Posts tonen met het label 1979. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1979. Alle posts tonen

vrijdag 14 juli 2017

The Knack | Get The Knack

Hoewel het wereldwijde succes met The Knack Doug Fiegers stoutste dromen zal hebben overtroffen, had Fieger zo'n tien jaar daarvoor ook al aan het rock-'n-roll-sterrendom geroken. Op de highschool in Detroit, Michigan heeft Fieger een band genaamd Sky, en in een poging bekend worden schrijft de jonge Fieger een brief naar producer Jimmy Miller (The Rolling Stones, Traffic). Miller gaat in op de uitnodiging, bezoekt Fieger thuis in Detroit en haalt Sky – na Fiegers examen – naar Engeland om daar een album op te nemen en een jaar later nog een keer: Don't Hold Back (1970) en Sailor's Delight (1971). 
In 1978 vinden we Doug Fieger terug in Los Angeles waar hij een rock-'n-rollband heeft opgericht met gitarist Berton Averre, bassist Prescott Niles en bluesdrummer Bruce Gary. The Knack gaat met zijn British Invasion-rock, Beatle boots en skinny ties dwars tegen de tijdgeest in. De muziek, ouderwets, is simpel en direct; en gebaseerd op straffe drums, stevige slaggitaren en hyper-melodieuze structuren. Op 1 juni 1978 treedt The Knack voor het eerst op in een volgepakte Whisky-A-Go-Go en dan is een sensatie geboren. Platenlabels vechten om The Knack; winnaar Capitol tekent het kwartet voor een half miljoen dollar. 
Exact een jaar na het eerste optreden verschijnt op 1 juni 1979 Get The Knack – en gelijktijdig wordt de debuutsingle 'My Sharona' op de wereld losgelaten. Producer Mike Chapman (Sweet, Mud, Blondie) levert de perfecte sound voor de powerpopliedjes van The Knack, die geënt zijn op zowel de sixties van The Who en The Beatles, de seventies van Badfinger en The Raspberries, als op de hippe new wave van Elvis Costello en Tom Petty. Get The Knack is een scherp en strak album boordevol jengelende gitaarliedjes die vooral over boy-meets-girl gaan: 'Let Me Out', 'Your Number Or Your Name', 'That's What Little Girls Do' en 'Good Girls Do' – de laatste een vette, vette hit. Al kan dit allerminst in de schaduw staan van de ultieme new wave-hit 'My Sharona'. Niet alleen staat het iconische lied over een kalverliefde wekenlang op nummer 1 in de Amerikaanse hitlijsten;  wereldwijd kent men de klassieke gitaarriff en het stotterende m-m-m-my Sharona. De zeldzaam krachtige single sleept het album mee in een triomftocht over de gehele wereld; Get The Knack gaat maar liefst zes miljoen keer over de toonbank. Het spreekt vanzelf dat een dergelijk dynamisch debuut onovertrefbaar is. Dat lukt The Knack dan ook niet, maar My Sharona staat wel voor altijd in het collectieve geheugen gegrift: Ooh my little pretty one, pretty one / When you gonna give me some time, Sharona...

Let Me Out / Your Number Or Your Name / Oh Tara / (She's So) Selfish / Maybe Tonight / Good Girls Don't / My Sharona / Heartbeat / Siamese Twins (The Monkey And Me) / Lucinda / That's What The Little Girls Do / Frustrated


maandag 26 juni 2017

The Pretenders | The Pretenders

Achter de eerste golf punkgroepen dient zich in 1979 de volgende sensatie aan: een Londense punkband die geen punkband is, en waarvan de bandleden helemaal niet uit Londen komen. The Pretenders bestaan uit drie knapen uit het agrarische Hereford, die onder bewind staan van de Amerikaanse ex-hippie Christine Ellen Hynde. Hynde vertrekt op 22-jarige leeftijd uit Akron, Ohio naar Londen, Engeland vanwege The Beatles, The Stones en The Kinks. Op zoek naar werk en naar een plek in de rockscene, is Hynde achtereenvolgens verkoopster in Malcolm McLarens en Vivienne Westwoods boutique, rockjournalist voor de New Musical Express en steeds bijna-gitarist in embryonale punkbands. Zo raakt Chrissie Hynde bevriend met Johnny Moped, The Sex Pistols, The Damned en The Clash; een rebelse punk-aristocrate en one of the boys, maar nog steeds zonder band. 
Dat verandert als ze in 1978 bassist Pete Farndon – uit Hereford – ontmoet, die zijn lokale maten gitarist en speedslikker James Honeyman Scott en drummer Martin  Chambers laat overkomen. En dus heeft Chrissie Hynde op 29-jarige leeftijd haar band, een trio provinciale rauwdouwers. The Pretenders – vernoemd naar 'The Great Pretender' van The Platters – nemen begin '79 met producer Nick Lowe hun eerste single op, de Kinks-cover 'Stop Your Sobbing', later in het jaar gevolgd door 'Kid' en de monsterhit waar Chrissie Hynde zelf zo'n hekel heeft: 'Brass In Pocket'. Met producer Chris Thomas werken The Pretenders ondertussen aan hun debuutalbum dat in december '79 in de schappen ligt. Het zelfgetitelde album blijkt een perfect huwelijk te zijn tussen new wave en pop – een reputatie die de band al had op de grond van de singles en die dus ook, samen met de b-kantjes, op de plaat vertegenwoordigd zijn. The Pretenders is dan ook beslist geen punkplaat, wel een zeer gedegen rockplaat, opgenomen door geweldige musici. Hynde's punk-attitude en pain in the ass komt perfect tot zijn recht in energieke rocksongs met een hoog octaangehalte als 'Precious', 'The Phone Call' en 'Tattooed Love Boys'. Melodieus zijn The Pretenders – naast de singles – vooral in de geweldige popsongs 'Up The Neck' en 'Mystery Achievement', met de rinkelende gitaar van Honeyman Scott in de hoofdrol, terwijl de ballad 'Lovers Of Today' en de new wave-reggae van 'Private Life' tot de hoogtepunten behoren van een allround rockalbum. Een album dat op het kantelmoment van het decennium gerust een sleutelplaat genoemd mag worden. 
The Pretenders zijn daarmee anno 1980 een belangwekkende band, maar blijken veroordeeld tot verdoeming als respectievelijk in juni 1982 en april 1983 James Honeyman Scott en Pete Farndon het slachtoffer zijn van excessief drugsgebruik. Een reden temeer om The Pretenders als een klassiek debuut te beschouwen en 'Brass In Pocket' als een klassieke single.

Precious / The Phone Call / Up The Neck / Tattooed Love Boys / Space Invader / The Wait / Stop Your Sobbing / Kid / Private Life / Brass In Pocket / Lovers Of Today / Mystery Achievement 

woensdag 18 mei 2016

Shoes | Present Tense

Wereldverbeteraars zijn het niet, de jongens van Shoes. Agressieve punkers evenmin. Toch vertegenwoordigen Shoes in 1977 de nieuwe generatie muzikanten die zich afzet tegen de geïnstitutionaliseerde muziekindustrie. Do it Yourself: in de huiskamer opgenomen in Zion, Illinois en op het eigen label Black Vinyl Records uitgebracht, debuteren de Shoes met Black Vinyl Shoes. Jeff Murphy (zang, elektrische en akoestische gitaar), Gary Klebe (zang, elektrische en akoestische gitaar), John Murphy (zang, bas) en Skip Meyer (drums) kunnen rekenen op aandacht van undergroundmedia als het tijdschrift Trouser Press en Greg Shaws Bomp! Records. De laatste brengt een single uit die in Los Angeles de aandacht trekt – ook van major Elektra. Benauwd om de geldtrein te missen waarmee Universal en The Knack vandoor dreigen te gaan, wil ook Elektra zijn new wave-groep: Shoes. Ondertussen heeft de band alweer een verzameling nieuwe songs opgenomen in Jeff Murphy’s huiskamerstudio (in 2007 verschenen op het Black Vinyl Records-label onder de titel Double Exposure). Elektra stuurt het kwartet in de zomer van ’79 echter naar het walhalla van de new-wave – Engeland – om in The Manor hun majordebuut op te nemen. Ze komen terug met Present Tense, dat in oktober 1979 een Amerikaanse release krijgt. De thuis op een 4-sporen Teac-tapedeck opgenomen liedjes zijn in een productie van de band zelf en producer Mike Stone omgetoverd tot kristalheldere popsongs. Kenmerkend aan de powerpopsound van Shoes zijn de akoestische gitaren die zich verstrengelen met een fluweelzachte knuffelmuur van elektrische gitaren. Voeg daarbij de ijle driestemmige zang en het resultaat is een gemoderniseerde vorm van sixtiespop. De drieminutenplus-liedjes kennen alle een klassieke opbouw en gaan natuurlijk over meisjes, verlangen en verlaten, maar worden wel door Jeff Murphy en Gary Klebe op een afstandelijke toon gezongen. Het brengt een vervreemdende, steriele dimensie met zich mee, wat nog wordt versterkt door de kamerbrede Cheap Trick-gitaren die bijna fluisterzacht zijn opgenomen. Opener ‘Tomorrow Night’ zet de Shoes-sound direct scherp neer. Wat volgt is een sterke serie ultramelodieuze popsongs die de traditie van The Beatles en The Byrds in de jaren zestig en Raspberries en Artful Dodger in de jaren zeventig hooghouden en in een nieuw jasje steken. Naast de suikerzoete pracht van ‘Your Very Eyes’, klinken mild riffende gitaren op in ‘Hangin’ Around With You’, ‘Now And Then’ en ‘I Don’t Miss You’. De Shoes-sound, met zijn luchtige zangharmonieën en fuzzende gitaren die een zachte fluittoon voortbrengen, levert met ‘Too Late’ en het angstig perfecte ‘Every Girl’ 18-karaats popliedjes af, die beslist als genrehoogtepunten mogen gelden. Want ook al bleef mainstreamsucces uit en zette Elektra na Tongue Twister (1981) en Boomerang (1982) de jongens bij het grofvuil, Shoes zijn de meest aansprekende vertolkers van een tijdsbeeld, dat van de skinny tie pop.

Tomorrow Night / Too Late / Hangin’ Around With You / Your very Eyes / In My Arms Again / Somebody Has What I Had / Now And Then / Every Girl / I Don’t Miss You / Cruel You / Three Times / I Don’t Wanna Hear It



vrijdag 28 februari 2014

Doll By Doll | Remember

In het begin van de jaren zeventig is Jackie Leven, alias John St. Field, een rusteloze troubadour met een woeste levensstijl. Dit wordt nog eens versterkt wanneer Leven in 1977 een Londense flat deelt met zijn muzikale trawanten Jo Shaw (gitaar, zang), David McIntosh (drums, zang) en Robin Spreafico (bas, zang), en leeft op een dieet van rockmuziek, LSD en cider. Datzelfde jaar, Leven is dan al 27 jaar, richten de vier – met de pubrock op het sterfbed en de punk in de embryonale fase – een band op, die gelijk al indruk maakt met zijn duistere psychedelische rock. Razendsnel heeft Doll By Doll, vernoemd naar een gedicht van e.e. cummings, in het Londense clubcircuit de reputatie van een agressieve, intimiderende rockband, aangevoerd door een maniakale zanger. De dubbelloops gitaren, de heavy ritmesectie en Levens teksten over vagevuur, seks en geweld onderscheiden zich duidelijk van de doorsnee punkband, reden waarom Warner-offshoot Automatic de Doll By Doll-sound laat vastleggen door Sex Pistols-producer Bill Price in de Wessex Studios. De weerslag hiervan is Remember, uitgebracht in het voorjaar van 1979, een harde rockplaat die gedomineerd wordt door Levens stentorstem en diens sardonische teksten, en de acid-rockgitaren die de San Francisco-psychedelica van Moby Grape in herinnering roepen. Omgeven door oorverdovende gitaarfeedback en wonderlijk fraaie harmoniezang zijn rocksongs als ‘The Palace Of Love’, ‘More Than Human’ en ‘Butcher Boy’ onkarakteristiek voor het punktijdperk – maar des te typerender voor de gepassioneerde en enigmatische Doll By Doll-sound. Remember, met op de hoes de Franse surrealist Antonin Artaud, is in 1979 een anachronistische, maar schitterende gitaarrockplaat.

Butcher Boy / Chances / Sleeping Partners / More Than Human / Lose Myself / Janice / The Palace Of Love / The Fountain Is Red, The Fountain Is White

zaterdag 25 januari 2014

The Tubes | Remote Control

In Phoenix, Arizona heten ze in de jaren zestig The Beans; na hun verhuizing naar San Francisco, Californië in 1972 The Tubes. Met z'n zevenen zijn ze en ze maken naam met hun spectaculaire live-optredens, die nog sensationeler worden als satirisch sekssymbool Re Styles zich bij de zeven mannen aansluit. The Tubes zijn totaaltheater; zijn een mediaspektakel van gargantueske proporties. Maar ondanks de successen van de peperdure rockshows, blijft de plaatverkoop sterk achter. De albums, zwaar aangezet en met een hutspot aan stijlen, lijden jammerlijk aan een gebrek aan coherentie. Dat kan beslist niet gezegd worden van het vierde album Remote Control, een titel die de lading volledig dekt: een concept-album geheel gewijd aan de tv-verslaving van de moderne mens. De meest geschikte producer voor dit nu-of-nooit-project is popprofessor Todd Rundgren, zelf ook niet vies van groteske rock-'n'-roll. De samenwerking werpt zijn vruchten af want The Tubes zijn dit keer ingekapseld in een modern elektronisch-experimenteel kader, waarbij de nadruk ligt op speelse arrangementen en doorwrochte melodieën. Pompeus en proggy – ingewikkeld toetsenwerk en snelle gitaarnoten – zijn The Tubes nog steeds, maar de kracht van de liedjes, de onderlinge samenhang en het concept van de mens die verzwolgen wordt door televisie en entertainment – gesymboliseerd in het rake hoesdesign – maken van Remote Control een visionair rockalbum. Platenmaatschappij A&M denkt daar geheel anders over en zet The Tubes bij het vuilnis.

Turn Me On / TV Is King / Prime Time / I Want It All Now / No Way Out / Getoverture / No Mercy / Only The Strong Survive / Be Mine Tonight / Love's A Mystery (I Don't Understand) / Telecide

maandag 21 oktober 2013

Talking Heads | Fear Of Music

In het hart van de meest creatieve fase van de Talking Heads ligt Fear Of Music. In diezelfde fase – van 1978 tot en met 1980 – staat de band onder hevige invloed van Brian Eno. Maar niet alleen onder invloed van hem: al vanaf de oprichting in New York in 1974 laat kunstacademie-student David Byrne zich vrijelijk inspireren door kunststromingen als dada en Fluxus; door architectuur, cybernetica en systeemtheorieën. Zanger/gitarist Byrne woont samen in een huis met Tina Weymouth en Chris Frantz en met z'n drieën richten ze Talking Heads op, dat een van de huisbands wordt van CBGB's. Ten tijde van het verschijnen van de debuut-lp 77 is gitarist/toetsenist Jerry Harrison (ex-Modern Lovers) toegetreden en voor het tweede album More Songs About Buildings And Food gaat de band een intensieve samenwerking aan met producer Brian Eno. Wat de band bijzonder maakt is de combinatie van een intellectuele, afstandelijke benadering en hoekige ritmes; een wankel evenwicht van gevoel en verstand. Maar het volgende album zal vooral, gevoed door grotestadsparanoia en een pessimistisch toekomstbeeld, nerveus, jachtig en duister worden. De repetities daarvoor beginnen in het zolderappartement van Weymouth en Frantz, nu een echtpaar. Met Brian Eno achter de knoppen en kabels uit het raam verbonden met een mobiele studio wordt het nieuwe album, Fear Of Music, ook daar opgenomen. De nieuwe sound is, in tegenstelling tot een steriel studiogeluid, hol, claustrofobisch en vervreemdend. Fear Of Music verbeeldt de multiculturele smeltkroes van New York, waarin intellectualisme en paranoia samengaan met koortsachtige ritmes en Afrikaanse muziekstijlen. Opener 'I Zimbra', met op gitaar Robert Fripp, is dan ook een curieuze versmelting van exotische ritmes en dadaïstische, onbegrijpelijke teksten. Fear Of Music, in een pikzwarte hoes met het patroon van een roestvrijstalen vloer, vervolgt met knap geconstrueerde popsongs, enerzijds swingend – 'Cities', 'Life During Wartime' – anderzijds fascinerend melodieus – 'Mind', 'Air' – en abstracte teksten handelend over lucht, hemel, stad, gebouwen en drugs. Het atmosferische, galmende bandgeluid wordt vooral bepaald door Eno's schurende elektronica en Byrne's ratelende, geschifte gitaarsound. In het voortreffelijke 'Heaven' – Heaven is a place where nothing ever happens – komen de Talking Heads het dichtst bij een ballad, waarna Talking Heads' derde album afgesloten wordt met het donker funkende 'Electric Guitar' en het angstaanjagende, psychedelische 'Drugs'. Fear Of Music is een monumentaal spookhuis dat in 1979 de Amerikaanse pendant is van de huiveringwekkende doem van Joy Division. Het is bovendien een kantelmoment in de ontwikkeling van David Byrne en Talking Heads, want vanaf 1980 zijn Afrikaanse ritmes de leidraad, getuige het opwindende en baanbrekende Remain In Light, evenals het experimentele My Life In The Bush Of Ghosts, de bezegeling van de uiterst creatieve samenwerking tussen David Byrne en Brian Eno.

I Zimbra / Mind / Paper / Cities / Life During Wartime / Memories Can't Wait / Air / Heaven / Animals / Electric Guitar / Drugs



donderdag 23 mei 2013

A. More | Flying Doesn’t Help


In eerste instantie lijkt A. More nogal een mystificatie. Als deze More in 1979 vanuit het tamelijke niets Flying Doesn’t Help via een onbetekenend label op de markt slingert, is hij de grote onbekende. A. More? Wie is hij? A. More blijkt A. Moore te zijn en A. Moore is Anthony Moore, een van origine componist van filmmuziek. Moore trekt eind jaren zestig van Londen naar Duitsland en sluit zich aldaar aan bij een groep experimentele filmmakers. In Hamburg raakt hij verliefd op de jazzzangeres Dagmar Krause, trouwt met haar en gaat ook muzikaal een verbond met haar aan. Met de Amerikaanse tekstschrijver Peter Blegvad vormen de Brit Moore en de Duitse Krause het trio Slapp Happy. Na een lp in 1972 voor het Duitse Polydor-label, waarop de krautrockers van Faust als begeleidingsband fungeren, verkassen Moore, Krause en Blegvad naar Londen en vinden onderdak bij Virgin Records. 
De lp Slapp Happy wordt een van de eerste bescheiden succesjes van Virgin, maar dit wordt al snel overvleugeld door de impact van Mike Oldfields Tubular Bells. In een poging een doorbraak te forceren wordt Slapp Happy samengevoegd met het avantgardistische gezelschap Henry Cow. De geforceerde samenwerking levert twee lp’s op, maar het is geen succes. In 1975 verlaten Peter Blegvad en Anthony Moore dan ook het collectief. Moore gaat dan werken aan een solo-lp die echter nooit het licht zal zien omdat Virgin Moore bij het grofvuil zet. Aan het eind van de jaren zeventig werkt Moore gedurende anderhalf jaar aan zijn volgende soloplaat. In de Workhouse Studios neemt hij in dode studiotijd de tracks op die later Flying Doesn’t Help zullen vormen. Moore is verantwoordelijk voor zang, gitaren, toetsen en elektronica, en krijgt hulp van bevriende muzikanten zoals producer Laurie Latham en de Manfred Mann’s Earth Band-ritmesectie Chris Slade en Matt Irving. 
Eind 1979 verschijnt Flying Doesn’t Help op Moore’s eigen Quango Records & Red Tapes-label in een oplage van 15.000 stuks. Flying Doesn’t Help zit de tijdgeest dicht op de huid met zijn schurende elektronica, metalige productie en vernuftig geconstrueerde songs. De arty sfeer doet denken aan het beste werk van Brian Eno en John Cale; aan muzikale excentriekelingen als Bill Nelson en Peter Hammill; en aan een plaat als Bowie’s Lodger. De nadruk ligt vooral op de melodie; het is immers de new wave-tijd. ‘Judy Get Down’ is een geweldige openingssong, en een single waardig. Het vervolg doet hier beslist niet voor onder, zoals ‘Ready Ready’ met zijn bonkende piano, stuwende ritme en dissonante geluiden, het duistere en met zware gitaren afgezoomde ‘Lucia’ en het aanstekelijke ‘Caught Being In Love’. Ook de zeer fraaie popliedjes ‘Girl It’s Your Time’ en ‘War’ profiteren van Moore’s spacey effecten, krassende gitaren en stotende pianospel. Het totale gebrek aan promotie en de afwezigheid van informatie op de hoes – met daarop een al even non-descripte foto van een vliegveld – verhinderen niet dat alle 15.000 exemplaren vlot van de hand gaan en van Flying Doesn’t Help een obscuur collector’s item maken. Anthony Moore zelf blijft ook na opvolger World Service in 1980 een cult-artiest met een lege bankrekening.

Judy Get Down / Ready Ready / Useless Moments / Lucia / Caught Being In Love / Timeless Strange / Girl’s It’s Your Time / War / Just Us / Twilight ( Uxbridge Rd.)

zondag 24 februari 2013

Joe Jackson | I’m The Man


Pure Pop For Now People is een toepasselijke slogan die Stiff Records eind jaren zeventig lanceert voor zijn new wave-acts. Maar misschien is deze nog wel meer van toepassing op die ene non-Stiff-act: Joe Jackson, niet voor niets – en tot afschuw van Jackson zelf – door de muziekpers betiteld als the acceptable face of new wave. Voordat Joe Jackson in 1979 in die positie terechtkomt, is hij manager van een nachtclub in zijn woonplaats Portsmouth, heeft hij klassieke piano gestudeerd aan het conservatorium en treedt hij op in jazzclubs en pubs met een repertoire van pop en jazz. Maar met de band die hij opricht gaat hij – conform de tijdgeest – jachtige rock-'n'-roll spelen. Eén demo en een platencontract bij het grote A&M Records is binnen. Jackson heeft de mastertapes en het hoesontwerp van zijn debuutplaat dan al klaarliggen, waardoor de definitieve opnamen met de Amerikaanse producer David Kershenbaum en Jacksons driekoppige band een fluitje van een cent zijn. Look Sharp! – met op de hoes Jacksons witte Denson-puntschoenen – slaat in als een bom. Het jeugdige publiek is overenthousiast over de felle, eenvoudige rocksongs, door Jackson gebracht met een knorrig elan en voorzien van bijdehante teksten. Puntig, fris en snel – en dat laatste geldt ook voor de opvolger die Jackson met producer Kershenbaum, gitarist Gary Sanford, bassist Graham Maby en drummer Dave Houghton in vier weken tijd release-klaar maakt. Zeven maanden na Look Sharp! ligt het nog sterkere I'm The Man in de winkels. Jacksons boosheid knalt ook nu weer uit de groeven en diens band spettert van het vinyl in door adrenaline aangejaagde punky popsongs als 'I'm The Man', 'Get That Girl' en 'Don't Want To Be Like That'. Het sarcastische 'Geraldine And John' wordt voortgedreven door een ruimtelijke reggaebeat en opgeluisterd door Jacksons melodica; ballads als de singlehit 'It's Different For Girls' en het pijnlijk fraaie 'Amateur Hour' bereiken grote hoogten. Al dit fraais zit ingeklemd tussen de beschouwende spitsvondigheid en agressieve nijdasserigheid van de opener 'On The Radio' en de Jackson-klassieker 'Friday'. Zo krachtig, bijtend en punky als op Look Sharp! en 'I'm The Man zal Joe Jackson nooit meer zijn; nooit meer die bewonderenswaardige, slungelachtige angry young man die hij was toen hij de muziekscene binnen kwam stormen.

On The Radio / Geraldine And John / Kinda Kute / It's Different For Girls / I'm The Man / The Band Wore Blue Shirts / Don't Wanna Be Like That / Amateur Hour / Get That Girl / Friday

zaterdag 9 februari 2013

Japan | Quiet Life


Kunstmatig, cerebraal en afstandelijk, zo is de muziek van Japan meer dan eens omschreven. Ook David Batts, artiestennaam David Sylvian, beaamt dit. Vernieuwend en invloedrijk was Japan evenzeer, wat dan weer niet door Sylvian wordt beaamd. Valse bescheidenheid. Opgericht in de midden jaren zeventig in Londen en opererend in de vaste bezetting met naast zanger/componist Sylvian diens broer Steve Jansen (drums), Mick Karn (bas, saxofoon), Richard Barbieri (toetsen, synrhesizers) en gitarist Rob Dean doorloopt Japan verschillende muzikale en conceptuele fasen. Uitgedost als een gestileerde variant van de New York Dolls brengt Japan eerst funkende rock op Adolescent Sex, waarna vervolgens de Velvets, Reed en Bowie hun invloeden doen gelden op Obscure Alternatives. Wanneer aan het eind van het decennium de punk verschuift van protest en lawaai naar narcisme en artrock, behoort Japan tot de nieuwe voorhoede. De nieuwe dandylook, compleet met eyeliner en lippenstift, zet Japan en vooral diens voorman David Sylvian nadrukkelijk in de etalage. Vooral in Japan, waar de gelijknamige groep mega-zalen als de Budokan uitverkoopt. Dan gaat de band in zee met discoproducer Giorgio Moroder voor de single ‘Life In Tokyo’ en aldus doet een geraffineerde discobeat zijn intrede. Moroder en hardrock-producer Sandy Pearlman zijn kandidaat producers voor Japans volgende lp, maar het lukt de band de eerste kandidaat te strikken: John Punter, engineer van de eerste Roxy Music-platen. 
In Punters vaste Londense studio, Air Studios, en met diens vaste crew neemt Japan zijn derde plaat op: Quiet Life. De grandeur en het Europese karakter van Quiet Life doen direct denken aan het vroege werk van Bryan Ferry en zijn kompanen; Quiet Life kan beslist doorgaan voor de natuurlijke opvolger van Siren. Het titelnummer wordt aangejaagd door een synthetische beat, maar bevat ook scherp gitaarspel van Rob Dean. Het machtige ‘In Vogue’ wordt aangedreven door het knorrende, fretloze basspel van Mick Karn, al spelen diens massieve saxofoon-harmonieën evenzeer een voorname rol – net als in het schitterende ‘Alien’. Sylvian croont in de beste Ferry-traditie, zingt in ‘Despair’ in het Frans gelijk Ferry in diens ‘Song For Europe’ en etaleert zijn gespeelde gekweldheid op superieure wijze in ‘The Other Side Of Life’. Dit magische slotakkoord sterft uiteindelijk in de schoonheid van barokke strijkers die onder regie staan van Ann O’Dell. Weltschmerz en gekwelde grandeur ten spijt, Quiet Life, met zijn distinctie en eloquentie, is een waar tijdloos meesterwerk. Het zal de tand des tijds met een met lippenstift besmeurde glimlach doorstaan.

Quiet Life / Fall In Love With Me / Despair / In Vogue / Halloween / All Tomorrow’s Parties / Alien / The Other Side Of Life  

zondag 13 januari 2013

Marianne Faithfull | Broken English


Marianne Faithfull is een levende legende, en zoals ze zelf zegt: de legende is helemaal waar. Op 17-jarige leeftijd werd Faithfull, dochter van een arme Oostenrijkse barones en een excentrieke professor, ontdekt op een feestje door Andrew Loog Oldham. De volgende dag werd ze naar een Londense studio geroepen om ‘As Tears Go By’ op te nemen. En dat veranderde Faithfulls leven compleet. Met de Rolling Stones én Mick Jagger in haar nabijheid raakt Marianne Faithfull – ‘Sister Morphine’ – verslaafd aan drank en drugs. Vanaf 1968 verdwijnt ze geheel van het muzikale toneel, tot in 1978 Faithless verschijnt. Het is een opstapje naar wat ongetwijfeld Faithfulls meesterwerk is: Broken English.
De plaat verschijnt eind 1979 in woelige, apocalyptische postpunk-tijden, waardoor het geen verbazing wekt dat het klankbeeld op Broken English deprimerend en grimmig is. Het weerspiegelt bovendien Faithfulls situatie: verslaafd aan sigaretten en whisky. De plaat opent met de doomy rocker ‘Broken English’, en gelijk valt Faithfulls door drank en drugs geteisterde stem op. Het is haar nieuwe imago, zowel in woord als gebaar; dat van de van illusies verstoken artieste. De kille toetsen – een gastrol van Steve Winwood – dragen bij aan dat beeld en geven Broken English een duistere meerwaarde. Maar meer nog zijn de choppy gitaarlicks van Barry ‘White’ Reynolds een bepalende factor. Reynolds heeft bovendien de muziek geschreven die naadloos op Faithfulls teksten aansluit. In ‘Brain Drain’ – een drugssong – klinkt Reynolds’ gitaar zelfs aanmerkelijk bluesy tegenover de staccato beat. ‘Guilt’ kent dan weer funky baslijnen evenals het op muziek gezette pornografische gedicht ‘Why D’Ya Do It’. De hoogtepunten zijn echter de covers: een spookachtige versie van John Lennons ‘Working Class Hero’ en ‘The Ballad Of Jucy Lordan’ een onwaarschijnlijke hit in Nederland – en alleen in Nederland. Faithfull trekt de song, een compositie van Shell Silverstein voor Dr. Hook, onder begeleiding van elektronica volledig naar zich toe. Met Broken English staat La Faithfull weer midden in de schijnwerpers en midden tussen de postpunkers die het muzikale tijdsbeeld anno 1979 bepalen.
De met Broken English teruggewonnen geloofwaardigheid helpt Marianne Faithfull verder in haar muzikale carrière die weer in het goede spoor komt. Ze blijft echter een icoon van verval en defaitisme, een femme fatale bij uitstek.

Broken English / Witches’ Song / Brain Drain / Guilt / The Ballad Of Jucy Lordan / What’s The Hurry / Working Class Hero / Why D’Ya Do It

zondag 16 december 2012

The Only Ones | Even Serpents Shine


Hoewel de ster van Peter Perrett en zijn broeders in het kwaad rees in de eind jaren zeventig – en aldus meereed op de toen heersende golven – hadden The Only Ones in feite geen ene reet te maken met de heersende punk- en new wave-trend. The Only Ones waren een ouderwetse vuige rockband, wier scheppingsdrang niet voortkwam uit de chaos van de punk. Nee, Lou Reed, Television, David Bowie, The Who en zelfs Wishbone Ash lijken eerder in aanmerking te komen om als invloeden te dienen voor de supergeile nachtrock van het Zuid-Londense kwartet. En wat voor een kwartet; een onwaarschijnlijk samenwerkingsverband van een heroïne en cocaïne dealende bohémien, diens vazal, een veteraan-drummer en dito bassist. Peter Perrett is een romantisch kind van de nacht dat weigert deel te nemen aan de realiteit van alledag, zijn alter ego is Mike Perry die met zijn gitaar evenveel weet uit te drukken als Perrett met zijn teksten. Mike Kelly is een muzikale veteraan die drumde bij Spooky Tooth en Alan Mair is de nog oudere bassist. Vanzelfsprekend is Peter Perrett de onbetwiste leider van dit bonte gezelschap, het zijn dan ook zijn composities en teksten die de aandacht trekken van platenmaatschappij CBS. In 1979 is de gelijknamige debuut-lp een jaar eerder verschenen en heeft de single 'Another Girl / Another Planet' de aandacht getrokken van het publiek. De verwachtingen van zowel publiek als platenmaatschappij zijn hooggespannen als The Only Ones de studio ingaan om aan hun volgende plaat te werken.
De sessies voor Even Serpents Shine worden in verschillende studio’s opgenomen. Vanwege de mogelijk ontbrekende coherentie zorgt bassist en zelfbenoemd producer Alan Mair voor een dikke en dichte sound. Perrets snuiven en spuiten, een maîtresse die op onverwachte momenten een gedementeerde striptease in de studio opvoert en de donkere en van ennui doordrenkte sfeer maken Even Serpents Shine tot een onontkoombaar document. Peter Perrett laat zich volledig gaan, waarbij zijn slepende en snerende voordracht zowel Dylan als Reed in herinnering roepen. Perretts stuwende slaggitaar biedt een effectief fundament voor het lyrische gitaarspel van John Perry. Zijn solo’s en vloeiende gitaarlicks zijn één van de pijlers van Even Serpents Shine. De andere pijler is natuurlijk Perrett – de rocker in pyamabroek en berenvel – die door middel van zijn teksten zijn verlichting zoekt. In 'From Here To Eternity' heet het But in the darkness and in the light / I have found some hope of me getting out from this underground, in 'You’ve Got To Pay' spreekt Perrett van I’ve had enough of this poison and decay. Maar deze verwijzingen zijn niet genoeg, in 'No Solution' sneert Perrett I can’t take it anymore terwijl hij in 'Miles From Nowhere' uit de werkelijkheid wil vluchten: maybe you will set me free from this sorrow. De teksten zijn vervat in epische rocksongs die gemodelleerd zijn naar de classic rock van de jaren zeventig, maar die tegelijk zoveel eigens hebben dat zij van niemand anders afkomstig kunnen zijn dan van The Only Ones. Even Serpents Shine komt over de luisteraar als een gloeiende lavastroom, een lavastroom waarmee solide drumwerk, stuwende bas en gierende gitaarriffs en ijle solo’s getransporteerd worden en die als omlijsting dienen van het poëtisch vernuft van nachtvlinder Perrett. Zo is 'Out There In The Night' een lovesong waarin Perretts liefde verdween in de nacht en over wiens reine en onvoorwaardelijk liefde Perrett lamenteert: You gave me pure unspoilt love. De romantische rocksong blijkt echter een loflied te zijn op poes Candy die Perrett ontviel. Deze poëtische kwaliteit – Peter Perrett dus – zet The Only Ones apart van de rest. En als naast al deze subtiele pracht en ademende kracht er bovendien nog ruimte is voor het zuigende en diepduistere 'In Betweens', is de conclusie eenvoudig en simpel: Even Serpents Shine is van de beste rockalbums ooit gemaakt. The Only Ones hebben aldus met Even Serpents Shine anno 1979 rockgeschiedenis geschreven. Niets meer, niets minder – onbetwistbaar.
Even Serpents Shine en diens uitstekende opvolger Baby’s Got A Gun ten spijt, toch delfden The Only Ones al snel het onderspit. Tijdens een succesvolle tournee door Amerika reed Peter Perrett in een paniekaanval een bewaker dood. De band vluchtte halsoverkop uit Amerika, hetgeen tot gevolg had dat CBS de band dropte. Het betekende het einde van The Only Ones. Peter Perrett probeerde het in de jaren negentig nog met The One, maar zijn verslaving dwong hem eindeloos door de nacht te dolen, waarop onontkoombaar het doek viel voor de Lord Byron van de nachtrock: There’s no sense in suffering / As the rocks tumble and the earth slides too / This means curtains for you. We houden er Even Serpents Shine aan over, één van de mooiste rockalbums ooit.

From Here To Eternity / Flaming Torch / You’ve Got To Pay / No Solution / Inbetweens / Out There In The Night / Curtains For You / Programme / Someone Who Cares / Miles From Nowhere / Instrumental


maandag 15 oktober 2012

Lee Clayton | Naked Child


Het laatste nummer van Lee Claytons Naked Child – If I Could Do It (So Can You) – vat de drijfveren van de in Alabama geboren en in Tennessee opgegroeide singer-songwriter uitstekend samen en is te beschouwen als zijn stemverklaring, zijn reason to be.
I was twenty-two, married with a nice executive smile
A briefcase and a job I could not stand
Rusteloosheid en een hang naar avontuur drijven Lee Clayton weg van een normaal gezinsleven. Het is uiteindelijk de schier eindeloze verveling die Clayton dwingt zijn vrouw te verlaten. Hij besluit dat het genoeg is en dat er maar twee dingen zijn die hij echt wil doen: muzikant of straaljagerpiloot. Het wordt het laatste.
I crossed the line in April nineteen sixty-seven
And I left a wife crying in the sunshine
But I have always wanted to fly
At twice the speed of sound and I did
Drie jaar lang is Lee Clayton piloot in dienst van de luchtmacht en maakt honderden vlieguren in Voodoo’s en Starfighters. Als Lee Clayton eind 1969 de Air Force verlaat, heeft hij talloze songs geschreven en gaat hij op weg naar Nashville, zijn volgende droom najagend. Het is een hard leven daar in Nashville, een hard leven voor een beginnende singer-songwriter.
I moved on down to Nashville
Sleeping on the floors
Living like a dog and gettin’ God damned
But I was doing what I do
Clayton leeft drie jaar zonder dak boven zijn hoofd, pikt elke avond een meisje op om de nacht mee door te brengen en als dit mislukt is zijn auto zijn bed. Via een bevriende muzikant krijgt Waylon Jennings Claytons Ladies Love Outlaws in handen en vanaf dat moment keert het tij voor de aan vrouwen, tequila en cocaïne verslingerde Clayton. Claytons gelijknamige debuut-lp verschijnt in 1973, maar doet hoegenaamd niets in Amerika. Teleurgesteld keert Lee Clayton volledig in zichzelf en brengt een jaar door tussen de joshua trees in de Californische woestijn en specialiseert zich in watching sundowns. Na deze introspectieve periode keert Clayton terug naar de bewoonde wereld en wil zijn songs nog een keer op de mensheid loslaten. In Los Angeles komt Clayton in contact met de Ierse gitarist Philip Donelly, die een katalysator zal blijken te zijn in Claytons Capitol-periode. Een uiterst creatieve periode die het drieluik Border Affair (1978), Naked Child (1979) en The Dream Goes On (1981) oplevert.
Met producer Neil Wilburn en Claytons 6-koppige begeleidingsband, onder aanvoering van de sublieme Donelly, en met gastrollen van bassist Klaus Voorman (The Beatles, Lou Reed) en J.J. Cale worden de opnamen voor Naked Child gemaakt in zowel LA als Nashville. Half december ’78 zijn de opnamen bijna voltooid, maar dan krijgt de eigengereide Clayton onenigheid met producer Wilburn en is rechterhand Donelly op familiebezoek in Ierland. In blinde paniek steelt Clayton de tapes uit de studio en smokkelt ze een vliegtuig naar Ierland in. Het vliegtuig vertrekt echter niet vanwege zware sneeuwval, zodat de tapes op Amerikaanse bodem blijven – onder Claytons bed. Na drie maanden getouwtrek met platenmaatschappij Capitol besluit Clayton te capituleren en de tapes in te leveren en aldus Naked Child af te maken.
Naked Child is opgetrokken rond Claytons bespiegelende en zelfreflecterende songs en sublieme countryrock, die meer Texas- en Westcoast-invloeden verraadt dan in het meer traditionele Nashville gebruikelijk is. De epische nummers zijn dan ook getoonzet in een rock-format, waar er vooral een hoofdrol is weggelegd voor het gierende en gillende gitaarspel van Philip Donelly. De composities van Clayton zijn ijzersterk en worden perfect ondersteund door diens onderkoelde en macho voordracht – van de zelfverzekerde ladiesman en ex-fighterpilot waar Clayton zich op voorstaat. Maar het fraaie gitaarspel van Donelly in If I Could Do It (So Can You), 10,000 Years/Sexual Moon en vooral in het klassieke I Ride Alone is werkelijk the top of the bill; het verleent Naked Child een buitengewone status, dat van een topalbum. Lee Claytons idioom is gebaseerd op fatalisme, egoïsme en hedonisme; Claytons personages doen wat ze moeten doen, vertrouwen alleen op zichzelf en zijn zich bewust dat wie wind zaait, storm zal oogsten. En spijt is iets voor zwakkelingen. Van de southern-rock boogie Saturday Night Special tot de epische en bezwerende rocker I Ride Alone en de akelig defaitistische songs I Love You en A Little Cocaine, Naked Child is gevariëerd, spannend en fel realistisch. Clayton zet een wereld neer van verval, liefdeloosheid, drank en drugs. Maar onder al die bravoure en machismo bevindt zich de puurheid van het naakte kind: I am but a naked child composed of pure white light.
Op 17 maart 1981 neemt Clayton een besluit: ‘I decided that I had gone as far as I could go at that point in time, so basically I stopped.’ Eén licht overbodige studioplaat verschijnt er nog in 1994, gevolgd door een dito live-album. Zijn in 1981 genomen besluit maakt Lee Clayton tot een ware cult-hero.

Saturday Night Special / I Ride Alone / 10,000 Years/Sexual Moon / I Love You / Jaded Virgin / A Little Cocaine / If I Can Do It (So Can You)

donderdag 5 juli 2012

The Motels | The Motels

Ook Los Angeles had zijn new wave aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Opgeschud door de punk en op zoek naar radio-friendly pop joegen de grote platenmaatschappijen op alles wat bewoog. In clubs als Madam Wong’s en Rodney Bingenheimer’s Death Disco speelden de talloze bands hun punk- en powerpop: The Knack, The Beat, The Pop. En The Motels, publieksfavorieten in de clubs. Martha Davis – de grote madam van de band – richtte in 1976 al een eerste versie op van The Motels, maar begin 1979 is de band met de komst van gitarist Jeff Jourard op oorlogssterkte. Davis is echter als componist, tekstschrijver en zangeres de alles bepalende factor binnen The Motels: Martha Davis, met haar ruige kniehoge laarzen en tijgerbroek, ís The Motels. Capitol Records krijgt Davis en de haren te pakken en tekent de band op moederdag 1979. De volgende dag worden The Motels al de studio in gedirigeerd. Binnen een week staat de debuut-lp erop. De wereldwijde release brengt The Motels veel aandacht en dat is terecht, want de zelfgetitelde debuutplaat is gedifferentieerder en afwisselender dan de stijl- en tijdgenoten. Subtiele powerpop – met de kenmerkende hakkelende slaggitaar – wordt afgewisseld met introspectieve songs, zoals het prachtige ‘Total Control’, en zelfs met reggae, zoals in ‘Porn Reggae’. Martha Davis zingt over teleurstelling, verlangen en verdriet, en verpakt dit in gevarieerde poprock, dat van scherpe hoeken wordt voorzien door de gitaar van Jeff Jourard. The Motels bevat vele potentiële radiohits, althans in een betere wereld: ‘Anticipating’, ‘Atomic Cafe’, ‘Celia’, ‘Counting’ en ‘Dressing Up’. Maar hét perfecte – en ook klassieke – powerpopliedje is ‘Closets & Bullets’, dat tot de canon van het genre behoort. Natuurlijk gaan The Motels op wereldtournee, maar deze bezetting houdt het niet lang vol, en dat zal voor nagenoeg alle Motels-versies gaan gelden. Martha Davis verslijt gitaristen en bandleden bij de vleet en dat komt het niveau van volgend plaatwerk niet ten goede. Desondanks heeft ze in 1982 nog een grote hit met ‘Suddenly Last Summer’. De puurheid en frisheid van het debuut, The Motels, zal Martha Davis echter nooit meer benaderen.

Anticipating / Kix / Total Control / Love Don’t Help / Closets & Bullets / Atomic Cafe / Celia / Porn Reggae / Dressing Up / Counting

zaterdag 31 maart 2012

Skids | Scared To Dance

Als Richard Jobson in december 1976 op een auditie in een mijnwerkerssociëteit wat woorden in de microfoon brult, is hij de nieuwe zanger in de band van Stuart Adamson. Met Willie Simpson (bas) en Tom Kellichan (drums) vormen zij in Dunfermline, een stad even benoorden Edinburgh, de Skids. De punk is dan al ten volle tot uitbarsting gekomen en de Skids nemen de bijbehorende nihilistische attitude op in hun rockmuziek – evenals invloeden van Roxy Music en Mott The Hoople. Jobson en Adamson profileren zich als songschrijvers en de laatste is tevens de gezichtsbepalende factor van de band vanwege zijn bijna volleerde gitaartechniek en zijn expliciete gitaarspel. Adamson speelt lyrische solo’s, waar dit bij nagenoeg alle punkbands uit den boze is. Na voorprogramma’s voor The Stranglers en Buzzcocks bereikt de Skids’ zelf gefinancierde EP John Peel. Peel haalt de Schotten voor zijn radiosessies naar Londen, met als gevolg dat de Skids voor maar liefst acht lp’s tekenen bij Virgin. De tweede single van de Skids krijgt de volle aandacht in de pers en op de radio. Opgebouwd rondom Jobsons gezwollen tekst en Adamsons furieuze spel is ‘The Saints Are Coming’ een ware punkklassieker. En dat is ook de lp die de Skids vervolgens opnemen met producer David Batchelor en engineer Mike Glossop. Scared To Dance is als het ware een verzameling strijdliederen, furieus uitgevoerd door vier tartanpunkers. Beukende, martiale drums en een droge bas begeleiden de bombastische stem van opgewonden standje Jobson en het flitsende en gierende gitaarspel van Adamson. Naast het genoemde ‘The Saints Are Coming’ is ‘Into The Valley’, de volgende single en doorbraakhit, een van de topnummers van Scared To Dance. Adamsons cirkelzagende gitaar is eveneens prominent aanwezig op ‘Of One Skin’, ‘Dossier’ en op de andere met heavy gitaarriffs opgeluisterde songs. Maar nog het meest op het machtige ‘Scared To Dance’, dat door Stuart Adamsons gitaarspel tot grote hoogten wordt opgestuwd. Toch is Adamson ontevreden over de productie van Scared To Dance. Hij dreigt met opstappen, maar zal het nog twee albums volhouden. Dan voert hij zijn eerdere dreigement uit en begint zijn eigen band: Big Country. Jobson gaat door met de Skids, later met The Armoury Show en richt zich vervolgens geheel op toneel en literatuur. Richard Jobson is inmiddels een succesvol kunstenaar, Stuart Adamson hangt zichzelf op in een hotelkamer op Hawaii op 16 december 2001. ‘The Saints Are Coming’ wordt in 2006 wel opnieuw een hit; in een pathetische uitvoering van het monsterverbond U2 en Green Day.
Into The Valley / Scared To Dance / Of One Skin / Dossier / Melancholy Soldiers / Hope And Glory / The Saints Are Coming / Six Times / Calling The Tune / Integral Plot / Charles / Scale