Posts tonen met het label new wave. Alle posts tonen
Posts tonen met het label new wave. Alle posts tonen

donderdag 28 december 2017

Holly and the Italians | The Right to Be Italian

Je bent geboren in Chicago, richt je band op in Los Angeles, begint met spelen in de pubs van Londen, neemt je debuutplaat met je band op in New York en gaat er prat op Italiaan te zijn. Jij heet Holly Beth Vincent, je band Holly and the Italians en de enige langspeler in 1981 The Right to Be Italian.
Ja, Holly Beth Vincent is me d’r eentje, eentje die haar eigen weg gaat en krijgt wat ze wil. In 1978 is Vincent met haar Italians in Londen, in het hart van de punk. Holly, zangeres en gitarist, en haar vriendjes Mark Sidgwick (bas) en Steve Young (drums) spelen de Londense pubs plat en trekken de aandacht van radiopresentator en rockschrijver Charlie Gillett (The Sound of the City: The Rise of rock and Roll). Dankzij hem mogen Holly c.s. een singletje opnemen: ‘Tell That Girl To Shut Up’; het brengt ze onder contract bij Virgin Records en in het Londense voorprogramma van Blondie. En vervolgens bij Blondie’s producer Richard Gottehrer, die met Holly and the Italians in de New Yorkse Record Plant Studios die debuutplaat opneemt. Naast de incidentele strijkers en blazers dragen ook muzikanten als Anton Fig (drums), Paul Schaffer (piano, orgel) en Talking Head Jerry Harrison (synthesizers) bij aan de punky new wave-sound van Holly and The Italians. 
The Right to Be Italian is in 1981 echt zo’n lp die net even te laat is voor de eerste punk-explosie en net als zovele new wave-bands met een frontvrouw (The Motels, Sue Saad and the Next, The Shirts) blijvend overschaduwd wordt door Blondie. Maar met catchy singles als ‘Tell That Girl To Shut Up’, ‘I Wanna Go Home’ en ‘Miles Away’, de spectoriaanse pracht van ‘Just For Tonight’ en het bijna epische ‘Rock Against Romance’ - ronduit de beste Holly and the Italians-song - is The Right to Be Italian in 1981 toch wel een tot de canon van de Amerikaanse new wave behorende plaat.
Maar ergens houdt het daar al op met Holly Beth Vincent; die tweede Holly and the Italians-plaat komt er niet; een solocarrière komt vervolgens niet van de grond; er voltrekt zich geen wonder. Al hoopte Holly Beth Vincent blijkens ‘Rock Against Romance’ daar wel op:

Someone told me once there really is a wonderland
Do you think so, could it be so, oh I hope so…
Wonderland
Wonderland
Wonderland
Wonderland


‘I Wanna Go Home’ | ‘Baby Gets It All’ | ‘Youth Group’ | ‘Just Young’ | ‘Miles Away’ | ‘Tell That Girl To Shut Up’ | ‘Just For Tonight’ | ‘Do You Say Love’ | ‘Means To A Den’ | ‘Rock Against Romance’

vrijdag 14 juli 2017

The Knack | Get The Knack

Hoewel het wereldwijde succes met The Knack Doug Fiegers stoutste dromen zal hebben overtroffen, had Fieger zo'n tien jaar daarvoor ook al aan het rock-'n-roll-sterrendom geroken. Op de highschool in Detroit, Michigan heeft Fieger een band genaamd Sky, en in een poging bekend worden schrijft de jonge Fieger een brief naar producer Jimmy Miller (The Rolling Stones, Traffic). Miller gaat in op de uitnodiging, bezoekt Fieger thuis in Detroit en haalt Sky – na Fiegers examen – naar Engeland om daar een album op te nemen en een jaar later nog een keer: Don't Hold Back (1970) en Sailor's Delight (1971). 
In 1978 vinden we Doug Fieger terug in Los Angeles waar hij een rock-'n-rollband heeft opgericht met gitarist Berton Averre, bassist Prescott Niles en bluesdrummer Bruce Gary. The Knack gaat met zijn British Invasion-rock, Beatle boots en skinny ties dwars tegen de tijdgeest in. De muziek, ouderwets, is simpel en direct; en gebaseerd op straffe drums, stevige slaggitaren en hyper-melodieuze structuren. Op 1 juni 1978 treedt The Knack voor het eerst op in een volgepakte Whisky-A-Go-Go en dan is een sensatie geboren. Platenlabels vechten om The Knack; winnaar Capitol tekent het kwartet voor een half miljoen dollar. 
Exact een jaar na het eerste optreden verschijnt op 1 juni 1979 Get The Knack – en gelijktijdig wordt de debuutsingle 'My Sharona' op de wereld losgelaten. Producer Mike Chapman (Sweet, Mud, Blondie) levert de perfecte sound voor de powerpopliedjes van The Knack, die geënt zijn op zowel de sixties van The Who en The Beatles, de seventies van Badfinger en The Raspberries, als op de hippe new wave van Elvis Costello en Tom Petty. Get The Knack is een scherp en strak album boordevol jengelende gitaarliedjes die vooral over boy-meets-girl gaan: 'Let Me Out', 'Your Number Or Your Name', 'That's What Little Girls Do' en 'Good Girls Do' – de laatste een vette, vette hit. Al kan dit allerminst in de schaduw staan van de ultieme new wave-hit 'My Sharona'. Niet alleen staat het iconische lied over een kalverliefde wekenlang op nummer 1 in de Amerikaanse hitlijsten;  wereldwijd kent men de klassieke gitaarriff en het stotterende m-m-m-my Sharona. De zeldzaam krachtige single sleept het album mee in een triomftocht over de gehele wereld; Get The Knack gaat maar liefst zes miljoen keer over de toonbank. Het spreekt vanzelf dat een dergelijk dynamisch debuut onovertrefbaar is. Dat lukt The Knack dan ook niet, maar My Sharona staat wel voor altijd in het collectieve geheugen gegrift: Ooh my little pretty one, pretty one / When you gonna give me some time, Sharona...

Let Me Out / Your Number Or Your Name / Oh Tara / (She's So) Selfish / Maybe Tonight / Good Girls Don't / My Sharona / Heartbeat / Siamese Twins (The Monkey And Me) / Lucinda / That's What The Little Girls Do / Frustrated


maandag 26 juni 2017

The Pretenders | The Pretenders

Achter de eerste golf punkgroepen dient zich in 1979 de volgende sensatie aan: een Londense punkband die geen punkband is, en waarvan de bandleden helemaal niet uit Londen komen. The Pretenders bestaan uit drie knapen uit het agrarische Hereford, die onder bewind staan van de Amerikaanse ex-hippie Christine Ellen Hynde. Hynde vertrekt op 22-jarige leeftijd uit Akron, Ohio naar Londen, Engeland vanwege The Beatles, The Stones en The Kinks. Op zoek naar werk en naar een plek in de rockscene, is Hynde achtereenvolgens verkoopster in Malcolm McLarens en Vivienne Westwoods boutique, rockjournalist voor de New Musical Express en steeds bijna-gitarist in embryonale punkbands. Zo raakt Chrissie Hynde bevriend met Johnny Moped, The Sex Pistols, The Damned en The Clash; een rebelse punk-aristocrate en one of the boys, maar nog steeds zonder band. 
Dat verandert als ze in 1978 bassist Pete Farndon – uit Hereford – ontmoet, die zijn lokale maten gitarist en speedslikker James Honeyman Scott en drummer Martin  Chambers laat overkomen. En dus heeft Chrissie Hynde op 29-jarige leeftijd haar band, een trio provinciale rauwdouwers. The Pretenders – vernoemd naar 'The Great Pretender' van The Platters – nemen begin '79 met producer Nick Lowe hun eerste single op, de Kinks-cover 'Stop Your Sobbing', later in het jaar gevolgd door 'Kid' en de monsterhit waar Chrissie Hynde zelf zo'n hekel heeft: 'Brass In Pocket'. Met producer Chris Thomas werken The Pretenders ondertussen aan hun debuutalbum dat in december '79 in de schappen ligt. Het zelfgetitelde album blijkt een perfect huwelijk te zijn tussen new wave en pop – een reputatie die de band al had op de grond van de singles en die dus ook, samen met de b-kantjes, op de plaat vertegenwoordigd zijn. The Pretenders is dan ook beslist geen punkplaat, wel een zeer gedegen rockplaat, opgenomen door geweldige musici. Hynde's punk-attitude en pain in the ass komt perfect tot zijn recht in energieke rocksongs met een hoog octaangehalte als 'Precious', 'The Phone Call' en 'Tattooed Love Boys'. Melodieus zijn The Pretenders – naast de singles – vooral in de geweldige popsongs 'Up The Neck' en 'Mystery Achievement', met de rinkelende gitaar van Honeyman Scott in de hoofdrol, terwijl de ballad 'Lovers Of Today' en de new wave-reggae van 'Private Life' tot de hoogtepunten behoren van een allround rockalbum. Een album dat op het kantelmoment van het decennium gerust een sleutelplaat genoemd mag worden. 
The Pretenders zijn daarmee anno 1980 een belangwekkende band, maar blijken veroordeeld tot verdoeming als respectievelijk in juni 1982 en april 1983 James Honeyman Scott en Pete Farndon het slachtoffer zijn van excessief drugsgebruik. Een reden temeer om The Pretenders als een klassiek debuut te beschouwen en 'Brass In Pocket' als een klassieke single.

Precious / The Phone Call / Up The Neck / Tattooed Love Boys / Space Invader / The Wait / Stop Your Sobbing / Kid / Private Life / Brass In Pocket / Lovers Of Today / Mystery Achievement 

dinsdag 2 mei 2017

Robert Johnson | Close Personal Friend

Als jong broekie speelt Robert Johnson eind jaren zestig al mee op albums van het Stax-label. Johnson zit als inwoner van Memphis, Tennessee bovenop de scene en kan bovendien een lekker poepie gitaar spelen. Dat doet hij dus op platen van Isaac Hayes, Solomon Burke en Ann Peebles. Het moge duidelijk zijn dat de bebrilde and nerdy knul een funky gitarist is. Robert Johnson is zelfs in 1975 kandidaat om Mick Taylor te vervangen in The Rolling Stones. Maar dat gaat zoals we weten niet door. Dan formeert Johnson maar zijn eigen band: hij rekruteert een drummer en bassist uit de Stax-studio, regelt een contract met Mercury en gaat in de Ardent Studios in Memphis en The Record Plant in New York zijn debuutplaat opnemen. Close Personal Friend is in 1978 een hippe new wave-plaat, boordevol 18-karaats liedjes die gedomineerd worden door Johnsons nerveuze, drukke gitaar. En dat levert memorabele, ja zelfs klassieke powerpopliedjes op als ‘I’ll Be Waiting’, ‘Wish Upon A Star’, ’Responsibility’ en ‘Wreck My Mind’. 
Met zijn lullige kapsel, dito bril, belachelijke oversized broek en deze messcherpe plaat op zak, bevindt Robert Johnson zich eind jaren zeventig in goed gezelschap van lui als Moon Martin, The Knack, The Dwight Twilley Band en Tom Petty and the Heartbreakers. Close Personal Friend kan de concurrentie met hun beste werk makkelijk aan. O, en ‘Responsbility’ is zo’n heerlijk enerverend new wave-liedje.

‘I’ll Be Waiting’ | ‘Wish Upon A Star’ | ‘Guide My Energy (Parts 1 & 2)’ | ‘Say Girl’ | ‘Responsibility’ | ‘Kerri’ | ‘Leslie’ | ‘Wreck My Mind’ | ‘Debbie’s Theme’ | ‘Tell Me About It, Slim’

maandag 21 oktober 2013

Talking Heads | Fear Of Music

In het hart van de meest creatieve fase van de Talking Heads ligt Fear Of Music. In diezelfde fase – van 1978 tot en met 1980 – staat de band onder hevige invloed van Brian Eno. Maar niet alleen onder invloed van hem: al vanaf de oprichting in New York in 1974 laat kunstacademie-student David Byrne zich vrijelijk inspireren door kunststromingen als dada en Fluxus; door architectuur, cybernetica en systeemtheorieën. Zanger/gitarist Byrne woont samen in een huis met Tina Weymouth en Chris Frantz en met z'n drieën richten ze Talking Heads op, dat een van de huisbands wordt van CBGB's. Ten tijde van het verschijnen van de debuut-lp 77 is gitarist/toetsenist Jerry Harrison (ex-Modern Lovers) toegetreden en voor het tweede album More Songs About Buildings And Food gaat de band een intensieve samenwerking aan met producer Brian Eno. Wat de band bijzonder maakt is de combinatie van een intellectuele, afstandelijke benadering en hoekige ritmes; een wankel evenwicht van gevoel en verstand. Maar het volgende album zal vooral, gevoed door grotestadsparanoia en een pessimistisch toekomstbeeld, nerveus, jachtig en duister worden. De repetities daarvoor beginnen in het zolderappartement van Weymouth en Frantz, nu een echtpaar. Met Brian Eno achter de knoppen en kabels uit het raam verbonden met een mobiele studio wordt het nieuwe album, Fear Of Music, ook daar opgenomen. De nieuwe sound is, in tegenstelling tot een steriel studiogeluid, hol, claustrofobisch en vervreemdend. Fear Of Music verbeeldt de multiculturele smeltkroes van New York, waarin intellectualisme en paranoia samengaan met koortsachtige ritmes en Afrikaanse muziekstijlen. Opener 'I Zimbra', met op gitaar Robert Fripp, is dan ook een curieuze versmelting van exotische ritmes en dadaïstische, onbegrijpelijke teksten. Fear Of Music, in een pikzwarte hoes met het patroon van een roestvrijstalen vloer, vervolgt met knap geconstrueerde popsongs, enerzijds swingend – 'Cities', 'Life During Wartime' – anderzijds fascinerend melodieus – 'Mind', 'Air' – en abstracte teksten handelend over lucht, hemel, stad, gebouwen en drugs. Het atmosferische, galmende bandgeluid wordt vooral bepaald door Eno's schurende elektronica en Byrne's ratelende, geschifte gitaarsound. In het voortreffelijke 'Heaven' – Heaven is a place where nothing ever happens – komen de Talking Heads het dichtst bij een ballad, waarna Talking Heads' derde album afgesloten wordt met het donker funkende 'Electric Guitar' en het angstaanjagende, psychedelische 'Drugs'. Fear Of Music is een monumentaal spookhuis dat in 1979 de Amerikaanse pendant is van de huiveringwekkende doem van Joy Division. Het is bovendien een kantelmoment in de ontwikkeling van David Byrne en Talking Heads, want vanaf 1980 zijn Afrikaanse ritmes de leidraad, getuige het opwindende en baanbrekende Remain In Light, evenals het experimentele My Life In The Bush Of Ghosts, de bezegeling van de uiterst creatieve samenwerking tussen David Byrne en Brian Eno.

I Zimbra / Mind / Paper / Cities / Life During Wartime / Memories Can't Wait / Air / Heaven / Animals / Electric Guitar / Drugs



maandag 7 oktober 2013

Virginia Sisters | Last Pathetic Fool

Bij toeval ontdekt door Not Lame-platenbaas Bruce Brodeen in zijn woonplaats Fort Collins, Colorado, zijn de Virginia Sisters een uitzonderlijke vangst, want in het eerste decennium van de 21e eeuw zijn er weinig bands die op zo'n energieke en zelfverzekerde wijze eer betonen aan de Britse punk van The Clash, de pubrock van Graham Parker en de new wave van Elvis Costello. De band, in de klassieke trio-bezetting met Roy Anderson (zang, gitaar), Ben Prytherch (bas) en John Motley (drums), brengt helemaal de sfeer van de eind jaren zeventig terug: scherpe rocksongs, raspende gitaren en venijnige zang. Met topsongs als de heerlijke Costello-pastiche 'This One This Time', het wavy 'That's Just Wrong' en de pubrock-swagger van het fantastische 'Josephine's' is Last Pathetic Fool een tamelijk unieke retroplaat die zoete herinneringen aan de seventies oproept. Unieke retroplaat – maar ook de enige van de Virginia Sisters.

Dazzling Blue / Deranged / Oh The Night Is Fading Fast / Beautiful One / Thanks, But No / This One This Time / That's Just Wrong / Don't You Cry On Me / Everyone's Wrong / Leghorn / Caroline / Josephine's

zondag 15 september 2013

Dwight Twilley Band | Twilley Don't Mind

Respectievelijk 16 en 15 jaar zijn Dwight Twilley en Phil Seymour als ze in 1967 met elkaar bevriend raken. Gefascineerd door jaren vijftig rockabilly, The Everly Brothers en de British Invasion-pop van The Beatles en The Hollies, knutselen Twilley (gitaar, piano), Seymour (drums, bas) en gitarist Bill Pitcock IV bij Dight Twilley thuis in Tulsa, Oklahoma eenvoudige popliedjes in elkaar. Ze maken eerst school af en ondernemen dan een aantal pogingen hun liedjes op de plaat te krijgen. In 1974 trekt het bandje, Oister genaamd, naar Los Angeles, maar de verlossing – een platencontract – komt uit woonplaats Tulsa: Shelter Records. Dit label wordt gerund door de Brit Danny Cordell en Leon Russell en biedt naast Oister onderdak aan onder meer J.J. Cale en Tom Petty. Shelter dringt daarbij aan op een wijziging van de bandnaam, zodat de debuutsingle 'I'm On Fire' in juni 1975 een Billboard-hit wordt voor de Dwight Twilley Band. In het voorjaar van 1976 volgt de schitterende debuut-lp Sincerely, die de Dwight Twilley Band neerzet als de kroonprinsen van de radiovriendelijke powerpop – hetgeen overigens niet leidt tot een noemenswaardig succes.
Een nieuwe kans op een commerciële doorbraak wordt begin '77 getorpedeerd als tijdens de opnamen van de tweede langspeler Shelter Records failliet gaat. Gelukkig voor Twilley en Seymour wordt het label overgenomen door moloch Clive Davis waardoor Twilley Don't Mind in september 1977 een release krijgt op Arista Records. Twilley Don't Mind is wederom een schitterende plaat die gedomineerd wordt door messcherpe liedjes die de tienerromantiek van de Amerikaanse jongeren bezingen. IJzersterk is het nerveus-jachtige 'Looking For The Magic' – met op gitaar Tom Petty en een hikkend zingende Twilley: Oh, oh, oh, I'm / Looking for the magic in my eyes. Fantastisch is evenzeer 'That I Remember' dat is volgestopt met rinkelende Rickenbacker-gitaren, evenals de iconische powerpopper 'Trying To Find My Baby'. Dwight Twilley waagt zich bovendien aan iets wat op een ballad lijkt: 'Sleeping' – een geniaal staaltje van melancholisch verlangen, gevangen in vier minuten superieure popmuziek. Twilley Don't Mind is een welhaast perfecte popplaat, maar bij gebrek aan echte singlehits helaas geen onverdeeld (commercieel) succes. Het leidt in 1978 ook tussen een breuk tussen de jeugdvrienden Twilley en Seymour. Er gaat een kruis door de Dwight Twilley Band – makers van twee prachtige platen, die beide zonder twijfel powerpopklassiekers zijn.

Here She Come / Looking For The Magic / That I Remember / Rock And Roll 47 / Trying To Find My Baby / Twilley Don't Mind / Sleeping / Chance To Get Away / Invasion

zaterdag 8 juni 2013

Any Trouble | Where Are All The Nice Girls?

Elvis Costello, Joe Jackson en Wilko Johnson gingen eens gekleed als saaie kantoorklerken. Clive Gregson – jaren vijftig-kostuum, skinny tie, brilletje – ook, alleen wás hij, werkzaam bij de sociale dienst in Manchester, een kantoorklerk. Maar ook zanger, gitarist, componist en bandoudste van Any Trouble. Gregson, in 1979 24 jaar, is vier jaar ouder dan Chris Parks (gitaar), Phil Barnes (bas en zang) en Mel Hanley, en verwerkt zijn echtscheiding door het schrijven van komisch-zielige teksten. Any Trouble neemt op een regenachtige middag vijf van die liedjes op en brengt in eigen beheer de single ‘Yesterday’s Love’/’Nice Girls’ uit. De single krijgt airplay van John Peel en als het liedje onder de aandacht komt van Stiff Records is een contract snel getekend. Any Trouble past met zijn op soul, pop en rhythm & blues geschoeide new wave prima bij Stiff; Gregson wordt niet voor niets steeds weer vergeleken met Elvis Costello. Dat dat waar is, wordt bevestigd als de debuutplaat Where Are All The Nice Girls? in de zomer van 1980 verschijnt. Any Trouble houdt een steady beat aan, passend bij de tijdgeest waarin Costello en Joe Jackson een belangrijke rol vervullen. In de uptempo-songs rinkelen de akoestische gitaren en jengelen de Fenders en de Rickenbackers. Niettemin zijn de midtempo-songs, met veel soulinvloeden, aanstekelijke achttien-karaats liedjes. In die zin is ‘Girls Are Always Right’ een klassieke new wave-song, waar ‘Nice Girls’ overigens nauwelijks voor onder doet. Het doordachte van Where Are All The Nice Girls? is dat de introspectie fraai wordt afgewisseld met bitterzoete en intelligente popliedjes als ‘Second Choice’, ‘Playing Bogart’ en ‘Romance’. De lp wordt goed ontvangen, maar Any Trouble blijft in de schaduw van de grote broers. Drie platen, vier jaar en vele muzikantenwisselingen later trekt Clive Gregson definitief de stekker uit Any Trouble. Altijd al een fan van de folkrock van Richard en LindaThompson, vormt Gregson dan een folkduo met Christine Collister. In 1992 gaat Clive Gregson vanuit Nashville als solo-artiest verder, met redelijk succes. Toch zal hij nooit een mooier liedje schrijven dan ‘Girls Are Always Right’.

Second Choice / Playing Bogart / Foolish Pride / Nice Girls / Turning Up The Heat / Romance / The Hurt / Girls Are Always Right / Honolulu / (Get You Off) The Hook

zondag 24 februari 2013

Joe Jackson | I’m The Man


Pure Pop For Now People is een toepasselijke slogan die Stiff Records eind jaren zeventig lanceert voor zijn new wave-acts. Maar misschien is deze nog wel meer van toepassing op die ene non-Stiff-act: Joe Jackson, niet voor niets – en tot afschuw van Jackson zelf – door de muziekpers betiteld als the acceptable face of new wave. Voordat Joe Jackson in 1979 in die positie terechtkomt, is hij manager van een nachtclub in zijn woonplaats Portsmouth, heeft hij klassieke piano gestudeerd aan het conservatorium en treedt hij op in jazzclubs en pubs met een repertoire van pop en jazz. Maar met de band die hij opricht gaat hij – conform de tijdgeest – jachtige rock-'n'-roll spelen. Eén demo en een platencontract bij het grote A&M Records is binnen. Jackson heeft de mastertapes en het hoesontwerp van zijn debuutplaat dan al klaarliggen, waardoor de definitieve opnamen met de Amerikaanse producer David Kershenbaum en Jacksons driekoppige band een fluitje van een cent zijn. Look Sharp! – met op de hoes Jacksons witte Denson-puntschoenen – slaat in als een bom. Het jeugdige publiek is overenthousiast over de felle, eenvoudige rocksongs, door Jackson gebracht met een knorrig elan en voorzien van bijdehante teksten. Puntig, fris en snel – en dat laatste geldt ook voor de opvolger die Jackson met producer Kershenbaum, gitarist Gary Sanford, bassist Graham Maby en drummer Dave Houghton in vier weken tijd release-klaar maakt. Zeven maanden na Look Sharp! ligt het nog sterkere I'm The Man in de winkels. Jacksons boosheid knalt ook nu weer uit de groeven en diens band spettert van het vinyl in door adrenaline aangejaagde punky popsongs als 'I'm The Man', 'Get That Girl' en 'Don't Want To Be Like That'. Het sarcastische 'Geraldine And John' wordt voortgedreven door een ruimtelijke reggaebeat en opgeluisterd door Jacksons melodica; ballads als de singlehit 'It's Different For Girls' en het pijnlijk fraaie 'Amateur Hour' bereiken grote hoogten. Al dit fraais zit ingeklemd tussen de beschouwende spitsvondigheid en agressieve nijdasserigheid van de opener 'On The Radio' en de Jackson-klassieker 'Friday'. Zo krachtig, bijtend en punky als op Look Sharp! en 'I'm The Man zal Joe Jackson nooit meer zijn; nooit meer die bewonderenswaardige, slungelachtige angry young man die hij was toen hij de muziekscene binnen kwam stormen.

On The Radio / Geraldine And John / Kinda Kute / It's Different For Girls / I'm The Man / The Band Wore Blue Shirts / Don't Wanna Be Like That / Amateur Hour / Get That Girl / Friday

maandag 19 november 2012

Tom Petty And The Heartbreakers | Tom Petty And The Heartbreakers


In 1974, 34 jaar voor hun debuutplaat uitkomt, zet Mudcrutch voor het eerst voet op Californische bodem. De band, met aan het stuur van de VW-bus Tom Petty, heeft dan ruim 2.100 mijl afgelegd vanaf hun woonplaats Gainesville, Florida. Mudcrutch komt al snel onder contract bij Shelter Records, het label van de Britse producer Denny Cordell en muzikant Leon Russell. Cordell brengt Mudcrutch naar thuisbasis Tulsa, Oklahoma voor plaatopnamen, maar dan is dan band al uiteen gevallen. Russell heeft echter wel oog voor bassist Tom Petty en tekent hem als solo-artiest. Maar Petty, ontevreden over zijn studio-demo's, beseft dat hij een band nodig heeft en dus stelt hij een begeleidingsband samen met daarin ex-Mudcrutch-leden Mike Campbell (gitaar) en Benmont Tench (toetsen), en drummer Stan Lynch en bassist Ron Blair: The Heartbreakers. In de Shelter Studio in Hollywood, Californië nemen ze hun debuut op; negen Petty-composities, één van Campbell.
Als de plaat, Tom Petty And The Heartbreakers, in 1976 uitkomt blijkt de band zich te bevinden op het onwaarschijnlijke kruispunt tussen de traditionele heartland-rock van Bruce Springsteen en de frisse new wave-invalshoek van de New York-scene; tussen eindeloze highways en de dreiging van de grote stad. Enerzijds stralen The Heartbreakers met hun leren jekkies en jeugdige bravoure een punky attitude uit, anderzijds baseren zij zich met hun Vox-gitaren en Rickenbackers op de sixtiesmuziek van The Rolling Stones, The Beatles en The Byrds. Met hun energieke, gecompresseerde sound in jachtige rockers als 'Anything That's Rock 'n' Roll' en 'Strangered In The Night' blijken Petty en zijn Heartbreakers zich uitstekend thuis te voelen in het opportunistische kamp van de jonge generatie. Maar de band verliest daarbij – ondanks Petty's snerende, geknepen stem – de classic rock niet uit het oog, getuige memorabele rockliedjes als 'The Wild One, Forever' en 'Fooled Again (I Don't Like It)'. Daadwerkelijk klassiekers zijn het Wurlitzer-gestuurde 'Breakdown' en 'American Girl', met zijn jachtige drums en waterval van Rickenbacker-gitaren de ultieme radio-rocksong. Niet alleen in Amerika breken Tom Petty And The Heartbreakers door, ook in Engeland wordt de band, toerend in het voorprogramma van Nils Lofgren, royaal onthaald. En een jaar later staan Tom Petty And The Heartbreakers geprogrammeerd op Pinkpop. Als in 2008 de debuutplaat van Mudcrutch wordt gereleased, heeft Tom Petty er met zijn Heartbreakers er zo'n tien albums opzitten, en drie als solo-artiest – waarvan de laatste, Highway Companion, nog altijd relevant is.

Rockin' Around (With You) / Breakdown / Hometown Blues / The Wild One, Forever / Anything That's Rock 'n' Roll / Strangered In The Night / Fooled Again (I Don't Like It) / Mystery Man / Luna / American Girl

donderdag 5 juli 2012

The Motels | The Motels

Ook Los Angeles had zijn new wave aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Opgeschud door de punk en op zoek naar radio-friendly pop joegen de grote platenmaatschappijen op alles wat bewoog. In clubs als Madam Wong’s en Rodney Bingenheimer’s Death Disco speelden de talloze bands hun punk- en powerpop: The Knack, The Beat, The Pop. En The Motels, publieksfavorieten in de clubs. Martha Davis – de grote madam van de band – richtte in 1976 al een eerste versie op van The Motels, maar begin 1979 is de band met de komst van gitarist Jeff Jourard op oorlogssterkte. Davis is echter als componist, tekstschrijver en zangeres de alles bepalende factor binnen The Motels: Martha Davis, met haar ruige kniehoge laarzen en tijgerbroek, ís The Motels. Capitol Records krijgt Davis en de haren te pakken en tekent de band op moederdag 1979. De volgende dag worden The Motels al de studio in gedirigeerd. Binnen een week staat de debuut-lp erop. De wereldwijde release brengt The Motels veel aandacht en dat is terecht, want de zelfgetitelde debuutplaat is gedifferentieerder en afwisselender dan de stijl- en tijdgenoten. Subtiele powerpop – met de kenmerkende hakkelende slaggitaar – wordt afgewisseld met introspectieve songs, zoals het prachtige ‘Total Control’, en zelfs met reggae, zoals in ‘Porn Reggae’. Martha Davis zingt over teleurstelling, verlangen en verdriet, en verpakt dit in gevarieerde poprock, dat van scherpe hoeken wordt voorzien door de gitaar van Jeff Jourard. The Motels bevat vele potentiële radiohits, althans in een betere wereld: ‘Anticipating’, ‘Atomic Cafe’, ‘Celia’, ‘Counting’ en ‘Dressing Up’. Maar hét perfecte – en ook klassieke – powerpopliedje is ‘Closets & Bullets’, dat tot de canon van het genre behoort. Natuurlijk gaan The Motels op wereldtournee, maar deze bezetting houdt het niet lang vol, en dat zal voor nagenoeg alle Motels-versies gaan gelden. Martha Davis verslijt gitaristen en bandleden bij de vleet en dat komt het niveau van volgend plaatwerk niet ten goede. Desondanks heeft ze in 1982 nog een grote hit met ‘Suddenly Last Summer’. De puurheid en frisheid van het debuut, The Motels, zal Martha Davis echter nooit meer benaderen.

Anticipating / Kix / Total Control / Love Don’t Help / Closets & Bullets / Atomic Cafe / Celia / Porn Reggae / Dressing Up / Counting