd door podiumgek Te Bos, die zijn ervaring in een mannenkoor meebrengt, en het gerafelde en rammelende gitaarspel van Cameron, staat Claw Boys Claw garant voor zinderende optredens in rokerige hoofdstedelijke zaaltjes. Die sfeer, die rauwe sfeer, is volop aanwezig op Shocking Shades Of Claw Boys Claw. De plaat is dan ook een opwindende mengelmoes van trash-, garage-, acid- en glamrock. In twaalf geweldig vuige rocksongs speelt Claw Boys Claw zich gelijk in de eredivisie van de Nederlandse rock en doet dat met respect voor de vaderlandse rockgeschiedenis. Hiervan getuigen de swampy cover van Shocking Blue’s ‘Venus’ en de gitaarriff uit Brainbox’ ‘Down Man’ in ‘Hippy On The Highway’. Het basspel van Bobbie is vanzelfsprekend sexy as hell en de drums van Jolles zijn immer in gestrekte draf, toch draait het op Shocking Shades Of Claw Boys Claw vooral om de opengesperde scheur van oom Peter en het rauschende gitaarspel van neefje John. Cameron is zeer effectief is in zijn primitivisme, zoals te beluisteren valt op smoezelige rockers als ‘Understanding Her’ en ‘Phantom Shark’, evenals de hortende en stotende rifferama op ‘Cars’ en de T.Rex-gitaar in ‘Shake It On The Rocks’. Shocking Shades Of Claw Boys Claw rammelt werkelijk aan alle kanten, en die puurheid en urgentie maken het debuut van Claw Boys Claw inderdaad tot een van de beste platen ooit in Nederland gemaakt.

Business / Venus / Melrose / Hippy On The Highway / Wanking Fun / Cars / Camargue / Understanding Her / Shake It On The Rocks / You Gotta Go / Feed Me To The Lions / Phantom Shark

zaterdag 3 november 2012

The Allah-Las | The Allah-Las


In het alternatieve circuit zijn The Allah-Las een behoorlijke hype. En terecht, want de vier jongens uit Los Angeles – die elkaar ontmoetten in LA's vinylparadijs Amoeba Music, mooier kan het niet – pakken het retro-sixtiesgenre bij de kladden, gooien het omver en geven het een fris nieuw verfje. Geïnspireerd door een groep als Beachwood Sparks met hun psychedelische, zongebleekte Westcoastpop, graven de vier Allah-Las nog dieper en komen niet alleen uit bij de geestverruimende folkrock van The Byrds en Love, maar ook bij de psychedelische garagepunk van The Chocolate Watchband, The Seeds en The 13th Floor Elevators. Het knappe is echter dat het kwartet een lome, zonnige sfeer afwisselt met een in reverb en fuzz gedrenkte keldersound, maar dat altijd verpakt in parelende, glinsterende popliedjes. In een heldere en tegelijk zompige productie van Nick Waterhouse klinken schitterende liedjes als Catamaran, Busmans Holiday, Tell Me (What's On Your Mind) en Catalina sprankelend, vitaal en tintelfris. Het enige smetje op deze fantastische debuutplaat is dat twee instrumentals net even too much is, maar de sfeer van vier hippies in een Volkswagenbusje op weg van de woestijn naar de Californische stranden vergoedt alles: deze plaat is een heerlijke, puur overtuigende trip naar de Westcoast in de sixties.

Catamaran / Don't You Forget It / Busmans Holiday / Sacred Sands / No Voodoo / Sandy / Ela Navega / Tell Me (What's On Your Mind) / Catalina / Vis-A-Vis / Seven Point Five / Long Journey     

zaterdag 27 oktober 2012

The Cheepskates | Run Better Run


Kort en hevig is de jaren tachtig-opleving van de garagerock. En dat is ook het lot van het leeuwendeel van die energieke garagepunkbandjes: een kort bestaan van een paar singles, wat optredens en misschien een lp. Ook The Cheepskates zijn snel weer van het podium verdwenen; opgericht in New York ergens in 1982, is het kwartet, bestaande uit Shane Faubert (zang, orgel), David John Herrera (gitaar), Tony Low (bas) en Van Keith (drums) een paar jaar later alweer in het niets opgelost. In The Cheepskates kent de neo-garagerock een van zijn meest primitieve, simpele, lullige exponenten. Goedkoop ook, dat zich niet alleen uit in de bandnaam, want simpel instrumentarium met bas, drums, elektrische gitaar, Farfissa-orgeltje en eenvoudige, doch zeer opwindende liedjes. In zo'n veertien uur leggen The Cheepskates de muziek van hun debuutplaat vast, een week of wat later gevolgd door de vocalen. Het samengeplakte geheel komt in het voorjaar van 1984 uit op het New Yorkse gragagelabel Midnight Records. Op Run Better Run regeren surfpop, twang en garagepunk; domineren tikkende drums, priegelende gitaarsolootjes, het zeikerige Augie Meyers-orgeltje en onvaste, maar charmante koortjes. Rammelende fuzzpopliedjes als 'Run Better Run', 'Read Your Mind', 'That's When I Say Goodbye' en 'Take It Easy' zijn geniaal in hun catchy simplisme evenals de glimlach opwekkende tranentrekker 'Why Is Love'. Binnen het genre – maar ook daarbuiten – hebben The Cheepskates een unieke sound; weinigen klinken zo schijnbaar amateuristisch, zo lullig in combinatie met superaanstekelijke, vrolijkmakende liedjes als deze New Yorkse garageband.

Run Better Run / Read Your Mind / That's When I Say Goodbye / Gone For Good / Shadow Of Loneliness / Big Bad / You Can't Change / Drive In Movie / Xtra Collestrial / Take It Easy / I'd Give All I Got / Far Far Away / Why Is Love 

donderdag 20 september 2012

Reigning Sound | Break Up... Break Down


Voor de heersende muzikale begrippen in het nieuwe millennium heeft Reigning Sound een tamelijk unieke sound. Vanuit de basis van de sixties garagerock laat het kwartet uit Memphis, Tennessee zich op hun debuutplaat vrijelijk beïnvloeden door country, folk en soul. Die basis van rammelende garagerock wordt gelegd door zanger/gitarist Greg Cartwright, een ervaren rot in het metier. Begin jaren negentig richt Cartwright namelijk The Compulsive Gamblers op, in de zomer van 1993 gevolgd door de oprichting van het garagepunktrio The Oblivians. Na een grote reputatie opgebouwd te hebben in het internationale undergroundcircuit – The Oblivians zijn een legende – ontbindt Greg Cartwright de band in 1998 en gaat hij weer vrolijk door met The Compulsive Gamblers. Intussen heeft Cartwright in Memphis samen met zijn vrouw zijn eigen platenwinkel geopend, Legba Records, die moet dienen om in slappe tijden te kunnen overleven. Maar in 2001 stort hij zich met Alex Greene (orgel), Jeremy Scott (bas) en Greg Robertson (drums) op een nieuw muzikaal project: Reigning Sound. In de voor Cartwright vertrouwde Easley Studio neemt het kwartet zijn debuut op dat in mei 2001 uitgebracht wordt in een hoes met daarop de vier gestoken in lullige, ouderwetse college-kostuums. De retrosfeer op Break Up… Break Down komt verder nadrukkelijk tot uiting in de ouderwetse rockliedjes die vet knipogen naar de countrysoul van Memphis-beroemdheden Dan Penn en Spooner Oldham, zij het gedrenkt in echo en aangescherpt door Cartwrights vervormde gitaar-reverb. Hoewel de rommelige garagerocksound wordt gehandhaafd, klinkt Reigning Sound op ‘Since When’, ‘You Don’t Hear The Music’ en ‘Want You’ subtiel en soulvol, terwijl ‘As Long’ vanwege de pedal steel pure countryrock is. Het dreinerige orgeltje in ‘I Don’t Care’ en ‘Take A Ride’ roept associaties op met Green On Red, ‘So Sad’ kent een melodielijn die sterk aan de country van Gram Parsons doet denken, terwijl Cartwrights zang op ‘I’m So Thankful’ herinneringen oproept aan Jeffrey Lee Pierce. Maar het hoogtepunt van Break Up… Break Down is het slepende en van priemende gitaarsolo’s voorziene ‘Goodbye’, in alles een Reigning Sound-song. Deze sound bouwt Greg Cartwright verder uit op Time Bomb High School (2002), Too Much Guitar! (2004) en Love And Curses (2009), al wordt het geluid rauwer en luider. Het grote talent van Greg Cartwright wordt in 2007 nog eens bevestigd als hij producer, gitarist en songschrijver is voor het comebackalbum van Mary Weiss van The Shangri-Las.

Since When / I Don’t Care / You Don’t Hear The Music / Goodbye / As Long / Want You / So Goes Love / Take A Ride / Waiting For The Day / So Sad / I’m So Thankful

zondag 9 september 2012

The Prisoners | The Wisermiserdemelza

De Medway is een zijarm van de Theems en naamgever van een muzikale stroming. The Medway Scene ontstaat aan het eind van de jaren zeventig en is meer mod- en garagerock gericht dan punk. Billy Childish en zijn Milkshakes moeten beschouwd worden als de aartsvaders van de scene, maar als zo vaak zijn het de jongere neefjes die met de interessantste muziek voor de dag komen: The Prisoners dus. Opgericht in 1980 door vier schoffies die bij elkaar op school zitten, komen The Prisoners pas goed op gang als Graham Day zijn songschrijverskwaliteiten ontdekt en – nog belangrijker – als schoolgenoot Jamie Taylor toetreedt. In 1982 bestaan The Prisoners dan uit zanger-gitarist Graham Day, toetsenwonder Jamie Taylor, bassist Alan Crockford en drumbeest Johnny Symons. Net als The Milkshakes spelen The Prisoners primitieve rhythm & blues en garagepunk, maar door de komst van Taylor krijgt de monochrome stijl veelkleurige facetten. Psychedelica doet zijn intrede. Na het zelfgefinancierde debuut A Taste Of Pink en een serie optredens in de legendarische Hope & Anchor, krijgen The Prisoners een contract aangeboden bij het in jaren zestig garagerock gespecialiseerde Big Beat. De platenbazen voorzien een probleem om op juiste wijze het rauwe keldergeluid van The Prisoners vast te leggen. Om dit te tackelen schuift Big Beat ex-Radiator (en later Pogues-lid) Philip Chevron naar voren. Chevron en The Prisoners krijgen een week om in de Londense ICC-studio een album op te nemen. The Prisoners stáán erop hun materiaal in één take, live dus, op te nemen. Het lukt Chevron niet de band te overtuigen om overdubs te gebruiken, vooral Graham Day verzet zich tegen het afzonderlijk opnemen van zijn stem: ‘I told him to fuck off.’ Hoe dan ook, The Prisoners blijven een bijzonder opwindende band – zeker op The Wisermiserdemelza. De pure garagepunk blijkt ingeruild voor een meer psychedelische sound – à la The Small Faces. Organist Jamie Taylor excelleert in nummers als ‘Hurricane’ en ‘Far Away’ met zijn soulvolle Hammond-spel, terwijl zijn hamerende piano het schitterende ‘Tonight’ opzweept. Graham Day heeft, naast een geweldige strot, een gave hand van schrijven; dynamische stompers als ‘Somewhere’ en ‘Here Come The Misunderstood’ blazen het dak er bijna af – mede door het enthousiaste gehak van drummer Symons. Ook als The Prisoners het tempo drukken ontstaat er iets moois, zoals in ‘The Dream Is Gone’ en in ‘Think Of Me’. Maar hoe goed The Wisermiserdemelza ook is en hoe goed de in Star Treck-tunieken gehulde Prisoners live ook zijn, Engeland is niet rijp voor neo-psychedelica van eigen bodem. The Prisoners profiteren enigszins als een paar jaar later de Amerikaanse gitaargolf Europa overspoelt, maar gemakkelijk is het niet. Zelfs niet met naamswisselingen als The Primemovers en The Solarflares. Misschien was The Wisermiserdemelza een goede naam geweest; een uitstekende plaat is het in ieder geval wél.

Go Go / Hurricane / Somewhere / Think Of Me / Love Me Lies / Tonight / Here Come The Misunderstood / The Dream Is Gone / For Now And Forever / Unbeliever / Far Away / Go Go (Reprise)

zondag 5 augustus 2012

The Pandoras | Stop Pretending

Feministisch en feminien, grofgebekt en luidruchtig, maar ook charmant, sexy en op het podium slechts gekleed in een bikini: Paula Pierce. Vanaf eind jaren zeventig is Paula Pierce gitarist in Los Angeles-bands als The Rage, Direct Hits en Action Now, maar in 1983 richt de 23-jarige Pierce haar eigen band op: The Pandoras. Aangestoken door het garagerock-virus is Pierce de compromisloze psychedelische punkrocker die met maniakale stem en haar vintage Vox-gitaar de concertzalen van Hollywood en Sunset Boulevard in vuur en vlam zet. Aan haar zijde heeft zij een trio vervaarlijke en uitdagende meiden: Gwynne Kelly (orgel), Casey Gomez (drums) en Debby Mendy (bas) en later Bambi Conway. De ruige sound, gebaseerd op The Shadows Of Knight, The Chocolate Watchband en The Standells, trekt al snel de aandacht van eerst het Moxy-label en later garagepunk-supremo Greg Shaw. Voor de eerste nemen The Pandoras hun debuutsingle op; voor de tweede hun ultraruige debuutplaat It’s About Time. Maar dan ontstaat er onenigheid over de muzikale richting waardoor de despotische Pierce de overige drie uit The Pandoras flikkert. De resterende drie willen doorgaan als The Pandoras, maar Paula Pierce brengt doodleuk met haar nieuwe Pandoras in 1985 de geweldige Voxx-single ‘Hot Generation’ uit. Met de 17-jarige Melanie Vammen (orgel), Karen Blankfeld (drums) en later Kim Shattuck (bas) gaan The Pandoras uitgebreid toeren en verschijnen ze op de lokale tv. Voor Rhino Records nemen ze dan voor $ 3.500 hun tweede lp op. Producer Bill Inglot reist met de band door Los Angeles om elke keer in een niet-bezette en dus goedkope studio op te nemen. Niettemin is Stop Pretending een zeer consistente rockplaat; een monster van een rockplaat. Stop Pretending is een feest van fuzz, Farfisa en Vox-gitaren; twaalf rammeiende rockers, door het viertal gebracht met tomeloze energie en bijbehorend primitivisme. De elf Pierce-composities zijn bijna alle voorzien van klassieke garagepunkriffs, zoals de kunstig van The Kinks geleende gitaarrif in het prachtige ‘In And Out Of My Life (In A Day)’, ‘You’re All Talk’ met de staccato-Outsiders-gitaarriff en garagerock-nuggets als ‘You Don’t Satisfy’ en ‘The Way It’s Gonna Be’ ‘That’s Your Way Out’ van het vorige album wordt nog even dunnetjes – maar wel scheurend en fel – overgedaan, terwijl The Pandoras in het heerlijk jengelende Byrdsy ‘Stop Pretending’ even de gaspedaal loslaten. Het vervolmaakt de klassieke neo-garageplaat die Stop Pretending is. Muzikale meningsverschillen blazen opnieuw The Pandoras op; Vammen en Shattuck gaan verder met The Muffs, Paula Pierce richt wederom een nieuwe Pandoras op. Maar The Pandoras zijn geen lang leven beschoren, want op 10 augustus 1991 overlijdt de 31-jarige Paula Pierce zeer plotseling aan de gevolgen van een aneurysma.

In And Out Of My Life (In A Day) / I Didn’t Cry / Anyone But You / You’re All Talk / That’s Your Way Out / You Don’t Satisfy / Let’s Do Right / I’m Your Girl / The Way It’s Gonna Be / Stop Pretending / Ain’t Got No Soul / It Felt Alright