Posts tonen met het label 1974. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1974. Alle posts tonen

woensdag 10 januari 2018

Hawkwind | Hall Of The Mountain Grill

In 1968 opgericht door straatmuzikanten, daklozen en lsd-slikkers, is Hawkwind de belichaming van de jaren zestig tegencultuur en het totaal doorgetripte hippiedom. Een losgeslagen bende die zich in de Londense hippiewijk Notting Hill Gate, een pendant van Haight-Ashbury in San Francisco, te buiten gaat aan marihuana, lsd, cocaïne, mescaline, dexedrine en mandrax. Het enige doel van Hawkwind is volgens oprichter Dave Brock om het visuele en muzikale equivalent van een acid trip te creëren. Met behulp van tape-loops, echokamers en geluidsgeneratoren brouwt de band – zes langharige weirdo's – een geluid van ellenlange solo's, pulserende elektronica en uitputtende, zich steeds herhalende ritmische patronen: de spacerock van Hawkwind is heftig, chaotisch en meedogenloos. 
Live is de band al snel een sensatie, want een multimedia-spektakel vanwege de rondtollende stroboscopen, de idiote uitdossingen, de medewerking van kunstenaars als science-fictionschrijver Michael Moorcock en de verknipte dichter Robert Calvert – en in het bijzonder de naakt-act van danseres Stacia. Grafisch kunstenaar Barney Bubbles tekent voor de schitterende hoezen, zo ook voor Hall Of The Mountain Grill, met een fascinerende hoes die het science fiction-karakter van de muziek benadrukt. Het is Hawkwinds vijfde album, live-trip Space Ritual meegerekend, en inmiddels is Ian 'Lemmy' Kilminster aan boord als zanger en bassist en heeft de band in 1972 een onverwachte hit gehad met 'Silver Machine'. 
De heavy riffs zijn teruggebracht naar een bescheidener niveau en akoestische gitaar, viool en mellotron doen hun intrede. Het Hawkwind-geluid is nog even spacey, maar zweeft nu majesteitelijk; melodie en harmonie zetten de toon. Hawkwind klinkt nu symfonisch vanwege de machtige mellotron-tapijten, de elektrische viool en de verrassend sterke zangharmonieën, dit alles superieur samengebald in het Pink Floyd-achtige 'D-Rider'. In het verlengde hiervan liggen atmosferische stukken als 'Web Weaver' en de prachtige instrumental 'Wind Of Change', op hun beurt ingeklemd tussen opener 'The Psychedelic Warriors (Disappear In Smoke)' en afsluiter 'Paradox', Beide zijn gefundeerd op een geslaagde combinatie van gekende riffs en geestverruimende mellotrons en synthesizers. Het vernieuwde Hawkwind, losgezongen van de totale gekte, levert in 1974 met Hall Of The Mountain Grill een onverwacht coherent werk af, dat mag gelden als een meesterwerk van psychedelische, symfonische spacerock.
Personele trubbels, psychoses, drugs-incidenten en wat al niet meer weerhouden kapitein Dave Brock er niet van Hawkwind decennialang in de vaart te houden. Een respectvol, maar niettemin marginaal bestaan voor dé pioniers van de spacerock. Hawkwind: psychedelische sci-fi-rockers in extremis, in ultimo extremis.

The Psychedelic Warriors (Disappear In Smoke) / Wind Of Change / D-Rider / Web Weaver / You'd Better Believe It / Hall Of The Mountain Grill / Lost Johnny / Goat Willow / Paradox

United Artists, 1974

maandag 30 oktober 2017

Kevin Ayers-John Cale-Eno-Nico | June 1, 1974

De aanleiding voor het eenmalige, gezamenlijke concert in het Londense Rainbow Theatre op 1 juni 1974 van Kevin Ayers, John Cale, Eno en Nico is de release van Kevin Ayers’ The Confessions of Dr Dream and Other Stories in mei van dat jaar. Dr Dream is na drie eerdere soloalbums Kevin Ayers’ debuut voor Island Records; een nieuwe start en met een nieuwe begeleidingsband, The Soporifics. Om dat te vieren wordt het Rainbow-concert georganiseerd, waarbij Ayers zowel oude vrienden als nieuwe labelgenoten uitnodigt. Cale, Eno en Nico staan alledrie onder contract bij Island. Brian Eno, in 1973 uit Roxy Music gestapt, debuteert in januari 1974 met Here Come the Warm Jets, maar speelt ook mee op John Cale’s Island-debuut Fear, dat in oktober ’74 zal verschijnen. Cale op zijn beurt, produceert op dat moment The End… van chanteuse Nico. Zij zat samen met Cale in The Velvet Underground en is ook debutante bij Chris Blackwells Island Records. Het is tezamen een mooi stel dat op 1 juni 1974 optreedt in de Rainbow, temeer daar Ayers oude vrienden als Robert Wyatt (drums), Mike Oldfield (gitaar) en John ‘Rabbit’ Bundrick (toetsen) erbij betrekt en ook zijn nieuwe band The Soporifics lanceert, met daarin Ollie Halsall (gitaar), Archie Leggat (bas) en Eddie Sparrow (drums).
Het optreden in de Rainbow verloopt gefaseerd: performers en artiesten treden aan in verschillende bezettingen, en ook geïsoleerd van elkaar. De vraag is of allen daadwerkelijk bevriend zijn, of dat labelbaas Blackwell ze uit commerciële overwegingen bij elkaar gezet heeft; het gerucht gaat dat Kevin Ayers aan de vooravond van het concert John Cale’s vrouw geneukt heeft.
Brian Eno trapt in ieder geval af met het angstaanjagende, door synthesizers opgejaagde ‘Driving Me Backwards’, gevolgd door het rockende ‘Baby’s On Fire’ - dat best in ’74 een hit had kunnen worden, maar het niet werd. Vervolgens is het de beurt aan de gedrogeerde John Cale, die er zich nogal gemakkelijk vanaf maakt met een cover van Elvis Presleys ‘Heartbreak Hotel’ - al is zijn deprimerende versie ervan, ja echt, onovertroffen. Het wordt echter nog deprimerender als Nico plaatsneemt achter haar harmonium - en Eno haar begeleidt met in mineur getoonzette synthesizerbliepjes - voor haar uitvoering van Jim Morrisons ‘The End’.
Tot zover Cale, Eno en Nico. Kant 2 is volledig ingeruimd voor Kevin Ayers en zijn band. Ayers biedt in vergelijking met de duistere songs van Eno, John Cale en Nico een soort van lichtheid van het bestaan met zijn nogal romantische songs, gedragen door elektrische gitaar, rollend orgel en Ayers koffiebruine, door Gauloises-aangejaagde stemgeluid. ‘May I?’ is al voortreffelijk, wat wordt bekrachtigd door ‘Shouting in A Bucket Blues’, het bluesy ‘Everybody’s Sometime and Some People’s All the Time Blues’ - met een solo van Mike Oldfield - en de onheilszwangere afsluiter ‘Two Goes Into Four’. 
Al op 28 juni 1974 wordt het concert van 1 juni uitgebracht. Razendsnel dus. June 1, 1974 is daarmee een bijzonder document en biedt ook een mooi zicht op de embryonale solocarrières van Brian Eno en John Cale: hun piek ligt in latere jaren. Kevin Ayers bracht dit tezamen, reden waarom June 1, 1974 in juni 1974 een ronduit iconische liveplaat is, al ziet bijna niemand dat. Het is echter wel zo. 

‘Driving Me Backwards’ | ‘Baby’s On Fire’ | ‘Heartbreak Hotel’ | ‘The End’ | ‘May I?’ | ‘Shouting in A Bucket Blues’ | ‘Stranger in Blue Suede Shoes’ | ‘Everybody’s Sometime and Some People’s All the Time Blues’ | ‘Two Goes Into Four’

Gepubliceerd in Platenblad #231



dinsdag 25 juli 2017

David Bowie | Bowie - Cracked Actor

Bowie - Cracked Actor heeft veel overeenkomsten met David Live, in 1974 Bowies eerste officiële livealbum. In die zin dat de opnamen beide afkomstig zijn van de groots opgezette Amerikaanse tour die Bowie in 1974 ondernam. David Bowie beleefde hiermee een grootse doorbraak in het beloofde land, nadat Ziggy Stardust (1972), Aladdin Sane (1973) en Diamond Dogs (1974) wereldwijd grote successen bleken. Bowie sleept op deze tournee een grootse entourage mee, onder wie een tienkoppige band. Waar David Live op 14 en 15 juli ’74 is opgenomen in Philadelphia, daar bevat Bowie - Cracked Actor de opnamen van het op 5 september gegeven concert in het Universal Amphitheatre in Los Angeles. Band en Bowie zijn ook in het tweede deel van de uitputtende tournee nog steeds in vorm, en eigenlijk net iets funkier. De setlist is overigens op de beide live-dubbelaars nagenoeg gelijk met Bowie-krakers als ‘Moonage Daydream’, ‘Sweet Thing’, ‘All the Young Dudes’ - alhoewel geschreven voor Mott The Hoople -, ‘The Jean Genie’ en de uitsmijter ‘Rock ’N’ Roll Suicide’. Maar met toevoegingen als ‘It’s Gonna Be Me’, ‘Space Oddity’ en ‘Time’ is Bowie - Cracked Actor in 2017 een uitstekende toevoeging aan het oeuvre van het enigma, en aldus niet alleen bedoeld voor Bowie-completists.

‘1984’ | ‘Rebel Rebel’ | ‘Moonage Daydream’ | ‘Sweet Thing’/‘Candidate’/‘Sweet Thing (Reprise)’ | ‘Changes’ | ‘Suffragette City’ | ‘Aladdin Sane’ | ‘All the Young Dudes’ | ‘Cracked Actor’ | ‘Rock ’N’ Roll With Me’ | ‘Knock on Wood’ | ‘It’s Gonna Be Me’ | ‘Space Oddity’ | ‘Diamond Dogs’ | ‘Big Brother’ | ‘Time’ | ‘The Jean Genie’ | ‘Rock ’N’ Roll Suicide’ | ‘John I’m Only Dancing (Again)’

woensdag 7 juni 2017

Hudson Brothers | Totally out of Control

Bill, Brett en Mark Hudson uit Portland, Oregon zijn al vanaf hun vroege jeugd naarstig op zoek naar succes. Als ze in 1967 een talentenshow winnen mogen ze hun eerste singletje uitbrengen, de jaren daarna gevolgd door vele even onsuccesvolle pogingen. Maar in 1973 is het lot hun eindelijk gunstig gezind als Elton John de Hudson Brothers contracteert voor zijn Rocket Record Company. En het wordt nog mooier als de broers een eigen televisieshow krijgen bij CBS: The Hudson Bothers Razzle Dazzle Show, een werkelijk tenenkrommend slecht kinderprogramma waarin Bill, Brett en Mark hun bubblegumliedjes zingen. 
De Elton John-connectie levert echter wel een respectabel product op: Totally out of Control. Voor de opnamen hiervan trekken de Hudson-broers naar Europa om met Bernie Taupin dit album op te nemen in zowel Londen als in Studio Hérouville nabij Parijs. Naast de broers op gitaar, bas en drums spelen ook muzikanten uit de band van Elton John mee en ook de geweldige B.J. Cole op pedal steel. 
De Hudson Brothers steken op Totally out of control The Beatles naar de kroon. Nou, niet echt, maar het levert wel een geweldig beatlesk powerpopalbum op. De harmonieën, melodieën en catchy refreinen zijn fris en veelal voortreffelijk, met vaak lekker scherpe gitaren, zoals in ‘Be A Man’, ‘Killer on the Road’ en ‘Out of the Rainbow’. Gevoegd bij ijzingwekkend mooi gezongen liedjes als ‘Truth of the Matter’ en ‘Dolly Day’ en sluwe Beatle-pastiches (‘If You Really Need Me’ en ‘Sunday Driver’) is Totally out of Control een bijkans perfecte popplaat. De gave gimmick-hoes maakt het nog eens áf. Geweldig die Hudson Brothers.

‘Long Long Day’ | ‘Be A Man’ | ‘Truth of the Matter’ | ‘Killer on the Road’ | ‘Dolly Day’ | ‘Lover Come Back to Me’ | ‘Straight Up and Tall’ | ‘If You Really Need Me’ | ‘Sunday Driver’ | ‘Isn’t It Lovely’ | ‘La La Layna’ | ‘Medley: These Things We Do; Home; Out of the Rainbow; Find Me A Woman; Little Brown Box; One and the Same’

woensdag 1 maart 2017

Coast Road Drive | Delicious And Refreshing

Samengeraapt uit diverse Britse bands, en zelfs uit de Californische Grassroots, is Coast Road Drive een kwartet van uitstekende musici. Hun enige wapenfeit tijdens het kortdurende bestaan is echter de lp Delicious And Refreshing, die niettemin in 1974 verschijnt op het fameuze Deram-label. Hoewel de muziek van Coast Road Drive niet origineel is, biedt Delicious And Refreshing wel een goed gekozen mix van Britse pubrock à la Brinsley Schwartz en Amerikaanse rootsrock, Gelijkenissen zijn er dan ook met The Band, Little Feat en Derek & The Dominos. In combinatie met sterk spel en prima composities levert dat getuige 'It's All So Easy', 'Jason', 'This Time Around' en 'Over The Mountain', een landelijke countryrocksound op waarin gedoseerd gitaarwerk en harmoniezang overheersen. Lekker lui stompend, en verrijkt met vette slidegitaar, is ook 'If You Ain't Got The Key'. Delicious And Refreshing, met een gastrol van Stones-pianist Nicky Hopkins, is een uitstekend visitekaartje van een band die in feite al was opgeheven voordat de het debuutalbum verscheen. Gelijk Britse obscuriteiten als Cochise, Hokus Poke en Anna Domini is Coast Road Drive een band die wel een fraai countryrock-album afleverde, maar het helaas niet heeft gemaakt.

Sail Away / Coal Black Night / It's All So Easy / Take Me Time / Jason / This Time Around / Hard To Handle / If You Ain't Got The Key / Keep On / Over The Mountain 


Deram (1974)

zondag 10 januari 2016

David Bowie | David Live

David Live is in 1974 het eerste live-album van David Bowie. De live-dubbelaar is in oktober ’74 de opvolger van Diamond Dogs en brengt een persona voor het voetlicht dat zich bevindt tussen Ziggy Stardust en The Thin White Duke. Een wat - voor Bowie-begrippen althans - non-descripte figuur in een wijd kostuum temidden van een gigantische, Broadway-achtige setting. Een setting - die door dertig man moet worden opgebouwd - die de dan door cocaïne geteisterde Bowie vier miljoen dollar kost om door de Verenigde Staten te slepen. Een decadent gebeuren dat Bowie’s management aan de rand van de afgrond brengt.
De kern van Bowie’s setlist bestaat uit de songs van Diamond Dogs, een dystopisch, over de top conceptalbum, aangevuld met klassiek repertoire. The Spiders From Mars hebben het veld geruimd ten faveure van een uitgebreid Brits/Amerikaans orkest - met een hoofdrol voor de Amerikaanse gitarist Earl Slick. Aan het hoofd van de band staat een superieure Bowie, die zijn mix van glam, rock, blues en soul kil en afstandelijk voor het voetlicht brengt. Opgenomen op 14 en 15 juli 1974 in de Tower Theatre in Philadelphia, is David Live niettemin een geweldig live-document van de kameleontische, doorgetripte Bowie anno 1974.  

1984 / Rebel Rebel / Moonage Daydream / Sweet Thing / Changes / Suffragette City / Aladdin Sane / All The Young Dudes / Cracked Actor / Rock ’n’ Roll With Me / Watch That Man / Knock On Wood / Diamond Dogs / Big Brother / Width Of A Circle / Jean Genie / Rock ’n’ Roll Suicide                    

vrijdag 31 oktober 2014

David Werner | Whizz Kid

David Werner is nog maar zeventien jaar als hij plots uit het niets opduikt met zijn debuutalbum Whizz Kid, een album dat ook nog eens verschijnt bij het grote RCA. Gemodelleerd naar de hotste glamrock-acts David Bowie en T. Rex, flirt ook Werner overduidelijk met een androgyn imago. Een blik op de hoes van Whizz Kid is voldoende: oogschaduw, lippenstift en decimetershoge blokhakken. David Werner is de New Yorkse tegenpool van de Britse nichtenrock, al moet hij in de schaduw blijven van de megalomane Jobriath. De muziek van Werner is dan ook beduidend aardser dan die van Jobriath; is meer heavy rock. Maar de flirt met glam en de neiging naar decadentie geven de muziek van Werner een beslist interessante twist. Opgenomen in de New Yorkse RCA-studio is Whizz Kid ook nog eens een productie van David Werner zelf, in samenwerking met Bruce Somerfeld. Naast zanger met een melodieuze stem, speelt Werner zelf alleen akoestische gitaar, maar heeft met bassist Gary Link, drummer Tom Glaister, gitarist Max Kendrick en gitarist en pianist Mark Doyle een uitstekende begeleidingsband. Vooral de laatste is met zijn evocatieve pianospel, gitaarsolo's en strijkersarrangementen Werners concertmeester, wat een proeve van bekwaamheid oplevert in het barokke, dramatische 'The Ballad Of Trixie Silver'; een glam-epos. In gedreven rockers als 'One Man Wild Guitar' en 'Love Is Tragic' komen stevige proto-punkgitaren langs die een vergelijking met stadgenoten New York Dolls rechtvaardigen; 'The Death Of Me Yet' is een logge rocksong à la Mott The Hoople; 'Counting The Ways' is zwevend en fraai en de pathetische, maar aangrijpende pianoballades 'It's A Little Bit Sad' en 'A Sleepless Night' brengen Whizz Kid subtiel in balans. De jonge Werner ontkomt niet aan beschuldiging van epigonisme, maar hij geeft wel blijk van een eigenwijze visie die potente gitaarrocksongs paart aan gevoelige ballads en aldus zich eigen niche creëert in het grote glamrock-bouwwerk. David Werner laat Whizz Kid in 1975 volgen door Imagination Quota en in 1979 door het zelfgetitelde David Werner. Dan keert hij zich volledig af van actieve muziekcarrière en wordt een niet onsuccesvolle producer, al blijft Whizz Kid welbeschouwd zijn grootste prestatie.

One More Wild Guitar / Whizz Kid / The Lady In Waiting / The Ballad Of Trixie Silver / It's A Little Bit Sad / Love Is Tragic / Plan 9 / Counting The Ways / The Death Of Me Yet / A Sleepless Night 

zondag 15 juni 2014

Hydra | Hydra

Vier vrienden uit Atlanta, Georgia richten een bandje op. Het is 1969, ze noemen de band Osmosis en hun repertoire is gevuld met covers. Osmosis bestaat uit Wayne Bruce (zang, gitaar), Spencer Kirkpatrick (leadgitaar, slide en akoestische gitaar), Orville Davis (bas) en Steve Pace (drums). Dan vertrekt het viertal voor twee maanden naar Charleston, South Carolina om in dienstbetrekking dagelijks – van negen uur ’s avonds tot half zeven in de ochtend – in een kroeg te spelen. Om de tijd te verdrijven oefenen ze veel overdag, waardoor de band hechter wordt. Het viertal gaat bovendien op basis van blues, hardrock en soul aan een eigen repertoire werken. Als de band in 1970 terugkeert naar Atlanta heeft ze een eigen repertoire én een nieuwe naam: Hydra. Maar lang blijven ze niet op de thuisbasis, want Hydra wordt een veelgevraagd voorprogramma. In een busje doorkruisen de rockers het land en doen voorprogramma’s voor Blue Öyster Cult, Aerosmith, Ted Nugent en Rush. ‘Whoever was happening in 1970s, we played with them’, aldus zanger Wayne Bruce. Pas aan het eind van 1973 gaan de Hydra-boys de studio in. Onder contract bij het fameuze Capricorn en geproduceerd door vijfde bandlid Dan Turbeville neemt Hydra zijn debuutalbum op in de Capricorn Sound Studio in Atlanta. In 1974 verschijnt het debuutalbum onder de eenvoudige titel Hydra. Het geluid van het viertal – bepaald door het twin-gitaarspel van Bruce en Kirkpatrick – past uitstekend bij Capricorn: een bluesy vorm van southern rock. De swingende rocksound van Hydra laat wat Engelse prog-blues-invloeden toe, maar de heavy southern rock domineert. ‘Glitter Gulch’ is een lekker opwarmertje met schetterende blazers, maar Hydra heeft getuige de moddervette gitaarbreak die blazers helemaal niet nodig. Kirkpatrick bewijst dat telkenmale en in het bijzonder in ‘Warp 16’ waarin zijn huilende en jankende gitaar de hoofdrol voor zich opeist. De stampende boogierock van ‘Keep You Around’, aangejaagd door Wayne Bruce’s rauwe stemgeluid, is voorts ruig en opwindend, evenals de klassieke southern rock van It’s So hard’ en ‘Let Me Down Easy’. De beide plaatkanten bouwen fraai op naar een climax; kant 1 sluit af met de epische rocksong en live-favoriet ‘Feel A Pain’; kant 2 met de sfeervolle powerballad ‘Miriam’ die via zinderend gitaarspel Hydra afsluit met een akoestische epiloog. En dan gaat de band weer op tournee. Hydra maakt nog een plaat voor Capricorn en een derde voor Polydor. In 1977 gooien de Hydra-mannen uitgeput en uitgewoond de handdoek in ring, waarna ze na 28 jaar weer bij elkaar komen en doodleuk een live-cd uitbrengen.

Glitter Queen / Keep You Around / It’s So Hard / Going Down / Feel A Pain / Good Time Man / Let Me Down Easy / Warp 16 / If You Care To Survive / Miriam

woensdag 28 mei 2014

Supertramp | Crime Of The Century

Stanley August Miesegaes, Sam, was een in Zwitserland wonende Nederlandse miljonair met een bijzondere hobby: hij sponsorde op persoonlijke titel een band, The Joint – of eigenlijk diens zanger en componist, Richard Davies. Want ondanks de op Miesegaes' kosten aangeschafte instrumenten en apparatuur zijn de talenten van The Joint teleurstellend en dus verlangt Sam van Davies dat hij de overige bandleden de laan uitstuurt, waarna in augustus ’69 via de Melody Maker nieuwe bandleden aangezocht worden: Wanted: lead guitarist plus vocals, bass guitarist plus vocals, drummer
Gerekruteerd wordt, naast een gitarist en een drummer, de 19-jarige bassist en toetsenist Roger Hodgson. De bandnaam ontleent het net gevormde kwartet aan een roman van R.H. Davies: Supertramp. Miesegaes blijft flink investeren in de band; vertrouwen ontlenend aan de vruchtbare samenwerking tussen Davies en Hodgsen. Dit levert een tweetal albums op, maar geen grote successen – zodat Miesegaes in 1972 de banden met Supertramp verbreekt; hen het geïnvesteerde instrumentarium schenkt en hen zo’n 60.000 pond kwijtscheldt. Het lijkt het einde van Supertramp, maar Davies en Hodgsen formeren een nieuwe band met bassist Dougie Thomson, saxofonist John Helliwell en Bees Make Honey-drummer Bob Benberg. Ze krijgen bovendien van A&M Records de gelegenheid om met producer Ken Scott op het platteland van Somerset te werken aan nieuw materiaal, dat vervolgens gedurende februari tot en met juni 1974 vastgelegd wordt in de Trident-studio, Rampant Studios en Scorpio Sound-studio; alle in Londen. 
Het resultaat van de samenwerking met Ken Scott is een album dat de kwaliteit heeft die Miesegaes voor ogen stond – en meer nog: Crime Of The Century is een mijlpaal van de jaren zeventig-rock; een lichtend baken in de oceaan van muzikale diversiteit; een klassieker van de middelbare school-jongeren – dit laatste misschien wel veroorzaakt door de klassieke opener ‘School’. Het zet de toon voor de kenmerkende lichtvoetige, atmosferische symfonische rock, die vooral aangedreven lijkt door de hypnotiserende elektrische piano, het handelsmerk van Supertramp – naar het lichtende voorbeeld van Procol Harum. Het gewicht van Crime Of The Century wordt mede bepaald door gedragen, dynamische Davies/Hodgson-songs als 'Hide In Your Shell', 'Asylum', 'Rudy' en 'Crime Of The Century' – alle opgetrokken uit meeslepende melodieën, feeërieke toetsen, barokke strijkers, venijnige gitaren en Ken Scotts verfijnde productie. Gepaard aan de single 'Dreamer' wordt Crime Of The Century Supertramps doorbraakalbum en de voorbode van nog grotere successen, die de groep in feite dankt aan diens mecenas – respectvol geëerd op de achterkant van de hoes van Crime Of The Century: To Sam.

School / Bloody Well Right / Hide In Your Shell / Asylum / Dreamer / Rudy / If Everyone Was Listening / Crime Of The Century




maandag 27 januari 2014

Stray | Move It

Geen van de bandleden is achttien jaar als in 1970 het gelijknamige debuut van Stray verschijnt. Vanaf dat jaar tot en met 1976 zal Stray, vier schoolvrienden uit Shepherds Bush, Londen, elk jaar een lp uitbrengen. Rond 1974 is Stray na vier hardrockalbums op de toppen van zijn kunnen en zou succes moeten kunnen oogsten, ware het niet dat de band onder contract staat bij een folk-label. Ondanks het gebrek aan geld en promotie, vertrekt Stray toch naar Amerika om in Connecticut het nieuwe album op te nemen. Move It, gestoken in een fraaie gimmick sleeve, bevat meer akoestische gitaren en popstructuren dan de voorgangers. De melodieuze hardrock van Move It gedijt uitstekend op de Westcoast-harmonieën, sfeervolle toetsenpartijen en puntige songs. Hier verlaat Stray het eenvormige hardrockpad en ontdekt melodie en harmonie, al zijn daar altijd de venijnige gitaren van Del Bromham. Move It is samen met Stand Up And Be Counted (1975) het meest melodieuze album van Stray, maar een doorbraak zit er niet in. Interne strubbelingen leiden tot bezettingswisselingen die de band, ondanks de verworven live-reputatie, geen goed doen. Uiteindelijk blijkt Stray onbekend en ondergewaardeerd, het sterke Move It ten spijt.

Tap / Move It / Hey Domino / Customs Man / Mystic Lady / Somebody Called You / Give It Up / Like A Dream / Don’t Look Back / Right From The Start / Our Plea

zondag 10 november 2013

Neil Merryweather | Space Rangers

Ten tijde van de release van Space Rangers mag Neil Merryweather gerust een veteraan genoemd worden. De Canadees uit Toronto speelde in de Minah Birds met Neil Young; in Flying Circus met Bruce Cockburn; had een eigen groep onder de naam Merryweather; maakte een jam-dubbelaar met Steve Miller en Dave Mason; en rook aan het succes met de band Mama Lion. De jaren zeventig zijn dan nog niet halverwege als zanger, bassist en componist Merryweather in Los Angeles vaste grond onder de voeten krijgt, lees: een platencontract bij Mercury. Hij richt een band op – de Space Rangers – en neemt in zeer beperkte tijd en deels voor eigen rekening een album op, opgetrokken uit space rock en glammy hardrock. Merryweather en zijn Space Rangers stijgen op Space Rangers tot grote hoogten in uitgesponnen tracks die zwaar leunen op elektrische gitaar, chamberlain, mellotron en bliepende synths. Is opener 'Hollywood Blvd' overduidelijk homo-erotisch getint – High-heeled boys everywhere / Bowie-like babies with angels' hair – in fantastische spaced out songs als 'Step In The Right Direction', 'King Of Mars' en 'Road To Hades' doorkruist Merryweather fier het heelal. Covers van The Byrds' 'Eight Miles High' en Donovans 'Sunshine Superman' ronden een avontuurlijk rockalbum af dat in 1974 een bescheiden succes is. Space Rangers krijgt een jaar later met Kryptonite een waardige opvolger, maar dan is Neil Merryweathers ruimte-avontuur voorbij en is hij gedesillusioneerd en kaal geplukt teruggekeerd op aarde.

Hollywood Blvd / Step In The Right Direction / Eight Miles High / King Of Mars / Neon Man / Sunshine Superman / Road To Hades / High Altitude Hide 'N Seek / Escape / Sole Survivor  

zaterdag 26 oktober 2013

James Griffin | Breakin’ Up Is Easy

James Griffin is al een ervaren muzikant en songschrijver als hij in 1968 met David Gates Bread opricht – al in 1963 brengt hij zijn eerste album uit. Met de Westcoast-softrock van Bread worden enorme successen behaald, maar hoewel Griffin een geprofileerd componist is, zijn het de Gates-songs die de hits opleveren. En dat wringt bij Jimmy Griffin – en dus breekt hij in 1972, na de release van de fenomenale single 'Guitar Man' opgelucht uit het keurslijf van Bread. Zijn tweede solo-album uit 1974 heet dan ook niet voor niets Breakin' Up Is Easy. Met medewerking van Bread-leden Larry Knechtel en Mike Botts en LA-musici als Lee Sklar, Russ Kunkel en Steely Dan-gitarist Jeff 'Skunk' Baxter maakt Griffin een veelzijdig album dat van alles bevat: Westcoast-harmonieën, folky dwarsfluiten, klassiek klinkende strijkers en CCR-achtige soulvolle rock. Het dramatische, orkestrale titelnummer 'Breakin' Up Is Easy' is niettemin het hoogtepunt van een overigens gevarieerd mainstream-album. Een groot succes is het niet, evenmin als Jimmy Griffins solo-carrière. Een samenwerking met Billy Swan en Randy Meisner als Black Tie in de jaren tachtig en een Bread-reünie in de jaren negentig zijn beide weinig succesvol. Op 11 januari 2005 bezwijkt James Griffin aan de gevolgen van kanker. Hij is dan 61 jaar.

Breakin' Up Is Easy / Someday / Love You Till The Cows Come Home / She Knows / Father And Son / You'll Get Along / Lifeline / Goin' Back To Boston / Only Now / Love To Light The Way


vrijdag 6 september 2013

Man | Slow Motion

De band uit Wales ploetert jarenlang voor zijn bestaansrecht, maar echt groot succes zal Man niet bereiken, ondanks hard werken en een oeuvre van fantasierijke en gedurfde albums. Als Man in 1974 terugkeert van hun eerste Amerikaanse tournee is de studio voor de follow-up alweer geboekt. Door het plotse vertrek van de toetsenist is Man weer een viertal, maar dat verhindert de hippieband niet om met veel enthousiasme en nieuw hoofdstuk toe te voegen aan een bestaan van geïmproviseerde progrock, spunkrock, spacerock en mellow Westcoastrock. Slow Motion is Mans tiende lp en is vanwege de frisheid en compactheid een van de beste. Gestoken in een door graphic artist Rick Griffin ontworpen hoes met daarop afgebeeld het Mad-karakter Alfred E. Neuman, is Slow Motion met geweldige tracks als ‘Grasshopper’, het Rundgreniaanse ‘One More Change’, de Westcoastballad ‘Rainbow Eyes’ en het fenomenale ‘Bedtime Bone’ een atmosferisch en gevarieerd gitaaralbum. Dit wordt het jaar daarop nog eens bevestigd door de fraaie liveplaat Maximum Darkness, maar Man is dan aan het eind van zijn latijn. Desondanks is het ‘nadagenalbum’ Slow Motion een creatief hoogtepunt van de cultgroep die Man was en nog steeds is.

Hard Way To Die / Grasshopper / Rock And Roll You Out / You Don’t Like Us / Bedtime Bone / One More Change / Rainbow Eyes / Day And Night 

woensdag 14 augustus 2013

Sweet | Desolation Boulevard

Van 1971 tot en met 1974 heeft The Sweet vele megahits. Geregisseerd door het producersduo Chinn en Chapman heeft The Sweet een imago van travestietenpop – te banaal voor glamrock – en een publiek van 13-14-jarige pubers, de teenyboppers. Maar The Sweet wil serieus genomen, weekt zich los van de invloedssfeer van Chinn/Chapman en begint aan de transformatie van hitparadepop naar hardrock. Wat dat betreft is het wisselvallige Sweet Fanny Adams nog een overgangsalbum, maar op Desolation Boulevard lijkt de missie te slagen. Voor het merendeel bestaande uit eigen composities klinkt Desolation Boulevard – met op de hoes afgebeeld Sunset Boulevard – avontuurlijk en behoorlijk heavy. Vooral het gitaarspel van Andy Scott komt uitstekend tot zijn recht in de stevige rocksongs, maar ook als zanger en toetsenist komt hij goed weg in zijn fraaie 'Medussa'. Meer nog dan de singles 'The Six Teens' (Chinn-Chapman) en 'Fox On The Run' (bandcompositie) valt het hoog melodieuze gehalte op van Scotts prachtige 'Lady Starlight'. Maar hoe het ook zij, de kids haken af en het hardrockpubliek haalt zijn neus op voor Sweet. Het stort de band in een identiteitscrisis, waar ze gezien de halfhartige albums niet meer uit komen.

The Six Teens / Solid Gold brass / Turn It Down / Medussa / Lady Starlight / Man With The Golden Arm / Fox On The Run / Breakdown / My Generation

zaterdag 10 augustus 2013

Thomas Jefferson Kaye | First Grade

My name is Thomas Jefferson Kaye, I was born in North Dakota / I went to New York one day, where I learned myself to get loaded. Zo introduceert Thomas Jefferson Kaye zichzelf In het openingsnummer van First Grade en gaat dan verder met: And we learn to fly in Northern California. Pas in Californië begint Tommy Kaye in 1972 aan een solocarrière, terwijl hij dan al jarenlang een drukbezet producer en tekstschrijver is. Als producer was Thomas Jefferson Kaye namelijk betrokken bij beroemde singles als ‘Denise’ van Randy and the Rainbows en ’96 Tears’ van Question Mark & the Mysterians, bij albums van Judy Garland, Captain Beefheart, Loudon Wainwright III, Link Wray, Dr. John en waar hijzelf het meest trots op is: Gene Clarke’s No Other. In totaal produceerde Kaye zo’n honderd albums en vijhonderd singles. Maar Thomas Jefferson Kaye maakte zelf ook drie lp’s. In 1972 verhuist hij in navolging van zijn vriend Gary Katz van New York naar Los Angeles. Katz, producer van Steely Dan, brengt Kaye onder bij ABC/Dunhill en produceert Kaye’s zelfgetitelde debuutalbum. Dat debuut is gevuld met louter eigen composities van Tommy Kaye, maar dat is anders op de opvolger First Grade. 
Wederom in een productie van Gary Katz neemt Kaye in de Village Recorders-studio in Los Angeles ook nummers op van degenen die hij geproduceerd heeft, zoals Link Wrays ‘Shine The Light’, Loudon Wainwrights ‘Say That You Love’ en Dr. Johns ‘Sho-Bout’. Maar Katz en Kaye nodigen ook befaamde muzikanten uit. Zo is als achtergrondzangeres Dusty Springfield te horen, terwijl andere achtergrondvocalen verzorgd worden door de Poco-tandem Ritchie Furay en Timothy Schmitt. Kaye’s vaste studioband bestaat uit Michael Omartian (toetsen), Dean Parks (gitaar), Joe Osborne (bas) en Jim Gordon (drums), met daarbij gastrollen voor de gitaristen Rick Derringer en Jeff ‘Skunk’ Baxter, Steely Danners Donald Fagen en Walter Becker. Van de laatste twee neemt Kaye ‘Jones’ en ‘American Lovers’, de laatste een weergaloos Westcoast countryrocknummer in de sfeer van Stephen Stills’ Manassas. Prachtig zijn ook de Kaye-composities ‘All Cried Out’, met Baxters pedal steel, en ‘Easy Kind Of Feeling’, mede vanwege de prachtige meerstemmige zang van de Poco’s. Samen met ‘American Lovers’ zijn het songs en uitvoeringen die absoluut kunnen wedijveren met de Westcoast-rock van Crosby, Stills, Nash & Young en The Eagles. De afsluiter is een opwindende uitvoering van Three Dog’s Night miljoenenhit ‘One Man Band’, een compositie van Kaye zelf. First Grade is een bij vlagen schitterende album, maar op de dag dat de lp verschijnt wordt de directeur ontslagen die Kaye getekend heeft, waardoor First Grade op geen enkele promotie kan rekenen. Het lukt Thomas Jefferson Kaye de uitvoerend artiest dan niet meer de obscuriteit te ontstijgen. Slechts één lp verschijnt er nog, maar weinigen hebben hiervoor belangstelling. Veel bekendheid is dan ook niet gegeven aan de dood van Thomas Jefferson Kaye, in 1993 overleden aan de gevolgen van suikerziekte. Het prachtige First Grade houdt niettemin de herinnering aan Thomas Jefferson Kaye levend.

Northern California / Easy Kind Of Feeling / Sho-Bout / Say That You Love Me / American Lovers / Jones / Shine The Light / All Cried Out / L.A. / One Man Band

donderdag 4 juli 2013

Be-Bop Deluxe | Axe Victim

Al in de jaren zestig is zanger-gitarist Bill Nelson actief in vele bands, zo’n 15 in getal, waarvan Astral Navigations de meest legendarische is. In het begin van de jaren zeventig laat Bill Nelson zich geheel volgens de Britse trend meevoeren op de golven van de uitdovende psychedelica en de opkomende progressive rock. Dit levert een solo-album op, Northern Dream, waarop Nelson zich laat horen als een vaardige gitarist. Maar Nelson wil een band tot zijn beschikking hebben en dus richt hij in augustus 1972 Be-Bop Deluxe op, dat met hulp van John Peel bij EMI/Harvest wordt ondergebracht. Het debuutalbum Axe Victim is gestoken in een morbide/arty hoes van fotograaf Mick Rock en klinkt als de spacy glamrock van Bowie en zijn Spiders From Mars. Ziggy Stardust is onontkoombaar de blauwdruk voor Axe Victim, maar desondanks heeft Nelson – uitgedost als een alternatieve Ziggy – een fraai album bij elkaar geschreven en gespeeld. De scherpe, arty rock past perfect in het tijdbeeld van androgyne pophelden, maar het is Nelsons expressieve gitaarsound die Be-Bop Deluxe onderscheidt van de rest. Gillende, jankende en om medelijden schreeuwende gitaren domineren Axe Victim, een glamrockalbum en gitaarplaat tegelijk.

Axe Victim / Love Is Swift Arrows / Jet Silver And The Dolls Of Venus / Third Floor Heaven / Night Creatures / Rocket Cathedrals / Adventures In A Yorkshire Landscape / Jets At dawn / No Trains To Heaven / Darkness (L’immoraliste) 

zaterdag 22 juni 2013

Deep Purple | Burn

Wie een onderscheid maakt in de ontwikkelingsfasen van Deep Purple komt onvermijdelijk uit bij Mark 1, Mark 2 en Mark 3. Van deze drie bezettingen is Mark 2 zonder meer de meest succesvolle. In de periode juli 1969 tot en met juni 1973 bestond de Britse band uit Ritchie Blackmore (gitaar), Jon Lord (toetsen), Ian Paice (drums), Ian Gillan (zang) en Roger Glover (bas). Deep Purple is dan, immens populair in Amerika en Japan, de allergrootste hardrockband: Purplemania overheerst de wereld. Maar de roem eist zijn tol. Van nature tegenpolen, bevechten de klassiek geschoolde Lord en de rock-‘n-roller Blackmore elkaar om het leiderschap van de band. Slachtoffer van deze geldingsdrang is Ian Gillan, die na vier studio-albums in december 1972 besluit op 30 juni 1973 te stoppen met Deep Purple. Omdat ook Ritchie Blackmore samen met Ian Paice en Paul Rodgers (Free) plannen heeft voor een nieuwe band lijkt het eind van Deep Purple nabij. Maar Paice wordt omgepraat te blijven en met Lord en Glover op zoek te gaan naar nieuwe bandleden. Met Paice blijft ook Blackmore, maar alleen als Roger Glover vertrekt. Hetgeen geschiedt. Het management van Deep Purple zoekt dan via advertenties twee nieuwe Purple-leden en dus stromen de tapes binnen. Ondertussen hebben Paice en Lord een kandidaat gespot in de persoon van Trapeze-zanger Glenn Hughes. Maar vanwege de beoogde nieuwe vocale sound – dubbele zang – blijft men op zoek naar een zanger, die uiteindelijk gevonden wordt in de onervaren David Coverdale, dan werkzaam in een kledingboetiek. Zijn donkere, bluesy stemgeluid maakt, ondanks zijn nervositeit en onzekerheid, indruk op de Deep Purple-leden. In september 1974 bivakkeert het vijftal op het vertrouwde Clearwell Castle en legt daar de basis voor de debuutplaat van Mark 3. Aan het eind van die maand worden de nieuwe bandleden met veel tamtam aan de pers voorgesteld en in november beginnen de opnamen voor het album in Montreux, met behulp van de mobiele studio van The Rolling Stones en de vertrouwde producer Martin Birch. In ruim een week – en zonder ruzies – legt Deep Purple Mark 3 zijn debuut vast en gaat dan toeren door Europa, al ligt de plaat nog niet in de winkels. Dat gebeurt pas op 15 februari 1974 en blijkt het wachten meer dan waard: Burn is een Purple-klassieker. Het titelnummer ‘Burn’ is een stormende heavy rocker met een klassieke Blackmore-riff en fenomenale zang van de tandem Hughes/Coverdale. De harmoniezang is een verrassend nieuw element in de heavy Purple-sound, evenals het funky basspel van Glenn Hughes, fraai geëtaleerd in energieke rocksongs als ‘Might Just Take Your Life’, ‘Lay Down, Stay Down’ en ‘You Fool No One’. Opvallend zijn ook de synthesizer-solo’s van Jon Lord, maar zijn vertrouwde Hammond en Blackmore’s Stratocaster blijven de bluesy heavyrock-sound overheersen. Van dat laatste getuigen de nummers die Ritchie Blackmore nog op plank heeft liggen van Purple Mark 2: de geweldige rocker ‘Sail Away’ en de tranentrekkende blues ‘Mistreated’ – een subliem samenspel tussen Coverdale’s zang en Blackmore’s gierende gitaar. Burn bevat zoveel nieuwe en verfrissende elementen dat de meeste critici hun scepsis laten varen en het album omarmen als een uitstekende start van de Mark 3-bezetting. Dat mag zo zijn, maar opvolger Stormbringer (1974) kan al op minder positieve kritieken rekenen, terwijl op het volgende album, Come Taste The Band (1975) Ritchie Blackmore vervangen is door de Amerikaan Tommy Bolin. Het definitieve einde van de ooit populairste hardrockband komt op 24 juli 1976 als de Melody Maker het overlijdensbericht van Deep Purple plaatst.

Burn / Might Just Take Your Life / Lay Down, Stay Down / Sail Away / You Fool No One / What’s Going On Here / Mistreated / “A” 200

vrijdag 22 februari 2013

Kevin Ayers | The Confessions Of Dr Dream And Other Stories


Kevin Ayers is een elementaire component van de Canterbury Scene, een scene die halverwege de jaren zestig bands voortbrengt als Wilde Flowers, Soft Machine en Caravan. Excentriek, innovatief, sexy, eigenwijs maar ook terughoudend in het promoten van zichzelf, start Ayers niettemin in 1969 een solocarrière en maakt voor het progressive rock-label Harvest vier semi-avantgardistische rockalbums. De verbintenis met Harvest komt echter in 1973 tot een einde, en na een verblijf in Frankrijk, zwoele zomeravonden, chablis en vrouwen koesterend, keert de stroblonde Apollo terug naar het Verenigd Koninkrijk, en tekent bij Island Records. Islands Chris Blackwell verlangt van de behoedzame Ayers een meer commercieel rockgeluid. Dat valt echter te bezien als Ayers met louter topmusici in de Londense Air Studios zijn Island-debuut gaat opnemen. Onder leiding van producer en toetsenist Rupert Hine bestaat Ayers' studioband uit muzikanten als drummer Mike Giles (King Crimson), toetsenist Mike Moran (Spring), organist Mike Ratledge (Soft Machine), chanteuse Nico, de bassisten John Perry (Caravan) en John Gustafson (Quatermass), en de gitaristen Mike Oldfield, Cal Batchelor (Quiver) en Ollie Halsell (Patto) – welke laatste tot zijn dood in 1992 in Ayers' band zal spelen. Halsall vuurt een schitterende gitaarsolo af in de slepende rocker 'Didn't Feel Lonely Till I Thought Of You', wat evenzeer geldt voor Oldfield in de sfeervolle countryblues 'Everybody's Sometime And Some People's All The Time Blues'. De excentrieke Ayers laat zich gelden in de twee lange, experimentele stukken 'It Begins With A Blessing/Once I Awakened/But It Ends With A Curse' en het in delen opgesplitste titelnummer 'The Confessions Of Doctor Dream', dat een Roxy Music-achtige arty vervreemding kent. Meeslepend melancholiek – niet in de laatste plaats door Ayers' koffiebruine en doorrookte Gauloises-stem – is het afsluitende miniatuurtje 'Two Goes Into For': Follow the wind / Open your heart / Then you may start / To make it / Better. Curieus is Islands promotiecampagne die The Confessions Of Dr Dream And Other Stories aan de man moet brengen. Op 1 juni 1974 vindt er namelijk in de Londense Rainbow een concert plaats om de release luister bij te zetten en waar Ayers support krijgt van Island-artiesten die zijn komen opdraven. En bepaald niet de minsten: Nico, John Cale en Eno. Nog in juni '74 komt de live-lp June 1, 1974 uit; een album dat het prachtige The Confessions Of Dr Dream And Other Stories jammerlijk overschaduwt.

Day By Day / See You Later / Didn't Feel Lonely Till I Thought Of You / Everybody's Sometime And Some People's All The Time Blues / It Begins With A Blessing/Once I Awakened/But It Ends With A Curse / Ballbearing Blues / The Confessions Of Doctor Dream: Irreversible Neural Damage; Invitation; The Doctor Dream Theme / Two Goes Into Four

Op 18 februari 2013 overleed op 68-jarige leeftijd Kevin Ayers in zijn slaap in zijn huis in in Montolieu, Zuid-Frankrijk.

dinsdag 5 februari 2013

Starry Eyed And Laughing | Starry Eyed And Laughing


Starry eyed and laughing is een strofe uit het laatste couplet van Bob Dylans ‘Chimes Of Freedom’ – en de naam van een Britse band die in de donkere nevelen van de rockhistorie gehuld is. Dat Starry Eyed And Laughing tot de obscuriteit is veroordeeld is eigenlijk vreemd. Want het viertal produceerde in zijn – weliswaar korte – bestaan kristalheldere popmuziek, sprankelende rock met een hang naar de laidback Westcoast-popcultuur.
Starry Eyed And Laughing werd echter opgericht in de kille Midlands van Groot-Brittanië en bestaat in eerste instantie uit een duo: de zanger/gitaristen Tony Poole en Ross McGeeney. Zodra Poole en McGeeney over een vaste ritmetandem kunnen beschikken, nemen de dadendrang en de aspiraties toe en aldus verhuist het viertal in de zomer van 1973 naar London. Door de bloei van de pubrock zijn er in London vele locaties met kleine podia voorhanden waar de band kan optreden. Starry Eyed And Laughing is echter niet een typische pubrockband, want niet rechtstreeks beïnvloed door rhythm and blues, soul en rock-‘n-roll, maar door de Californische variant van de countryrock. Sterker nog; Starry Eyed And Laughing is op niet mis te verstane wijze schatplichtig aan The Byrds. De band is in de early seventies dan ook een van de weinige Britse bands die haar sound volledig baseert op het rinkelende geluid van de 12-snarige Rickenbacker en in die zin is Starry Eyed And Laughing op haar eigen manier origineel te noemen. Met evenveel recht kunnen de componisten Poole en McGeeney echter als ordinaire jatters beschouwd worden, maar feit is wel dat de groep in het pubrockcircuit al snel de reputatie geniet een opwindende live-band te zijn. Gaandeweg verruilt Starry Eyed And Laughing het overwegende cover-repertoire in voor originele composities – die uiteraard vet knipogen naar de melodieuze rocksound van The Byrds, met een voorname rol voor rinkelende ritmes en meerstemmige zang.
Nadat de band opgetreden heeft tijdens een feest van het fameuze ZigZag-magazine, wordt ze in het voorjaar gecontracteerd door CBS. Weliswaar slechts voor één single, maar er staat wel een hele publiciteitscampagne achter. Gesteund door John Peel, Melody Maker en verscheidene radio-optredens, krijgt de debuutsingle ‘Money Is A Friend Of Mine’ voldoende airplay om een langduriger contract met CBS zeker te stellen. En dus trekt Starry Eyed And Laughing in augustus 1974 naar de Londense CBS Studios om met producer Dan Loggins aan hun debuutelpee te werken. Loggins heeft dan een lange lijst met covers – van Jackson Browne, Michael Nesmith, Bob Dylan en uiteraard The Byrds – klaarliggen om op te nemen. Maar de band heeft in korte tijd een flinke groei doorgemaakt en de toegenomen zelfverzekerdheid bij de bandleden zorgt ervoor dat er louter eigen composities van Poole, McGeeney en ook bassist Iain Whitmore worden opgenomen.
De eerste akkoorden van Starry Eyed And Laughing, gereleased in oktober 1974, verraden al direct de Byrds-invloeden; de 12-snarige Rickenbacker en de daarbij behorende harmonieuze samenzang bepalen de sound volledig. Starry Eyed And Laughing heeft overigens een stevig rockgeluid dat geheel past in de radiovriendelijke tijdgeest van midden jaren zeventig. Groepen als Brinsley Schwartz, Badfinger en The Raspberries moeten dan ook beschouwd worden als gelijkgestemde zielen. Aan de countryrock-kant roept het groepsgeluid ook een band als The Outlaws – southernrockers uit Florida – in herinnering getuige het fraaie ‘Going Down’. Gaandeweg wordt de plaat beter en beter, want ‘Closer To You Now’ – met zijn messcherpe zang en de pedal steel van maestro B.J. Cole – is gelijk al een hoogtepunt. Starry Eyed And Laughing weet dit hoge niveau – mede te danken aan het uitstekende gitaarspel van Poole en McGeeney – behoorlijk goed te handhaven; ‘Lady Came From The South’ heeft eenzelfde sfeer als The Byrds’ ‘Chestnut Mare’; ‘Nobody Home’ – met gaaf klavecimbelspel – en ‘50/50 (Better Stop Now)’ zijn aanstekelijke midtempo rockers; ‘Never Say Too Late’ is countryrock à la Poco; en ‘In The Madness’ bevat schitterende close-harmony, sterk gelijkend op die van Crosby, Stills & Nash. Maar natuurlijk sluit Starry Eyed And Laughing af met het hoogtepunt: het zeseneenhalve minuut klokkende en meesterlijke ‘Everybody’. ‘Everybody’ is een even fraaie als perfecte mix van countryrock en symfonische rock, is opgedeeld in diverse coda’s, kent subtiele en sensitieve zangpartijen en brengt de dubbele gitaar line-up in stelling. ‘Everybody’ is kortom, een geniaal brok inventieve rockmuziek. Het sluit bovendien een heel fraaie jaren zeventig-elpee op indrukwekkende wijze af.
In het vroege najaar van 1975 gaat Starry Eyed And Laughing eindelijk op tournee door het Beloofde Land – de Verenigde Staten –, tegelijkertijd verschijnt de prima opvolger Thought Talk. Maar Starry Eyed And Laughing raakt vermoeid en de desinteresse, zowel intern als bij het publiek, neemt toe. Ross McGeeney verlaat de band en op de drempel van een muzikale revolutie is de band plots gedateerd en ebt alle belangstelling weg. Al na tweeëneenhalf jaar is Starry Eyed And Laughing niet meer, een klein maar sprankelend oeuvre achterlatend.

Going Down / Closer To You Now / Money Is No Friend Of Mine / Lady Came From The South / Oh What? / See Your Face / Nobody Home / 50/50 (Better Stop Now) / Living In London / Never Say Too Late / In The Madness / Everybody


donderdag 10 januari 2013

Loudest Whisper | The Children Of Lir


Een stokoude legende over de Ierse koning Lir vormt in 1970 voor Brian O'Reilly de inspiratie tot het schrijven van de musical The Children Of Lir. Met zijn band Loudest Whisper – uit Fermoy, Ierland – voert O'Reily vanaf januari '73 de musical talloze malen en met veel succes op. Zo veel succes dat de Ierse poot van Polydor de musical in de studio vastgelegd wil zien. Dat gebeurt in de Trend Studio in Dublin, en daarbij treden een mannen-, vrouwen- en kinderkoor, het Testore String Quartet en de schitterende stem van Geraldine Dorgan aan. De basis van The Children Of Lir is Angelsaksische folkrock, lyrische samenzang, vloeiende elektrische gitaren en de onvermijdelijke hippiesfeer. Het resultaat is in 1974 een klassiek folkrockalbum, dat even schitterend en gedreven is als fenomenale albums als Liege And Lief, On The Shore en Eclection. Fascinerend en meeslepend zijn 'Wedding Song' en 'Farewell Song'; hemels en angstaanjagend fraai de koorzang in 'Children Of The Dawn', 'Dawning Of The Day' en 'Sad Children'; wild en woest de scherpe acid-gitaren in 'Good Day, My Friend' en 'Mannanan II'. Tezamen vormen de dertien songs een avontuurlijke folkrock-musical, althans dat is het fundament van The Children Of Lir, maar in een ruimer verband is dit enige album van Loudest Whisper een royaal hoogtepunt in de al zo rijke Britse traditie van de jaren zeventig folkrock. Commerciële tegenslag weerhoudt Loudest Whisper echter van een doorbraak buiten Ierland, zodat The Children Of Lir een album voor de ingewijden is.

Overture / Lir's Lament / Good Day, My Friend / Wedding Song / Children's Song / Mannanan I / Mannanan II / Children Of The Dawn / Dawning Of The Day / Septimus / Farewell Song / Cold Winds Blow / Sad Children