Posts tonen met het label Britrock. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Britrock. Alle posts tonen

vrijdag 23 februari 2018

Cartoone | Cartoone

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen Led Zeppelin en het totaal onbekende Cartoone. Beide bands kwamen namelijk onder contract bij het Amerikaanse Atlantic, dat in 1968 naarstig op zoek was naar Brits muzikaal talent; er wordt beweerd dat ze zelfs op dezelfde dag hun contract tekenden. Hun beider debuutalbums verschenen in januari 1969. En op beide platen speelt Jimmy Page mee. 
Cartoone komt voort uit The Chevlons, een beatgroep uit Glasgow. In 1968 verruilen ze Schotland voor Londen, en via zangeres Lulu komen Derek Creigan (zang, bas), Mike Allison (gitaar, zang), Mo Trowers (gitaar, zang) en Charlie Coffils (drums, zang) aan een contract bij het fameuze Atlantic voor twee albums. De opnamen vinden eind ’68 plaats in Londen, met als ‘Guest Artist’ Jimmy Page. Het gelijknamige album kent in liedjes als ‘Knick Knack Man’ en ‘Ice Cream Dreams’ - met fraaie samenzang - gave voorbeelden van Britse eind jaren zestig poppsychedelica. ‘A Penny for the Sun’ is de tweede single, vanzelfsprekend poppy, maar ook bijna easy listening. ‘Withering Wood’ is een heerlijk dromerige folkballad versierd met orkestrale arrangementen, en ‘I’ll Stay’ en het sterke ‘Let Me Reassure You’ laten de rockkant van Cartoone zien.
Cartoone wordt in januari 1969 wereldwijd uitgebracht en in april van dat jaar gaat de band naar Amerika om het voorprogramma van Led Zeppelin te verzorgen. Als Cartoone net uit Amerika teruggekeerd is, komt het bericht dat het voor Atlantic allemaal niet meer hoeft en dat dat tweede album er ook niet meer komt. Hier houden de vergelijkingen met Cartoone’s labelgenoten op: terwijl Led Zeppelin op wereldroem afstevent, is Cartoone gecrasht.

‘Knick Knack Man’ | ‘Withering Wood’ | ‘The Sadness of Toby Jugg’ | ‘A Penny for the Sun’ | ‘I’ll Stay’ | ‘Girl of Yesterday’ | ‘I Can’t Walk Back’ | ‘Let Me Reassure You’ | ‘Mr. Poor Man’ | ‘Ice Cream Dreams’ | ‘Doing What Mamma Said’ | ‘See Me’

zaterdag 30 december 2017

Ten Years After | Recorded Live

‘Und Jetzt, in die Festhalle in Frankfurt: Ten Years After!’ Zo begint Recorded Live, de live-dubbelaar van Alvin Lee’s heavy bluesrockband. Ten Years After bereikte een ongekende populariteit na een zinderende uitvoering van ‘I’m Going Home’ op Woodstock.  Op dat succes bouwt de band voort met eindeloze tournee’s over de hele wereld. Na een aantal sterke lp’s is na Undead uit 1969 de tijd in 1973 opnieuw rijp voor een live-album, dat met de Rolling Stones’ mobiele opname-truck niet alleen is opgenomen in Frankfurt, maar ook in Amsterdam, Rotterdam en Parijs. Het resulteert in een rauwe, levendige en opwindende dubbelelpee, waarop de elektrische blues, uitbundige drumsolo’s en razendsnelle gitaarsolo’s volop gevierd worden. Dat levert in ‘One Of These Days’, ‘You Give Me Loving’ en in de covers ‘Help Me’ (Willie Dixon) en ‘I Can’t Keep From Cryin’ Sometimes’ (Al Kooper) in ieder geval superieur stomende bluesrocksongs op, om natuurlijk niet te spreken van de icoon die ‘I’m Going Home’ is. Machtige dubbelaar.

One Of These Days / You Give Me Loving / Good Morning Little School Girl / Hobbit / Help Me / Classical Thing / Scat Thing / I Can’t Keep From Cryin’ Sometimes / Silly Thing / Slow Blues in ‘C’  / I’m Going Home / Choo Choo Mama

maandag 30 oktober 2017

Kevin Ayers-John Cale-Eno-Nico | June 1, 1974

De aanleiding voor het eenmalige, gezamenlijke concert in het Londense Rainbow Theatre op 1 juni 1974 van Kevin Ayers, John Cale, Eno en Nico is de release van Kevin Ayers’ The Confessions of Dr Dream and Other Stories in mei van dat jaar. Dr Dream is na drie eerdere soloalbums Kevin Ayers’ debuut voor Island Records; een nieuwe start en met een nieuwe begeleidingsband, The Soporifics. Om dat te vieren wordt het Rainbow-concert georganiseerd, waarbij Ayers zowel oude vrienden als nieuwe labelgenoten uitnodigt. Cale, Eno en Nico staan alledrie onder contract bij Island. Brian Eno, in 1973 uit Roxy Music gestapt, debuteert in januari 1974 met Here Come the Warm Jets, maar speelt ook mee op John Cale’s Island-debuut Fear, dat in oktober ’74 zal verschijnen. Cale op zijn beurt, produceert op dat moment The End… van chanteuse Nico. Zij zat samen met Cale in The Velvet Underground en is ook debutante bij Chris Blackwells Island Records. Het is tezamen een mooi stel dat op 1 juni 1974 optreedt in de Rainbow, temeer daar Ayers oude vrienden als Robert Wyatt (drums), Mike Oldfield (gitaar) en John ‘Rabbit’ Bundrick (toetsen) erbij betrekt en ook zijn nieuwe band The Soporifics lanceert, met daarin Ollie Halsall (gitaar), Archie Leggat (bas) en Eddie Sparrow (drums).
Het optreden in de Rainbow verloopt gefaseerd: performers en artiesten treden aan in verschillende bezettingen, en ook geïsoleerd van elkaar. De vraag is of allen daadwerkelijk bevriend zijn, of dat labelbaas Blackwell ze uit commerciële overwegingen bij elkaar gezet heeft; het gerucht gaat dat Kevin Ayers aan de vooravond van het concert John Cale’s vrouw geneukt heeft.
Brian Eno trapt in ieder geval af met het angstaanjagende, door synthesizers opgejaagde ‘Driving Me Backwards’, gevolgd door het rockende ‘Baby’s On Fire’ - dat best in ’74 een hit had kunnen worden, maar het niet werd. Vervolgens is het de beurt aan de gedrogeerde John Cale, die er zich nogal gemakkelijk vanaf maakt met een cover van Elvis Presleys ‘Heartbreak Hotel’ - al is zijn deprimerende versie ervan, ja echt, onovertroffen. Het wordt echter nog deprimerender als Nico plaatsneemt achter haar harmonium - en Eno haar begeleidt met in mineur getoonzette synthesizerbliepjes - voor haar uitvoering van Jim Morrisons ‘The End’.
Tot zover Cale, Eno en Nico. Kant 2 is volledig ingeruimd voor Kevin Ayers en zijn band. Ayers biedt in vergelijking met de duistere songs van Eno, John Cale en Nico een soort van lichtheid van het bestaan met zijn nogal romantische songs, gedragen door elektrische gitaar, rollend orgel en Ayers koffiebruine, door Gauloises-aangejaagde stemgeluid. ‘May I?’ is al voortreffelijk, wat wordt bekrachtigd door ‘Shouting in A Bucket Blues’, het bluesy ‘Everybody’s Sometime and Some People’s All the Time Blues’ - met een solo van Mike Oldfield - en de onheilszwangere afsluiter ‘Two Goes Into Four’. 
Al op 28 juni 1974 wordt het concert van 1 juni uitgebracht. Razendsnel dus. June 1, 1974 is daarmee een bijzonder document en biedt ook een mooi zicht op de embryonale solocarrières van Brian Eno en John Cale: hun piek ligt in latere jaren. Kevin Ayers bracht dit tezamen, reden waarom June 1, 1974 in juni 1974 een ronduit iconische liveplaat is, al ziet bijna niemand dat. Het is echter wel zo. 

‘Driving Me Backwards’ | ‘Baby’s On Fire’ | ‘Heartbreak Hotel’ | ‘The End’ | ‘May I?’ | ‘Shouting in A Bucket Blues’ | ‘Stranger in Blue Suede Shoes’ | ‘Everybody’s Sometime and Some People’s All the Time Blues’ | ‘Two Goes Into Four’

Gepubliceerd in Platenblad #231



zaterdag 3 juni 2017

The Beatles | Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band

Meerdere malen hebben The Beatles het aangezicht van de popmuziek veranderd. Het verschijnen van ‘Love Me Do’ is zo’n moment, evenals de verkennende psychedelische momenten van Revolver. Maar het meest grandioos en majesteitelijk is de muzikale aardverschuiving die Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band in 1967 veroorzaakt. Drie maanden na het verschijnen van Revolver in augustus ’66, komen The Beatles weer bij elkaar in de Abbey Road-studio. Het zal de meest intense studioperiode van The Beatles worden. Nieuwe ervaringen en bewustzijnsveranderde ontmoetingen hebben hun invloed op de bandleden: George Harrison is onder invloed gekomen van Maharashi Mahesh Yogi; John Lennon heeft Yoko Ono ontmoet; terwijl Ringo Starr daarentegen gewoon op zijn boerderij in Sussex verbleef. Paul McCartney komt naar Abbey Road met het idee voor een vermomming, een gedaantewisseling. Sgt. Pepper is dat nieuwe alter-ego waarmee The Beatles los zouden kunnen komen van hun imago. En los komen The Beatles. De Abbey Road-studio is gedurende het bivak van The Beatles constant mistig vanwege de onmatige consumptie van marihuana, terwijl John Lennon via Brian Epstein beschikt over puur vloeibare LSD. Een half jaar lang bivakkeren The Beatles en vaste producer George Martin en vaste technicus Geoff Emerick in Abbey Road – en nemen 700 uur aan muziek op. De techniek laat op dat moment niet meer dan vier sporen toe, en dus wordt alles dubbel opgenomen, worden de sporen gesplitst en weer samengevoegd, hetgeen een totaal nieuwe studiotechniek oplevert. George Martin maakt het technisch mogelijk dat de muzikale fantasieën en geestverruimende ideeën van de in hogere sferen verkerende heren kunnen worden vastgelegd. The Beatles gebruiken daarvoor harp, tubular bells, klavecimbel, celeste, french horns, accordeon, klassieke Indiase instrumenten, een strijkers-octet, een klarinettrio, een vloeitje-en-kammetje-trio en een orkest bestaande uit 41 muzikanten. Drums en zang worden bovendien beurtelings versneld en vertraagd opgenomen, zodat er een onontkoombaar psychedelisch en halucinerend klankbeeld ontstaat. Het zijn absolute klassiekers: ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’, ‘With A Little help From My Friends’, ‘Lucy In The Sky With Diamonds’, ‘Lovely Rita’ en het fantastische ‘Fixing A Hole’. Ze worden afgewisseld door geniale flauwiteiten als ‘Being For The Benefit Of Mr. Kite!’ en ‘When I’m Sixty-Four, die sterk beïnvloed zijn door Alice In Wonderland en het Victoriaanse tijdperk. De afsluiting van Sgt. Pepper is het ongeëvenaarde ‘A Day In The Life’, dat op 10 februari wordt opgenomen met een enorm orkest en dat gevierd wordt met een feestje in de studio. De studiomogelijkheden blijken ongekend, waardoor Sgt. Pepper niets minder dan een muzikale revolutie veroorzaakt. De wereld is na het verschijnen van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band op 1 juni 1967 simpelweg niet meer hetzelfde, en is nooit meer hetzelfde geweest.

Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band / With A Little help From My Friends / Lucy In The Sky With Diamonds / Getting Better / Fixing A Hole / She’s Leaving Home / Being For The Benefit Of Mr. Kite! / Within You Without You / When I’m Sixty-Four / Lovely Rita / Good Morning Good Morning / Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band (Reprise) / A Day In The Life

zaterdag 1 april 2017

Foghat | Foghat Live

Foghat is de hardrock-afsplitsing van de Britse bluesband Savoy Brown. Het kwartet is vooral populair in de Verenigde Staten - en onder contract bij Woodstock-label Bearsville. Na vijf studioplaten in de periode 1972 tot 1976 is Foghat Live een bevestiging van de populaire Amerikaanse status. Boogie en rock-’n-roll, enthousiast en zwetend gebracht, zijn de kenmerken van Foghat, zeker wanneer het een optreden in de Amerikaanse arena’s betreft. Opgenomen tijdens hun Amerikaanse toernee in het voorjaar van 1977 is Foghat Live een heerlijk hardrock-boogie-album met dampende rocksongs als ‘Fool for the City’ en de Amerikaanse hit ‘Slow Ride’.

Fool for the City / Home in My Hand / I Just Want To Make Love To You / Road Fever / Honey Rush / Slow Ride 

Bearsville, 1977


zondag 24 augustus 2014

Free | Fire And Water

In 1970 is Free naarstig op zoek naar een hitsingle. Gestart vanuit de blues in 1968 en onafgebroken toerend door Engeland en zelfs door Amerika, lijkt het er niet op dat Free het grote publiek zal bereiken. Paul Rodgers (zang), Paul Kossoff (gitaar), Andy Fraser (bas) en Simon Kirke (drums) hebben reeds twee lp’s gemaakt, maar de doorbraak, is hun heilige overtuiging, moet komen van een single; van een catchy en compact liedje. Na een sloom en mislukt optreden komt de dan 17-jarige Fraser met een riff en heeft in 10 minuten de muziek klaar, waarna Rodgers de simpele tekst over de obligate versiertruc van een playboy toevoegt. Een wereldhit is geboren: ‘All Right Now’. Wel wordt het nummer op aanraden van mentor en platenbaas Chris Blackwell drastisch ingekort, want anders is het te lang voor de BBC. Een wereldhit dus; ‘All Right Now’ verblijft ook in de zomer van 1970 in Nederland langdurig in de Top-10. De langere versie van ‘All Right Now’ is terug te vinden op Fire And Water, de lp die Free in 1970 de welverdiende doorbraak bezorgt. De single is niet het enige selling-point op Fire And Water. Free heeft evenals zijn tijdgenoten – Led Zeppelin, Deep Purple – de traditionele bluesstijl losgelaten en experimenteert met soul- en popstructuren en hoog opgeschroefd volume. Free blijft echter een compact en droog spelende band. Paul Rodgers is de fenomenale zanger die studio-effecten verfoeit, de klassiek getrainde Kossoff heeft een vloeiende en ook priemende gitaarstijl en het karakteristieke basspel van Andy Fraser is droog knorrend. ‘Fire And Water’ en ‘Mr. Big’ worden klassiekers op het live-repertoire van Free, maar de schoonheid zit hem in de epische en subtiele hardrocksongs als ‘Oh I Wept’,‘Heavy Load’ en in uitbundige mate in ‘Don’t Say You Love Me’. Fire And Water wordt in navolging van ‘All Right Now’ met lof overladen, Free wordt een goedbetaalde live-act en speelt samen met Jimi Hendrix, The Who en The Doors op voor 200.000 mensen op het Isle Of Wight-festival. The sky is the limit, voor een aantal jaren althans.

Fire And Water / Oh I Wept / Remember / Heavy Load / Mr. Big / Don’t Say You Love Me / All Right Now



maandag 7 juli 2014

Thin Lizzy | Jailbreak

The Boys Are Back In Town’ is Phil Lynotts eerbetoon aan de vele mannelijke fans die, zo stelde Lynott zich voor, hard werken in de fabriek of in de bouw en in de weekenden de bloemetjes buiten zetten. Het is in 1976 een onverwacht grote hit voor Thin Lizzy, zowel in Amerika als in Engeland – geen top 40-notering in Nederland. De tekst en titel slaan vooral ook op de bandleden zelf die zich in Amerika – op tournee met Aerosmith, The Tubes en Rainbow – geheel te buiten gaan aan drank, heavy drugs en vrouwen. Thin Lizzy – Phil Lynott (zang, bas), Brian Downey (drums), Brian Robertson (sologitaar), Scott Gorham (sologitaar) – staat dan bekend om zijn orgies, drankgelagen en drugsuitspattingen. Opgericht door Lynott en Downey, schoolvrienden in Dublin, heeft Thin Lizzy moeite een bestendige gitarist te vinden: Eric Bell, Gary Moore, John Cann en Andy Gee; zij allen komen en gaan. Vanaf 1974 krijgt het van bluesy coverband tot hardrockband geëvalueerde Thin Lizzy zijn definitieve vorm met de Californische gitarist Scott Gorham en de 17-jarige Schotse gitarist Brian Robertson. Een deal met Vertigo Records en de uitstekende lp’s Night Life en Fighting vormen de opmaat voor de doorbraak van Thin Lizzy: Jailbreak. Gelouterd door eindeloos toeren in de States, schaaft de band langdurig aan hun nieuwe songs voordat ze met producer John Alcock de Ramport Studios ingaan. Het resulteert in negen retestrakke, glimmend gepolijste hardrocksongs die Lizzy’s dubbele gitaar-line-up en Lynotts bravado etaleren. Phil Lynotts verbeelding voert van toekomstige totalitaire overheersing in ‘Jailbreak’ via de cowboy-romantiek van ‘Cowboy Song’ tot derde wereld-solidariteit in de superieure laidback-rock van ‘Fight Or Fall’. De meest opzwepende nummers van Jailbreak zijn echter ‘Warrior’ en ‘Emerald’; deze groeien uit tot favoriete live-nummers. Het hier geëtaleerde dubbele gitaarspel van Robertson en Gorham is ronduit fenomenaal. Brian Robertson is de gitarist met het venijn en de felheid, terwijl Scott Gorham een vette, modderige sound heeft. Deze strijders ontmoeten elkaar in de ongenaakbare afsluiter ‘Emerald’. Jailbreak is niet alleen Thin Lizzy’s doorbraakalbum, maar ook Thin Lizzy’s beste album. Er komt nog heel veel moois na Jailbreak en Thin Lizzy groeit uit tot een topband. Maar de roem eist zijn tol. Al in ’76 raakt Lynott besmet met hepatitus en door jarenlang zwaar alcohol- en heroïnegebruik bezwijkt zijn lichaam uiteindelijk op 4 januari 1986. Phil Lynott, vader van twee jonge dochters, is niet ouder geworden dan 37 jaar.

Jailbreak / Angel From The Coast Running Back / Romeo And The Lonely Girl / Warrior / The Boys Are Back In Town / Fight Or Fall / Cowboy Song / Emerald


donderdag 27 maart 2014

Faces | Ooh La La

De Faces hebben een ongekende reputatie van losbollen, feestbeesten en zuipschuiten. Engelse lads die houden van voetbal, zuipen en vrouwen. De Faces zijn nog meer dan een fantastische rock-'n-rollband – gepokt en gemazeld door coast-to-coast stadionoptredens in Amerika – een club gezworen kameraden. In 1969 bij elkaar gekomen uit de resten van The Small Faces – Ronnie Lane (bas, zang), Ian McLagan (orgel, piano), Kenney Jones (drums) – en de zanger en de bassist/gitarist van de Jeff Beck Group – Rod Stewart en Ron Wood – zijn de Faces de ware working class-band, die live laagdrempelig maar zeer opwindend vertier biedt. Ze komen aangeschoten het podium op, met als blikvangers de hese scheur en de majorette-capriolen met de microfoonstandaard van Stewart, de rauwe, primitieve slidegitaar van de kettingrokende Wood en de soulvolle boogie van drums, bas, Hammond en bonkende piano, en gaan er dronken weer af. En ondertussen maken de Faces ook nog een aantal platen. Maar ook Rod Stewart maakt platen; houdt er een solocarrière op na bij een concurrerend label en ontwikkelt zich tot een superster als hij in oktober 1971 in Engeland en Amerika op nummer 1 staat met zowel een single ('Maggie May') als met een album (Every Picture Tells A Story). De sterrenstatus van Rod Stewart lijdt tot wrevel bij de andere bandleden – in het bijzonder bij Ronnie Lane, de belangrijkste songschrijver in de band nu Stewart ervan verdacht wordt zijn beste nummers voor zijn soloplaten te bewaren en elk moment de band te zullen verlaten. Maar dat doet hij niet en dus nemen de Faces tussen september '72 en april '73 met producer Glyn Johns in de Olympic Studios hun vierde album op: Ooh La La. Ooh La La bestaat uit een substantieel aantal Lane-composities, die vooral rootsy en ingehouden klinken: 'Flags And Banners', 'Just Another Honky' en het prachtig weemoedige 'Glad And Sorry' – ruim twintig jaar later prachtig gecovered door Golden Smog. Hier tegenover staan de losse, rammelende boogierocksongs als 'Borstal Boys', 'My Fault' en de spetterende single 'Cindy Incidentally', waarna het album wordt afgesloten door de prachtige Lane-compositie 'Ooh La La', die gezongen wordt door Ron Wood. Het sterke album – met een fraaie gimmickhoes met bewegende delen en een cancan-danseres – wordt gemengd ontvangen, waardoor Ronnie Lane de eerste is die teleurgesteld de Faces verlaat. Vervolgens wordt Ron Wood door Mick Jagger en Keith Richards losgeweekt van de band en dan verlaat Rod Stewart ook de Faces om het wereldsucces van 'Sailing' te beleven. Wat hebben de Faces in de zes jaar van hun bestaan en lol gehad en een keet geschopt – en opwindende rock-'n-roll gemaakt.

Silicone Grown / Cindy Incidentally / Flags And Banners / My Fault / Borstal Boys / Fly In The Ointment / If I'm On The late Side / Glad And Sorry / Just Another Honky / Ooh La La


maandag 27 januari 2014

Stray | Move It

Geen van de bandleden is achttien jaar als in 1970 het gelijknamige debuut van Stray verschijnt. Vanaf dat jaar tot en met 1976 zal Stray, vier schoolvrienden uit Shepherds Bush, Londen, elk jaar een lp uitbrengen. Rond 1974 is Stray na vier hardrockalbums op de toppen van zijn kunnen en zou succes moeten kunnen oogsten, ware het niet dat de band onder contract staat bij een folk-label. Ondanks het gebrek aan geld en promotie, vertrekt Stray toch naar Amerika om in Connecticut het nieuwe album op te nemen. Move It, gestoken in een fraaie gimmick sleeve, bevat meer akoestische gitaren en popstructuren dan de voorgangers. De melodieuze hardrock van Move It gedijt uitstekend op de Westcoast-harmonieën, sfeervolle toetsenpartijen en puntige songs. Hier verlaat Stray het eenvormige hardrockpad en ontdekt melodie en harmonie, al zijn daar altijd de venijnige gitaren van Del Bromham. Move It is samen met Stand Up And Be Counted (1975) het meest melodieuze album van Stray, maar een doorbraak zit er niet in. Interne strubbelingen leiden tot bezettingswisselingen die de band, ondanks de verworven live-reputatie, geen goed doen. Uiteindelijk blijkt Stray onbekend en ondergewaardeerd, het sterke Move It ten spijt.

Tap / Move It / Hey Domino / Customs Man / Mystic Lady / Somebody Called You / Give It Up / Like A Dream / Don’t Look Back / Right From The Start / Our Plea

maandag 28 januari 2013

The Good, The Bad & The Queen | The Good, The Bad & The Queen


Tja, als dit geen supergroep is... Damon Alburn – zonder twijfel een muzikaal wonderkind – heeft de Gorillaz van zich afgeschud en is in zee gegaan met ex-Clash-bassist Paul Simenon, ex-Verve-gitarist Simon Tong en Afrobeat-drummer Tony Allen. Wat op het oog een tamelijk onsamenhangend gezelschap lijkt, is in werkelijkheid een fantastische band. Die bovendien een geweldige sound heeft weten te creëren. De groep wordt geleid door de stem en het rommelige en bonkige pianospel van Damon Albarn. Met zijn depressie-hoedje en sfeervolle toetsenspel doet hij denken aan de losheid van The Band, al bevat The Good, The Bad & The Queen louter pure Britse muziek. Door het droge en dub-achtige basspel van Simenon springt The Clash gelijk in gedachten, maar ook klinkt de working class-sixtiesbeat van The Small Faces door in de muziek. The Good, The Bad & The Queen is een uitzonderlijk rijk gearrangeerde cd die barok klinkt; niet alleen vanwege viool en cello, maar ook vanwege Danger Mouse’s geprogrammeerde elektronica. Maar nergens klinkt het steriel; de ware Londense, losse punky sfeer komt nadrukkelijk naar voren in prachtsongs als 'Kingdom Of Doom' en 'Herculean', mede waardoor The Good, The Bad & The Queen zich laat beluisteren als een muzikale rondrit door het 19e eeuwse Londen. De sfeer is donker en vaak weemoedig, zoals in het sferische 'A Soldier’s Tale' en wanneer het tempo omhoog gaat is daar het fantastisch ritmische spel van de 66-jarige Allen. De muzikale rijkdom, de grote variatie en de prachtige Albarn-composities maken van The Good, The Bad & The Queen een zeer verrassende plaat. En een geweldige bovendien.

History Song / 80's Life / Norhern Whale / Kingdom Of Doom / Herculean / Behind The Sun/ The Bunting Sun / Nature Springs / A Soldier's Tale / Three Changes / Green Fields / The Good, The Bad & The Queen

zondag 6 mei 2012

Julian Cope | Peggy Suicide

In 1990 is Julian Cope net teruggekeerd op aarde. In tien jaar tijd wisselde Cope popsterrenstatus af met vier jaar lang heftig LSD-gebruik, een mislukte, vier albums durende solo-carrière en het maken van een tweetal ondoordringbare en nagenoeg onbeluisterbare cd’s – die Cope’s deplorabele gemoedstoestand aan het eind van de jaren tachtig treffend reflecteren. Maar in de zomer van 1990 krijgt Julian Cope een visioen. In dat visioen ziet Cope Moeder Aarde als een enorme, vleselijke godin, die ten onder dreigt te gaan aan de gevolgen van het broeikaseffect. Omdat Moeder Aarde op het punt staat van een hoge rots af te springen, noemt Cope haar vanaf dat moment Peggy Suicide. Julian Cope heeft zich dan reeds grondig verdiept in filosofie, mystiek, geologie en antieke geschiedenis. De verworven kennis, de visioenen en zelfs fysieke hallucinaties brengen hem nieuwe inzichten en vernieuwd elan. Cope wisselt de honderden bezoeken aan prehistorische plekken af met opnamen voor zijn nieuwe plaat voor Island, getiteld Peggy Suicide. De opnamen vinden eerst plaats in de huisstudio van Mike Joyce, de ex-drummer van The Smiths. Samen met zijn vaste gitarist Donald Ross Skinner en percussionist Mark ‘Rooster’ Cosby legt Cope zijn nummers zoveel mogelijk in één take vast. Hevig geïnspireerd stromen de nieuwe nummers letterlijk uit Cope, reden waarom de band – aangevuld met de psychedelische gitaar van Mike Mooney – naar de Island-studio verhuist. De intensieve en extensieve opnamen zijn ruimhartig over Peggy Suicide uitgestrooid; niet voor niets een dubbelalbum. In phase one tot en met phase four presenteert Cope in achttien songs een waanzinnig muzikaal spectrum. Van garagerock tot torch-song; van krautrock tot country twang; van progressieve rock tot de Madchester-sound van Happy Mondays; en meer nog. Tussen de opzwepende openingsballad ‘Pristeen’ en het sfeervolle slotakkoord van ‘Las Vegas Basement’ bevindt zich een muzikale speeltuin van elastieken gitaren, freakerige en funky bassen en sterk ritmische afterbeat-drums. De Echo & The Bunnymen-pastiche ‘Hanging Out & Hung Up On The Line’ is opvallend en sterk, evenals de Neil Youngiaanse gitaarrock van het hart van Peggy Suicide: het acht minuten durende ‘Safesurfer’. Julian Cope blijft ook na Peggy Suicide productief en creatief. In vele hoedanigheden doet Cope talloze cd’s en boeken het daglicht zien, maar Peggy Suicide moet toch wel gezien worden als ’s mans creatieve revanche.
Pristeen / Double Vegatation / Easy Easy Rider / Promised Land / Hanging Out & Hung Up On The Line / Safesurfer / If You Loved Me At All / Drive, She Said / Soldier Blue / You... / Not Raving But Drowning / Head / Leperskin / Beautiful Love / Western Front 1992 CE / Hung Up & Hanging Out To Dry / The American Lite / Las Vegas Basement

zaterdag 7 april 2012

The Stands | All Years Leaving

Geboren in Liverpool en opgegroeid in New York, is Howie Payne een muzikale reageerbuis waarin Britse en Amerikaanse invloeden samenkomen. Waarop er een bruisend mengsel ontstaat dat Beatles, Byrds en Dylan samenbrengt en als resultaat All Years Leaving oplevert. Rond de millenniumwissel ontstaat er een scene in Liverpool van jongehondenbands als The Zutons en The Coral. Payne, terug in Engeland en in alles in Liverpudlian, is eerst roadie bij The Coral, maar richt dan een band op om zijn eigen songs te kunnen spelen. Aanvankelijk wordt hij tijdens optredens begeleid door Zutons- en Coral-bandleden, maar gaandeweg heeft hij zijn eigen ploeg bij elkaar: gitarist Luke Thompson, bassist Dean Ravera en drummer Steve Pilgrim. The Stands worden een veelgevraagde live-act in het Liverpoolse circuit en hebben fans in Paul Weller en Noel Gallagher. De laatste leent zijn Wheeler End-studio uit aan Payne en zijn band die nog geen platendeal hebben – Gallagher wil er wel bij zijn. Als The Stands een contract tekenen bij Echo worden de opnamen voor het debuutalbum vlot afgerond in de Londense Olympic Studios en ligt All Years Leaving in februari 2004 in de winkels. All Years Leaving knipoogt in twaalf eenvoudige, rammelende popsongs schaamteloos naar het verleden van folkrock, country en harmoniepop. De op akoestische gitaren en onnadrukkelijke begeleiding geschraagde liedjes klinken bedrieglijk eenvoudig, maar verraden een flinke dosis vakmanschap en een verering van andere Liverpoolbands als The La’s en The Beatles. Snerende zang en lekker zeurende koortjes klinken door in de verrukkelijke jingle-jangle van ‘I’ve Waited So Long’, ‘When This River Rolls Over You’ en ‘The Love You Give’. ‘Aways Is The Same- Shine On’, dreint à la Green On Red, maar heeft een introspectief tweede deel, en het refrein van ‘Here She Comes Again’ leunt sterk op The Cars’ ‘My Best Friend’s Girl’. Payne heeft zijn meest melancholieke moment in ‘The Big Parade’, versterkt door mellotron en strijkers; de scheurende gitaar in ‘Some Weekend Night’ is van Noel Gallagher en het galopperende ‘The Way She Does’ met zijn feedbackende gitaren is de zinderende climax van All Years Leaving. Veel op All Years Leaving mag dan gejat zijn, er moet wel een meesterhand aan te pas komen om er een aantrekkelijke en meeslepende plaat van te maken. Howie Payne heeft die meesterhand, met als resultaat een dozijn jubelende rock-’n-rollliedjes met een gouden retro-chique randje.
I’ve Waited So Long / All Years Leaving / Outside Your Door / When This River Rolls Over You / It’s Only Everything / Always Is The Same-Shine On / Here She Comes Again / The Big Parade / The Love You Give / I Need You / Some Weekend Night / The Way She Does

zaterdag 25 februari 2012

Sunhouse | Crazy On The Weekend

De enige die Gavin Clark weerhoudt van het bereiken van grote muzikale successen, is Gavin Clark zelf. Clark, een Britse lyricus, lijkt er niet in te geloven dat zijn exceptionele muzikale talenten door een groot publiek kunnen worden gewaardeerd. Na een aantal mislukte pogingen is Gavin Clark dan ook liever pizzabezorger dan muzikant. Zijn hernieuwde poging in 2002 tot het nastreven van een respectabele muzikale carrière met zijn tweede band Clayhill strandt alweer in 2006. Verder terug in de tijd, in 1998, is dezelfde Gavin Clark verantwoordelijk voor een absoluut meesterwerk: Crazy On The Weekend van Sunhouse. In 1997 wordt Sunhouse door Gavin Clark opgericht met gitarist Paul Bacon en bassist Rob Brooks. Sunhouse is niets anders dan een vehikel voor de poëtische teksten en het indringende stemgeluid van de getormenteerde Gavin Clark. Clark bezit die typerende Britse, aardeverschroeiende melancholie, die herinneringen oproept aan zowel Nick Drake, Morrissey, Talk Talks Mark Hollis als The La's' Lee Mavers. Gavin Clark neemt zijn songs mee de studio in om door Bacon en Brooks te worden voorzien van een organisch muzikaal decor, waarvoor mede verantwoordelijk zijn producer John Reynolds – die bovendien drumt – en gastmuzikanten op piano, Hammond, cello en viool. Uit deze vruchtbare samenwerking komt Crazy On The Weekend voort, de feitelijke neerslag van Clarks onvoorstelbaar fraaie songs. Het weergaloze album kent een prelude in het akoestische titelnummer, maar gaat dan de peilloze diepte in met 'Hurricane', dat zacht begint maar halverwege explodeert door toedoen van drums, mondharmonica en slidegitaar. Er volgen dan louter hoogtepunten, aangejaagd door Clarks gedrevenheid en muzikaal spannend ingekleurd door ritmische akoestische gitaren, tinkelend pianospel en een rollende Hammond: 'Chasing The Dream', 'Good day To Die' en 'Loud Crowd' met zijn duistere atmosfeer en schurende elektrische gitaren. Van de schitterende single 'Monkey Dead' die vanzelfsprekend geen hit wordt tot de aangrijpende en met bloedrode strijkers versierde melancholica van 'Hard Sun' en 'Swing Low'. Crazy On The Weekend is een sterk geladen en poëtisch album dat de zieleroerselen van Gavin Clark pijnlijk eerlijk blootlegt. Crazy On The Weekend is een ware tour-de-force en een unicum in de Britse jaren negentig-rock; een unicum des te meer omdat Gavin Clark Sunhouse al in het verschijningsjaar van de debuutplaat opdoekt. Sindsdien is Crazy On The Weekend, mede omdat de cd uit de handel is gehaald, een volbloed cult-klassieker.
Crazy On The Weekend / Hurricane / Chasing The Dream / Spinning Around The Sun / Good Day To Die / Lips / Loud Crowd / Monkey Dead / Hard Sun / Swing Low / Animal / Second Coming