Posts tonen met het label baroquepop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label baroquepop. Alle posts tonen

maandag 27 november 2017

The Cowsills | On My Side

The Partridge Family kennen we, althans degenen van een zekere leeftijd, allemaal. Maar The Cowsills zijn alhier minder bekend. Toch zijn zij het origineel, en The Partridge Family de kopie. Billy en Bob Cowsill beginnen in 1965 op school in Newport, Rhode Island met het zingen van Beatles-liedjes. Daar komen later de broertjes Barry (bas) en John (drums) bij. In 1967 lukt het vader Bud zijn zoons - variërend in de leeftijd van 11 tot 19 jaar - onder te brengen bij MGM Records. En ook lukt het moeder Barbara zichzelf de band binnen te wringen, een weinig later gevolgd door broer Paul en de jongste, Susan. De eerste single van The Cowsills, ‘The Rain, the Park and Other Things’, gaat in Amerika maar liefst een miljoen keer over de toonbank, maar doet in Europa hetzelfde als alle volgende singles en lp’s: niets.
In Amerika zijn de jeugdige Cowsills enorm populair; hun singles en lp’s hits. Dergelijke aanstekelijke bubblegumpop verdient een tv-serie, zo vindt men. Maar als mams Barbara vervangen dreigt te worden door actrice Shirley Jones, trekt de Cowsill-familie zich terug uit het project - en wordt om Jones heen The Partridge Family gebouwd. In 1969 hebben The Cowsills hun grootste hit met hun versie van ‘Hair’, maar een jaar later zet vader Bud Billy uit de band omdat hij hem betrapt op het roken van een jointje. Kleintjes worden groot, zo ook The Cowsills. Bovendien is het niet bepaald cool om met je moeder in een band te zitten. Aldus wordt mams er voorzichtig uitgewerkt; in ieder geval verschijnt ze niet meer op de hoes van On My Side - buiten twijfel het beste Cowsill-album.
Zoals zo vaak het geval bij bands met broers en zussen, is ook de harmoniezang van The Cowsills voortreffelijk. De meerstemmige vocalen van Bob, Barry, John, Paul en Susan kleuren werkelijk prachtig bij elkaar; vergelijkbaar met Crosby, Stills, Nash & Young, echt waar. Ook muzikaal klinkt de band - bijgestaan door jeugdvriend en sessiegitarist Waddy Wachtel - op On My Side als een volwassen en volwaardige Westcoast-band met een heerlijk dromerige psychedelische twist. De plaat begint met ‘On My Side’, gelijk al gepeperd met een geweldige Wachtel-solo, en vervolgt dan met een festival van schitterende popliedjes: ‘Once There Was A Time’, ’If You Can’t Have It - Knock It’, ‘Can You Love?’, ’The Mystery of Life’ en ‘Heather Says’. Net even anders, maar evenzeer geweldig zijn ‘Contact Mae’, dat zomaar op Neil Youngs After the Goldrush had gepast, en het countryeske ‘Cheatin’ On Me’.
On My Side is dat prachtige album dat de bubblegum voorbij is en de diepte opzoekt van weemoed en muzikaal verlangen - kenmerkend voor de betere Westcoast-pop van de begin jaren zeventig. On My Side behoort tot die canon; The Cowsills verdienen dat. De platenmaatschappij denkt daar in 1972 echter anders over, want nog tijdens de opnamen van de opvolger van On My Side worden Bob, Barry, John, Paul en Susan aan de kant gezet en zijn The Cowsills over en uit, allerlei latere reünies ten spijt.

‘On My Side’ | ‘Once There Was A Time’ | ’If You Can’t Have It - Knock It’ | ‘Contact Mae’ | ‘Can You Love?’ | ‘The Mystery of Life’ | ‘Heather Says’ | ‘There Is A Child’ | ‘Dover Mine’ | ‘Cheatin’ On Me’ | ‘Down on the Farm’ | ‘Good Ole Rock & Roll Song’

donderdag 6 april 2017

Father John Misty | Pure Comedy

Josh Tillman heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een van de grote indie-rocksterren. In zijn hoedanigheid van Father John Misty maakte hij al schitterende platen; zijn derde, Pure Comedy, is misschien wel briljant. Al in 2003 debuteerde Tillman, toen hij zich, geboren in Rockville, Maryland, eenmaal in Seatlle gevestigd had. Zijn platen werden steeds beter, met als voorlopig hoogtepunt Vacilando Territory Blues in 2009, maar toen was Tillman al als drummer ingelijfd bij Fleet Foxes. Gepokt en gemazeld door het wereldsucces van Fleet Foxes ontpopte Tillman zich vervolgens als een enigmatische, ja priester-achtige verschijning: Father John Misty. Tillman graaft diep in zijn ziel op Pure Comedy, een puur persoonlijke album. Hij zingt over zijn innerlijk leven in de moderne metropool Los Angeles en ziet alles langzaam afbrokkelen. Opener en titelsong 'Pure Comedy' heeft in die zin net zo’n dwingende intensiteit als Rufus Wainwrights 'Going To A Town' (2007) en voort gaat Tillman, zingend vanuit zijn hart en spaarzaam begeleid door piano, gitaar, bas en gestopte drums, maar uitbundig door zwaarmoedige en onheilszwangere strijkers. Het levert, in een co-productie met Jonathan Wilson, een schitterend geluidsbeeld op, modern maar ook verwijzend naar klassieke jaren zeventigplaten van Jackson Browne, Elton John en The Beach Boys. Tillman rijgt het ene hoogtepunt aan het andere, het zou dwaas zijn er een uit te tillen - of het moet het dertien minuten klokkende 'Leaving LA' zijn. De dertien soul-searching songs tezamen - op vinyl een dubbelaar - zijn een zinderende luisterervaring. Pure Comedy kan niet anders dan een van de beste platen van 2017 zijn.

Pure Comedy | Total Entertainment Forever | Things That Would Have Been Helpful To Know Before | Ballad Of The Dying Man | Birdie | Leaving LA | A Bigger Paper Bag | When The God Of Love Returns There’ll Be Hell To Pay | Smoochie | Two Wildly Different Perspectives | The Memo | So I’m Growing Old On Magic Mountain | In Twenty Years Or So

Bella Union, 2017

Gepubliceerd in Platomania

dinsdag 21 februari 2017

Don Agrati | Home Grown

Don Agrati is een Hollywood-product. Hij is op jonge leeftijd een muzikale kindacteur in The Mickey Mouse Club en speelt als teenager onder de naam Don Grady in populaire westernseries en comedy's. Met de opkomst van de hippiecultuur slaat Agrati/Grady zijn vleugels uit en raakt meer geïnteresseerd in een carrière in de popmuziek. Als 19-jarige tekent hij een contract als songschrijver en als artiest bij Capitol Records, is een korte spanne drummer en zanger in The Palace Guard, maar richt dan The Yellow Balloon op, die met hun barokke pop zelfs hits scoren. Om niet teveel de aandacht op zichzelf te richten treedt Grady met de band op in vermomming – met heuse opgeplakte snor – en gebruikt hij op het album The Yellow Balloon (1967) het pseudoniem Luke R. Yoo. Eind jaren zestig richt Don Agrati zich geheel op een muzikale carrière, hetgeen in 1973 leidt tot de Elektra-release van Home Grown Agrati speelt nagenoeg zelf alle instrumenten, behouden gitaar en banjo, en de blazers en strijkers. De nadruk ligt op melodieuze pop, met hier een daar een uitstapje naar rock. De piano- en strijkers ballads 'Love, Come Way' en 'I Was A Man', en de lekkere Beach Boys-popsong 'Sunny Day' vallen op in positieve zin, maar 'Hollywood Song' is Grady's finest moment. Tekstueel venijn en barrelhouse-piano definiëren deze subliem groovende song: Holy Hollywood, you ought to know / Everybody's honkin' tonkin'. Homegrown is geen succes, en dus stopt Don Grady met zijn actieve muziekcarrière.

Bloodstream / Love, Come My Way / Rocky Mountain Bear Hunt / Heather-Ann / Story / One Man Woman / Hollywood Song / Sunny Day / I Was A Man / Protoplasm Blues / Two-Bit Afternoon 


Elektra Records, 1973

donderdag 21 april 2016

Prince | Sign O' The Times

Prince Leroy Rogers is in 1987 al jarenlang een wereldster. Zijn chef d'oeuvre moet dan nog verschijnen, maar Prince heeft de wereld reeds veroverd met een compromisloze attitude en een unieke cross-over tussen soul en pop. Vanaf zijn twaalfde zit Prince in een groep die top 40-materieel speelt in en om Minneapolis, Minnesota. Vanuit een fascinatie voor pornografische lectuur gaat Prince zijn eigen scabreuze songs schrijven, die hij als de multi-instrumentalist die hij is, zelf opneemt. Een eerste poging een platencontract te scoren mislukt omdat de kleine eigenwijze prins volledige artistieke vrijheid wenst, maar met behulp van een kiene manager en een gewiekste jurist lukt dat bij Warner Bros.wel. Prince is dan krap aan 17 jaar, maar kwaliteit verloochent zich niet. Na drie in zijn eentje in elkaar geknutselde albums is de schuchtere Prince 's werelds meest meest controversiële popartiest vanwege zijn teksten over triootjes, pijpen en incest. Zijn liedjes worden om die reden overigens niet op de Amerikaanse radio gedraaid, maar live is Prince een exhibitionistische geilneef in vieze man-regenjas en jarretels. Voor wereldwijd succes zorgt Purple Rain in 1984, een geslaagde mix van moderne soul en gitaarrock, twee jaar later gevolgd door het commercieel geslaagde Parade. Maar na deze groepsalbums – Prince houdt er met The Revolution, The Time, Vanity 6 en Sheila E een heuse hofhouding op na – keert His Royal Badness terug naar zijn basis: zijn volgende album neemt hij in z'n eentje op in zijn eigen Paisley Park-studio. Prince gooit alles in de centrifuge: klassieke soul, George Clinton-funk, new wave-synthesizers, mechanische percussie en Hendrix-gitaren. Het resultaat is een opwindende muzikale hutspot, nota bene verspreid over twee separaat uitgebrachte cd's: Sign O' The Times. De creatieve duizendpoot bereikt in maart 1987 zijn artistieke zenit, want een orgiastisch popalbum en caleidoscopische soulplaat tegelijk – en ook nog eens in tweevoud. Tussen de vertrouwde Prince-funk bevinden zich voortreffelijke, universele popsongs als 'Strange Relationship' en 'I Could Never Take The Place', die schaamteloos catchy zijn. Opvallend is ook het kirrende 'U Got The Look', de barok-funk van 'It' en de Stylistics-soul van 'Slow Love'. Ronduit geniaal is Prince echter in 'The Ballad of Dorothy Parker', dat op zwoele Stevie Wonder-soul is gebaseerd, het hypnotiserende, orkestrale 'If I Was Your Girlfriend', de ultieme Prince-natte droom, en het apocalyptische 'Sign O' The Times'. Tekstueel betoont Prince zich hierin geëngageerd – But if a night falls and a bomb falls / Will anybody see the dawn / Time, time – muzikaal is het titelnummer schurend, wurgend, deprimerend funky. De magnifieke single, nummer 6 in de top 40, is de volmaakte prelude van een even magnifiek en tevens artistiek volledig geslaagd dubbelalbum. Sign O' The Times, gevolgd door een indrukwekkende wereldtournee, is Prince's beklimming van de Olympus; een levenskunstwerk. 

Sign O' The Times / Play In The Sunshine / Housequake / The Ballad Of Dorothy Parker / It / Sarfish And Coffee / Slow Love / Hot Thing / Forever In My Life / U Got The Look / I Was Your Girlfriend / Strange Relationship / I Could Never Take The Place Of Your Man / The Cross / It's Gonna Be A Beautiful Night / Adore 

dinsdag 1 december 2015

Jim O’Rourke | Simple Songs



Jim O’Rourke kan als beste beschouwd worden als een avant-gardist. Zijn studie aan de DePaul University in Chicago, Illinois richtte zich op experimentele muziek. Hij collaboreerde met exoten als Mayo Thompson, Henry Kaiser en de New Yorkse noise-rockers Sonic Youth. Hij was voorts betrokken als producer en mixer bij klassieke albums als Wilco’s Yankee Hotel Foxtrot (2002) en Joanna Newsoms Ys (2006). Maar O’Rourke maakte ook onder eigen naam muziek, onder andere met Wilco’s Jeff Tweedy als Loose Fur, en de solo-albums Eureka (1999) en Insignificance (2001) - beide albums min of meer song-georiënteerd. Het is het territorium alwaar O’Rourke het best beluisterbaar is en waar hij van de critici de meeste credits krijgt. Maar rondom die O’Rourke was het lang stil. Tot mei 2015.   
Dan verschijnt Simple Songs, opgenomen in O’Rourke’s nieuwe thuisland Japan - en geheel opgenomen met Japanse musici. O’Rourke breekt dan ook met de traditie om zijn albums te vernoemen naar speelfilms van de experimentele Britse regisseur Nicholas Roeg, want nu heet zijn album simpelweg Simple Songs. Maar simpele songs zijn het allerminst.
O’Rourke is ook beter gaan zingen, bovendien genereert zijn gedubbelde stem fraaie koortjes - hiermee begeeft hij zich op het terrein van de baroque-pop; het terrein van Curt Boettcher en diens fabelachtige There’s An Innocent Face (1972). Vanzelfsprekend haalt O’Rourke binnen zijn fraai geconstrueerde popstructuren het nodige overhoop: jazzy ritmes; pastorale, folky verstilling; dynamische, progressive sfeerwisselingen. Het is allemaal van een doordachte schoonheid. Acht ogenschijnlijke Simple Songs - maar alle rijkelijk voorzien van schitterende arrangementen - met in het hart daarvan de meeslepende, songs ‘Hotel Blue’ en ‘These Hands’, beide geornamenteerd met pedal steel. Piano, orgel en strijkers maken voorts van ‘Last Year’, ‘End Of The Road’ en ‘All Your Love’ barokke meesterstukken met een zware jaren zeventig progrock-lading. Simple Songs is, hoewel misschien te vroeg om te poneren, simpelweg een onmiskenbaar meesterwerk - zoiets als Liam Hayes’ Fed in 2002. Voor beiden geldt: eens komt de erkenning. 

Friends With Benefits / That Weekend / Half Life Crisis / Hotel Blue / These Hands / Last Year / End Of The Road / All Your Love

zondag 31 augustus 2014

The Family Tree | Miss Butters

Bob Segarini wil dolgraag in een band, maar de eerste wordt hij uitgezet wegens te lang haar, de tweede vanwege het roken van marihuana. Dus richt hij in 1966, in Stockton, Californië zijn eigen band op: The Family Tree, dat net als Harry Nilsson bij RCA onder contract komt. Heftig beïnvloed door de psychedelica van Sgt. Pepper en de harmonieën van Pet Sounds creëert Segarina zijn eigen droomwereld met Miss Butters. Na een jaar schrijven op zijn kamertje in Stockton – afgewisseld door rondhangen met Nilsson – heeft Segarini, geïnspireerd door diens vroegere kleuterjuf, tekst en muziek gereed. De bandleden zingen zelf de teksten in, maar spelen geen noot. RCA kiest veilig voor de ervaren studiomusici van The Wrecking Crew. Zeer bijzonder zijn de zware orkestrale arrangementen en het vroege gebruik van de moog. Maar de uitgekiende melodieën en de fabuleus gearrangeerde zangharmonieën zijn de ware smaakmakers van dit barokke popalbum. Miss Butters – het enige album van The Family Tree – is een genegeerd hoogtepunt van de psychedelische pop, waarvoor de visionaire Bob Segarini ten volle de credits verdient.

Birthday/Dirgeday / Melancholy Vaudeville Man / Any Other Baby / Sideshow / Mrs. McPheeney (Has Flu In Her Chest And Has Needed A Rest For so Long) / Butters lament / Simple Life / Slippin' Thru My Fingers / Nine To Three / Lesson Book Life / Nickelodeon Music / Miss Butters / The

zondag 9 maart 2014

Emitt Rhodes | Emitt Rhodes

Als Emitt Rhodes in 1970 toe is aan zijn eerste soloplaat heeft hij er al een muzikantenleven op L.A.’s Sunset Boulevard opzitten. Zat van het rondzeulen met een drumkit stapte Rhodes uit The Palace Guard en richtte The Merry-Go-Round op. Als zanger, gitarist en componist was Rhodes de bepalende factor in één van de hipste bands van The Strip. The Merry-Go-Round had landelijke hits met het Beatleske 'Live' en het prachtige psychedelische 'You’re A Lovely Woman', maar kon zich uiteindelijk niet ontworstelen aan de greep van platenmaatschappij A&M, die met de groep hun eerste rockband binnenhaalde. Na de opnamen voor wat de tweede lp had moeten worden werd The Merry-Go-Round bij het grof vuil gezet. De teleurstelling was groot, Rhodes trok zich gedesillisioneerd terug in zijn huisstudio – uitgerust met een viersporen bandrecorder – in Hawthorne, een buitenwijk van Los Angeles. Emitt Rhodes sloot de deur achter zich en ging experimenteren.
Tegen de tijd dat hij een hele plaatkant had opgenomen tekende hij een contract voor meerdere lp’s – sterker nog; voor twee platen per jaar – met ABC/Dunhill, een thuishaven voor singer-songwriters en folkrockbands. Na de voltooide thuisopnamen werden de tapes gemixt door Keith Olsen en Curt Boettcher, bekend van Sagitarius en The Millennium. Het spreekt voor zich dat Olsen en Boettcher de nadruk legden op de complexe vocale harmonieën die Rhodes soms vijf tot zes maal dubbelde. En net als de zangpartijen zijn de instrumenten, alle bespeeld door Rhodes, laag voor laag opgebouwd.
Emitt Rhodes is een muzikant van het breekbare soort. Snel uit het lood geslagen, levend zonder illusies en een zwak voor drugs. Geïsoleerd in zijn garage en huisstudio sloot hij vriendschap met zijn instrumenten en bandrecorder. Het resultaat van deze vrijage is het gelijknamige Emitt Rhodes dat bevolkt wordt door ongepolijste, fragiele en wonderschone liedjes. Emitt Rhodes bewijst alle aspecten van het songschrijven én arrangeren onder de knie te hebben. Kale liedjes, slechts versierd met piano en gitaar, georkestreerde en van fuzz-gitaar voorziene pareltjes, Rhodes etaleert zijn muzikale talenten en voegt daar zijn meermalen gedubbelde zijden stem aan toe. 'Long Time No See' is een van de voorbeelden van de complexe simpelheid die op Emitt Rhodes breed wordt uitgemeten – inclusief het psychedelische gitaarwerk. 'Live Till You' Die is een catchy popsong met een gratuite filosofische tekst die in het muziekgeheugen wordt gebrand. En dat geldt voor het merendeel van de hoogwaardige composities die voortkomen uit eerlijke en nijvere huisvlijt. Die do-it-yourself houding plaatst Emitt Rhodes naast een studiowizzard als Todd Rundgren en levert hem de bijnaam The American McCartney op. Op basis van de schoonheid en zeggingskracht van de piano-aangedreven ballads en de melodieuze powerpopsongs is die reputatie – ook al is dat slechts in kleine kring bekend – zeer verdiend. Met zijn solodebuut leverde Emitt Rhodes een, wellicht marginaal, kunstwerk af; Emmitt Rhodes, met zijn twaalf breekbare en harmonieuze popsongs, is daarmee een klassiek debuut.
De langlopende platendeal met Dunhill kreeg Emitt Rhodes in een knellende greep. De snelheid waarmee de volgende plaat moest worden geproduceerd had een negatief effect op Rhodes. Mirror is een waardige opvolger van het debuut, maar het daarop volgende Farewell To Paradise is een mediocre en incoherente plaat. De druk van Dunhill en Rhodes’ heftige drugsgebruik veroorzaken een mentale inzinking en een diepgewortelde haat jegens platenmaatschappijen. Tegen beter weten in aanvaardt Rhodes een baan als studiotechnicus en later als A&R manager bij Elektra Records. Maar als hij door het aantreden van een nieuwe directie wordt weggesaneerd is Emitt Rhodes voorgoed verloren voor de popmuziek. Verbitterd en teleurgesteld trekt hij zich terug in Hawthorne.
Er is echter een naschrift. Begin ’97 treedt Rhodes voor het eerst sinds meer dan 25 jaar op. Hij speelt met een gelegenheidsband, bestaande uit fans, op het prestigueuze Poptopia! festival in Los Angeles. Daarnaast doet het verhaal de ronde dat Emitt Rhodes aan een come-back werkt. Het lijkt onwaarschijnlijk en dat is het ook. Zeventien jaar later is nog steeds niets van hem vernomen. Het doet ook niets terzake; Emitt Rhodes’ debuut is een tijdloze klassieker, vast verankerd in de muziekhistorie.

With My Face On The Floor / Promises I’ve Made / She’s Such A Beauty / You Must Have / Lullaby / Fresh As A Daisy / You Should Be Ashamed / Somebody Made For Me / You Take The Dark Out Of The Night / Ever Find Yourself Running? / Live Till You Die / Long Time No See



woensdag 19 februari 2014

Rufus Wainwright | Poses

Zonder twijfel is de Canadees-Amerikaanse Rufus Wainwright een bijzonder groot muzikaal talent. Geboren in New York als gevolg van een kortstondig huwelijk tussen de Canadese folkzangeres Kate McGarrigle en singer-songwriter Loudon Wainwright III, en opgegroeid in Montreal, Canada is Rufus al op jonge leeftijd een geboren muzikant, maar ook een nukkige, arrogante jongen die zich op 14-jarige leeftijd realiseert dat hij gay is. Van Dyke Parks – vriend van de familie – seint platenbaas Lenny Waronker in en deze haalt Rufus naar Californië, om hem onder contract te nemen bij Steven Spielbergs Dreamworks-label. In 1998 debuteert Rufus Wainwright met een zelfgetiteld album dat bol staat van rijk geornamenteerde Westcoast singer-songwriters pop in de traditie van Randy Newman, Harry Nilsson en Van Dyke Parks. De liedjes blinken uit, maar de arrangementen zijn nogal barok – en toch is Rufus Wainwright een essentieel en grandioos debuut.
Rufus zelf ondertussen worstelt met zijn identiteit; verliest zich in het nachtleven van New York, dompelt zich onder in one night stands en raakt verslaafd aan crystal meth. Te midden van deze excessen – en de daarop volgende rehab – neemt Rufus Wainwright zijn tweede album op: Poses, dat verklaarbaar slordiger en morsiger klinkt dan het debuut. Violen, cello's en Wainwrights piano domineren het klankbeeld, drums en elektrische gitaar worden spaarzaam ingezet. In dit theatrale decor schitteren Rufus Wainwrights zwierige, groteske en complexe zangharmonieën in de merendeels decadente popsongs. 'Cigarettes And Chocolate Milk' is een fantastische opener; 'Greek Song' doet qua meerstemmige zang zowel denken aan The Beach Boys als aan Elliott Smith. Wainwright bezwijkt bijna in topzware romantische torchsongs als 'Poses', 'Evil Angel' en 'The Consort' – maar triomfeert. 'One Man Guy' is een fraaie cover van zijn vaders compositie, maar het albumhoogtepunt – naar het voorbeeld van Todd Rundgren in de vroege jaren zeventig – is het hemelse 'Grey Gardens'; een moderne klassieker. Die erkenning komt er natuurlijk niet zomaar, evenmin als het besef dat Poses – beslist geen gemakkelijke plaat – een potentieel popmeesterwerk is. Hoe dan ook, het talent van Rufus Wainwright komt in de jaren daarna volop in de etalage. Want One en Want Two zijn opvallende albums, de fantastische single 'Going To A Town' is in 2007 een internationale hit en Rufus Does Judy At Carnegy Hall een gedurfd eerbetoon aan Judy Garland. Rufus Wainright is kortom een popmuzikant met statuur.

Cigarettes And Chocolate Milk / Greek Song / Poses / Shadows / California / The Tower Of Learning / Grey Gardens / Rebel Prince / The Consort / One Man Guy / Evil Angel / In A Graveyard / Cigarettes And Chocolate Milk (Reprise)


dinsdag 21 januari 2014

Colours | Colours

Twee Canadezen uit Winsor, Ontario, Jack Dalton en Gary Montgomery, vinden elkaar in hun muzikale liefde voor The Beatles en Motown. Gitarist Dalton en pianist Montgomery gaan samen songs schrijven en wagen dan in 1965 de oversteek naar Detroit – en Motown. Als The Dalton Boys komen ze onder contract bij Motown, maar voor een blank duo met een voorliefde voor anglofiele pop is er niet echt veel aandacht bij het soullabel. En dus trekken Dalton en Montgomery in 1966 verder naar het westen; naar Los Angeles – en landen bij White Whale Records als songschrijvers voor The Turtles. Hier komen ze in aanraking met moderne studiotechnieken en ervaren studiomusici, hetgeen leidt tot de vorming van Colours – niet voor niets gespeld op Britse wijze. Met gitarist Rob Edwards, drummer Chuck Blackwell, bassist Carl Radle en een deal met Pat Boone's label Dot kunnen Dalton en Montgomery eindelijk hun droom verwezenlijken. Tussen september 1967 en februari 1968 nemen ze in de Columbia Studios in Hollywood hun debuut-lp op, waarbij ze voor de blazers- en strijkersarrangementen gebruik kunnen maken van het 36-koppige L.A. Philharmonic. 
In mei 1968 verschijnt het zelfgetitelde album van Colours; een geniale tour de force van anglofiele, multi-vocale en orkestrale pop. Barokke arrangementen en dromerige, zweverige en hartverscheurende samenzang bepalen de sfeer op superieure psychedelische popsongs als 'Bad Day At Black Rock, Baby' en 'Helping You Out', terwijl fuzzgitaren, vervreemdende effecten en sitar voorbijkomen in 'Where Is She', 'Rather be Me' en 'I'm Leaving'. Maar het wordt nog fantastischer: kant 2 biedt met de trits 'I Think Of Her (She's On My Mind)', 'Lovin'' en 'Cataleptic' ultieme baroque pop die tot de beste van de jaren zestig moet worden gerekend. Colours is dan ook een complexe, zeer geavanceerde studioplaat, ontsproten aan de meesterbreinen van Jack Dalton en Gary Montgomery. Het duo weigert echter live op te treden, waardoor de band uiteenvalt en het album wegzinkt in de vergetelheid. Er volgt nog een album in een andere bezetting, maar dat kan beslist niet tippen aan de majesteitelijke, orkestrale pracht van het debuut Colours.

Bad Day At Black Rock, Baby / Love Heals / Helping You Out / Where Is She / Rather Be Me / I'm Leaving / Brother Lou's Love Colony / I Think Of Her (She's On My Mind) / Lovin' / Cataleptic / Don't You Realize



maandag 19 augustus 2013

Honeybus | Story

Voor altijd herinnerd vanwege de klassieke sixties-hit 'I Can't Let maggie Go', heeft Honeybus de reputatie van een singlesband die een grote hit scoorde. Maar Honeybus maakte ook een album: Story. Na het hitsucces stapt Pete Dello, de voornaamste songschrijver gefrustreerd uit de band en is Honeybus naarstig op zoek naar een volgende hit. Onder de songs die ze uitproberen in de studio bevinden zich geen instant-hits, maar er ontstaat wel voldoende materiaal, afkomstig van Colin Hare en vooral Ray Cane, voor een volwaardige lp – die Honeybus in zo'n twee weken in de Londense Central Sound Studio vastlegt. Maar de hoop op succes verdwijnt als geen label het album aanvankelijk wil uitbrengen en dus volgen de Honeybus-leden in de zomer van 1969 het advies op van hun manager: stoppen. Waarna het prachtige Story in 1970 postuum wordt uitgebracht. Honeybus vermengt op Story zeer vaardig meeslepende harmony-pop, subtiele countryrockritmes en schitterende barokke pop waarin plaatsgemaakt is voor zowel blazers, strijkers als psychedelische gitaren. Elf schitterende popsongs die tegelijk beatlesk zijn en knipogen naar klassieke Westcoast, kunnen helaas niet voorkomen dat Story roemloos ten onder gaat

Story / Black Mourning Band / Scarlet Lady / Fresher Than The Sweetness In Water / He Was Columbus / Ceilings No. 1 / Under The Silent Tree / She's Out There / She Said Yes / I Remember Caroline / How Long / Ceilings No. 2

vrijdag 7 juni 2013

Nirvana | All Of Us

Beslist een van de mooiste singles van de jaren zestig: ‘Rainbow Chaser’. De magnifieke song komt in Nederland echter niet hoger dan de tipparade. Niet zo gek, aangezien de uitvoerende groep – Nirvana – een typisch product is van de hippe Londense scene van Carnaby street, Mary Quant en Twiggy. Nirvana is eigenlijk niet een groep, maar een project. Een groots project, dat wel. Nirvana begon wel als band: in 1966 in Londen opgericht door de Ier Patrick Campbell-Lyons (zang, gitaar) en de Griek George Alex Spyropoulos (toetsen), tuigen zij Nirvana op met een gitarist, bassist, violist en celliste. Island Records, in de personen van Muff Winwood en stafproducer Jimmy Miller, hapt direct toe als Nirvana op de stoep staat. De bandleden worden echter losgeweekt van het duo Campbell-Lyons/Spyropoulos, die dan hun orkestrale arrangementen en muzikale ideeën laten vormgeven door ervaren studiomusici. Hoewel Islands Chris Blackwell in Nirvana de nieuwe Moody Blues of Procol Harum ziet, is Nirvana niet meer dan een baroque-pop kamerorkest – met harp en klavecimbel als de meest in het oor springende instrumenten. Deze sound, aangevuld met Jimmy Millers paukenslagen, is al geheel uitgekristalliseerd op de majestueuze debuutsingle ‘Tiny Goddess’. Vreemd genoeg staat de eerste release van Nirvana op hun tweede lp All Of Us, die in 1968 verschijnt. 
All Of Us is gestoken in een schokkende hoes waarop een beeld te zien is uit een nazi-propagandafilm van Hitlers favoriete filmmaker Leni Riefenstahl. Dit duistere beeld staat in hevig contrast met de kleurrijke muziek die op All Of Us te vinden. De barokke pop, voorzien van multigelaagde zang, een 30-koppige strijkerssectie en verrassende studio-effecten, komt fraai tot zijn recht in kunststukjes als ‘Melanie Blue’, ‘Trapeze’ en ‘Miami Masquerade’. ‘You Can Try It’ valt op vanwege spinet en Bacharach-zang, evenals het voor een speelfilm gecomponeerde ‘The Touchables (All Of Us)’. Top of the bill zijn echter de mini-symfonieën ‘Tiny Goddess’ en de met phasing-effecten versierde klassieker ‘Rainbow Chaser’. Maar de singles worden geen hits, waardoor Island de interesse in Nirvana verliest. Campbell-Lyons en Spyropoulos vinden dan onderdak bij een Amerikaans label dat echter vlak voor het derde album failliet gaat, Nirvana in zijn val meeslepend.

Rainbow Chaser / Tiny Goddess / The Touchables (All Of Us) / Melanie Blue / Trapeze / The Show Must Go On / Girl In The Park / Miami Masquerade / Frankie The Great / You Can Try It / Everybody Loves The Clown / St John’s Wood Affair 

zaterdag 1 juni 2013

Skip Bifferty | Skip Bifferty

Als zanger Graham Bell zich in 1966 bij The Chosen Few in Newcastle voegt, wordt de bandnaam gewijzigd in Skip Bifferty. Tijdens een optreden in Londen wordt de band ontdekt door entrepreneur Don Arden die ze belooft net zo groot te maken als The Rolling Stones. Een aantal singles geeft Skip Bifferty behoorlijke aandacht, helemaal als dj John Peel zich ermee gaat bemoeien. De debuut-lp wordt in een aantal etappes opgenomen en uiteindelijk, gestoken in een sprookjesachtige hoes en met liner notes van Peel, in 1968 gereleased. Ontevreden met de sound laat de band het album terugtrekken en een paar maanden later opvolgen door een geremixte versie. Het komt de verkoop niet ten goede, maar doet niet af aan de psychedelische pracht van het gelijknamige debuutalbum. Gekke stemmetjes, fluitjes, tape-effecten en achterwaartse gitaren verrijken de popsound van Skip Bifferty in avontuurlijke en spannende liedjes als 'Money Man', 'Come Around', 'Jeremy Carabine' en 'Yours For At Least 24', waardoor Skip Bifferty een hoogtepunt is van de Britse psychedelica. Helaas laat een fikse ruzie met manager Arden Skip Bifferty nog in december van datzelfde jaar imploderen.

Money Man / Jeremy Carabine / When She Comes To Stay / Guru / Come Around / Time Track / Gas Board Under Dog / Inside The Secret / Orange Lace / Planting Bad Seeds / Yours For At Least 24 / Follow The Path Of The Stars / Prince Germany The First / Clearway 51 

maandag 27 mei 2013

Pernice Brothers | Overcome By Happiness

In 1997 gaat Scud Mountain Boys op de helling. Sleutelfiguren Frank Padellaro en Joe Pernice beginnen hun eigen band: Padellaro King Radio, Pernice Pernice Brothers. De laatste verlaat het pad van de alternatieve country en zoekt zijn weg in de pop van Burt Bacharach, Bread en Colin Blunstone. Geruggensteund door een nieuw label (Rykodisc) en gelouterde muzikanten als Michael Deming (producer van de Gigolo Aunts en The Lilys), Aaron Sperske (Beachwood Sparks), Peyton Pinkerton (Weezer),Tom Monahan (Scud Mountain Boys) en een compleet orkest, neemt Pernice Overcome By Happiness op. De country- en folkinvloeden zijn resoluut naar de achtergrond verdrongen ten faveure van een popbenadering. De drums en bas zijn ten opzichte van Scud Mountain Boys steviger aangezet en zanger Joe Pernice laat zich nadrukkelijker gelden. Britse invloeden als Badfinger en The Zombies doen definitief hun intrede en ook doen de Pernice Brothers herinneren aan de perfecte poprock van Big Star. Melancholiek en melodieus, catchy en introspectief – Pernice betoont zich meermalen de treurige troubadour – Overcome By Happiness heeft dit alles in zich en ademt met hemelse, van weemoed druipende liedjes als 'Sick Of You', 'Dimmest Star', 'Shoes And Clothes' en 'Wherein Obscurely' een bijzonder grote muzikale rijkdom. Overcome By Happiness zet de standaard voor een imposant, zich decennialang uitstrekkend Pernice-oeuvre.

Crestfallen / Overcome By Happiness / Sick Of You / Clear Spot / Dimmest Star / Monkey Suit / Chicken Wire / Wait To Stop / All I Know / Shoes And Clothes / Wherein Obscurely / Ferris Wheel




donderdag 25 april 2013

Bergen White | For Women Only


For Women Only zit in een vreselijk lelijke hoes. De directe associatie met candlelight-muziek en het oeuvre van James Last doet het album absoluut geen recht. De hoes van For Women Only is dan ook puur misleidend. Het verklaart wel waarom For Women Only bij verschijning in het voorjaar van 1970 geen enkele aandacht krijgt van de serieuze popmuziekliefhebber. De maker van het album, Bergen White, maakt nog een paar niet-verkopende singles en verkiest dan een – succesvolle – carrière als arrangeur.
Bergen White is in 1964 wiskundeleraar in Nashville, Tennessee als hij een beter betaalde baan kan krijgen bij Hit Records als zanger van covers van hits die als originelen aan supermarktketens verkocht worden. White raakt geïnteresseerd in het arrangeerwerk en krijgt de gelegenheid de b-kantjes van de singles te vullen met eigen materiaal. Door het namaken van pophits raakt White bedreven in de kunst van het arrangeren. Daarnaast kent White een bescheiden succes als zanger in de live-band van surfgroep Ronny and the Daytonas. Na zo’n optreden ontmoet Bergen White bovendien zijn grote voorbeeld: Brian Wilson. Nadat White in 1967 voor Monument een single heeft uitgebracht, tekent hij als solo-artiest bij Nashville-entrepeneur Shelby Singleton. Als tegenwicht tegenover de arrangeerklussen – waar hij zich vooral een ingehuurde kracht voelt – wil Bergen White zijn eigen ideeën uitvoeren; wil hij een solocarrière. Met zijn oude vriend, sessiegitarist en engineer Wayne Moss, werkt White anderhalf jaar lang in Moss’ Cinderella Studio met tussenpozen aan zijn albumdebuut. Tot hun beschikking staat Area Code 615, een fameuze groep Nashville-studiomuzikanten: mondharmonicaspeler Charlie McCoy, gitarist Mac Gayden, pianist David Briggs, bassist Norbert Putnam en drummer Kenneth Buttrey. Zij zorgen voor een perfecte begeleiding, maar het zijn Bergen White’s fenomenale orkestrale arrangementen die van For Women Only een barok en uniek meesterwerk maken. White’s zachte tenor weet zich omgeven door gitaar-arpeggio ’s, pianoflarden, fuzz-gitaar, klavecimbel en de meest bitterzoete strijkerspartijen voorstelbaar. White’s keuze van covers is nagenoeg onberispelijk en diens interpretaties daarvan fabuleus. Van softpopcomponisten Barry Mann en Cynthia Weil covert White het prachtige ‘She Is Today’; van Bread-zanger David Gates zowel ‘Gone Again’ als het etherische ‘Look At Me’, dat niet had misstaan op Love’s Forever Changes. Van Mickey Newbury diens ‘Let Me Stay Awhile’ en van Townes Van Zandt het hartverscheurende ‘Second Lover’s Song’, dik aangezet met dramatisch snerpende violen. Maar ook Bergen White’s eigen composities, ‘It’s Your Time’, ‘The Bird Song’ en ‘Now’ – gezongen met zijdezachte stem en voorzien van klavecimbel, ijle violen en ronkende cello’s – dragen volwaardig bij aan de brille van dit baroque-pop meesterwerk. Maar door de misleidende hoes en de falende promotie zag niemand dat in 1970.
Bergen White koos eieren voor zijn geld en werd een veelgevraagd en arrangeur: hij werkte onder meer met Tony Joe White, Glen Campbell, Elvis Presley en ook Garth Brooks. Desondanks is zijn grootste muzikale prestatie zonder twijfel For Women Only.

She Is Today / It’s Your Time / Let Me Stay Awhile / Look At Me / Lisa Was / Hurt So Bad / On And On / Gone Again / Second Lover’s Song / The Bird Song / Now / It’s Over Now

donderdag 8 november 2012

John Howard | Kid In A Big World


Eén perfect album maakt John Howard; komt uit het niets en verdwijnt in het niets – en laat in de verwarring het miskende meesterwerk Kid In A Big World achter. Verwarrend is het zeker: geboren als Howard Jones neemt hij de artiestennaam John Howard aan; verandert van een langharige hippie in een kortgekapte dandy in krijtstreeppak; is heel even de hottest kid in town en verdwijnt dan van het podium. Howard is afkomstig uit Noord-Engeland, studeert al vanaf zijn vijfde klassiek piano en maakt geïnspireerd door ‘Strawberry Fields Forever’ zijn eerste opnamen op zijn slaapkamer. De student Howard treedt, gezeten achter de piano, op met zijn zelf gecomponeerde songs, maar beseft dat hij in Noord-Engeland tevergeefs zijn muzikale droom najaagt. Eenmaal in Londen in augustus 1973 grijpt hij de kans aan om demo’s op te nemen en na de metamorfose tot spichtige glamrocker, tekent Howard eind ’73 een contract bij CBS. Het jaar daarop beginnen de opnamen in Abbey Road met als producer Shadows-drummer Tony Meehan, als begeleiders sessiemuzikant Dave Wintour en Argent-leden Bob Henrit en Rod Argent, en een strijkwartet. In de Apple-studio worden maanden later de opnamen gecompleteerd van Howards debuut Guess Who’s Coming To Dinner, maar als de te decadente hoesfoto door CBS wordt afgekeurd, komt er niet alleen een andere hoesfoto maar ook een andere titel: Kid In A Big World. De tien magnifieke liedjes op de plaat bewegen zich tussen de glampop van Elton John en de geëxalteerde rock van David Bowie. ‘Goodbye Suzie’ is de melodramatische maar catchy single – die geen hit wordt, maar het best is Howard in barokke ballads als de titelsong, ‘The Flame’ en het machtig dramatische ‘Gone Away’ – waarop Howard de mellotron bespeelt die John Lennon gebruikt op ‘Strawberry Fields Forever’, en waarmee een droom uitkomt. Dat kan niet gezegd wordt van Kid In A Big World. Aanvankelijk doet CBS er alles aan – zoals levensgrote kartonnen displays en paginagrote advertenties – maar al snel worden Howards commerciële mogelijkheden betwijfeld en wordt Kid In A Big World niet meer herperst. Als CBS van John Howard een disco-artiest wil maken blijft de reeds opgenomen opvolger op de plank liggen en is het lot van Kid In A Big World dat van een gezocht collector’s item, dat overigens wel in 2004 een verdiende reissue krijgt.

Goodbye Suzy / Family Man / The Flame / Maybe Someday In Miami / Gone Away / Missing Key / Spellbound / Guess Who’s Coming To Dinner / Deadly Nightshade / Kid In A Big World

zaterdag 23 juni 2012

The Left Banke | Too

Michael Lookofsky is een muzikaal wonderkind met een dominante vader. De vader, een klassiek getrainde violist, is eigenaar van een opnamestudio in New York. Zoon Michael heeft zich bekwaamd in het spelen op klavecimbel, spinet en piano. In 1965 ontmoet hij in de studio van zijn vader Steve Martin en Tommy Finn. Finn kent een drummer, George Cameron, en The Left Banke is geboren. Harry Lookofsky wordt manager van de band, brengt deze onder bij Smash Records, en wil ze louter Beatles-covers laten spelen. Maar zoon Michael – die zich voortaan Michael Brown gaat noemen – verzet zich en gaat zelf liedjes componeren die zijn klassieke invloeden paren aan de rock-‘n-roll-spirit van de overige bandleden.
De eerste Brown-compositie die The Left Banke in 1966 opneemt is direct al een klassieker: ‘Walk Away Renée’ – in Nederland in 1968 een top 20-hit voor The Four Tops. Harry Lookofsky heeft talloze musici de studio ingeloodst om The Left Banke een orkestrale sound te geven, zoals blijkt op de volgende single van de band, het eveneens klassieke ‘Pretty Ballerina’. De debuut-lp Walk Away Renée/Pretty Ballerina wijkt anno 1967 af van het gangbare – nauwelijks hoorbare gitaren, in de plaats daarvan volop klavecimbels, strijkers en koper. De verplichte tournee volgt, maar Brown blijft achter in de studio. Hij beschouwt The Left Banke als zijn bezit en brengt de single ‘Ivy Ivy’ uit. De rest van de band vindt dat ook en dus bestaan er twee Left Banke’s. Voor een korte tijd wordt de ruzie bijgelegd; lang genoeg om de wederom prachtige Brown-compositie ‘Desiree’ als single uit te brengen. Maar dan vertrekt Michael Brown opnieuw, evenals gitarist Rick Brand. Zanger Steve Martin, bassist Tom Finn en drummer George Cameron gaan met behulp van gitarist Tom Feher en producer Paul ‘Lemon Piper’ Leka werken aan de tweede Left Banke-plaat. Niet alleen de hoes – het trio in caleidoscoop afgebeeld in 18e eeuwse kostuums – van Too is barok; de muziek is pure psychedelische barok. Strijkers vliegen af en aan, vreemde geluiden steken de kop op, bewerkte gitaren en orgels dwarrelen vrijelijk door de liedjes heen. Too is qua geluid het debuut in overtreffende trap. Het licht rockende ‘Bryant Hotel’ is volgepropt met banjo’s, klavecimbels en honky tonk-piano’s, waar tegenover prachtige zweverige psychedelische songs als ‘Dark Is The Bark’, ‘Sing Little Bird Sing’, ‘My Friend Today’ en ‘There’s Gonna Be A Storm’ staan. Too is wat dat betreft in vele opzichten met zijn weelderige strijkersarrangementen, massieve koperblazers en schitterende harmonieën een Oostkust-equivalent van Pet Sounds en Forever Changes. Maar dan wel zonder dat succes.
The Left Banke neemt nog een drietal nummers op, maar totaal gebrek aan aandacht van critici en publiek doet de band eind ’69 gefrustreerd uiteen vallen. The Left Banke laat met Walk Away Renée/Pretty Ballerina en Too twee fascinerende lp’s na, die het predikaat baroque-pop ten volle verdienen.


Goodbye Holly / There’s Gonna Be A Storm / Sing Little Bird Sing / Nice To See You / Give The Man A Hand / Bryant Hotel / Desiree / Dark Is The Bark / In The Morning Light / My Friend Today

zaterdag 18 februari 2012

John Grant | Queen Of Denmark




John Grant is aanvankelijk nog een onbekende naam, maar daar komt verandering in als zijn debuut, Queen Of Denmark, de ontvangst krijgt die deze beslist verdient. Voor liefhebbers van orkestrale pop met een voorkeur voor de seventies is dit album een puur walhalla. Eerder was John Grant de zanger met de imposante bariton in The Czars, die met cd's als Before... But Longer (2000) en Goodbye (2004) indruk maakten met bloedrode, stemmige alt.country. Grant overwon een stevige depressie, wist van een alcohol- en cocaïneverslaving af te komen en keerde terug naar zijn muze. Bij Midlake in Denton, Texas werd Grant met open armen ontvangen om in twee fasen zijn solodebuut op te nemen met Midlake als zijn begeleidingsband. Een geweldige combinatie want gezamenlijk tillen zij Queen Of Denmark op naar grote hoogten. De nadruk ligt op barokke pop met grootse arrangementen en kleurrijke details zoals de dwarsfluit van Tim Smith in het schitterende 'Marz' of de lekkere moogsolo's in de even prachtige songs 'Sigourney Weaver,' 'Caramel' en 'Outer Space'. Midlake's begeleiding in combinatie met de fluwelen strijkers is voortreffelijk, en een wonderlijk volmaakt geheel met John Grants piano-georiënteerde composities bovendien. Het levert vele, vele hoogtepunten op en maakt van Queen Of Denmark – gelijk Midlake's The Courage Of Others – een in 2010 ongeëvenaard, briljant popalbum.
TC And Honeybear / I Wanna Go To Marz / Where Dreams Go To Die / Sigourney Weaver / Chicken Bones / Silver Platter Club / It's Easier / Outer Space / JC Hates Faggots / Caramel / Leopard And Lamb / Queen Of Denmark

donderdag 12 januari 2012

Cardinal | Cardinal

De ex-zanger van de Australische Moles, Richard Davies, komt in Boston terecht door zijn Amerikaanse vriendin. Samen met drummer Bob Fay – later in Sebadoh – en trompet-student aan het New England Conservatory Eric Matthews vormt hij Cardinal. De verlegen en dandy-achtige Matthews vormt een scherp contrast met de rock-‘n-roll-attitude van Davies, wellicht een reden dat Cardinal in de korte levensduur dat het gegund was niet voldoende was doorontwikkeld. Dat Cardinal in feite een studioproject was, moge blijken uit het feit dat de band slechts één keer live optrad; in The Middle East Club in Cambridge, Mass, ergens in 1993. Ondanks de verschillen – de perfectionistische Matthews enerzijds en de meer instinctieve Davies anderzijds – klinkt het wonderwel tussen de twee. Voor zijn komst naar de VS had Davies in Londen een serie songs geschreven die nu van pas komen bij het Cardinal-project. Het kleine Flydaddy-label heeft echter maar een klein budget ter beschikking gesteld, waardoor Matthews zijn droom van een barok en orkestraal meesterwerk ziet vervliegen. Maar de klassiek geschoolde Matthews kent in Portland, aan de Westkust, nog wel een aantal muzikanten die voor een habbekrats willen meewerken aan Cardinals debuut-cd. Zo komt het duo terecht in de Sound Impressions-studio, een veredelde kelder. Naast ondersteuning op piano, drums en trombone, en Davies’ elektrische gitaar, is het de multi-instrumentalist en arrangeur Matthews – bas, gitaar, trompet, orgel, piano, klavecimbel – die het bandgeluid vorm geeft. In de mix zijn bovendien incidenteel strijkers en houtblazers toegevoegd, waardoor een nummer als ‘Big Mine’ verheven wordt tot een barokke mini-symfonie. Davies ontleent de inspiratie voor zijn liedjes aan het werk van The Beatles en The Bee Gees, waardoor Cardinal een uitgesproken Brits karakter heeft. Prachtsongs als ‘Silver Machines’ en ‘You’ve Lost Me There’ roepen overigens evenzeer excentrieke songschrijvers als Syd Barrett en Robyn Hitchcock in herinnering. Op ongenaakbaar fraaie liedjes als ‘Last Poems’ en ‘Dream Figure’ benaderen de vocale harmonieën – Davies’ scherpe stem met het Aussie-accent versus de koffiebruine bariton van Matthews – de gedroomde perfectie. Maar al die pracht mag maar weinig baten. Want als Cardinal in oktober 1994 uitkomt, heeft de wereld geen aandacht voor de delicate orkestrale pop van het tweetal Davies en Matthews. Eric Matthews blijft aan de Oostkust en tekent bij Sub Pop, Richard Davies vertrekt weer naar down under – en dus splijt Cardinal in tweeën.
If You Believe In Christmas Trees / Last Poems / Big Mink / You’ve Lost Me There / Public Melody # 1 / Dream Figure / Tough Guy Tactics / Angel Darling / Singing To The Sunshine / Silver machines