Posts tonen met het label 1969. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1969. Alle posts tonen

vrijdag 23 februari 2018

Cartoone | Cartoone

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen Led Zeppelin en het totaal onbekende Cartoone. Beide bands kwamen namelijk onder contract bij het Amerikaanse Atlantic, dat in 1968 naarstig op zoek was naar Brits muzikaal talent; er wordt beweerd dat ze zelfs op dezelfde dag hun contract tekenden. Hun beider debuutalbums verschenen in januari 1969. En op beide platen speelt Jimmy Page mee. 
Cartoone komt voort uit The Chevlons, een beatgroep uit Glasgow. In 1968 verruilen ze Schotland voor Londen, en via zangeres Lulu komen Derek Creigan (zang, bas), Mike Allison (gitaar, zang), Mo Trowers (gitaar, zang) en Charlie Coffils (drums, zang) aan een contract bij het fameuze Atlantic voor twee albums. De opnamen vinden eind ’68 plaats in Londen, met als ‘Guest Artist’ Jimmy Page. Het gelijknamige album kent in liedjes als ‘Knick Knack Man’ en ‘Ice Cream Dreams’ - met fraaie samenzang - gave voorbeelden van Britse eind jaren zestig poppsychedelica. ‘A Penny for the Sun’ is de tweede single, vanzelfsprekend poppy, maar ook bijna easy listening. ‘Withering Wood’ is een heerlijk dromerige folkballad versierd met orkestrale arrangementen, en ‘I’ll Stay’ en het sterke ‘Let Me Reassure You’ laten de rockkant van Cartoone zien.
Cartoone wordt in januari 1969 wereldwijd uitgebracht en in april van dat jaar gaat de band naar Amerika om het voorprogramma van Led Zeppelin te verzorgen. Als Cartoone net uit Amerika teruggekeerd is, komt het bericht dat het voor Atlantic allemaal niet meer hoeft en dat dat tweede album er ook niet meer komt. Hier houden de vergelijkingen met Cartoone’s labelgenoten op: terwijl Led Zeppelin op wereldroem afstevent, is Cartoone gecrasht.

‘Knick Knack Man’ | ‘Withering Wood’ | ‘The Sadness of Toby Jugg’ | ‘A Penny for the Sun’ | ‘I’ll Stay’ | ‘Girl of Yesterday’ | ‘I Can’t Walk Back’ | ‘Let Me Reassure You’ | ‘Mr. Poor Man’ | ‘Ice Cream Dreams’ | ‘Doing What Mamma Said’ | ‘See Me’

dinsdag 25 november 2014

Aorta | Aorta

Een waanzinnige hutspot aan stijlen, verbonden door een bonkende hartenklop. Dat is het genre-overstijgende, onderschatte psychedelische meesterwerk van Aorta. Het viertal Jim Donlinger (zang, gitaar), Jim Nyeholt (orgel), Bobby Jones (bas) en Billy Herman, afkomstig uit Rockford – what's in a name – Illinois maakt al in het midden van de jaren zestig furore als The Exceptions. Het eind van het decennium dwingt de muzikanten tot een avontuurlijke koerswijziging en een naamsverandering in Aorta, de grote lichaamsslagader. De zeer getalenteerde band raakt onder invloed van de muzikale revolutie en geestverruimende drugs besmet door het psychedelica-virus en experimenteert met stijlen als jazz, soul, garagepunk en onvervalste acidrock. Dankzij het muzikale vakmanschap en de geweldige composities wordt Aorta's avontuurlijke rock geen rommeltje. Dat blijkt wel uit het gelijknamige debuut Aorta, dat de band opneemt in de Great Lakes Recording-studio in Sparta, Michigan. Het grote Columbia-label brengt in 1969 Aorta uit, een waanzinnige plaat, een duizelingwekkende tour de force, maar wel een verrassend coherent geheel. Aorta begint met het kloppen van het hart in 'Main Vein I' – een thema dat in meerdere intermezzo's terugkomt – om dan los te barsten in de machtig fuzzende rocker 'Heart Attack', die op zijn beurt wordt opgevolgd door de barokke strijkers en houtblazers van'What's In My Mind's Eye' Kamerbrede orkestrale kamerpop is er in 'Magic Bed', het heerlijk wegzwevende 'Sprinkle Road To Cork Street' en in de meeslepende uitvoering van Colours' 'Catalyptic'; psychedelische soul in 'ode To Missy Mxyzosptlk' en avant-progrock in 'Strange'; terwijl in 'Sleep Tight' kerkorgel en fuzzgitaren de dienst uitmaken. De orkestrale baroque pop van het voortreffelijke 'Thousand Thoughts' en de opwindende acidrock van Thoughts And Feelings' sluiten een waanzinnig sterk album af, dat gerust tot de sixties-klassiekers mag worden gerekend, ware het niet dat Aorta al bij verschijnen aan het zicht werd onttrokken. Een slappe opvolger in een andere bezetting heeft dan ook alleen maar bijgedragen aan de obscuriteit van de band. Het sixties-meesterwerk Aorta had een beter lot verdiend.

Main Vein I / Heart Atack / What's In My Mind's Eye / Magic Bed / Main Vein II / Sleep Tight / Catalyptic / Main Vein III / Sprinkle Road To Cork Street / Ode To Missy Mxyzosptlk / Strange / A Thousand Thoughts / Thoughts And Feelings / Main Vein IV



maandag 15 september 2014

Freedom | Nerosubianco

In 1967 gewipt uit Procol Harum, beginnen drummer Bobby Harrison en gitarist Ray Royer een eigen band: Freedom. Het viertal, mede vanwege de zwierige orgelsound van Mike Lease, leunt zwaar op de barokke, uitbundige geluid van Procol Harem. Als Freedom op het platteland zijn sound aan het ontwikkelen is, krijgt hun management het voor elkaar dat de band de soundtrack voor een Italiaanse film mag componeren en opnemen. In de Londense Olympic Studios neemt Freedom met engineers Eddie Kramer en Glyn Johns de soundtrack op van de Dino De Laurentis-productie, de softpornofilm Nerosubianco. Maar het filmproject komt niet tot daadwerkelijke realisatie, wel verschijnt er in 1968 een veelbelovende single van Freedom, maar meningsverschillen tussen de bandleden doet de band al begin 1969 uiteenvallen. Dan blijkt jaren later, en onwetend bij de band, dat de Italiaanse vestiging van Atlantic Records de soundtrack wel op de markt geslingerd heeft. Nerosubianco is een curieus psychedelisch album, bestaande uit dertien afgeronde songs die opgetrokken zijn uit soulvolle zang, een zware Hammond-sound en geestverruimende acid-gitaren. Uit niets blijkt dat Nerosubianco een filmsoundtrack is, daarentegen zijn de op zichzelf staande tracks fraaie staaltjes van song-georiënteerde Britse psychedelica. Nerosubianco is letterlijk een curiosum.

To Be Free / The Better Side / Attraction-Black On White/With You / The Butt Of Deception / The Truth Is Plain To See / Childhood Refelctions / Seeing Is Believing / You Won't Miss / Born Again / Decidedly Man / Relation / We say No / The Game Is Over

zondag 20 april 2014

Bubble Puppy | A Gathering Of Promises

Corpus Christi, Texas, 1967. Uit de as van The Bad Seeds herrijst een nieuwe band: Willowdale Handcar. Maar na een bezoek aan San Francisco, het ruimhartig consumeren van LSD en een blik in Aldous Huxleys Brave New World is een nieuw elan en een nieuwe naam onontkoombaar: Bubble Puppy richt zich op heavy acidrock, geworteld in Texaanse psychedelica en qua harmonieën en zang beïnvloed door Buffalo Springfield en Moby Grape. In Austin, Texas komt Bubble Puppy onder de hoede van Lelan Rogers en zijn International Artists-label, wordt de debuutsingle 'Hot Smoke & Sassafras' een totaal onverwachte nationale hit en lijkt de weg open te liggen voor Bubble Puppy's debuutplaat: A Gathering Of Promises. Een doorbraak is het kwartet echter niet gegund – een groot onrecht. Want wat is A Gathering Of Promises een fascinerend melodieuze acidrockplaat waarop de dubbele gitaar-line-up schittert en de meerstemmige zang flonkert als kristal. Opener 'Hot Smoke & Sassafras' wordt gevolgd door negen geestverruimende songs, met als magisch middelpunt de acht minuten van 'I've Got To Reach You': een amalgaam van Westcoast-psychedelica en southern rock avant la lettre, In 1970 is Bubble Puppy geschiedenis, al komt het viertal een jaar later terug als Demian met een ijzersterke Steppenwolf-achtige hardrockplaat.

Hot Smoke & Sassafras / Todd's Tune / I've Got To Reach You / Lonely / A Gathering Of Promises / Hurry Sundown / Elizabeth / It's Safe To Say / Road To St. Stephens / Beginning 

maandag 24 februari 2014

Jim Sullivan | U.F.O.

Jim Sullivan speelde nooit voor een publiek van meer dan zo'n vijftig man, maakte twee lp's die nagenoeg niemand wilde hebben en verdween in 1975 spoorloos van de aardbodem. Dat is voer voor een culthelden-status en die status verkrijgt de singer-songwriter uit San Diego, Californië dan ook, en dat is op grond van diens debuutplaat U.F.O. beslist terecht. Getrouwd en verhuisd naar noord Los Angeles in 1968 is Jim Sullivan vaste gast in de koffiehuizen aan het strand van Malibu, Avond aan avond speelt hij voor een handjevol vaste klanten in The Raft, maar er is nauwelijks interesse voor de stemmige liedjes gezongen met een imponerende bariton. Vrienden van Sullivan krijgen toch geld bij elkaar om hem in een studio te laten opnemen met een strijkkwartet en de fameuze Wrecking Crew. Hoewel fysiek een robuuste verschijning is Jim Sullivan op U.F.O. vooral een gevoelige, hartveroverende singer-songwriter die op dit geweldige album enorm veel baat heeft bij de warme sound van gitaar, bas, drums en de prachtige gearrangeerde strijkers. Tussen illustere helden als Fred Neil, Tim Hardin, Hoyt Axton en Joe South bevindt zich ook Jim Sullivan, want oorstrelende countryfolk-liedjes als 'Jerome', 'Plain As Your Eyes Can See', 'Whistle Stop', 'Rosey', 'Hghways' en 'U.F.O.' en 'So Natural' maken van U.F.O. een ronduit schitterend album. In 1969 vindt niemand dat, wat ook geldt voor de eponieme opvolger op Hugh Heffners Playboy-label in 1972.
Jim Sullivans carrière loopt op niets uit en dat beseft hij zelf ook. Op 5 maart 1975 vertrekt hij in zijn Volkswagen naar Nashville, Tennessee om daar wat geld te verdienen, maar hij komt op de Interstate 40 tot Santa Rosa, New Mexico en niet verder. Daar haalt de Highway Patrol hem van de weg wegens slingerend rijgedrag. Sullivan koopt een fles vodka en checkt in in het La Mesa Motel. De volgende dag wordt zijn VW gevonden in de woestijn met daarin zijn gitaar en portemonnee. Jim Sullivan is voor altijd verdwenen; weggevaagd van de snelweg. Een reden temeer om het schitterende U.F.O. te koesteren en vooral deze woorden te absorberen: There's a highway / Telling me to go where I can / Such a long way / I don't know where I am. En daar, op de highway, is het voor Jim Sullivan op welke manier dan ook geëindigd.

Jerome / Plain As Your Eyes Can See / Roll Back The Time / WhistleStop / Rosey / Highways / U.F.O. / So Natural / Johnny / Sandman 

dinsdag 24 december 2013

Alexander Spence | Oar

Voor een muzikant met zo een status – de cult hero der cult heroes – heeft Alexander Spence de wereld een zeer bescheiden oeuvre geschonken. Hoewel van origine gitarist, was Skip Spence de eerste drummer van Jefferson Airplane en maakte met deze hippieband in 1966 Jefferson Airplane Takes Off. Als gitarist en componist speelde Spence een belangrijke rol in één van de meest getalenteerde bands van het San Francisco van de jaren zestig, Moby Grape. Slechts twee lp’s – Moby Grape en Wow (met de gratis meegeleverde live-lp Grape Jam) – houdt Skip Spence het te knellende samenwerkingsverband vol. Spence’s gewelddadige en psychotische gedrag, opgestookt door heftig drugsgebruik, doen hem in 1968 in een psychiatrische kliniek in New York belanden. Spence verblijft maar liefst een half jaar in de kliniek en ondergaat heftige aanvallen van dementie en paranoia, maar weet toch zijn hoofd vrij te maken om in de schaarse momenten van luciditeit liedjes voor een soloplaat te schrijven. Als Alexander Spence in december 1968 uit het hospitaal ontslagen wordt, haast hij zich op een motorfiets naar Nashville. In CBS’s Nashville Studios neemt Spence in vier dagen – de hoestekst van Oar spreekt zelfs van één dag, namelijk 16 december – in z’n eentje 17 liedjes op waarvan de 12 meest uitgewerkte een plekje krijgen op Oar. Stoned, maar tegelijk euforisch en on top of it, speelt Skip Spence alle instrumenten zelf, doet de productie en laat de banden in één dag mixen in New York. Oar is dan áf en klaar om aan het publiek geopenbaard te worden. In februari 1969 verschijnt Oar dan, Alexander Spence’s tijdloze meesterwerk.
Oar is als een kaleidoscoop; er ontrolt zich een afwisselend en kleurrijk landschap. Het stonede Little Hands zet de toon met zijn mix van Moby Grape-psychedelica en folkblues. Cripple Creek vervolgens, is een weergaloos countrylied waar Spence met zijn donkere bariton Kris Kristofferson naar de kroon steekt. Spence’s losse psychedelica raakt aan de blues, de country, de folkrock en laat zien dat hij een geestverwant is van Syd Barrett. Oar heeft daarmee raakvlakken met The Madcap Laughs maar ook met Terry Reids River. Oar bevindt zich daarmee in uniek gezelschap. Spence bewijst zich keer op keer als psychedelische space-blues cowboy. Diana, Dixie Peach Promenade, het slepende War In Peace en het geniale Weighted Down (The Prison Song) zijn fenomenale composities. Broken Heart is een gevoelige kampvuursong, het oudtestamentische Books Of Moses beklemt tot op het bot en de afsluiter Grey/Afro is negen minuten samengebalde experimenteerdrift met een hoofdrol voor Spence’s elektrische gitaarspel.
Oar klinkt als een compleet orkest, maar het zijn slechts Skip Spence’s drums, basgitaar, akoestische en elektrische gitaar, die geraffineerd in laagjes gestapeld zijn. De shuffelende drums zijn onnadrukkelijk aanwezig en lijken nauwelijks als begeleiding te fungeren; de nerveuze ritmiek stuitert alle kanten op zonder de aandacht op zich te vestigen. Spence’s elementaire en funky baswerk knort en bromt en leidt net als de drums een eigen leven. Dit alles dient als ondersteuning van het magische en uiterst gedoseerde gitaarspel van Alexander Spence. De gitaarakkoorden laten zich niet in een keurslijf dwingen en waaieren alle kanten op. Er ontstaat als het ware een nieuwe hybride, een extra dimensie tot dan toe zelden vertoond. Instrumentatie en productie zijn in één persoon verenigd en dat geeft Oar de gebalde kracht en subtiliteit die het bandconcept en de solo-artiest met begeleidingsband ten enenmale ontbeert. Het is de kracht van de unieke entiteit die alles in zich verenigt; de kracht van de singer-songwriter als scheppende mens. Dit experiment, het experiment van de muzikale doe-het-zelver en ontdekkingsreiziger, is anno 1968 – het tijdperk van muzikale creativiteit en psychedelica –, dan ook volledig geslaagd. Oar is een universum op zich, een speeltuin van experimentele dadendrang, een grensoverschrijdend kunstwerk dat nieuwe terreinen verkent. Alexander Spence is de pionier die de luisteraar aan de hand neemt naar de onontdekte verten van een stromenlandschap waar alles vloeit: panta rhei.
Natuurlijk behaalde Oar slechte verkoopcijfers en natuurlijk ging het niet goed met Alexander Spence. Alcoholisme en schizofrenie eisten zijn tol. Toch bleef Spence songs bijdragen aan Moby Grape en wist hij het zelfs op te brengen om acte de présence te geven op het in 1978 gereleasde Live Grape. Hoewel er in de loop der jaren steeds meer aandacht kwam voor Oar, ging Spence’s fysieke en mentale toestand hard achteruit. Skip Spence leefde jarenlang in een trailerpark, totdat zijn gesteldheid verregaand verslechterde en hij moest worden opgenomen in een hospitaal. In 1999 onstond het initiatief voor een eerbetoon aan Alexander Spence. Platenbaas Bill Bentley stelt een tribute-plaat samen: More Oar: A Tribute To The Skip Spence Album en het lukt hem om Spence te laten luisteren naar dit eerbetoon. Slechts enkele uren voor zijn dood neemt Skip Spence kennis van het tribute-album. Op 16 april 1999, twee dagen voor zijn 53ste verjaardag, overlijdt Alexander Spence aan longkanker. Skip Spence’s laatste op vinyl gematerialiseerde woorden zijn te vinden op Moby Grape’s reünieplaat uit 1983: My hopes and dreams will soon begin to fade / When thoughts of men and dreams have all been weighed / Darks shadows hide my destined fate they cannot wait / For I shall see a better day, uh uh.

Little Hands / Cripple Creek / Diana / Margaret-Tiger Rug / Weighted Down (The Prison Song) / War In Peace / Broken Heart / All Come Together / Books Of Moses / Dixie Peach Promenade / Lawrence Of Euphoria / Grey/Afro



maandag 23 december 2013

Fairport Convention | Liege & Lief

Het leek er sterk op dat Fairport Convention ophield te bestaan toen in mei 1969 de bestelbus van de band verongelukte met daarin alle bandleden. Zowel drummer Martin Lamble als Richard Thompsons vriendin Jeannie Franklin verongelukten dodelijk. De overlevende bandleden – Sandy Denny, Richard Thompson, Simon Nicol en Ashley Hutchings – waren in diepe rouw gedompeld en zagen de zinloosheid in van het voortzetten van Fairport Convention. Hoe dan ook zou de band nooit meer het oude repertoire spelen; als Fairport Convention zou worden voorgezet, dan moest er een nieuwe muzikale richting worden gevonden. Hetgeen geschiedde. 
Vioolspeler Dave Swarbrick en drummer Dave Mattacks versterken het viertal en in de zomer van 1969 vestigt de opnieuw geformeerde band zich, op initiatief van producer Joe Boyd, in Farley Chamberlayne, een afgelegen country-house. De behoefte om in elkaars nabijheid te zijn leidt tot lange wandelingen in de omgeving, gesprekken aan de keukentafel en het zich verdiepen in oude volksmuziek. Het grote voorbeeld van vele bands in die tijd is Music From Big Pink van The Band; een revolutionair concept van folk en country in een rock-context. Daarnaast raken zowel Sandy Denny als Ashley Hutchings gefascineerd door Britse traditionals – de kunst is echter om de eeuwenoude liedjes te transformeren tot moderne rock; om akoestische liedjes om te zetten in elektrische songs. De uitdaging waarvoor Fairport Convention zich gesteld ziet, wordt een katharsis en een triomf tegelijk, want Liege & Lief is niet alleen het Britse equivalent van Music From Big Pink, maar ook dé herdefinitie van folk en folkrock. Vijf van de acht liedjes op Liege & Lief zijn traditionals, maar Fairport Convention zet de mystieke en mythologische liedjes over ziekte, dood en verderf geheel naar eigen hand. De engelenstem van Sandy Denny – een van de beste zangeressen ooit – klinkt betoverend in ‘Reynardine’ en opzwepend in ‘Tam Lin’ en ‘Matty Groves’, een traditional die al in 1630 bestond. De nieuwelingen zijn prominent aanwezig: Swarbrick met zwierig vioolspel en Mattacks, die totaal onbekend is met folkmuziek, met opvallend stevig drumwerk. Maar naast Sandy Denny is de hoofdrol weggelegd voor Richard Thompson. Niet alleen vanwege zijn evocatieve en onderscheidende gitaarspel, maar ook omdat hij twee fabelachtige composities bijdraagt: ‘Farewell. Farewell’ en ‘Crazy Man Michael’, de laatste een monument van verlies en verdriet. Als Liege & Lief in december 1968 wordt uitgebracht, wordt het direct herkend als het meesterwerk dat het is. Zowel Ashley Hutchings als Sandy Denny hebben Fairport Convention dan al verlaten.

Come All Ye / Reynardine / Matty Groves / Farewell, Farewell / The Deserter / Medley: The Lark In The Morning, Rakish Paddy, Foxhunters’ Jig, Toss The Feathers / Tam Lin / Crazy Man Michael

zondag 24 november 2013

Mason Proffit | Wanted

In 1969 maakt Sounds Unlimited de overstap van garagerock naar countryrock. Ook de naam wordt veranderd: Mason Proffit is de nieuwe naam van de band uit Chicago, Illinois die geleid wordt door de broertjes Talbot. Ze zijn relatieve voorlopers in de nieuwe muziekscene waarin folk, country en twang samengaan met geestverruimende middelen. Het debuutalbum Wanted, gekarakteriseerd door de fluwelen samenzang van de Talbots, kent zowel geëngageerde teksten als outlaw-thematiek. De hippiecowboys mengen honkytonkpiano, banjo en snerpende pedal steel met jengelende gitaren, psychedelische effecten en ook strijkers zoals in ‘Till The Sun’s Gone’. In combinatie met de Westcoast-harmoniezang levert dit uit een onverwachte hoek – Chicago – een boeiende kosmische countryrockplaat op, die met gave songs als ‘Voice Of Change’, ‘Sweet Lady Love’, It’s All Right’ en het zoet-psychedelische ‘You Finally Found Your Love’ talloze hoogtepunten kent. Vijf albums laten de countryrockers op het niet-ontvankelijke publiek los, tot in 1973 het doek voor Mason Proffit valt.

Voice Of Change / A Rectangle Picture / You Finally Found Your Love / Sweet Lady Love / Stewball / Two Hangmen / Buffalo / Walk On Down The Road / It’s All Right / Till The Sun’s Gone / Johnny’s Tune



maandag 18 november 2013

Poet And The One Man Band | Poet And The One Man Band

Het is meer een los allegaartje bevriende muzikanten dan een echte band, wat wellicht ook de reden voor de potsierlijke bandnaam is: Poet And The One Man Band. Het collectief wordt aangevoerd door zanger Tony Colton en zanger/gitarist Ray Smith – want zij schrijven alle composities voor het gelijknamige en enige album van Poet And The One Man Band. Hun begeleiders zijn Britse topmusici: gitarist Albert Lee, gitarist Jerry Donahue, bassist Pat Donaldson en pianist Nicky Hopkins geven acte de présence op de sfeervolle, rootsy langspeler. De muziek beweegt zich tussen Amerikaanse countryrock – 'Ride Out On The Morning Train (In The Californian Rain)' – en pastorale Britse folkrock, schitterend in de meeslepende rocksongs 'Dirty Heavy Weather Road', 'Light My Fire And Burn My Lamp' en het albumhoogtepunt 'The Days I Most Remember'. Een fraai album, maar Poet And The One Man Band overleeft de problemen met hun Amerikaanse platenlabel niet, wat in nog 1969 naast bezettingswisselingen een naamswijziging in Heads, Hands And Feet noodzakelijk maakt.

Please Me, She's Me / The Days I Most Remember / Dirty Heavy Weather Road / Now You've Hurt My Feelings / Sackfull O'Grain / Good Evening, Mr. Jones / Light My Fire And Burn My Lamp / Ride Out On The Morning Train (In The Californian Rain) / Twilight Zone

donderdag 31 oktober 2013

Longbranch Pennywhistle | Longbranch Pennywhistle

The Troubadour, aan Santa Monica Boulevard in West Hollywood, is aan het eind van de jaren zestig dé ontmoetingsplaats voor singer-songwriters, folkrockers en countryliefhebbers. Zowel arrivés, would be-artiesten als nieuwkomers frequenteren de club, maar ook platenbazen op zoek naar talent. Twee van die nieuwkomers zijn een singer-songwriter uit Amarillo, Texas en een zanger-gitarist uit Detroit, Michigan, die elkaar begin ’69 in Los Angeles ontmoeten omdat de vriendin van de ene de zus is van de echtgenote van de ander. Ze sluiten direct vriendschap en betrekken met z’n tweeën een appartement in Echo Park. Hun voornaamste bezigheid is muziek maken en marihuana roken, en avond aan avond is het duo in The Troubadour te vinden om sterren als David Crosby en Gram Parsons te aanschouwen. Ze besluiten dan een zang-duo op te richten, een soort moderne Everly Brothers: John David Souther en Glenn Frey noemen zich Longbranch Pennywhistle. Van ademloze aanschouwers in The Troubadour transformeren Souther en Frey tot voorprogramma van bands als Poco en The Flying Burrito Brothers. Ze trekken dan de aandacht van labelbaas Jimmy Bowen, die op zijn label Amos de Texaan Kenny Rogers onder contract heeft en ook de Texaanse band Shiloh – met in de gelederen ene Don Henley. Bowen sluit een contract met Longbranch Pennywhistle en regelt een studio en een begeleidingsband voor het duo. In de TTG Studios nemen Souther en Frey live hun zelfgecomponeerde liedjes, daarbij ondersteund door de crème de la crème van de L.A.-muzikanten: Larry Knechtel (piano), Joe Osborn (bas), Buddy Emmons (pedal steel), James Burton (gitaar), Ry Cooder (gitaar,slide) en ‘Louisiana Man’ Doug kershaw (gitaar). De laatste is onmiskenbaar aanwezig op het countrysoulliedje ‘Jubilee Anne’, dat het gelijknamige album opent met: One, two, rippetah… De tien liedjes op Longbranch Pennywhistle zijn gelijkelijk verdeeld over de beide songschrijvers Frey en Souther. ‘Run Boy Run’, ‘Bring Back Funky Women’ – beide met fuzz-gitaar van Cooder – en ‘Never Have Enough’ vormen de rocksongs van de lp, terwijl Southers ‘Kite Woman’ en ‘Star Spangled Bus’ typische Westcoast countryrocksongs zijn. De afwisseling wordt gecompleteerd door de van gave harmoniezang voorziene ballad ‘Mister, Mister’, het klassiek klinkende ‘Kite Woman’ en de schitterende uitvoering van de James Taylor-compositie ‘Don’t Talk Now’. Longbranch Pennywhistle is bij verschijning in 1969 een van de eerste platen in het later gepopulariseerde mellow countryrock-genre, een eer die Glenn Frey en J.D. Souther zonder meer toekomt. Zelf gaf het duo er al halverwege 1970 de brui aan, al bleven ze vrienden voor het leven. Daarmee is de geschiedenis van Frey en ook Souther natuurlijk niet geheel geschreven; die neemt namelijk een revolutionaire wending als Glenn Frey ene Don Henley ontmoet.

Jubilee Anne / Run Boy Run / Rebecca / Lucky Love / Kite Woman / Bring Back Funky Women / Star-Spangled Bus / Mister, Mister / Don’t Talk Now / Never Have Enough


zondag 20 oktober 2013

Plain Jane | Plain Jane

De enige plaat van Plain Jane is een sfeervolle mengeling van San Francisco-hippierock en Los Angeles-countryrock. Een typische Westcoast-plaat dit zelfgetitelde Plain Jane; een plaat die het nodige gemeen heeft met het werk van Jefferson Airplane, Buffalo Springfield en Crosby, Stills & Nash. Niettemin komt het kwartet oorspronkelijk uit Albequerque, New Mexico, maar de trek naar Californië is onweerstaanbaar. Plain Jane wordt dan ook in Los Angeles opgenomen en wordt in 1969 uitgebracht, zonder enig spoor van succes. Toch bevat Plain Jane veelal dromerige laidback-liedjes met hemelse harmoniezang, lekkere countrylicks en soms psychedelische gitaren en een zoemende Hammond. Relaxed, mellow en beslist prachtig zijn dan ook liedjes als 'Who's Driving This Train?', 'You Can't Make It Alone' en 'Not The Same'. Plain Jane is een charmante obscuriteit.

Who's Driving This Train? / 'You Can't Make It Alone / That's How Much / Short Fairy Tale / Not The Same / Num-Bird / What Can You Do? / Fire Hydrant / Silence / Mrs. Que





zondag 8 september 2013

John Stewart | California Bloodlines

California Bloodlines wordt door Rolling Stone beschouwd als een van de 200 beste albums aller tijden. Dat is een bewonderenswaardige status voor een lp waarvan de maker nagenoeg nooit genoemd wordt in de canon van countryrock of singer-songwriters. Aan deze kant van de oceaan is John Stewart dan ook een relatief onbekende muzikant. Toch heeft Stewart een immens oeuvre geproduceerd. Eind jaren vijftig heeft de Californiër Stewart de hoop een solocarrière te kunnen starten als tieneridool. Wat Rick Nelson en Eddie Cochran wel lukt, lukt Stewart niet. Als songschrijver in het folktrio The Cumberland Three valt Stewart vervolgens dusdanig op dat hij in 1961 gevraagd wordt voor The Kingston Trio. Met hen neemt Stewart in zeven jaar tijd zestien lp’s op. In 1967 gaat Stewart op de solotoer en boekt hij zijn eerste megasucces; niet als singer-songwriter maar als schrijver van The Monkees’ ‘Daydream Believer’. Gesterkt door dit succes vertrekken Stewart en manager/producer Nick Venet – de man die The Beach Boys groot maakte – in februari 1969 naar Nashville, Tennessee om weg van de Californische hippiesfeer Stewarts debuutalbum op te nemen. In Nashville treffen ze Bob Dylan aan, die in dezelfde studio – Columbia Studio – opnamen maakt voor Nashville Skyline. In de aanpalende studioruimte neemt Stewart met dezelfde Nashville-studiomuzikanten als Dylan California Bloodlines op. Ervaren rotten als mondharmonicaspeler Charlie McCoy, pedal steelspeler Lloyd Green, bassist Norbert Putnam, de drummers Kenny Buttrey en Buddy Harman en de legendarische blinde pianist Hargus ‘Pig’ Robbins zorgen voor een echte countrysfeer. Stewart zelf zingt zijn folky liedjes; kleine, met invoelende stem gezongen portretjes van gewone mensen en hun ontberingen in de depressietijd en hun zoektocht naar geluk in de jaren vijftig. ‘The Pirates Of Stone Country Road’ speelt zich af in South Dakota in het pre-televisietijdperk en zo ademen vele songs op California Bloodlines de sfeer van voorbije tijden; van de gebruiken en rituelen die verloren zijn gegaan. Nostalgie voert de boventoon in prachtige staaltjes singer-songwriterslyriek zoals in titelnummer ‘California Bloodlines’ en ‘Mother County’. Als een Westcoast folktroubadour klinkt Stewart in ‘Razorback Woman’ en ‘Some Lonesome Picker’, terwijl ‘Omaha Rainbow’ en ‘Shackles And Chains’ pure Nashville-country is. Op California Bloodlines vloeien deze twee stijlen prachtig samen, waardoor het album klinkt zoals de treffende omschrijving van schrijver Barney Hoskyns in zijn boek Hotel California: als de verbindende schakel tussen Johnny Cash en Gene Clark. Nog in hetzelfde jaar – 1969 – verschijnt California Bloodlines, al blijft John Stewarts debuut tamelijk onopgemerkt in het Westcoast-geweld. Na het overtuigende debuut, dat zich met de beste singer-songwritersalbums kan meten, zal John Stewart nog maar liefst vierenveertig platen uitbrengen. Hier komt een eind aan als Stewart op 19 januari 2008 overlijdt in het Scripps Mercy Hospital in San Diego, hetzelfde ziekenhuis waar hij 68 jaar eerder geboren werd.

California Bloodlines / Razorback Woman / She Believes In Me / Omaha Rainbow / The Pirates Of Stone Country Road / Shackles And Chains / Mother County / Some Lonesome Picker / You Can’t Look Back / Missouri Birds / July You’re A Woman / Never Goin’ Back

woensdag 5 juni 2013

Euphoria | A Gift From Euphoria

Een beatnik en een cowboy. In een eerste oogopslag zouden het Dustin Hoffman en John Voight kunnen zijn, een still uit de klassieke speelfilm Midnight Cowboy. Maar het gaat hier om Euphoria, een duo bestaande uit William D. Lincoln en Hamilton Wesley Watt Jr. Een beatnik en een cowboy. Maar er is meer dan dat. Te oordelen naar de muziek draait het op A Gift From Euphoria eveneens om Britse versus Texaanse psychedelica of Britse folk versus country uit Nashville. Het is telkens weer die tegenstelling die A Gift From Eupheria zo divers en vooral zo spannend maakt.
We schrijven 1969 als A Gift from Euphoria wordt uitgebracht op Capitol Records. De plaat is geproduceerd door Lincoln en Watt en opgenomen in Hollywood, Nashville en London. In de Britse hoofdstad kwam het duo in contact met The Bee Gees – die zich voorbereidden op Odessa – en het heeft er de schijn van dat Lincoln/Watt zich tijdens hun verblijf in London door hen hebben laten beïnvloeden op het gebied van de orkestrale arrangementen. Deze zijn dan ook zo Brits – getuige de prominente strijkers op opener 'Lisa' – dat we hier eerder te maken lijken te hebben met een band als Tomorrow of The Zombies dan met een Texaanse psychedelische rockband. Maar schijn bedriegt, na de barokke opening stort het duo zich op een opzwepend bluegrass-ritme dat ondersteund wordt door prachtige harmony-vocalen in de trant van Dillard & Clark of Moby Grape. Ditzelfde geldt voor 'Did You Get The Letter' dat halverwege overgaat in heftig psychedelisch gitaarwerk, snijdend, gierend en achterwaarts afgespeeld. Euphoria doet zijn afkomst eer aan; hier zijn de jonge neefjes van de 13th Floor Elevators aan het werk.
Dat Lincoln en Watt hun thuisbasis hadden in Houston is wel bekend, maar dat is dan ook alles. Er is weinig bekend over het duo; naast een handvol singles is A Gift From Euphoria het enige bekende wapenfeit van Lincoln en Watt. Maar dat is dan ook een statement van de eerste categorie. A Gift From Euphoria behoort tot de hoogtepunten van de psychedelische scene van Texas en verdient een eervolle plaats naast A Power Plant van The Golden Dawn, The Psychedelic Sounds Of van The 13th Floor Elevators of Flash van de Moving Sidewalks (de voorloper van ZZ Top). A Gift From Euphoria biedt alles wat de psychedelische muziek uit de late jaren zestig zo interessant maakt; stompende ritmes, gierende en welhaast vloeibare gitaarsolo’s, weirde intermezzo’s en als prachtig tegenwicht de zijdezachte samenzang. De akoestische gitaren rinkelen, de banjo’s tokkelen en in dat licht bezien kan Euphoria eveneens gerekend worden tot de Californische folkrock-beweging met zijn Love, Buffalo Springfield, Moby Grape en The Byrds.
Het lijkt erop dat in Euphoria het beste van alle werelden verenigd was en dat er een glorieuze toekomst voor hen open lag. Daarbij, het duo werd ondersteund door het grote Capitol dat vermoedelijk diep in de buidel heeft moeten tasten voor de kosten van de opnamen, compleet met orkest en op verschillende locaties. Dat A Gift From Euphoria nauwelijks verkocht blijft tot op heden een mysterie. Maar Capitol kan trots op dit product zijn, met Lincoln en Watt hadden zij zowel compositorische als muzikale genieën in huis, getuige de ongelofelijk mooie afsluiter van deze ruim veertig minuten durende pracht-lp. 'World' is ingetogen en spannend, zacht en psychedelisch en is de perfecte afsluiter van een compleet vergeten meesterwerk. Euphoria, en met de band William Lincoln en Hamilton Wesley Watt, is hiermee gedoemd tot de vergetelheid. En nog steeds, want van Lincoln en Watt werd nooit meer iets vernomen. Het draagt zeker bij aan de obscuriteit van A Gift From Euphoria, maar de muzikale kwaliteit en de tegelijk lieflijke en rauwe zeggingskracht van deze sixties-klassieker staat volledig op zichzelf: For I Am Music…The Instrument Of God. Het zijn, anno 1969, de laatste woorden van William Lincoln en Hamilton Wesley Watt.

Lisa / Stone River Hill Song / Did You Get The Letter / Through A Window / Young Miss Pflugg / Lady Bedford / Suicide On The Hillside, Sunday Morning, After Tea / Sweet Fanny Adams / I’ll Be Home To You / Sunshine Woman / Hollyville Train / Docker’s Son / Something For The Milkman / Too Young To Know / World

woensdag 27 februari 2013

Humble Pie | Town And Country


De eerste keer dat de band in volledige bezetting repeteert is het thuis bij mijnheer en mevrouw Shirley, de ouders van de drummer. Kort daarvoor is het kwartet door de Melody Maker uitgeroepen tot supergroep, en dat is niet voor niets met muzikanten die afkomstig zijn uit The Small Faces, The Herd en Spooky Tooth. Eind 1968 is zanger/gitarist Peter Frampton uit The Herd gestapt en is hij met drummer Jerry Shirley van plan een nieuwe band te formeren. Uit het niets ontvangt Shirley dan een telefoontje van Steve Marriott van The Small Faces die vraagt of hij en de bassist van Spooky Tooth, Greg Ridley, met hem en Frampton mee mogen doen. Een supergroep is gevormd. Als reactie op het door de media veroorzaakte stigma kiest het kwartet voor de nederige naam Humble Pie. 
Na repetities in Londen – in huize Shirley – en Steve Marriotts boerderijtje in Essex, en getekend door Andrew Loog Oldham voor diens Immediate-label, gaat Humble Pie met Andy Johns zijn debuut opnemen. Maar nog voor As Safe As Yesterday Is in de winkels ligt, zijn Humble Pie en Johns in de Morgan Studios alweer begonnen aan de opnamen van het nieuwe materiaal. Het eerste resultaat daarvan is de eerste hitsingle van Pie: ‘Natural Born Woman’. Maar het overige materiaal die de band opneemt heeft geen enkele hitpotentie. Omdat Marriott en Ridley op het platteland in Essex wonen en Frampton en Shirley in Londen, krijgt het tweede album van Humble Pie de titel Town And Country. De sfeer is ook overduidelijk die van het platteland: folky, countryesk en akoestisch. ‘Take Me Back’, een Frampton-compositie is een schitterende akoestische song, die opgevolgd wordt door Marriotts expliciete outlaw-countrysong ‘The Sad Bag Of Shaky Jake’: When I was just a kid in Abilene / I had to use a gun, well, for my own sake / I shot a man down when I was just eighteen / And from that day they call me Shaky Jake. Peter Frampton, met zijn stemmige, superieure gitaarspel en gedempte stemgeluid, en Marriotts rauwe soul- en rhythm & blues-power domineren Town And Country volledig, maar er is ook ruimte voor de Ridley-compositie ‘The Light Of Love’ en Shirleys fantastische ‘Cold Lady’. Marriotts ‘Every Mother’s Son’ is opnieuw een akoestisch countryliedje en zijn ‘Silver Tongue’ een geweldige rocksong met scheurende gitaar en rollende Hammond. Hier tegenover staat een even schitterende track als Framptons ‘Only You Can See’ en de Ridley/Frampton-compositie ‘Home And Away’, ruimhartig gemodelleerd naar de Californische sound van Crosby, Stills & Nash. Het bezit bovendien een wonderschoon coda dat Town And Country naar een celebraal einde draagt. Uit acute geldnood brengt Loog Oldham in augustus 1969 Town And Country uit als Humble Pie door Amerika toert, waardoor dit album roemloos ten onder gaat. Humble Pie wordt later niettemin een succesvolle band in Amerika, al blijft Town And Country voor altijd genegeerd. Ten onrechte.

Take Me Back / The Sad Bag Of Shaky Jake / The Light Of Love / Cold Lady / Down Home Again / Ollie Ollie / Every Mother’s Son / Heartbeat / Only You Can See / Silver Tongue / Home And Away

maandag 25 februari 2013

Joe Cocker | With a Little Help from My Friends


Joe Cockers optreden op Woodstock met zijn versie van 'With A Little Help From My Friends' betekent voor de 25-jarige voormalige gasfitter uit Sheffield een internationale doorbraak. Vooral in de Verenigde Staten is er veel vraag naar de rauwe keelklanken en de spastische bewegingen van de grofbesnaarde Brit. Vijf maanden is Cocker op een slopende tournee door Amerika. Intussen neemt de ex-bouwvakker in Los Angeles zijn tweede lp op, opnieuw hoofdzakelijk een coveralbum, want Cocker is schrijver noch componist, maar wel een subliem vertolker van andermans werk. In maart 1970 probeert Cocker bij te komen van de rollercoaster ride die zijn leven totaal op zijn kop zet, maar hij wordt onder zeer grote druk gezet om weer op tournee te gaan, nu maar liefst negen maanden lang. De tour wordt een gekkenhuis en een legende: Mad Dogs & Englishmen. Met een dertig koppige entourage beleeft Cocker live de successen van zijn eerdere twee albums: 'Feelin' Alright', 'Delta Lady', 'She Came In Through The Bathroom Window' en uiteraard 'With A Little Help From My Friends'. Dat eerste album neemt de dan nog anonieme rhythm & blueszanger in 1968 op met manager en producer Denny Cordell en zijn begeleidingsgroep The Grease Band. Maar Cocker zet hierbij hulptroepen in. 'Feelin' Alright' wordt in Los Angeles opgenomen met The Wrecking Crew, de fameuze groep studiomuzikanten, waaronder bassiste Carol Kaye. Maar ook in de Londense Olympic Studios laten ze zich niet onbetuigd: Jimmy Page (Led Zeppelin), Steve Winwood (Traffic), Mike Kellie (Spooky Tooth), B.J. Wilson (Procol Harum) en Matthew Fisher (Procol Harum) werken mee aan de schitterende songs die With A Little Help From Friends bevolken. Cocker geeft een totaal eigen, verwrongen draai aan klassiekers zoals 'Don't Let Me Be Understood', Dylans 'Just Like A Woman' en 'I Shall Be Released' en uiteraard de Beatles-song die beroemder is dan het origineel: 'With A Little Help From My Friends'. Deze ultieme klassieker bereikt al voor het album uitkomt de eerste plaats in Engeland en komt in Nederland in november '68 tot de tweede plaats in de top 40. Het gelijknamige album, gereleased in mei 1969, wordt mede hierdoor opgestuwd in de vaart der volkoren, al moet gezegd dat de Cocker-composities 'Change In Louise', 'Marjorine' en 'Sandpaper Cadillac' niets onderdoen voor het selecte covermateriaal. With A Little Help From Friends is gelijk al een bijzondere proeve van bekwaamheid van een emotionele zanger die net niet ten onder ging aan het Woodstock-succes, al betaalde de aan alcohol en cocaïne verslaafde Joe Cocker een hoge prijs.

Feelin' Alright / Bye Bye Blackbird / Change In Louise / Marjorine / Just Like A Woman / Do I Still Figure In Your Life? / Don't Let Me Be Misunderstood / With A Little Help From My friends / I Shall Be Released

maandag 4 februari 2013

The Sir Douglas Quintet | Mendocino


Doug Sahm, geboren in San Antonio, Texas, is als jongetje van acht al een veelgevraagd pedal steelspeler; Little Doug treedt zelfs in 1952 op met Hank Williams. Onder invloed van de nabije Mexicaanse grens voelt Sahm zich aangetrokken tot de chicano-muziek, maar evenzogoed is hij thuis in rhythm & blues, country en western swing. In 1965, als hij met Augie Meyers (orgel), Frank Marin (saxofoon), John Perez (drums) en Jack Barber (bas) een band opricht, komt daar zelfs de invloed van de British Invasion bij. Na onophoudelijk zeuren van Sahm aan het adres van producer Huey P. Meaux – The Crazy Cajun – neemt deze met het kwintet een Brits getinte single op, ‘She’s About A Mover’ en doopt om een Engelse afkomst te suggereren de band The Sir Douglas Quintet. Het succes voert Sahm en de zijnen door zowel de VS als door Europa. In Texas botst de vrijzinnige, dope-rokende Sahm met de bekrompen rednecks en verbant zichzelf en zijn band, met nu Harvey Regan op bas, naar San Francisco, het centrum van de hippie-cultuur. In 1969 schrijft Doug Sahm in zijn dagboek: ”A big year for us. ‘Mendocino’ really took off in Europe, no. 1 in Germany, Switzerland, Holland.” De goedlachse, relaxte Sahm heeft het mis: ‘Mendocino’ heeft in het voorjaar van 1969 met de vijfde plaats zijn hoogste notering in de Nederlandse Top 40. ‘Mendocino’, loflied op een Californisch kustplaatsje, staat op de gelijknamige en derde lp van The Sir Douglas Quintet. Het zeurende Vox Jaguar-orgel van Meyers neemt een prominente plaats in in de sound van The Quintet, maar de Britse pop-invloeden en de Westcoast-psychedelica drukken evenzeer een stempel op het bandgeluid. ‘I Don’t Want’ is een zwierig psych-poplied met rollend orgel en reverb-gitaar; ‘At The Crossroads’ een schitterende ballad en een hoogtepunt op de plaat. Mendocino is verder een smetlkroes van soul, rhythm & blues, country en Tex-Mex, overdekt met een luchtig hippie-sausje. Met de tongue-in-cheek zingt Sahm over het vrije leven en de bijbehorende marihuana in het liberale San Francisco, maar toch klinkt de heimwee naar Texas door in de soulstomper ‘Lawd, I’m Just A Country Boy In This Great Big Freaky City’ en de countrysong ‘Texas Me’. Ook heeft het drie jaar oude ‘She’s About A Mover’ een plaats gekregen op Mendocino, waardoor het album moet worden gezien als de meest karakteristieke, zoniet de beste Sir Douglas Quintet-plaat. Twee jaar later al heft Doug Sahm The Sir Douglas Quintet op en keert de ex-banneling terug naar zijn zo geliefde Texas.

Mendocino / I Don’t Want / I Wanna Be Your Mama Again / At The Crossroads / If You Really Want Me To I’ll Go / And It Didn’t Even Bring Me Down / Lawd, I’m Just A Country Boy In This Great Big Freaky City / She’s About A Mover / Texas Me / Oh, Baby, It Just Don’t Matter

zondag 6 januari 2013

Jim Ford | Harlan County


Het is een curieuze combinatie, een roodharige, pijprokende architect uit New Orleans en driekwart van de indianenband Redbone die tezamen in Los Angeles een countrysoulalbum opnemen. Curieus misschien, maar wel gebeurd: Harlan County is dat album en Jim Ford is de maker ervan. In 1966 is Jim Ford, zat van studie en verantwoordelijkheid, op weg van New Orleans naar San Francisco. Tijdens een tussenstop in Los Angeles komt Ford in contact met de broers Pat en Lolly Vegas, erkende LA-sessiemuzikanten. Zij brengen Ford in contact met een muziekproducer, waardoor hij in LA voet aan de grond krijgt, een aantal singles mag uitbrengen en songs aan anderen levert – die in tegenstelling tot zijn eigen singles bescheiden hits opleveren. In 1969 krijgt Jim Ford de gelegenheid om in eigen productie een album op te nemen met Redbone-mannen Pat en Lolly Vegas en Tony Bellamy, een gospelkoortje, een gebutste blazerssectie en suikerzoete strijkers. Het resulteert in krap een half uur rammelende countrysoul en zwierige, fondanten ballads: Harlan County.
De titelsong wordt als single uitgebracht, maar is tegenwoordig een obscure klassieker. Hoewel weinig van Ford bekend is, passeert in deze meesterlijke rhythm & bluesstomper zijn jeugd de revue: In the black hills of Kentucky I was raised / In a shack on big Bold Mountain / Born into poverty, bathed in misery. Bitterzoete en van weemoed druipende songs – gebed in Gene Page’s weelderige arrangementen – als ‘Love On My Brain’, Alex Harveys ‘To Make My Life Beautiful’ en Suzanne Jordans ‘Changin’ Colors’ wisselen Ford en de Redbone-boys af met funky en opwindende songs. Zo is de Willy Dixon-klassieker ‘Spoonful’ voorzien van de elastieken gitaar van Lolly Vegas, en rammelen zowel ‘Working My Way To LA’ als het fabelachtige ‘I’m Gonna Make Her Love Me’ van puur plezier en genot. Harlan Country is een klassieke countrysoulplaat – vergelijkbaar met het werk van Dan Penn en Joe South – en zowel een mix van covers en Ford-songs als van droevige ballads en zweterige countrysoul. Maar Harlan County maakt van Jim Ford geen bekende popmuzikant, net zo min als de beoogde opvolger die in 1971 in Londen wordt opgenomen met pubrockers Brinsley Schwarz. Hoewel Brinsley Schwarz-zanger Nick Lowe voor altijd Jim Ford-fan is – hij covert Fords ’36 Inches High’ op zijn debuut Jesus Of Cool – mislukken de opnamen volledig en raken de tapes ook nog eens zoek. Van Jim Ford wordt sindsdien weinig tot niets vernomen, totdat het reissuelabel Bear Family in 2007 The Sounds Of Our Time uitbrengt, een verzameling Ford-songs waaronder diens debuutalbum. Het is een moedige poging de geweldige countrysoul van Jim Ford een tweede leven te bezorgen. Voor Jim Ford zelf komt het te laat: kort na de release, op 18 november 2007, wordt hij dood aangetroffen in zijn camper.

Harlan County / I’m Gonna Make Her Love Me / Changin’ Colors / Dr. Handy’s Dandy Candy / Love On My Brain / Long Road Ahead / Under Construction / Working My Way To LA / Spoonful / To Make My Life Beautiful

zaterdag 15 december 2012

Spooky Tooth | Spooky Two


In 2004 verschijnt er van de originele Spooky Tooth nog een dvd met recente live-opnamen – een tribuut aan de net overleden bassist Greg Ridley. De hoogtijdagen van Spooky Tooth zijn dan al 35 jaar voorbij. Hoogtijdagen die hun apotheose bereikten in 1969 – met de release van het tweede album: Spooky Two. Een aantal jaren daarvoor vormen Mike Harrison (zang, toetsen), Luther Grosvenor (gitaar), Greg Ridley (bas) en Mike Kellie (drums) in Carlisle, tegen de Schotse grens, The V.I.P.S. De aanvankelijke bluessound maakt dan plaats voor een meer psychedelisch geluid; The V.I.P.S. worden Art en verhuizen naar London. Na de lp Supernatural Fairy Tales in 1967 verandert het viertal opnieuw zijn naam als de Amerikaanse componist en keyboardvirtuoos Gary Wright zich bij hen voegt. De band – Spooky Tooth – tekent bij Island Records en neemt met Wrights Amerikaanse vriend Jimmy Miller als producer It’s All About op. Soul- en rhythm & blues-invloeden duiken op, maar pas op de tweede Spooky Tooth-plaat vallen deze op hun plaats. In 1969 opgenomen in drie Londense studio’s met Jimmy Miller en engineer Andy Johns is Spooky Tooth een schitterend rockamalgaam, samengesteld uit melodieuze en trage rock, flower power, soul en zelfs gospel. Gary Wrights composities lijken op maat gesneden voor de geweldige rockstem van Mike Harrison, terwijl de zang van de twee in de harmonieën perfect versmelten. De Amerikaanse invloed van Wright op de vier Britten maakt van Spooky Two het ideale huwelijk tussen de pastorale psychedelica van Traffic en de Westcoastrock van Moby Grape.
Het album trapt af met een spannend drum-intro van Mike Kellie, die met zijn log stuwende begeleiding de ideale ruggengraat is – iets wat hij zo’n tien jaar later nog eens zal herhalen bij The Only Ones. De scheurende en massieve Hammond van Gary Wright is in superieure rocksongs als ‘Feelin’ Bad’, ‘Lost In My Dream’ en ‘That Was Only Yesterday’ een stevig fundament onder zijn zang, die van Harrison, incidentele gast Joe Cocker én de gospelzang van Sue Chaloner – van het (latere) Nederlandse duo Spooky & Sue. In het hart – kant 1 afsluitend – bevindt zich de enige cover: het negen minuten klokkende heavy monster ‘Evil Woman’, waarin Grosvenor zijn gitaar laat janken en gillen. Na het bluesy ‘Better By You, Better Than Me’, sluit Spooky Two af met het lyrische hoogtepunt van de plaat: ‘Hangman Hang My Shell On A Tree’. Het vervolmaakt deze Britse rockklassieker, die onterecht wordt overschaduwd door het werk van de grote namen. Al is dat ook te wijten aan de band zelf.
Als ‘That Was Only Yesterday’ ook in Nederland in de top 20 staat, is Greg Ridley al zo’n beetje vertrokken naar Humble Pie. Spooky Tooth valt uiteen al zullen Gary Wright en Mike Harrison in 1972 een doorstart maken – maar niet in de originele bezetting en ook niet op het eenzaam hoge niveau van Spooky Two.

Waitin’ For The Wind / Feelin’ Bad / I’ve Got Enough Heartaches / Evil Woman / Lost In My Dreams / That Was Only Yesterday / Better By You, Better Than Me / Hangman Hang My Shell On A Tree

zondag 2 december 2012

Creedence Clearwater Revival | Green River


In 1969 – het jaar dat Green River verscheen – was Creedence Clearwater Revival de best verkopende rock-act van de wereld. Daarmee overklasten ze zelfs The Beatles. Elke single van de band was goud, puur goud. Creedence Clearwater Revival trad zelfs op op Woodstock, maar is niet in de Woodstock-film te zien. In Amerika is de populariteit van de goudeerlijke swampy rootsrock het grootst; in Nederland is ‘Proud Mary’ voorjaar ’69 de eerste hit. Zanger en componist John Fogerty schrijft simpele maar trefzekere rockliedjes die zich vooral in de moerassen in het Zuiden afspelen, al is Fogerty, geboren in El Cerrito, een real Californian boy. Als reactie op de ellenlange jams van The Grateful Dead en Jefferson Airplane schrijft Fogerty zijn compacte en melodieuze liedjes, die bovendien gemakkelijk uitgevoerd kunnen worden door de bandleden die volgens Fogerty geen rasmuzikanten zijn. Begonnen als The Colliwogs, bestaat CCR vanaf 1967 naast John Fogerty uit zijn oudere broer Tom, bassist Stu Cook en drummer Doug Clifford. De band brengt zijn singles en lp’s uit op het kleine Fantasy Records, dat bestierd wordt door Saul Saenz. Na de tweede lp Bayou Country en de wereldhit ‘Proud Mary’ is Fogerty overtuigd van zijn muzikale en commerciële gaven. Zelfverzekerd en met een gevoel van totale vrijheid – ondanks de aanwezigheid van de dictatoriale Saenz – schrijft Fogerty zijn volgende serie eenvoudige rockliedjes met onheilszwangere teksten: ‘Bad Moon Rising’ en ‘Green River’. Deze all-time klassiekers verschijnen op Green River dat in augustus van 1969 wordt uitgebracht. Green River, gearrangeerd en geproduceerd door John Fogerty, bereikt in Amerika direct een platina-status en is een vervolg op het succes van de eerder uitgebrachte singles. ‘Bad Moon Rising’ levert CCR in juli ’69 ook de eerste top 10-hit in Nederland op. Green River is een werkstuk van een groep – lees: John Fogerty – op de toppen van zijn kunnen. In compacte songs en louter ontsproten aan zijn fantasie zet Fogerty een broeierige sfeer neer die de luisteraar meevoert naar de spookachtige swamps, land van hel, verdoemenis en Mark Twain – het mooist vertolkt in ‘Bad Moon Rising’. Het noodlottige ‘Green River’ blijkt vernoemd te zijn naar limonadesiroop, maar maakt de song niet minder indringend. ‘Commotion’ – de derde hit van de lp – is een vurige rocksong, ‘Tombstone Blues’ een luie groove en ‘Sinister Purpose’ een prachtig kleinood dat wordt overschaduwd door de hits. De tragische vertelling ‘Lodi’ – getoonzet in een weemoedig ritme – is ondanks de aanwezigheid van die wereldhits misschien wel de fraaiste Fogerty-compositie. Green River bezorgt CCR de status van populairste band van de wereld, waarna er nog een onwaarschijnlijke serie wereldhits zullen verschijnen.

Green River / Commotion / Tombstone Shadow / Wrote A Song For Everyone / Bad Moon Rising / Lodi / Cross-tie Walker / Sinister Purpose / The Night Time Is The Right Time 

woensdag 7 november 2012

Hoyt Axton | My Griffin Is Gone


When you are alone in the woods it is impossible to hide behind a tree. No matter where you stand, you are always in front of it.’ Deze filosofische uitspraak is van Hoyt Axton, selfmade man, singer-songwriter en cowboy-filosoof. Deze no-nonsens waarheid is typerend voor de briljante songschrijver uit Oklahoma. Axton schreef talloze nummers die in de uitvoering van anderen grote hits zijn geworden. Hij schreef hits voor Linda Ronstadt, Waylon Jennings, John Denver en Elvis Presley. Zijn grootste succes is echter 'The Pusher', een anti-drugs song, die ironisch genoeg in de uitvoering van Steppenwolf werd opgenomen op de soundtrack van Easy Rider. Op dat punt van Axtons leven – 1969 – bezat hij nagenoeg niets, een vastgelopen carrière, een oud huis, drie kinderen, een auto op afbetaling en $ 400 op zijn bankrekening. Hoyt Axton had er toen al een tienjarige loopbaan opzitten als folksinger in de koffiebars van San Francisco. Axton had zijn talent niet van een vreemde, zijn moeder Mae Boren Axton, schreef samen met Tommy Durden de eerste grote hit van Elvis Presley; 'Heartbreak Hotel'. Het is een last die Hoyt zijn leven lang heeft moeten dragen; een moeder in de popmuziek, beroemder dan hijzelf.
Axtons carrière was in 1969, na talloze lp’s, op een dood spoor beland. Anderen hadden geprofiteerd van zijn songschrijverskwaliteiten en zijn jeugdige naïviteit: ‘I was just a kid with a guitar living in a car’, aldus Axton. En toen viel er een cheque op de mat van $ 14.000 en de dag erop nog eens één van $ 10.000. Voor het eerst hield Hoyt zelf iets over van door hem geschreven songs die een hit betekenden voor anderen; Steppenwolfs uitvoering van 'The Pusher' namen Hoyt Axtons zorgen weg.
Met een keur aan Californische muzikanten – gitarist James Burton, drummer Jim Gordon en toetsenist Larry Knechtel – begon Axton aan de opnamen van My Griffin Is Gone, zijn eerste plaat sinds 1965. Getekend door CBS en vergezeld van een topklasse begeleidingsband neemt de singer-songwriter twaalf nummers op die hun plek krijgen op My Griffin Is Gone. Axton bevindt zich op het kruispunt van de folksinger die hij was in de vroege jaren zestig en de psychedelische countryrocker die hij zal worden. In navolging van 'The Pusher' komt het thema van de geestverruimende middelen regelmatig langs in Axtons teksten, overigens zonder deze te verheerlijken. In 'On The Natural'  verklaart Axton geen marihuana of pillen nodig te hebben op de bergtoppen in de Rocky Mountains, in 'Sunshine Fields Of Love' rijdt Axton op een groene draak door de zonovergoten straten van San Francisco. En in 'Beelzebubs Laughter' struinen sprookjesfiguren door de loopgraven in Vietnam, vertrouwend op hun onschuld. Deze tegenstelling van goed en kwaad, donker en licht, is ook terug te vinden in de begeleiding. De akoestische begeleiding is vaak in mineur getoonzet, terwijl de rijke orkestrale klanken het positieve levensgevoel benadrukken. De kraakheldere en diepe stem van Hoyt Axton draagt qua diepgang bij aan de sterke composities en de werkelijk fabelachtige arrangementen. 'It’s All Right Now' en 'Revelations' zijn fraaie voorbeelden van dit gemengde huwelijk van folk, country en orkestrale pop. Op My Griffin Is Gone doorbreekt Axton de grenzen van de traditionele genres, waarbij er synthese ontstaat van countryrock en folkrock. In zijn grandeur van duistere folkrock herinnert My Griffin Is Gone sterk aan een andere klassieker in dit subtiele genre: The Beau Brummels’ Triangle.
My Griffin Is Gone wordt alom goed ontvangen en luidt de tweede carrière in van Hoyt Axton. Met het klimmen der jaren neemt zijn productiviteit toe, start hij een eigen platenlabel en heeft Ringo Starr in Amerika een toptien hit met het door Axton geschreven 'No No Song'. Daarnaast speelt hij rollen in speelfilms (Gremlins) en in televisieseries. In 1995 wordt Axton getroffen door een beroerte en moet hij zich noodgedwongen voortbewegen in een rolstoel. Dat weerhoudt hem niet zijn indrukwekkende carrière van begenadigd singer-songwriter voort te zetten. Tot hij op 61-jarige leeftijd getroffen wordt door meerdere hartaanvallen. De schrijver van talloze hits en de maker van het sublieme My Griffin Is Gone overlijdt op 26 oktober 1999 op zijn ranch in Montana temidden van familie en vrienden.

On The Natural / Way Before The Time Of Towns / Beelzebub’s Laughter / Sunshine Fields Of Love / It’s All Right Now / Gypsy Will / Revelations / Snow Blind Friend / Childhood’s End / Sunrise / Kingswood Manor / Chase Down The Sun