Posts tonen met het label art-pop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label art-pop. Alle posts tonen

woensdag 16 oktober 2013

Robyn Hitchcock | Black Snake Diamond Röle

Hij is een cultfiguur en zeker niet bekend bij het grote publiek, al is hij wel het onderwerp van een concerfilm gemaakt door Oscar-winnaar Jonathan Demme. Storefront Hitchcock uit 1998 gaat over Robyn Hitchcock, eens de leider van The Soft Boys. Sinds 1980 – het jaar dat Hitchcock solo gaat – heeft de grillige Brit bijna jaarlijks een album uitgebracht, met als meest eigenaardige release een recreatie van Bob Dylans Royal Albert Hall-concert uit 1964. In Amerika wordt Hitchcock op handen gedragen; Los Angeles is zijn tweede thuis. Dat was niet altijd zo. Terug in 1980 vallen The Soft Boys uiteen omdat hun psychedelische punkpop niet wordt gewaardeerd door het Britse publiek. Hitchcock wijt het aan gitarist Kimberley Rew: ‘It got to the point where I couldn’t stand this awful noise behind me on stage.’ Intussen heeft Hitchcock tientallen al dan niet voor The Soft Boys bedoelde liedjes geschreven en ze zelfs al opgenomen in diverse Londense studio’s. De eerste collectie hiervan verschijnt in 1981 onder de intrigerende titel Black Snake Diamond Röle op het label dat ook The Soft Boys uitbracht. Opgenomen in drie studio’s – The Barge, Music Works en de Alaska-studio – kent Hitchcocks begeleidingsband ook diverse bezettingen, met als meeste opvallende aanwezigen de complete Soft Boys-line up: bassist Matthew Seligman, drummer Morris Windsor en zelfs gitarist Kimberley Rew. Voorts zijn Hitchcock behulpzaam gitarist Knox, Psychedelic Furs-drummer Vince Ely en producer Pat Collier. De laatste heeft van de verschillende opnamen een samenhangend geheel gesmeed. 
Hitchcocks liedjes zijn gebaseerd op zijn uit zijn jeugd stammende fascinatie voor The Beatles en Bob Dylan, al springt de solo-artiest Syd Barrett het meest in het oog en oor. Surrealistisch en psychedelisch klinken dan ook Hitchcocks composities en teksten, zoals sublieme songs als ‘The Lizard’, ‘Acid Bird’ en ‘Out Of The Picture’. Parelende punky popsongs als ‘Meat’ en ‘I Watch Cars’ houden de herinnering aan The Soft Boys springlevend, evenals de single ‘The Man Who Invented Himself’. Dit alles voert naar de apotheose van ‘Love’ dat vooraf wordt gegaan Thomas Dolby’s bijna tastbare oceaangeluiden. Op schitterend zweverige wijze transformeert Robyn Hitchcock de aanwijsbare Barrett-invloed tot een geweldig staaltje jaren tachtig psychedelica. Althans, psychedelica volgens de definitie van Hitchcock: alles wat verandert als je er van dichtbij naar kijkt. En als je dat doet, zie je een fascinerend en caleidoscopisch album: Black Snake Diamond Röle.

The Man Who Invented Himself / Brenda’s Iron Sledge / Do Policemen Sing? / The Lizard / Meat / Acid Bird / I Watch cars / Out Of The Picture / City Of Shame / Love

donderdag 4 juli 2013

Be-Bop Deluxe | Axe Victim

Al in de jaren zestig is zanger-gitarist Bill Nelson actief in vele bands, zo’n 15 in getal, waarvan Astral Navigations de meest legendarische is. In het begin van de jaren zeventig laat Bill Nelson zich geheel volgens de Britse trend meevoeren op de golven van de uitdovende psychedelica en de opkomende progressive rock. Dit levert een solo-album op, Northern Dream, waarop Nelson zich laat horen als een vaardige gitarist. Maar Nelson wil een band tot zijn beschikking hebben en dus richt hij in augustus 1972 Be-Bop Deluxe op, dat met hulp van John Peel bij EMI/Harvest wordt ondergebracht. Het debuutalbum Axe Victim is gestoken in een morbide/arty hoes van fotograaf Mick Rock en klinkt als de spacy glamrock van Bowie en zijn Spiders From Mars. Ziggy Stardust is onontkoombaar de blauwdruk voor Axe Victim, maar desondanks heeft Nelson – uitgedost als een alternatieve Ziggy – een fraai album bij elkaar geschreven en gespeeld. De scherpe, arty rock past perfect in het tijdbeeld van androgyne pophelden, maar het is Nelsons expressieve gitaarsound die Be-Bop Deluxe onderscheidt van de rest. Gillende, jankende en om medelijden schreeuwende gitaren domineren Axe Victim, een glamrockalbum en gitaarplaat tegelijk.

Axe Victim / Love Is Swift Arrows / Jet Silver And The Dolls Of Venus / Third Floor Heaven / Night Creatures / Rocket Cathedrals / Adventures In A Yorkshire Landscape / Jets At dawn / No Trains To Heaven / Darkness (L’immoraliste) 

donderdag 23 mei 2013

A. More | Flying Doesn’t Help


In eerste instantie lijkt A. More nogal een mystificatie. Als deze More in 1979 vanuit het tamelijke niets Flying Doesn’t Help via een onbetekenend label op de markt slingert, is hij de grote onbekende. A. More? Wie is hij? A. More blijkt A. Moore te zijn en A. Moore is Anthony Moore, een van origine componist van filmmuziek. Moore trekt eind jaren zestig van Londen naar Duitsland en sluit zich aldaar aan bij een groep experimentele filmmakers. In Hamburg raakt hij verliefd op de jazzzangeres Dagmar Krause, trouwt met haar en gaat ook muzikaal een verbond met haar aan. Met de Amerikaanse tekstschrijver Peter Blegvad vormen de Brit Moore en de Duitse Krause het trio Slapp Happy. Na een lp in 1972 voor het Duitse Polydor-label, waarop de krautrockers van Faust als begeleidingsband fungeren, verkassen Moore, Krause en Blegvad naar Londen en vinden onderdak bij Virgin Records. 
De lp Slapp Happy wordt een van de eerste bescheiden succesjes van Virgin, maar dit wordt al snel overvleugeld door de impact van Mike Oldfields Tubular Bells. In een poging een doorbraak te forceren wordt Slapp Happy samengevoegd met het avantgardistische gezelschap Henry Cow. De geforceerde samenwerking levert twee lp’s op, maar het is geen succes. In 1975 verlaten Peter Blegvad en Anthony Moore dan ook het collectief. Moore gaat dan werken aan een solo-lp die echter nooit het licht zal zien omdat Virgin Moore bij het grofvuil zet. Aan het eind van de jaren zeventig werkt Moore gedurende anderhalf jaar aan zijn volgende soloplaat. In de Workhouse Studios neemt hij in dode studiotijd de tracks op die later Flying Doesn’t Help zullen vormen. Moore is verantwoordelijk voor zang, gitaren, toetsen en elektronica, en krijgt hulp van bevriende muzikanten zoals producer Laurie Latham en de Manfred Mann’s Earth Band-ritmesectie Chris Slade en Matt Irving. 
Eind 1979 verschijnt Flying Doesn’t Help op Moore’s eigen Quango Records & Red Tapes-label in een oplage van 15.000 stuks. Flying Doesn’t Help zit de tijdgeest dicht op de huid met zijn schurende elektronica, metalige productie en vernuftig geconstrueerde songs. De arty sfeer doet denken aan het beste werk van Brian Eno en John Cale; aan muzikale excentriekelingen als Bill Nelson en Peter Hammill; en aan een plaat als Bowie’s Lodger. De nadruk ligt vooral op de melodie; het is immers de new wave-tijd. ‘Judy Get Down’ is een geweldige openingssong, en een single waardig. Het vervolg doet hier beslist niet voor onder, zoals ‘Ready Ready’ met zijn bonkende piano, stuwende ritme en dissonante geluiden, het duistere en met zware gitaren afgezoomde ‘Lucia’ en het aanstekelijke ‘Caught Being In Love’. Ook de zeer fraaie popliedjes ‘Girl It’s Your Time’ en ‘War’ profiteren van Moore’s spacey effecten, krassende gitaren en stotende pianospel. Het totale gebrek aan promotie en de afwezigheid van informatie op de hoes – met daarop een al even non-descripte foto van een vliegveld – verhinderen niet dat alle 15.000 exemplaren vlot van de hand gaan en van Flying Doesn’t Help een obscuur collector’s item maken. Anthony Moore zelf blijft ook na opvolger World Service in 1980 een cult-artiest met een lege bankrekening.

Judy Get Down / Ready Ready / Useless Moments / Lucia / Caught Being In Love / Timeless Strange / Girl’s It’s Your Time / War / Just Us / Twilight ( Uxbridge Rd.)

vrijdag 22 februari 2013

Kevin Ayers | The Confessions Of Dr Dream And Other Stories


Kevin Ayers is een elementaire component van de Canterbury Scene, een scene die halverwege de jaren zestig bands voortbrengt als Wilde Flowers, Soft Machine en Caravan. Excentriek, innovatief, sexy, eigenwijs maar ook terughoudend in het promoten van zichzelf, start Ayers niettemin in 1969 een solocarrière en maakt voor het progressive rock-label Harvest vier semi-avantgardistische rockalbums. De verbintenis met Harvest komt echter in 1973 tot een einde, en na een verblijf in Frankrijk, zwoele zomeravonden, chablis en vrouwen koesterend, keert de stroblonde Apollo terug naar het Verenigd Koninkrijk, en tekent bij Island Records. Islands Chris Blackwell verlangt van de behoedzame Ayers een meer commercieel rockgeluid. Dat valt echter te bezien als Ayers met louter topmusici in de Londense Air Studios zijn Island-debuut gaat opnemen. Onder leiding van producer en toetsenist Rupert Hine bestaat Ayers' studioband uit muzikanten als drummer Mike Giles (King Crimson), toetsenist Mike Moran (Spring), organist Mike Ratledge (Soft Machine), chanteuse Nico, de bassisten John Perry (Caravan) en John Gustafson (Quatermass), en de gitaristen Mike Oldfield, Cal Batchelor (Quiver) en Ollie Halsell (Patto) – welke laatste tot zijn dood in 1992 in Ayers' band zal spelen. Halsall vuurt een schitterende gitaarsolo af in de slepende rocker 'Didn't Feel Lonely Till I Thought Of You', wat evenzeer geldt voor Oldfield in de sfeervolle countryblues 'Everybody's Sometime And Some People's All The Time Blues'. De excentrieke Ayers laat zich gelden in de twee lange, experimentele stukken 'It Begins With A Blessing/Once I Awakened/But It Ends With A Curse' en het in delen opgesplitste titelnummer 'The Confessions Of Doctor Dream', dat een Roxy Music-achtige arty vervreemding kent. Meeslepend melancholiek – niet in de laatste plaats door Ayers' koffiebruine en doorrookte Gauloises-stem – is het afsluitende miniatuurtje 'Two Goes Into For': Follow the wind / Open your heart / Then you may start / To make it / Better. Curieus is Islands promotiecampagne die The Confessions Of Dr Dream And Other Stories aan de man moet brengen. Op 1 juni 1974 vindt er namelijk in de Londense Rainbow een concert plaats om de release luister bij te zetten en waar Ayers support krijgt van Island-artiesten die zijn komen opdraven. En bepaald niet de minsten: Nico, John Cale en Eno. Nog in juni '74 komt de live-lp June 1, 1974 uit; een album dat het prachtige The Confessions Of Dr Dream And Other Stories jammerlijk overschaduwt.

Day By Day / See You Later / Didn't Feel Lonely Till I Thought Of You / Everybody's Sometime And Some People's All The Time Blues / It Begins With A Blessing/Once I Awakened/But It Ends With A Curse / Ballbearing Blues / The Confessions Of Doctor Dream: Irreversible Neural Damage; Invitation; The Doctor Dream Theme / Two Goes Into Four

Op 18 februari 2013 overleed op 68-jarige leeftijd Kevin Ayers in zijn slaap in zijn huis in in Montolieu, Zuid-Frankrijk.

zondag 10 februari 2013

City Boy | Young Men Gone West


Interessante, veelbelovende groep die de jaren zeventig niet overleeft, want gemangeld tussen de rock-arrivés van de jaren zeventig en de punkgeneratie die ongeduldig in de coulissen wacht. City Boy behoorde tot geen van beide kampen. In 1973 in Birmingham opgericht als een folktrio, is City Boy door de toevoeging van een gitarist en drummer een volledig toegeruste rockband, wiens arty poprock het midden houdt tussen 10CC en Queen. Die wat intellectuele benadering verraadt zich in complexe vocale harmonieën, gelaagde gitaarpartijen en dominante toetsen; muziek van het hoofd, niet van het hart. City Boy vindt ondanks fraaie platen – alle geproduceerd door de dan nog onbekende Robert 'Mutt' Lange – weinig aansluiting bij het publiek. Ook het fraaie Young Men Gone West kan in 1977 geen doorbraak bewerkstelligen, geweldige laat-jaren-zeventig-genresongs als 'Young men Gone West', 'One After Two' en 'The Runaround' ten spijt. De hunkering naar succes zal dan ook niet bevredigd worden; als de punk eenmaal losbarst is de melodieuze art-rock van City Boy opeens hopeloos ouderwets.

Bordello Night / Dear Jean (I'm Nervous) / Honeymooners / She's Got Style / Bad For Business / Young Men Gone West / I've Been Spun / One After Two / The Runaround / The Man Who Ate His Car / Millionaire