Posts tonen met het label sixties UK. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sixties UK. Alle posts tonen

vrijdag 23 februari 2018

Cartoone | Cartoone

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen Led Zeppelin en het totaal onbekende Cartoone. Beide bands kwamen namelijk onder contract bij het Amerikaanse Atlantic, dat in 1968 naarstig op zoek was naar Brits muzikaal talent; er wordt beweerd dat ze zelfs op dezelfde dag hun contract tekenden. Hun beider debuutalbums verschenen in januari 1969. En op beide platen speelt Jimmy Page mee. 
Cartoone komt voort uit The Chevlons, een beatgroep uit Glasgow. In 1968 verruilen ze Schotland voor Londen, en via zangeres Lulu komen Derek Creigan (zang, bas), Mike Allison (gitaar, zang), Mo Trowers (gitaar, zang) en Charlie Coffils (drums, zang) aan een contract bij het fameuze Atlantic voor twee albums. De opnamen vinden eind ’68 plaats in Londen, met als ‘Guest Artist’ Jimmy Page. Het gelijknamige album kent in liedjes als ‘Knick Knack Man’ en ‘Ice Cream Dreams’ - met fraaie samenzang - gave voorbeelden van Britse eind jaren zestig poppsychedelica. ‘A Penny for the Sun’ is de tweede single, vanzelfsprekend poppy, maar ook bijna easy listening. ‘Withering Wood’ is een heerlijk dromerige folkballad versierd met orkestrale arrangementen, en ‘I’ll Stay’ en het sterke ‘Let Me Reassure You’ laten de rockkant van Cartoone zien.
Cartoone wordt in januari 1969 wereldwijd uitgebracht en in april van dat jaar gaat de band naar Amerika om het voorprogramma van Led Zeppelin te verzorgen. Als Cartoone net uit Amerika teruggekeerd is, komt het bericht dat het voor Atlantic allemaal niet meer hoeft en dat dat tweede album er ook niet meer komt. Hier houden de vergelijkingen met Cartoone’s labelgenoten op: terwijl Led Zeppelin op wereldroem afstevent, is Cartoone gecrasht.

‘Knick Knack Man’ | ‘Withering Wood’ | ‘The Sadness of Toby Jugg’ | ‘A Penny for the Sun’ | ‘I’ll Stay’ | ‘Girl of Yesterday’ | ‘I Can’t Walk Back’ | ‘Let Me Reassure You’ | ‘Mr. Poor Man’ | ‘Ice Cream Dreams’ | ‘Doing What Mamma Said’ | ‘See Me’

maandag 19 augustus 2013

Honeybus | Story

Voor altijd herinnerd vanwege de klassieke sixties-hit 'I Can't Let maggie Go', heeft Honeybus de reputatie van een singlesband die een grote hit scoorde. Maar Honeybus maakte ook een album: Story. Na het hitsucces stapt Pete Dello, de voornaamste songschrijver gefrustreerd uit de band en is Honeybus naarstig op zoek naar een volgende hit. Onder de songs die ze uitproberen in de studio bevinden zich geen instant-hits, maar er ontstaat wel voldoende materiaal, afkomstig van Colin Hare en vooral Ray Cane, voor een volwaardige lp – die Honeybus in zo'n twee weken in de Londense Central Sound Studio vastlegt. Maar de hoop op succes verdwijnt als geen label het album aanvankelijk wil uitbrengen en dus volgen de Honeybus-leden in de zomer van 1969 het advies op van hun manager: stoppen. Waarna het prachtige Story in 1970 postuum wordt uitgebracht. Honeybus vermengt op Story zeer vaardig meeslepende harmony-pop, subtiele countryrockritmes en schitterende barokke pop waarin plaatsgemaakt is voor zowel blazers, strijkers als psychedelische gitaren. Elf schitterende popsongs die tegelijk beatlesk zijn en knipogen naar klassieke Westcoast, kunnen helaas niet voorkomen dat Story roemloos ten onder gaat

Story / Black Mourning Band / Scarlet Lady / Fresher Than The Sweetness In Water / He Was Columbus / Ceilings No. 1 / Under The Silent Tree / She's Out There / She Said Yes / I Remember Caroline / How Long / Ceilings No. 2

vrijdag 7 juni 2013

Nirvana | All Of Us

Beslist een van de mooiste singles van de jaren zestig: ‘Rainbow Chaser’. De magnifieke song komt in Nederland echter niet hoger dan de tipparade. Niet zo gek, aangezien de uitvoerende groep – Nirvana – een typisch product is van de hippe Londense scene van Carnaby street, Mary Quant en Twiggy. Nirvana is eigenlijk niet een groep, maar een project. Een groots project, dat wel. Nirvana begon wel als band: in 1966 in Londen opgericht door de Ier Patrick Campbell-Lyons (zang, gitaar) en de Griek George Alex Spyropoulos (toetsen), tuigen zij Nirvana op met een gitarist, bassist, violist en celliste. Island Records, in de personen van Muff Winwood en stafproducer Jimmy Miller, hapt direct toe als Nirvana op de stoep staat. De bandleden worden echter losgeweekt van het duo Campbell-Lyons/Spyropoulos, die dan hun orkestrale arrangementen en muzikale ideeën laten vormgeven door ervaren studiomusici. Hoewel Islands Chris Blackwell in Nirvana de nieuwe Moody Blues of Procol Harum ziet, is Nirvana niet meer dan een baroque-pop kamerorkest – met harp en klavecimbel als de meest in het oor springende instrumenten. Deze sound, aangevuld met Jimmy Millers paukenslagen, is al geheel uitgekristalliseerd op de majestueuze debuutsingle ‘Tiny Goddess’. Vreemd genoeg staat de eerste release van Nirvana op hun tweede lp All Of Us, die in 1968 verschijnt. 
All Of Us is gestoken in een schokkende hoes waarop een beeld te zien is uit een nazi-propagandafilm van Hitlers favoriete filmmaker Leni Riefenstahl. Dit duistere beeld staat in hevig contrast met de kleurrijke muziek die op All Of Us te vinden. De barokke pop, voorzien van multigelaagde zang, een 30-koppige strijkerssectie en verrassende studio-effecten, komt fraai tot zijn recht in kunststukjes als ‘Melanie Blue’, ‘Trapeze’ en ‘Miami Masquerade’. ‘You Can Try It’ valt op vanwege spinet en Bacharach-zang, evenals het voor een speelfilm gecomponeerde ‘The Touchables (All Of Us)’. Top of the bill zijn echter de mini-symfonieën ‘Tiny Goddess’ en de met phasing-effecten versierde klassieker ‘Rainbow Chaser’. Maar de singles worden geen hits, waardoor Island de interesse in Nirvana verliest. Campbell-Lyons en Spyropoulos vinden dan onderdak bij een Amerikaans label dat echter vlak voor het derde album failliet gaat, Nirvana in zijn val meeslepend.

Rainbow Chaser / Tiny Goddess / The Touchables (All Of Us) / Melanie Blue / Trapeze / The Show Must Go On / Girl In The Park / Miami Masquerade / Frankie The Great / You Can Try It / Everybody Loves The Clown / St John’s Wood Affair 

zaterdag 1 juni 2013

Skip Bifferty | Skip Bifferty

Als zanger Graham Bell zich in 1966 bij The Chosen Few in Newcastle voegt, wordt de bandnaam gewijzigd in Skip Bifferty. Tijdens een optreden in Londen wordt de band ontdekt door entrepreneur Don Arden die ze belooft net zo groot te maken als The Rolling Stones. Een aantal singles geeft Skip Bifferty behoorlijke aandacht, helemaal als dj John Peel zich ermee gaat bemoeien. De debuut-lp wordt in een aantal etappes opgenomen en uiteindelijk, gestoken in een sprookjesachtige hoes en met liner notes van Peel, in 1968 gereleased. Ontevreden met de sound laat de band het album terugtrekken en een paar maanden later opvolgen door een geremixte versie. Het komt de verkoop niet ten goede, maar doet niet af aan de psychedelische pracht van het gelijknamige debuutalbum. Gekke stemmetjes, fluitjes, tape-effecten en achterwaartse gitaren verrijken de popsound van Skip Bifferty in avontuurlijke en spannende liedjes als 'Money Man', 'Come Around', 'Jeremy Carabine' en 'Yours For At Least 24', waardoor Skip Bifferty een hoogtepunt is van de Britse psychedelica. Helaas laat een fikse ruzie met manager Arden Skip Bifferty nog in december van datzelfde jaar imploderen.

Money Man / Jeremy Carabine / When She Comes To Stay / Guru / Come Around / Time Track / Gas Board Under Dog / Inside The Secret / Orange Lace / Planting Bad Seeds / Yours For At Least 24 / Follow The Path Of The Stars / Prince Germany The First / Clearway 51 

maandag 25 februari 2013

Joe Cocker | With a Little Help from My Friends


Joe Cockers optreden op Woodstock met zijn versie van 'With A Little Help From My Friends' betekent voor de 25-jarige voormalige gasfitter uit Sheffield een internationale doorbraak. Vooral in de Verenigde Staten is er veel vraag naar de rauwe keelklanken en de spastische bewegingen van de grofbesnaarde Brit. Vijf maanden is Cocker op een slopende tournee door Amerika. Intussen neemt de ex-bouwvakker in Los Angeles zijn tweede lp op, opnieuw hoofdzakelijk een coveralbum, want Cocker is schrijver noch componist, maar wel een subliem vertolker van andermans werk. In maart 1970 probeert Cocker bij te komen van de rollercoaster ride die zijn leven totaal op zijn kop zet, maar hij wordt onder zeer grote druk gezet om weer op tournee te gaan, nu maar liefst negen maanden lang. De tour wordt een gekkenhuis en een legende: Mad Dogs & Englishmen. Met een dertig koppige entourage beleeft Cocker live de successen van zijn eerdere twee albums: 'Feelin' Alright', 'Delta Lady', 'She Came In Through The Bathroom Window' en uiteraard 'With A Little Help From My Friends'. Dat eerste album neemt de dan nog anonieme rhythm & blueszanger in 1968 op met manager en producer Denny Cordell en zijn begeleidingsgroep The Grease Band. Maar Cocker zet hierbij hulptroepen in. 'Feelin' Alright' wordt in Los Angeles opgenomen met The Wrecking Crew, de fameuze groep studiomuzikanten, waaronder bassiste Carol Kaye. Maar ook in de Londense Olympic Studios laten ze zich niet onbetuigd: Jimmy Page (Led Zeppelin), Steve Winwood (Traffic), Mike Kellie (Spooky Tooth), B.J. Wilson (Procol Harum) en Matthew Fisher (Procol Harum) werken mee aan de schitterende songs die With A Little Help From Friends bevolken. Cocker geeft een totaal eigen, verwrongen draai aan klassiekers zoals 'Don't Let Me Be Understood', Dylans 'Just Like A Woman' en 'I Shall Be Released' en uiteraard de Beatles-song die beroemder is dan het origineel: 'With A Little Help From My Friends'. Deze ultieme klassieker bereikt al voor het album uitkomt de eerste plaats in Engeland en komt in Nederland in november '68 tot de tweede plaats in de top 40. Het gelijknamige album, gereleased in mei 1969, wordt mede hierdoor opgestuwd in de vaart der volkoren, al moet gezegd dat de Cocker-composities 'Change In Louise', 'Marjorine' en 'Sandpaper Cadillac' niets onderdoen voor het selecte covermateriaal. With A Little Help From Friends is gelijk al een bijzondere proeve van bekwaamheid van een emotionele zanger die net niet ten onder ging aan het Woodstock-succes, al betaalde de aan alcohol en cocaïne verslaafde Joe Cocker een hoge prijs.

Feelin' Alright / Bye Bye Blackbird / Change In Louise / Marjorine / Just Like A Woman / Do I Still Figure In Your Life? / Don't Let Me Be Misunderstood / With A Little Help From My friends / I Shall Be Released

zaterdag 15 december 2012

Spooky Tooth | Spooky Two


In 2004 verschijnt er van de originele Spooky Tooth nog een dvd met recente live-opnamen – een tribuut aan de net overleden bassist Greg Ridley. De hoogtijdagen van Spooky Tooth zijn dan al 35 jaar voorbij. Hoogtijdagen die hun apotheose bereikten in 1969 – met de release van het tweede album: Spooky Two. Een aantal jaren daarvoor vormen Mike Harrison (zang, toetsen), Luther Grosvenor (gitaar), Greg Ridley (bas) en Mike Kellie (drums) in Carlisle, tegen de Schotse grens, The V.I.P.S. De aanvankelijke bluessound maakt dan plaats voor een meer psychedelisch geluid; The V.I.P.S. worden Art en verhuizen naar London. Na de lp Supernatural Fairy Tales in 1967 verandert het viertal opnieuw zijn naam als de Amerikaanse componist en keyboardvirtuoos Gary Wright zich bij hen voegt. De band – Spooky Tooth – tekent bij Island Records en neemt met Wrights Amerikaanse vriend Jimmy Miller als producer It’s All About op. Soul- en rhythm & blues-invloeden duiken op, maar pas op de tweede Spooky Tooth-plaat vallen deze op hun plaats. In 1969 opgenomen in drie Londense studio’s met Jimmy Miller en engineer Andy Johns is Spooky Tooth een schitterend rockamalgaam, samengesteld uit melodieuze en trage rock, flower power, soul en zelfs gospel. Gary Wrights composities lijken op maat gesneden voor de geweldige rockstem van Mike Harrison, terwijl de zang van de twee in de harmonieën perfect versmelten. De Amerikaanse invloed van Wright op de vier Britten maakt van Spooky Two het ideale huwelijk tussen de pastorale psychedelica van Traffic en de Westcoastrock van Moby Grape.
Het album trapt af met een spannend drum-intro van Mike Kellie, die met zijn log stuwende begeleiding de ideale ruggengraat is – iets wat hij zo’n tien jaar later nog eens zal herhalen bij The Only Ones. De scheurende en massieve Hammond van Gary Wright is in superieure rocksongs als ‘Feelin’ Bad’, ‘Lost In My Dream’ en ‘That Was Only Yesterday’ een stevig fundament onder zijn zang, die van Harrison, incidentele gast Joe Cocker én de gospelzang van Sue Chaloner – van het (latere) Nederlandse duo Spooky & Sue. In het hart – kant 1 afsluitend – bevindt zich de enige cover: het negen minuten klokkende heavy monster ‘Evil Woman’, waarin Grosvenor zijn gitaar laat janken en gillen. Na het bluesy ‘Better By You, Better Than Me’, sluit Spooky Two af met het lyrische hoogtepunt van de plaat: ‘Hangman Hang My Shell On A Tree’. Het vervolmaakt deze Britse rockklassieker, die onterecht wordt overschaduwd door het werk van de grote namen. Al is dat ook te wijten aan de band zelf.
Als ‘That Was Only Yesterday’ ook in Nederland in de top 20 staat, is Greg Ridley al zo’n beetje vertrokken naar Humble Pie. Spooky Tooth valt uiteen al zullen Gary Wright en Mike Harrison in 1972 een doorstart maken – maar niet in de originele bezetting en ook niet op het eenzaam hoge niveau van Spooky Two.

Waitin’ For The Wind / Feelin’ Bad / I’ve Got Enough Heartaches / Evil Woman / Lost In My Dreams / That Was Only Yesterday / Better By You, Better Than Me / Hangman Hang My Shell On A Tree

woensdag 23 mei 2012

Thunderclap Newman | Hollywood Dream

Thunderclap Newman is slechts een terzijde in de geschiedenis van de popmuziek, toch heeft het illustere gezelschap een klassieke pophit geproduceerd, die zelfs tot de mooiste popsongs ooit gerekend mag worden: ‘Something In The Air’. Ook in Nederland wordt het romantische flower-powerliedje een hit; de hoogste notering is, in juni 1969, de 14e plaats in de Top-40. Thunderclap Newman had niet de minste achter zich staan: Pete Townsend. De Who-gitarist bracht zijn chauffeur John ‘Speedy’ Keen, de 16-jarige gitarist Jimmy McCullogh en de bejaard ogende ex-postbode Andy Newman bij elkaar. Het lijkt een grap, temeer daar Who-manager Kit Lambert voorstelt het trio My Favorite Freaks te noemen. Maar als ‘Something In The Air’ een wereldhit wordt, is het trio de grap voorbij.
Thunderclap Newman neemt, opnieuw met Pete Townsend als producer, een volwaardige langspeler op in dezelfde weemoedige en licht-psychedelische sfeer als ‘Something In The Air’. De sound op Hollywood Dream is opgebouwd rond de vaudeville-piano van Newman, de nasale maar melancholieke stem van Speedy Keen en het soms rauwe gitaarspel van wonderkind McCullogh. Het typerende Britse geluid van die tijd – Beatles, Kinks, Small Faces – komt terug in de weemoedige songs, waaronder zich prachtige melodieuze en zonovergoten tracks bevinden als ‘The Reason’ – met een fraaie gitaarclimax – , ‘Open The Door Homer’, ‘The Old Cornmill’ en het schitterende ‘I Don’t Know’. In het slotnummer ‘Hollywood # 2’ keert het thema van het openingsnummer terug, maar dan voorzien van zinderend gitaarspel van Jimmy McCullogh en Newmans honky-tonkpiano; een passend einde van een uitstekende poprockplaat. Hollywood Dream profiteert echter niet van het wereldwijde succes van ‘Something In The Air’, met als gevolg dat Thunderclap Newman zich al in 1970 opheft. Newman verdwijnt van het muzikale toneel, Speedy Keen maakt twee soloplaten en Jimmy McCullogh treedt in 1974 toe tot Paul en Linda McCartneys Wings, maar overlijdt al in 1979, 26 jaar oud.
Hollywood # 1 / The Reason / Open The Door Homer / Look Around / Accidents / Something In The Air / Wild Country / When I Think / The Old Cornmill / I Don’t Know / Hollywood Dream (Instrumental) / Hollywood # 2