Posts tonen met het label 1999. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1999. Alle posts tonen

woensdag 15 mei 2013

My Morning Jacket | The Tennessee Fire


Een vage, onbestemde hoesafbeelding; een soort van oplichtend zwembad in de nacht, omgeven door flats. Achterop een aanprijzing in neon: Cold Beer en Tennessee Fire. Wazig, goedkoop. En zo klinkt ook de muziek op deze cd: rammelend, ongepolijst en ongeproduceerd. En ja, The Tennessee Fire is puur, ontroerend, galmend en ingetogen tegelijk. De sound van My Morning Jacket is rauw en kaalgestript, wat niet vreemd is voor een lo-fi debuutplaat, maar de songs zijn volgroeid en raken de bodem van het hart. 21 jaar is Jim James, zanger en songschrijver van de jonge band uit Louisville, Kentucky, en geïnspireerd door de muziek van Walt Disney, Nirvana en Neil Youngs Harvest. In 1998, James heeft dan in zijn slaapkamer stapels liedjes geschreven, richt hij met zijn neef Johnny Quaid een band op, die vanwege een idiote gedachtekronkel van Jim James My Morning Jacket gedoopt wordt. Two Tone Tommy wordt bassist en J. Glenn de drummer. In de schuur van Johnny Quaids grootouders in Shelbyville repeteert het kwartet en neemt daar ook James’ liedjes op: stroperige, lo-fi countryrock, gedrenkt in een poel van reverb. Want volgens James maakt reverb het verschil tussen zingen hier op aarde en zingen in de hemel. Of: ‘I want it to sound like I’m on Mars, with reverb everywhere.’ Het meeste materiaal voor de debuutplaat – My Morning Jacket komt onder contract bij Darla, een alternatief label uit San Francisco – wordt in die schuur in Shelbyville opgenomen, al wijkt de band ook uit naar de Vitrasuede Studios in Cincinnati, Ohio. The Tennessee Fire is niet alleen opgenomen in een lege graanschuur, door de taperuis, echo en reverb klínkt The Tennessee Fire ook als een lege graanschuur. Het geeft de sound van My Morning Jacket een primitieve, vooroorlogse klankkleur, die vooral tot uiting komt in kale, akoestisch-getinte liedjes als ‘Nashville To Kentucky’ en ‘I Will Be There When You Die’. Meer ouderwetse countryrock – maar altijd alt.country – zijn ‘Heartbreakin Man’, ‘The Bear’, en ‘Picture Of You’, terwijl Jim Jones en kornuiten bij tijd en wijle even hallucinerend en vervreemdend klinken als Alexander Spence’s Oar. Hiervan getuigen ‘They Ran’, het kommervolle ‘Old Sept Blues’ en het als een madrigaal klinkende ‘Butch Cassidy’. Het schitterende ‘By My Car’ daarentegen knipoogt overduidelijk naar Big Stars 3RD. Het resultaat van dit alles is een avontuurlijk, ongepolijst en compromisloos debuutalbum. Wellicht is er hierdoor bij de release eind 1999 nauwelijks aandacht voor The Tennessee Fire, maar dat is anders in Nederland. Naar aanleiding van de positieve recensies staat My Morning Jacket in januari 2000 al in Paradiso. Schoorvoetend volgt de rest van de wereld, temeer daar My Morning Jacket een imposante serie platen op de wereld zet en James’ echoënde falsetstem navolging krijgt bij de zangers van Band Of Horses en Fleet Foxes. Aldus is My Morning Jacket een belangwekkende band, in wiens oeuvre The Tennessee Fire de ruwe diamant is.

Heartbreakin Man / They Ran / The Bear / Nashville To Kentucky / Old Sept Blues / If All Else Falls / It’s About Twilight Now / Evelyn Is Not Real / War Begun / Picture Of You / I Will Be There When You Die / The Dark / By My Car / Butch Cassidy / I Think I’m Going To Hell





maandag 5 november 2012

Mover | The Only One


Een album vol opwindende seventiesrock in de trant van Creedence Clearwater Revival en The Rolling Stones en veroordeeld tot de vergetelheid. Het overkomt Mover in 1999 met hun tweede album, The Only One. Hun eerste cd komt in 1997 uit op het label van grafisch kunstenaar Frank Kozik, maar jeugdige overmoed doet de plaat mislukken. Voor de opvolger op Mod Lang doet de band uit San Francisco onder aanvoering van zanger/bassist Mike Therieau en zanger/gitarist Eric Shea het anders, en grijpt aldus zeer gericht terug op het verleden van de seventies countryrock – daar waar de Stones van Sticky Fingers samenvloeien met de country van Gram Parsons. Met The Only One genereert het met songs als 'Hold Me Down', 'Another Shot', 'Better Days Are Gone' en 'Spend Your Life' een plaat boordevol boeiende countryboogie, rockswagger en Westcoastpop. Het levert het countryrock-kwartet echter weinig erkenning op en hoewel de bandleden uitzwermen naar andere bands, blijft Mover nog jarenlang een sluimerend bestaan leiden, de herinnering aan The Only One nog in enige mate in leven houdend.

Hitched A Ride / Hold Me Down / Another Shot / Drunk On Wine / Better Days Are Gone / Train / Hung Up / Spend Your Life / The Only One / Alma Velha / Something That Makes Me 

maandag 17 september 2012

Ramsay Midwood | Shoot Out At The OK Chinese Restaurant

Ramsay heeft een vies baardje, draagt onder de gloeiende zon een beren- of bevermuts en heeft grote gaten in de afgetrapte laarzen. De laarzen voeren overigens een ritmische dans uit, begeleiden de imposante donkere stem en de kaalgeroffelde semi-akoestische gitaar. Ramsay heeft volledig bezit genomen van het kleine podium, er is geen ontkomen aan zijn ruige aanwezigheid, zijn stem en de songs van Shoot Out At The OK Chinese Restaurant. Ramsay wordt begeleid door de elektrische gitaar van Randy Weeks en de ritmesectie van Neal Casals band. Het is Eerste Pinksterdag van het jaar 2000 en Ramsay bevindt zich in de tuin van zijn Duitse platenlabel, aan de oevers van de Weser. De sfeer is die van een veranda in het Diepe Zuiden aan het einde van een hete zomerdag, waar de luisteraars aanschuiven voor een portie inktzwarte countryblues. En dat is wat Ramsay, als de onderkoelde entertainer die hij is, ze geeft: zompige countryblues.
Ramsay Midwood is een Californiër die met Shoot Out At The OK Chinese Restaurant in 1999 debuteert op het Duitse Glitterhouse label. Dit label is gespecialiseerd in americana, dus is het geen wonder dat de Amerikaanse singer-songwriter – net als countryrocker Neal Casal – onderdak vond bij Glitterhouse. Het mag misschien geen wonder zijn, maar bijzonder is het wel. Dat heeft ook Ramsay Midwood ervaren.
Midwoods vriend en bassist Kip Boardman – zelf eveneens een singer-songwriter wiens debuut Upon The Stars in 2002 uitgebracht wordt – bezit thuis in noord Los Angeles een studio alwaar, ‘at Kips house’ de opnamen plaatsvinden van Ramsays debuut. Naast Kip Boardman is er in Ramsays uitstekende begeleidingsband plaats ingeruimd voor Lone Justice-drummer Don Heffington, gitarist en banjospeler Randy Weeks – eveneens leverancier van ‘Can’t Let Go’ voor Lucinda Williams’ Car Wheels On A Gravel Road – en Rami Jaffee, de toetsenist van The Wallflowers. Binnen het bestek van een aantal weken worden in de nachtelijke uren de composities van Midwood veelal in één take ingespeeld. Vervolgens worden de mastertapes opgestuurd naar het Duitse platenlabel.
Het duurt daarom een geruime tijd voordat Ramsay Midwood het finished product in handen krijgt. Glitterhouse is niet op de hoogte van Ramsays verblijfplaats en stuurt daarom 20 exemplaren van de cd naar de studio waar Neal Casal zijn nieuwe plaat opneemt. Als het pakket met cd’s arriveert, belt Casal met Ramsay en vertelt daarbij dat hij welkom is in de studio – zo’n 25 mijl van Ramsays onderkomen. Een opgewonden Midwood zegt dat hij eraan komt. Twee uur later komt hij uitgeput aan in de opnamestudio. Op de vraag van de verbaasde Casal waarom het zolang duurde, antwoordt Ramsay: ‘Valt toch wel mee voor zo’n stuk fietsen?’ Ramsay neemt de cd’s en complimenten in ontvangst, waarop hij in reactie op het enthousiasme alle 20 exemplaren uitdeelt aan de aanwezige muzikanten en technici. Het is deze naïviteit die ook doorklinkt in Shoot Out At The OK Chinese Restaurant en die deze tot zo’n wonderlijke en bijzondere cd maakt. Shoot Out At The OK Chinese Restaurant is een aardse, directe en ruwe plaat die qua sound vergelijkingen oproept met Neil Youngs Tonight’s The Night. Daarentegen is Shoot Out At The OK Chinese Restaurant beduidend bluesiër en neemt Midwood de rol aan van een real Southerner die op zijn veranda becommentariëert wat hij op zijn pad vindt. Tekstueel blijft Ramsay dicht bij huis, hij heeft het over zijn voorkeur voor een mohair sweater, een dame met krokodillenleren tas (die hem aan de dijk zet) en de liefde voor een blinde hond. Geografisch bestrijkt Midwood het heartland van de Amerikaanse muziek: van Alabama, via Chicago naar de San Bernadino Vallei, die overigens in lichterlaaie staat. De lijzige, maar o zo soepele stem houdt de luisteraar volledig bij de les en gecombineerd met de beeldende teksten levert dit 35 minuten vitale en bij de strot grijpende countryblues op. Shoot Out At The OK Chinese Restaurant zet daarmee een nieuwe standaard en maakt Ramsay Midwood tot een oorspronkelijke en originele singer-songwriter. Doorbreken doet hij echter niet, immers de plaat is bij release in 1999 alleen in Europa uitgebracht. Drie jaar later is de doorbraak er nog steeds niet, maar er is wel gerechtigheid: in 2002 wordt Shoot Out At The OK Chinese Restaurant uitgebracht op een Amerikaans label. Ramsay zal er beretrots op zijn, maar die doorbraak komt er niet en zal er niet komen.

Dreary Life / Chicago / Spinnin’ On This Rock / Mohawk River / Feed My Monkey / Esther / Waynesboro / Grass’ll Grow / Alligator Lament / Heaven’s Toll

zaterdag 8 september 2012

Madrugada | Industrial Silence

In 1995 verlaten de vier jongens van Madrugada de leegte en het isolement van het uiterste noorden van Noorwegen en vestigen zich in Oslo. De bandleden verruilen de letterlijke brede horizon voor de mogelijkheid hun muzikale horizon te verbreden. Op kosten van hun studiefinanciering betrekken Silver Høyem (zang), Robert Burås (gitaar), Frode Jacobson (bas) en Jon Lauvland Pettersen (drums) een flat in Oslo en leven op een dieet van The Doors, Joy Division, Nick Cave and the Bad Seeds en vooral The Gun Club.
Een demo van de roadsong 'Strange Colour Blue' trekt in 1998 de aandacht van de Noorse vestiging van Virgin, die de band dan ook voor zes albums contracteert, waarna het viertal vanwege de mystieke uitstraling de bandnaam Madrugada – Spaans voor ochtendgloren – adopteert. In de analoge Athletic Sound-studio, bezuiden Oslo, nemen de vier in een periode van drie maanden hun intense gitaarsongs op, spaarzaam opgefleurd met pedal steel, Hammond en Fender Rhodes. Dan worden de opnamen in New York gemixt door topproducer John Agnello (Screaming Trees, Dinosaur Jr., Son Volt) en ligt Industrial Silence in september 1999 in de Noorse platenwinkels.
Industrial Silence wordt gekenmerkt door nachtelijke romantiek, broeierige tensie en een duistere atmosfeer; 'Vocal', 'Shine', 'Sirens' en 'Electric' getuigen daar bij uitstek van. Naast deze angstaanjagend traag kruipende songs offreert Industrial Silence krachtige roadsongs met een magnetiserende drive als 'Beautyproof', 'Salt' en 'Belladonna'. 'Strange Colour Blue' is niettemin met zijn gejaagdheid het spannende, schitterende scharnierpunt van Industrial Silence: Oh everybody's sleeping now / In industrial silence / And the rain it will keep hammering down overhead / There's a blue, blue, a strange colour blue. De hoofdrollen zijn onmiskenbaar voor Høyems imposante bariton en Burås' veelzijdige gitaarspel; zij maken van een sterk album een fantastisch album – wat Industrial Silence eenvoudigweg is. In Noorwegen stijgt Industrial Silence direct naar de nummer 1-positie in de verkooplijsten, wat voor Virgin een reden is Madrugada's debuut internationaal te releasen. Een eclatant succes, waarop Madrugada met het uitbrengen van sterke opvolgers succesvol voortborduurt.
In 2007 slaat het noodlot echter toe als gitarist Robert Burås dood in een hotelkamer wordt aangetroffen. Voor de rest van de band is het onmogelijk door te gaan: op 15 november 2008 speelt Madrugada in Oslo haar afscheidsconcert.

Vocal / Beautyproof / Shine / Higher / Sirens / Strange Colour Blue / This Old House / Electric / Salt / Belladonna / Norwegian Hammerworks Corp. / Quite Emotional / Terraplane

zondag 13 mei 2012

The Resonars | Bright And Dark

Begonnen als een kwartet in 1992 in Tucson, Arizona, maar gaandeweg afgeslankt tot een persoon. The Resonars, onder leiding van zanger, gitarist en componist Matt Rendon, bezit een eigen opnamestudio – de Coma Cave – en legt daar talloze tracks neer die terechtkomen op cassettes en een in eigen beheer uitgebrachte lp. Als Bright And Dark in 1999 uitkomt op het garagerocklabel Get Hip is The Resonars een eenmanszaak van Matt Rendon. Bright And Dark heeft niettemin een fantastische bandsound – en de songs zijn fenomenaal. Rendon vervlecht psychpop en powerpop op superieure wijze; The Resonars klinken als een moderne variant van Love, The Byrds en The Hollies. Vooral Rendons 12-snarige Rickenbacker en de werkelijk schitterende harmoniezang en koortjes, à la The Hollies dus, stelen de show in psychpopnummers als 'Goodbye Melanie', 'Too Much Girl', 'Under The Blazing Stars' en de Dylan-cover 'I'll Keep It With Mine'. 'Bathyscope' is heerlijk zweverig-psychedelisch en in het afsluitende 'Spider West' laat Rendon zijn gitaar flink janken. Een geweldige cd, dit retro-klassieke Bright And Dark, dat even zo goede opvolgers kent – die even zo ondergewaardeerd blijven.
The Golden Age / Bathyscope / Marina / Goodbye Melanie / Carrie Don't Care / Gina (How Close Did I Come?) / Too Much Girl / Eden In Transition / I'll Keep It With Mine / If He's So Great / Under The Blazing Stars / Spider West

dinsdag 17 april 2012

Peter Bruntnell | Normal For Bridgwater

Terwijl The Jayhawks niet meer bestaan en Son Volt tot een tijdelijk halt gekomen is, is daar in 1999 opeens Peter Bruntnell die de ontstane ruimte opvult. Zijn derde cd, Normal For Bridgwater, ademt de sfeer van klassieke neo-countryrock en past dus feilloos tussen het werk van Jayhawks, Son Volt en ook Wilco en Whiskeytown. En dat is uitzonderlijk voor een Brit. Peter Bruntnell, afkomstig uit Zuid-Londen, maakt in 1995 zijn weinig succesvolle debuut met Cannibal, twee jaar later gevolgd door Camelot In Smithereens. Het is artistiek een stap vooruit, maar commercieel opnieuw een flop, waardoor Bruntnell zonder contract komt te zitten. Het brengt hem echter wel in contact met Jay Farrar en Son Volt, voor wie Bruntnell en zijn band in 1997 het voorprogramma van de Britse tour verzorgen. Aldus geïnspireerd door alt.country gaat het roer definitief om bij Bruntnell. Hij formeert een nieuwe band, bassist Peter Noone mag blijven, met daarin drummer Michael Clews en de jonge, talentvolle gitarist James Walbourne, opgepikt uit de zaal na een optreden. Country en twang doen hun intrede in de nieuwe songs die Peter Bruntnell schrijft, hetgeen wordt opgemerkt door Rykodisc-baas George Howard die Bruntnell aantrekt voor zijn net opgerichte americana-label Slow River. Howard haalt Bruntnell en zijn band naar Zippah Studios in Boston, Massachusetts en neemt daar zonder poespas en studiotrucs maar met Son Volt-leden Eric Heywood (pedal steel) en Dave Boquist (fiddle) de twaalf liedjes op van Normal For Bridgwater. Het zijn elegante, harmonische en diepgevoelde liedjes die een muzikale sfeer oproepen van landelijke, golvende weggetjes, neonverlichting en de uitgestrekte velden van het Amerikaanse Midwesten. Hoewel ‘Jurassic Parking Lot’ inderdaad handelt over het grootste neonbord van Noord Amerika, gaan de ijzersterke songs ‘N.F.B.’ (Normal For Bridgwater) over een stadje in Sussex, Engeland waar iedereen tamelijk gestoord is en ‘By The Time My Head Gets Back To Phoenix’ over gefortuneerde Britten die door invriezing van hun hoofd het eeuwige leven denken te bereiken. ‘Outlaw (May The Sun Always Shine)’ is een countryballad die vreemd genoeg gecomponeerd is met Randy Bachman van Bachman Turner Overdrive, ‘Cosmea’ is vanwege de jeremiërende fiddle een echte Appalachen-song en ‘Forgiven’ en ‘Lay Down The Curse’ zijn Uncle Tupelo-achtige rockers. De kern van Bruntnells compositorische vaardigheden, in combinatie met zijn onderkoelde, hese stemgeluid, is echter te vinden in schitterend weemoedige countryrockliedjes als ‘Handful Of Stars’, ‘Played Out’ en ‘Shot From A Spring’, liedjes die bovendien de fenomenale James Walbourne laten schitteren op gitaar, banjo en Hammond. Onder critici wordt Normal For Bridgwater uitstekend ontvangen – volgens de NME moeten Bruntnells platen op scholen onderwezen worden – maar uiteindelijk worden er in Amerika ongeveer 8.500 verkocht, in Engeland zo’n 3.000 en in Nederland een paar honderd. Dat is bepaald niet spectaculair voor een neo-countryrock meesterwerk van een groots talent; dat in 2005 nog eens bevestigd wordt door het uitzonderlijke fraaie Ghost In A Spitfire.
Handful Of Stars / You Won’t Find Me / N.F.B. / Forgiven / By The Time My Head Gets To Phoenix / Played Out / Cosmea / Lay Down This Curse / Shot From A Spring / Jurassic Parking Lot / How You Are / Outlaw (May The Sun Always Shine)