Posts tonen met het label 1981. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1981. Alle posts tonen

donderdag 28 december 2017

Holly and the Italians | The Right to Be Italian

Je bent geboren in Chicago, richt je band op in Los Angeles, begint met spelen in de pubs van Londen, neemt je debuutplaat met je band op in New York en gaat er prat op Italiaan te zijn. Jij heet Holly Beth Vincent, je band Holly and the Italians en de enige langspeler in 1981 The Right to Be Italian.
Ja, Holly Beth Vincent is me d’r eentje, eentje die haar eigen weg gaat en krijgt wat ze wil. In 1978 is Vincent met haar Italians in Londen, in het hart van de punk. Holly, zangeres en gitarist, en haar vriendjes Mark Sidgwick (bas) en Steve Young (drums) spelen de Londense pubs plat en trekken de aandacht van radiopresentator en rockschrijver Charlie Gillett (The Sound of the City: The Rise of rock and Roll). Dankzij hem mogen Holly c.s. een singletje opnemen: ‘Tell That Girl To Shut Up’; het brengt ze onder contract bij Virgin Records en in het Londense voorprogramma van Blondie. En vervolgens bij Blondie’s producer Richard Gottehrer, die met Holly and the Italians in de New Yorkse Record Plant Studios die debuutplaat opneemt. Naast de incidentele strijkers en blazers dragen ook muzikanten als Anton Fig (drums), Paul Schaffer (piano, orgel) en Talking Head Jerry Harrison (synthesizers) bij aan de punky new wave-sound van Holly and The Italians. 
The Right to Be Italian is in 1981 echt zo’n lp die net even te laat is voor de eerste punk-explosie en net als zovele new wave-bands met een frontvrouw (The Motels, Sue Saad and the Next, The Shirts) blijvend overschaduwd wordt door Blondie. Maar met catchy singles als ‘Tell That Girl To Shut Up’, ‘I Wanna Go Home’ en ‘Miles Away’, de spectoriaanse pracht van ‘Just For Tonight’ en het bijna epische ‘Rock Against Romance’ - ronduit de beste Holly and the Italians-song - is The Right to Be Italian in 1981 toch wel een tot de canon van de Amerikaanse new wave behorende plaat.
Maar ergens houdt het daar al op met Holly Beth Vincent; die tweede Holly and the Italians-plaat komt er niet; een solocarrière komt vervolgens niet van de grond; er voltrekt zich geen wonder. Al hoopte Holly Beth Vincent blijkens ‘Rock Against Romance’ daar wel op:

Someone told me once there really is a wonderland
Do you think so, could it be so, oh I hope so…
Wonderland
Wonderland
Wonderland
Wonderland


‘I Wanna Go Home’ | ‘Baby Gets It All’ | ‘Youth Group’ | ‘Just Young’ | ‘Miles Away’ | ‘Tell That Girl To Shut Up’ | ‘Just For Tonight’ | ‘Do You Say Love’ | ‘Means To A Den’ | ‘Rock Against Romance’

woensdag 11 juni 2014

Modern Eon | Fiction Tales

Stad- en tijdgenoten van Echo & The Bunnymen, Teardrop Explodes en Wah! Heat, maar het succes van die bands is aan Modern Eon voorbij gegaan. Toch staat de band, dan nog een trio, in de voorhoede van de New Liverpool Scene, want in 1979 vertegenwoordigd op de verzamelaar Street To Street A Liverpool Album. De vervolgens uitgebrachte – magnifieke – singles 'Euthenics' en 'Child's Play' bezorgen Modern Eon, inmiddels uitgebreid met drummer, toetsenist en saxofonist, enige aandacht en een platendeal. De wens om met Ennio Morricone als producer hun debuutalbum op te nemen gaat helaas niet in vervulling, maar toch is de filmische, epische sound van Modern Eon treffend vastgelegd op Fiction Tales, het eerste en enige album. Het grootse, kamerbrede geluid – een en al ijlheid en doem – vertoont overeenkomsten met de duistere rock van Joy Division en Echo & The Bunnymen. Toch heeft Modern Eon genoeg eigens: schrapende gitaren, analoge synths, heftig tomtommende drums en de hese, in reverb gedrenkte stem van zanger Alex Johnson. En bovendien in 'Real Hymn', 'Child's Play', 'Choreography' en 'Euthenics' gloedvolle en majesteitelijke postpunksongs.

Second Still / The Grass Still Grows / Playwrite / Watching The Dancers / Real Hymn / Waiting For The Cavalry / High Noon / Child's Play / Choreography / Euthenics / In A Strange Way / Mechanic

zaterdag 11 januari 2014

Siouxsie And The Banshees


Susan Ballion en Steven Severin maken in 1976 deel uit van The Bromley Contigent, een schare fanatieke Sex Pistols-volgelingen. Kort daarop maken zij zich daarvan los en pogen op eigen benen te staan met hun eigen punkband: Siouxsie And The Banshees. De band van non-muzikanten buit de verwarring en chaos van de punk ten volle uit en weet de aandacht van de media op slimme wijze op zich gericht te houden. Als laatste van de grote punkbands tekent Siouxsie And The Banshees in 1978 een platencontract, bij major Polydor. Debuutalbum The Scream slaat in als een bom, opvolger Join Hands is in 1979 het spreekwoordelijke lastige tweede album.
Dan wordt de band gehalveerd en blijven alleen Siouxsie Sioux en Severin over, Bevriende gitaristen en drummer Budgie bieden de helpende hand, zodat Siouxsie And The Banshees ten tijde van het fragmentarische Kaleidoscope weer min of meer een band zijn. Fantastische singles zijn er in de vorm van 'Happy House', 'Christine' en 'Israel'. Bovendien is Siouxsie Sioux met haar tartan-look, leer- en spandex-uitdossingen en koele afstandelijkheid een stijl-icoon, en een media-manipulator bovendien. Anno 1981 is Siouxsie, zich verschuilend achter een duimendik make-upmasker in ieder geval in Engeland een popster. The Banshees zijn ook weer op volle oorlogssterkte als Magazine-gitarist John McGeoch definitief toetreedt. 'Spellbound', de eerste single, is veelbelovend en een prelude voor het vierde album dat in de zomer van 1981 verschijnt: Juju. The Banshees zijn op Juju een hecht opererend collectief dat in een productie van Nigel Gray een zwaar, hermetisch dichtgetimmerd geluid genereert van duistere bas en drums en krassende, schreeuwende gitaarlijnen. Opener 'Spellbound' kent, een single waardig, bovendien rinkelende akoestische gitaren. De volgende single van het album, 'Arabian Knights' is echter gejaagd en neurotisch en is representatiever voor de beklemmende gothische punk van The Ice Queen die op Juju zwarte magie bedrijft. Heftig en compromisloos, maar ook vakkundig gearrangeerd en gecomponeerd zijn hypnotische songs als 'Into The Light', het onheilspellende 'Voodoo Dolly' en het meeslepende albumhoogtepunt 'Night Shift': I'm out of mind with you / In heaven and hell with you...
Juju is hét hoogtepunt in Siouxsie Sioux' langdurige muzikale carrière. Hoewel A Kiss In The Dreamhouse (1982) een evenzeer intrigerend album is, wordt Juju toch algemeen beschouwd als de beste lp van The Banshees, temeer daar het heilige vuur de jaren daarop langzaam uitdooft. De band moet dan ook vooral worden vereenzelvigd met de hoogtijdagen – 1977-1982 – van de punk en de postpunk; Siouxsie And The Banshees zijn iconen daarvan.

Spellbound / Into The Light / Arabian Knights / Halloween / Monitor / Night Shift / Sin In My Heart / Head Cut / Voodoo Dolly



woensdag 16 oktober 2013

Robyn Hitchcock | Black Snake Diamond Röle

Hij is een cultfiguur en zeker niet bekend bij het grote publiek, al is hij wel het onderwerp van een concerfilm gemaakt door Oscar-winnaar Jonathan Demme. Storefront Hitchcock uit 1998 gaat over Robyn Hitchcock, eens de leider van The Soft Boys. Sinds 1980 – het jaar dat Hitchcock solo gaat – heeft de grillige Brit bijna jaarlijks een album uitgebracht, met als meest eigenaardige release een recreatie van Bob Dylans Royal Albert Hall-concert uit 1964. In Amerika wordt Hitchcock op handen gedragen; Los Angeles is zijn tweede thuis. Dat was niet altijd zo. Terug in 1980 vallen The Soft Boys uiteen omdat hun psychedelische punkpop niet wordt gewaardeerd door het Britse publiek. Hitchcock wijt het aan gitarist Kimberley Rew: ‘It got to the point where I couldn’t stand this awful noise behind me on stage.’ Intussen heeft Hitchcock tientallen al dan niet voor The Soft Boys bedoelde liedjes geschreven en ze zelfs al opgenomen in diverse Londense studio’s. De eerste collectie hiervan verschijnt in 1981 onder de intrigerende titel Black Snake Diamond Röle op het label dat ook The Soft Boys uitbracht. Opgenomen in drie studio’s – The Barge, Music Works en de Alaska-studio – kent Hitchcocks begeleidingsband ook diverse bezettingen, met als meeste opvallende aanwezigen de complete Soft Boys-line up: bassist Matthew Seligman, drummer Morris Windsor en zelfs gitarist Kimberley Rew. Voorts zijn Hitchcock behulpzaam gitarist Knox, Psychedelic Furs-drummer Vince Ely en producer Pat Collier. De laatste heeft van de verschillende opnamen een samenhangend geheel gesmeed. 
Hitchcocks liedjes zijn gebaseerd op zijn uit zijn jeugd stammende fascinatie voor The Beatles en Bob Dylan, al springt de solo-artiest Syd Barrett het meest in het oog en oor. Surrealistisch en psychedelisch klinken dan ook Hitchcocks composities en teksten, zoals sublieme songs als ‘The Lizard’, ‘Acid Bird’ en ‘Out Of The Picture’. Parelende punky popsongs als ‘Meat’ en ‘I Watch Cars’ houden de herinnering aan The Soft Boys springlevend, evenals de single ‘The Man Who Invented Himself’. Dit alles voert naar de apotheose van ‘Love’ dat vooraf wordt gegaan Thomas Dolby’s bijna tastbare oceaangeluiden. Op schitterend zweverige wijze transformeert Robyn Hitchcock de aanwijsbare Barrett-invloed tot een geweldig staaltje jaren tachtig psychedelica. Althans, psychedelica volgens de definitie van Hitchcock: alles wat verandert als je er van dichtbij naar kijkt. En als je dat doet, zie je een fascinerend en caleidoscopisch album: Black Snake Diamond Röle.

The Man Who Invented Himself / Brenda’s Iron Sledge / Do Policemen Sing? / The Lizard / Meat / Acid Bird / I Watch cars / Out Of The Picture / City Of Shame / Love

zondag 20 mei 2012

Wasted Youth | Wild And Wandering

Van de afdeling tweede-divisie postpunk: Wasted Youth. Een Londense band die meerijdt op de golf van enerverende postpunkbands als Echo And The Bunnymen, The Sound en The Psychedelic Furs, maar zelf internationaal succes moet ontberen. Toch worden de eerste singles geproduceerd door niemand minder dan Peter Perrett en Martin Hannett en is het enige studioalbum van Wasted Youth energiek, broeierig en sterk ondergewaardeerd. Vanwege de populariteit van trendy vleermuizenrock verwerft Wasted Youth – geleid door zanger/gitarist en componist Ken Scott en gitarist Rocco Barker – een gedegen reputatie in het Londense live-circuit waarvan de band moet worden losgeweekt om een debuutalbum op te nemen. Wild And Wandering – in minder dan 10 dagen opgenomen – verschijnt in oktober 1981 en bevat de definitieve uitvoeringen van de meest favoriete livenummers, zoals 'Maybe We'll Die', 'I Wish I Was A Girl' en 'If Tomorrow'. De gothic postpunk op Wild And Wandering, knipogend naar glamrock, Lou Reed en The Doors, heeft een opmerkelijk transparant geluid, waarin naast de dreigende reverbgitaren, tomtom-drums en ijle synthesizerflarden ook de akoestische gitaren helder klinken. Maar dit alles, in het bijzonder de fantastische catchy rocksong 'Games', kan Wasted Youth helaas niet behoeden voor de obscuriteit.
Maybe We'll Die / Housewife / Games / Pinned And Grinning / Wasted / I Wish I Was A Girl / If Tomorrow / Survivors – Pt.1 / Survivors – Pt.2

vrijdag 9 maart 2012

The Sound | From The Lion’s Mouth

Van pure punk naar atmosferische postpunk, Adrian Borland maakte die transformatie door. Van The Londense punkband The Outsiders naar de doemrock van The Sound. Van nietsontziende kritiek op alles en iedereen tot zelfreflectie, de wereld verinnerlijkt. Met jeugdvriend en bassist Graham Green richt Borland in 1979 The Sound op. Bij hen voegen zich drummer Michael Dudley en toetseniste Bi Marshall, en met zijn vieren nemen ze in de Elephant Studios voor 700 pond hun debuut Jeopardy op. Borland en Green hebben ook nog inspiratie voor een duo-project: Second Layer. Onder die naam neemt het tweetal de elektronische lp World Of Rubber op. De furieuze postpunk van Jeopardy kan, in tegenstelling tot in Engeland, in Nederland op een warm onthaal rekenen. Het lijkt erop of – direct al – de muziekliefhebbers in Nederland Borland en co. in het hart sluiten. In Engeland ligt dat wat lastiger; de getroebleerde en naar corpulentie neigende Borland is geen frontman met good looks, zoals Bono of Ian McCullough van labelgenoten Echo And The Bunnymen. Korova ziet toch voldoende in The Sound om ze de Rockfield-studio’s in te sturen met Hugh Jones – die daar dan net Echo And The Bunnymens Heaven Up Here heeft opgenomen. Bi Marshall heeft dan wegens incompetentie het veld geruimd en is vervanger door Max Mayers. Hij is het die verantwoordelijk is voor de dikke klanktapijten die een bepalende rol vervullen op From The Lion’s Mouth. Met een afbeelding op de hoes van Britons Riviere’s schilderij Daniël in de Leeuwenkuil is From The Lion’s Mouth Borlands trotsering van lamlendigheid, desinteresse en machteloosheid. I’m a willing victim of circumstance, heet het dan ook in ‘The Fire’. From The Lion’s Mouth past met zijn tribal drums, open gitaarakkoorden en majestueuze toetsengordijnen geheel in de tijdgeest van Joy Division, Echo And The Bunnymen en Comsat Angels. De atmosferische doemrock – pál op de tijdgeest – komt ten volle tot uiting in barokke en weelderige songs als ‘Winning’, ‘Posession’ en de single ‘Sense Of Purpose’. Zwaar als kokend lood, maar toch steeds hoopvol gestemd, is Borlands zielenpijn voelbaar in ‘Silent Air’ – You showed me that silence / Can speak louder than words – ‘Fatal Flaw’ en de grande finale van ‘New Dark Age’ – een aanklacht tegen de lafheid van de politiek: And from the safest places / Come the bravest words. Adrian Borland zocht zelf die veilige plaatsen niet op; door gebrek aan succes in eigen land en gespleten door schizofrenie springt Adrian Borland uiteindelijk, op 26 april 1999, voor de trein. Adrian Borland is gestorven met de onrverteerbare gedachte dat From The Lion’s Mouth in zijn eigen tijd niet gezien werd als het meesterwerk wat het is, wat het was en wat het altijd geweest is.
Winning / Sense Of Purpose / Contact The Fact / Skeletons / Judgement / Fatal Flaw / Possession / The Fire / Silent Air / New Dark Age

zondag 19 februari 2012

Matt Johnson | Burning Blue Soul

The The was Matt Johnsons eerste band. The The was een duo – Matt Johnson, gewapend met elektrische piano en gitaar en Keith Laws, synthesizerspeler – dat zich tijdens optredens liet begeleiden door een drummachine. De optredens die The The tussen de coulissen verzorgde, was als handzaam en bijna portable voorprogramma van new wave acts als Wire en Scritti Politti. Het zijn opwindende dagen daar in Londen. Punk heeft zijn momentum verloren en in de plaats daarvan ontkiemt een nieuwe underground; waarbij het experiment – en dan vooral het experiment met mechanische klankbeelden en koudbloedige synthesizers – centraal staat. Punk wordt daarmee verleden tijd. Dat is ook Matt Johnsons beleving: anno 1981 is punk niet (meer) interessant. In die tijd is Matt Johnson al een aantal jaren werkzaam in een geluidsstudio, een studio die een bibliotheek van muziek en geluidseffecten beheert. Met een koptelefoon op is Johnson de gehele dag in de weer met tapeloops en de technische bewerking van bandmateriaal. ’s Avonds doet hij het in zijn kleine slaapkamer nog eens dunnetjes over, maar dan met gebruikmaking van gitaar en drummachine.
De jonge Johnson laat zich graag beïnvloeden door zijn naaste omgeving; naast Wire zijn dat Cabaret Voltaire, Throbbing Gristle en The Human League. In een wijder verband is dat aan de ene kant de poppy rocksound van T.Rex en Gary Glitter en aan de andere kant enigmatische muzikale zondagskinderen als John Lennon, Tim Buckley en Syd Barrett. Maar vooral is het de Duitse experimentele popmuziek van Can en Kraftwerk en van een nieuwlichter als Thomas Leer die via zijn single 'Private Plane' Johnson op het goede spoor zetten. Het is in deze onwaarschijnlijke juxtapositie van oud en nieuw, Angelsaksischs en Europees, populair en avant-gardistisch dat het immense talent van Matt Johnson tot volle wasdom komt.
Nadat The The – Johnson en Law – de single 'Controversial Subject' hebben uitgebracht is het Ivo Watts van het ultrahippe 4AD-label die interesse toont in Matt Johnson. Hij beweegt Johnson ertoe The The te verlaten en een solo-album op te nemen. Met het thuis in elkaar geknutselde materiaal en de hulp van Wire’s Gilbert en Lewis en Magic Band-gitarist Gary Lucas gaat Johnson de studio in om Burning Blue Soul op te nemen. Burning Blue Soul is tot de rand toe gevuld met geniale invallen, doeltreffende experimenteerdrift en visionaire scheppingsdrang. De onbevangenheid en jeugdigheid van Johnson, gevoegd bij de geraffineerde invloedssferen, leveren zowel een dwingende portie avant-garderock als een uniek tijdsbeeld op. Uitgesponnen psychedelische stukken als 'Iceing Up', '(Like) A Sun Rising Through My Garden' en 'Time (Again) For The Golden Sunset' spelen zich af in het krachtenveld tussen schurende gitaren en opdringerige toetsen, waar tussenin Johnsons vocalen samengeperst worden. Johnson wendt zijn invloeden op een zodanige manier aan dat afzonderlijke elementen herkenbaar zijn – zoals de Lennon-achtige zang op 'Bugle Boy' –, terwijl het samenstel der delen iets unieks en vernieuwends oplevert. Dreigende keyboards, maniakaal Polynesich gezang, fragmentarisch gitaarwerk en psychedelische effecten vervolmaken Johnsons visie op de moderne muziek. De hoes bovendien etaleert bij uitstek Matt Johnsons bedoelingen, want een moderne kopie van de hoes van de debuut-lp van de 13th Floor Elevators. Het totale product is daarmee – in die prille postpunkjaren – een even dwingend als onontkoombaar tijdsdocument, want gitaarplaat en keyboardsplaat ineen, Burning Blue Soul refecteert bij uitstek het dualistische muzikale klimaat van het Albion ten tijde van Thatcher. Burning Blue Soul is bij zijn release in 1981 daarmee een waar postmodernistisch document.
Burning Blue Soul is Matt Johnsons eerste en enige (solo-)lp. Als snel gaat hij weer deel uitmaken van The The. Het frappante is echter wel dat Matt Johnson het enige bandlid is van The The, en als The The boort hij nieuwe – en commerciële – gronden aan die tot wereldfaam zullen leiden. Het is louter en alleen Johnsons verdienste, dat is een feit. Evenals de constatering dat Burning Blue Soul de ruwe diamant is in Matt Johnsons kroon; het pronkstuk uit de collectie.
Red Cinders In The Sand / Song Without An Ending / Time (Again) For The Golden Sunset / Iceing Up / (Like) A Sun Rising Through My Garden / Out OF Control / Bugle Boy / Delirious / The River Flows East In Spring / Another Boy Drowning