Posts tonen met het label countrified UK. Alle posts tonen
Posts tonen met het label countrified UK. Alle posts tonen

woensdag 10 mei 2017

Ken Hensley | Proud Words On A Dusty Shelf

Ter illustratie dat Kenneth William David Hensley een druk, bezig en bazig mannetje is, het volgende: In 1965 formeert hij The Gods, die in 1968 en 1969 lp's uitbrengen. Het volgende Hensley-album is in 1970 Head Machine's Orgasm, waarna Hensley doorstoomt naar Toe Fat, wier twee platen geproduceerd worden door John Peel. Nog voor het tweede album is Ken Hensley alweer getransfereerd naar Spice, dat zich – het is dan nog steeds 1970 – Uriah Heep noemt. Met het geweldige Uriah Heep begint Ken Hensley aan een solide carrière, maar o, ongedurigheid, in 1971 – tussen de Heep-albums Salisbury en Look At Yourself – gaat Hensley naar Hamburg, West-Duitsland om daar met de Krautrockers van Virus onder de naam Weed een gelijknamig album uit te brengen. Weed is een soort van mystificatie, maar is wel Ken Hensley in zijn hardrockende Uriah Heep-hoedanigheid all over the place. 
Hoewel het erop lijkt dat de organist, gitarist en componist zijn ei voldoende kwijt kan in Uriah Heep, is Hensleys geldingsdrang allesoverheersend, want nu - in 1972 - moet er een solo-album komen om zijn behoeften optimaal te bevredigen - Uriah Heep is dan op zijn hoogtepunt met de albums Demons and Wizards en The Magician’s Birthday, culminerend in een kokend live-dubbelalbum. Toch moet de eigenwijze Hensley juist dan met een solo-album komen. Het lijkt een zelfmoordmissie, en dat is het ook, want wie kent nu Ken Hensley’s Proud Words On A Dusty Shelf? Niemand, maar deze niemanden doen zichzelf wel tekort. Hensley heeft, verspreid over een jaar, in de Londense Landsdowne Studios een serie songs opgenomen die weliswaar in het Uriah Heep-repertoire zouden passen, maar eigenlijk net even wat pastoraler en meer folky zijn. Ken Hensley gebruikt op zijn eigen album alleen de Heep-ritmesectie, bassist Gary Thain en drummer Lee Kerslake, en doet de rest verder zelf. Zoals lekker venijnig en scherp gitaarwerk in ‘When Evening Comes’, ‘Proud Words’ en ‘Cold Autumn Sunday’, maar verzorgt ook eigenhandig zangpartijen die melodieus, harmonieus en vooral warm zijn (‘From Time to Time’, ‘King Without A Throne’ en ‘Black Hearted Lady’). Gecombineerd, gitaar en zang, levert dat in ‘Fortune’ een werkelijk hoogtepunt op.
Proud Words On A Dusty Shelf is echt een mooi album dat pastorale, ingetogen rock vermengt met hardrock - zoals bijvoorbeeld Alvin Lee dat in hetzelfde jaar ook doet met On the Road to Freedom - maar niettemin valt Ken Hensleys soloplaat tussen wal en schip. Vooral omdat Uriah Heep datzelfde jaar met het ijzersterke Sweet Freedom voor de dag komt. Ken Hensley is - ook al omdat hij het creatieve genie achter Uriah Heep is - ongebroken, want blijkens de hoestekst van Proud Words On A Dusty Shelf gezegend met een gigantisch ego:

Having lived with Ken for 27 years and having worked with him most of that time I find I quite like him really.
- Ken Hensley, November 1972 

‘When Evening Comes’ | ‘From Time to Time’ | ‘King Without A Throne’ | ‘Rain’ | ‘Proud Words’ | ‘Fortune’ | ‘Black Hearted Lady’ | ‘Go Down’ | ‘Cold Autumn Sunday’ | ‘The Last

woensdag 1 maart 2017

Coast Road Drive | Delicious And Refreshing

Samengeraapt uit diverse Britse bands, en zelfs uit de Californische Grassroots, is Coast Road Drive een kwartet van uitstekende musici. Hun enige wapenfeit tijdens het kortdurende bestaan is echter de lp Delicious And Refreshing, die niettemin in 1974 verschijnt op het fameuze Deram-label. Hoewel de muziek van Coast Road Drive niet origineel is, biedt Delicious And Refreshing wel een goed gekozen mix van Britse pubrock à la Brinsley Schwartz en Amerikaanse rootsrock, Gelijkenissen zijn er dan ook met The Band, Little Feat en Derek & The Dominos. In combinatie met sterk spel en prima composities levert dat getuige 'It's All So Easy', 'Jason', 'This Time Around' en 'Over The Mountain', een landelijke countryrocksound op waarin gedoseerd gitaarwerk en harmoniezang overheersen. Lekker lui stompend, en verrijkt met vette slidegitaar, is ook 'If You Ain't Got The Key'. Delicious And Refreshing, met een gastrol van Stones-pianist Nicky Hopkins, is een uitstekend visitekaartje van een band die in feite al was opgeheven voordat de het debuutalbum verscheen. Gelijk Britse obscuriteiten als Cochise, Hokus Poke en Anna Domini is Coast Road Drive een band die wel een fraai countryrock-album afleverde, maar het helaas niet heeft gemaakt.

Sail Away / Coal Black Night / It's All So Easy / Take Me Time / Jason / This Time Around / Hard To Handle / If You Ain't Got The Key / Keep On / Over The Mountain 


Deram (1974)

dinsdag 23 december 2014

Hookfoot | Hookfoot

Vier sessiemuzikanten in dienst bij het pop-geörienteerde Dick James Music-label richten naast hun werkzaamheden in 1968 een groep op: Hookfoot. Leider van Hookfoot is de zeer getalenteerde gitarist Caleb Quaye – als 17-jarige al in de band van Long John Baldry – en verder bestaand uit Ian Duck (zang, gitaar), Dave Glover (bas) en Roger Pope (drums). Als muzikanten spelen ze een belangrijke rol op labelgenoot Elton Johns Tumbleweed Connection (1970) en Madman Across The Water (1971) als ook op het prachtige Kongos (1971) van John Kongos.
Ondertussen werkt Hookfoot in afzondering op het Britse platteland aan hun eigen repertoire, dat landelijk van karakter is en net als veel contemporaine Britse bands beïnvloed wordt door de Amerikaanse Westcoast-muziek. De vier muzikale hippies timmeren op het pastorale platteland een album in elkaar dat, gebaseerd op Quaye's en Ducks composities en teksten, zowel blues, jazz, als rock omvat. Het zelfgetitelde debuut wordt in de DJM-studio in Londen opgenomen en bij de release blijkt de Westcoast-invloed overduidelijk uit ijzersterke covers van Neil Youngs 'Don't Let It Bring You Down' en Stephen Stills' 'Bluebird'. In dezelfde lijn liggen prachtige songs als 'Mystic Lady', met sfeervol orgel- en pianospel en geweldige gitaarsolo's van Quaye, het vanuit akoestische gitaren opgebouwde 'Movies', het mystiek 'Coombe Gallows' en de Steely Dan-achtige afsluiter 'Golden Eagle'
Hookfoot is een prachtig Brits countryrockalbum, vergelijkbaar met Humble Pie's Town And Country (1969) of Mighty Baby's A Jug Of Love (1971), maar blijft helaas net als de drie opvolgers steken in de vergetelheid van de begin jaren zeventig.

Bluebird / Mystic Lady / Movies / Nature Changes / Wim-Wom / Don't Let It Bring You Down / Coombe Gallows / Crazy Fool / Golden Eagle

zaterdag 22 februari 2014

Home | Pause For A Hoarse Horse

Al als de band net geformeerd is, het is 1970, krijgt Home een contract aangeboden van CBS. Het viertal heeft in zijn midden Laurie Wisefield, wiens vloeiende en natuurlijke gitaarsound een belangrijke stempel op het bandgeluid zet. Home bezit een aardse sound die het midden houdt tussen Wishbone Ash en Badfinger. Op het debuut Pause For A Hoarse Horse klinkt Home zelfverzekerd door de bluesy zang en de competente ritmesectie, maar vooral door het lyrische gitaarspel van Wisefield, zoals geëtaleerd in ‘Red E. Lewis & The Red Caps’ en ‘Moses’. Melodie en harmonie overheersen de songs van het in denim gehulde viertal op dit debuutalbum, dat de typische Britse countrified rock van de jaren zeventig in een gloedvol licht zet. Na de gelijkwaardige opvolger volgt er in 1973 een hooggewaardeerd progressive conceptalbum, maar als Laurie Wisefield in 1974 naar Wishbone Ash promoveert is Home voorgoed geschiedenis.

Tramp / Family / Pause For A Hoarse Horse / Red E. Lewis & The Red Caps / In My Time / How Would It Feel / Bad Days / Mother / Welvyn Garden City Blues / You’re No Good  

zaterdag 18 januari 2014

Hokus Poke | Earth Harmony

Aanvankelijk een bluesband die zijn rondjes draait in het Londense pubcircuit, maar die gaandeweg invloeden uit progrock, folk en Westcoast-rock toelaat. Het kwartet – bas, drums en een dubbele gitaar-lineup – verdient daarmee een contract bij het hippe Vertigo-label. Op dit label verschijnt in 1972 dan ook het debuut van Hokus Poke: Earth Harmony, gestoken in een prachtige die-cut hoes. Naast het enkele obligate bluesrocknummer, vallen vooral rustieke gitaarrocksongs op die in de dubbelloops gitaarpartijen Wishbone Ash-invloeden laten horen en in de scheurende slidegitaar een lichte Little Feat-invloed verraadt. Volgens de dan heersende Britse trend van landelijke, laidback-rock vult ook Hokus Poke zijn enige album met pastorale, sfeervolle songs, uitstekende vocalen en prachtig vloeiend gitaarwerk, waarvan 'Sunrise Sunset' een perfecte showcase vormt. Het enige album, de band valt rap uiteen, veroordeelt Hokus Poke echter tot totale vergetelheid.

H.P. Boogie / Sunrise Sunset (The Sunset) / Big World Small Guy / Down in the Street / Hag Rag Barry Miles / Living in Harmony / Time and Space / The Poke


woensdag 20 november 2013

Elton John | Tumbleweed Connection

Waarschijnlijk is Elton John wereldwijd de grootste popster van de jaren zeventig. Als gevolg daarvan blokkeert zijn extravagante, excessieve en pathetische gedrag het zicht op de muzikale prestaties van Reginald Dwight, in het bijzonder de albums die de man in het begin van de jaren zeventig maakte. Eind jaren zestig staat Elton John nog met beide benen aan de grond; het is de aardse Elton die zich laat beïnvloeden door de pastorale americana van The Bands Music From Big Pink. Samen met de aan hem gekoppelde songschrijver Bernie Taupin raken ze verslingerd aan de muziek van The Band, Delaney And Bonnie en The Grateful Dead. Hierdoor gegrepen zet Taupin zich aan het schrijven van een songcyclus geïnspireerd door het Amerikaanse Westen en waarin de wilde natuur, schietgrage outlaws en geweren figureren.
In de zomer van 1970 worden in de Londense Trident Studios Taupins teksten van een fascinerend klankdecor voorzien. Naast Elton John zijn hiervoor verantwoordelijk producer Gus Dudgeon, Eltons vaste rimesectie, Dee Murray en Nigel Olsson, pedal steel-speler George Huntley, labelgenoten Hookfoot – met daarin de fantastische gitarist Caleb Quaye – en arrangeur Paul Buckmaster. Na de opnamen vertrekken Taupin, Elton en zijn begeleiders in augustus voor het eerst naar Amerika, waar ze in Los Angeles optreden in The Troubadour en met open armen worden ontvangen. Hier wordt de ster Elton John geboren, aldus de LA Times: ‘Rock music has a new star’. Terug in Engeland wil het nog niet zo vlotten met de carrière van Elton John, maar wel ligt Eltons derde lp, Tumblewood Connection, in de winkels. De titel verwijst direct naar Eltons en Taupins fascinatie voor het Wilde Westen en wordt benadrukt door de americana-sfeer in het bij het album geleverde boekje. Dit komt ook terug in titels als ‘Country Comfort’ – een blauwdruk voor The Eagles – , ‘My Father’s Gun’ en de gedreven country honkytonk van opener ‘Ballad Of A Well-known Gun’. ‘Come Down In Time’ daarentegen is een lyrische ballad die gedragen wordt door Paul Buckmasters aangrijpende strijkersarrangementen, terwijl epische rocksongs als ‘Where To Now St. Peter?’ en ‘Burn Down The Mission’ Elton Johns uitstekende band laten excelleren. In ‘Love Song’ laat Elton indrukwekkende Westcoast-harmonieën horen, maar zeker ook indruk maakt de schitterende rocksong ‘Amoreena’, dat als openingstrack gebruikt wordt voor Sidney Lumets speelfilm – met Al Pacino – Dog Day Afternoon.
Tumblewood Connection is aldus een zeer veelzijdig rockalbum dat Elton Johns ster in Amerika nog verder laat stijgen. Samen met Madman Across The Water (1971) en Goodbye Yellow Brick Road (1973) behoort Tumblewood Connection tot de meest creatieve periode van Elton John, overschaduwd door zijn latere megalomane, excessieve superstatus.

Ballad Of A Well-known Gun / Come Down In Time / Country Comfort / Son Of Your Father / My Father’s Gun / Where To Now St. Peter? / Love Song / Amoreena / Talking Old Soldiers / Burn Down The Mission


maandag 18 november 2013

Poet And The One Man Band | Poet And The One Man Band

Het is meer een los allegaartje bevriende muzikanten dan een echte band, wat wellicht ook de reden voor de potsierlijke bandnaam is: Poet And The One Man Band. Het collectief wordt aangevoerd door zanger Tony Colton en zanger/gitarist Ray Smith – want zij schrijven alle composities voor het gelijknamige en enige album van Poet And The One Man Band. Hun begeleiders zijn Britse topmusici: gitarist Albert Lee, gitarist Jerry Donahue, bassist Pat Donaldson en pianist Nicky Hopkins geven acte de présence op de sfeervolle, rootsy langspeler. De muziek beweegt zich tussen Amerikaanse countryrock – 'Ride Out On The Morning Train (In The Californian Rain)' – en pastorale Britse folkrock, schitterend in de meeslepende rocksongs 'Dirty Heavy Weather Road', 'Light My Fire And Burn My Lamp' en het albumhoogtepunt 'The Days I Most Remember'. Een fraai album, maar Poet And The One Man Band overleeft de problemen met hun Amerikaanse platenlabel niet, wat in nog 1969 naast bezettingswisselingen een naamswijziging in Heads, Hands And Feet noodzakelijk maakt.

Please Me, She's Me / The Days I Most Remember / Dirty Heavy Weather Road / Now You've Hurt My Feelings / Sackfull O'Grain / Good Evening, Mr. Jones / Light My Fire And Burn My Lamp / Ride Out On The Morning Train (In The Californian Rain) / Twilight Zone

maandag 4 november 2013

Quicksand | Home Is Where I Belong

In 1969 opgericht in Zuid Wales, is Quicksand weer zo’n typische Britse band die een aantal stijlen door elkaar mengt. Vanzelfsprekend zijn er de progrock-invloeden die de lange nummers op Home Is Where I Belong domineren, maar folk en Westcoast countryrock zijn van even groot belang op het enige album dat Quicksand uitbracht. Begonnen als coverband in het lokale circuit, werkt het kwartet zich langzaam omhoog door steeds meer eigen materiaal in de live-set te incorporeren. Het resulteert in het album Home Is Where I Belong dat in tien nummers het talent van Quicksand laat zien. Orgel en mellotron weerspiegelen het proggy karakter in dynamische songs zoals ‘Season’, terwijl countryrockgitaren en hemelse meerstemmige zang geweldige tracks als ‘Hideway My Song’, ‘Hiding It All’ naar een hoger plan tillen. Scherpe gitaarsolo’s en de twin-lead in het titelnummer maken van dit afwisselende album een zeer sterke plaat, die natuurlijk bij de release nagenoeg niets verkocht.

Hideway My Song / Sunlight Brings Shadows / Empty Street, Empty Heart / Overcome The Pattern / Flying / Time To Live / Home Is Where I Belong / Season / Alpha Omega / Hiding It All


maandag 2 september 2013

Northwind | Sister, Brother, Lover

Uit Glasgow, Schotland komen ze, maar ze zijn volledig opgegaan in de vergetelheid: Northwind. Een album maakte het vijftal; een fraai, pastoraal album: Sister, Brother, Lover – met op de hoes een afbeelding van Mull Of Kintyre. De plaat wordt gekenmerkt door harmonieuze composities, samensmeltende vocalen en een smaakvolle instrumentatie. Dit laatste komt vooral tot uiting in de scherpe gitaarsolo's die de organische, melodieuze liedjes een meerwaarde geven. 'Acimon And Noiram', het prachtig complexe 'Many Tribesman' en het lyrische 'Peaceful' zijn ware hoogtepunten die Northwinds enige plaat een zeer interessante maken. In 1971 komt Sister, Brother, Lover uit, op het Regal Zonophone-label, maar gebrek aan promotie doet Northwind vervolgens jammerlijk oplossen in het niets.

Home For Frozen Rozen Roses / Acimon And Noiram / Castanettes / Sweet Dope / Bystandin' / Guten Abend / Peaceful / Many Tribesmen / Quill 

zondag 28 april 2013

Treetop Flyers | The Mountain Moves


Ze stonden in januari 2013 op Eurosonic en vernoemden zich naar een song van Stephen Stills. Treetop Flyers is een bijzonder getalenteerde countryrockband uit Londen. Vorig jaar togen ze naar Californië om in het beloofde land hun debuutalbum op te nemen met producer Noah Georgeson (Devendra Banhart, Husky). Het is dan ook bijna vanzelfsprekend dat de Britten terugkwamen met een puur Westcoast-album. Inderdaad: The Mountain Moves leunt sterk op de sound van Crosby, Stills, Nash & Young, The Eagles en Fleetwood Mac, maar het debuutalbum van Treetop Flyers is ook zeker vergelijkbaar met het werk van Dawes, Jonathan Wilson en Midlake. Sterke melodieën, geweldige samenzang en mooie gitaarsolo's maken van The Mountain Moves weer zo'n fraai album dat zo heerlijk teruggrijpt op de Westcoast van de early seventies.

Things Will Change / Houses Are Burning / Waiting On You / Rose Is In The Yard / She's Gotta Run / Haunted House / Postcards / Making Time / Picture Show / Storm Will Pass / Is It All Worth It  

woensdag 27 februari 2013

Humble Pie | Town And Country


De eerste keer dat de band in volledige bezetting repeteert is het thuis bij mijnheer en mevrouw Shirley, de ouders van de drummer. Kort daarvoor is het kwartet door de Melody Maker uitgeroepen tot supergroep, en dat is niet voor niets met muzikanten die afkomstig zijn uit The Small Faces, The Herd en Spooky Tooth. Eind 1968 is zanger/gitarist Peter Frampton uit The Herd gestapt en is hij met drummer Jerry Shirley van plan een nieuwe band te formeren. Uit het niets ontvangt Shirley dan een telefoontje van Steve Marriott van The Small Faces die vraagt of hij en de bassist van Spooky Tooth, Greg Ridley, met hem en Frampton mee mogen doen. Een supergroep is gevormd. Als reactie op het door de media veroorzaakte stigma kiest het kwartet voor de nederige naam Humble Pie. 
Na repetities in Londen – in huize Shirley – en Steve Marriotts boerderijtje in Essex, en getekend door Andrew Loog Oldham voor diens Immediate-label, gaat Humble Pie met Andy Johns zijn debuut opnemen. Maar nog voor As Safe As Yesterday Is in de winkels ligt, zijn Humble Pie en Johns in de Morgan Studios alweer begonnen aan de opnamen van het nieuwe materiaal. Het eerste resultaat daarvan is de eerste hitsingle van Pie: ‘Natural Born Woman’. Maar het overige materiaal die de band opneemt heeft geen enkele hitpotentie. Omdat Marriott en Ridley op het platteland in Essex wonen en Frampton en Shirley in Londen, krijgt het tweede album van Humble Pie de titel Town And Country. De sfeer is ook overduidelijk die van het platteland: folky, countryesk en akoestisch. ‘Take Me Back’, een Frampton-compositie is een schitterende akoestische song, die opgevolgd wordt door Marriotts expliciete outlaw-countrysong ‘The Sad Bag Of Shaky Jake’: When I was just a kid in Abilene / I had to use a gun, well, for my own sake / I shot a man down when I was just eighteen / And from that day they call me Shaky Jake. Peter Frampton, met zijn stemmige, superieure gitaarspel en gedempte stemgeluid, en Marriotts rauwe soul- en rhythm & blues-power domineren Town And Country volledig, maar er is ook ruimte voor de Ridley-compositie ‘The Light Of Love’ en Shirleys fantastische ‘Cold Lady’. Marriotts ‘Every Mother’s Son’ is opnieuw een akoestisch countryliedje en zijn ‘Silver Tongue’ een geweldige rocksong met scheurende gitaar en rollende Hammond. Hier tegenover staat een even schitterende track als Framptons ‘Only You Can See’ en de Ridley/Frampton-compositie ‘Home And Away’, ruimhartig gemodelleerd naar de Californische sound van Crosby, Stills & Nash. Het bezit bovendien een wonderschoon coda dat Town And Country naar een celebraal einde draagt. Uit acute geldnood brengt Loog Oldham in augustus 1969 Town And Country uit als Humble Pie door Amerika toert, waardoor dit album roemloos ten onder gaat. Humble Pie wordt later niettemin een succesvolle band in Amerika, al blijft Town And Country voor altijd genegeerd. Ten onrechte.

Take Me Back / The Sad Bag Of Shaky Jake / The Light Of Love / Cold Lady / Down Home Again / Ollie Ollie / Every Mother’s Son / Heartbeat / Only You Can See / Silver Tongue / Home And Away

dinsdag 5 februari 2013

Starry Eyed And Laughing | Starry Eyed And Laughing


Starry eyed and laughing is een strofe uit het laatste couplet van Bob Dylans ‘Chimes Of Freedom’ – en de naam van een Britse band die in de donkere nevelen van de rockhistorie gehuld is. Dat Starry Eyed And Laughing tot de obscuriteit is veroordeeld is eigenlijk vreemd. Want het viertal produceerde in zijn – weliswaar korte – bestaan kristalheldere popmuziek, sprankelende rock met een hang naar de laidback Westcoast-popcultuur.
Starry Eyed And Laughing werd echter opgericht in de kille Midlands van Groot-Brittanië en bestaat in eerste instantie uit een duo: de zanger/gitaristen Tony Poole en Ross McGeeney. Zodra Poole en McGeeney over een vaste ritmetandem kunnen beschikken, nemen de dadendrang en de aspiraties toe en aldus verhuist het viertal in de zomer van 1973 naar London. Door de bloei van de pubrock zijn er in London vele locaties met kleine podia voorhanden waar de band kan optreden. Starry Eyed And Laughing is echter niet een typische pubrockband, want niet rechtstreeks beïnvloed door rhythm and blues, soul en rock-‘n-roll, maar door de Californische variant van de countryrock. Sterker nog; Starry Eyed And Laughing is op niet mis te verstane wijze schatplichtig aan The Byrds. De band is in de early seventies dan ook een van de weinige Britse bands die haar sound volledig baseert op het rinkelende geluid van de 12-snarige Rickenbacker en in die zin is Starry Eyed And Laughing op haar eigen manier origineel te noemen. Met evenveel recht kunnen de componisten Poole en McGeeney echter als ordinaire jatters beschouwd worden, maar feit is wel dat de groep in het pubrockcircuit al snel de reputatie geniet een opwindende live-band te zijn. Gaandeweg verruilt Starry Eyed And Laughing het overwegende cover-repertoire in voor originele composities – die uiteraard vet knipogen naar de melodieuze rocksound van The Byrds, met een voorname rol voor rinkelende ritmes en meerstemmige zang.
Nadat de band opgetreden heeft tijdens een feest van het fameuze ZigZag-magazine, wordt ze in het voorjaar gecontracteerd door CBS. Weliswaar slechts voor één single, maar er staat wel een hele publiciteitscampagne achter. Gesteund door John Peel, Melody Maker en verscheidene radio-optredens, krijgt de debuutsingle ‘Money Is A Friend Of Mine’ voldoende airplay om een langduriger contract met CBS zeker te stellen. En dus trekt Starry Eyed And Laughing in augustus 1974 naar de Londense CBS Studios om met producer Dan Loggins aan hun debuutelpee te werken. Loggins heeft dan een lange lijst met covers – van Jackson Browne, Michael Nesmith, Bob Dylan en uiteraard The Byrds – klaarliggen om op te nemen. Maar de band heeft in korte tijd een flinke groei doorgemaakt en de toegenomen zelfverzekerdheid bij de bandleden zorgt ervoor dat er louter eigen composities van Poole, McGeeney en ook bassist Iain Whitmore worden opgenomen.
De eerste akkoorden van Starry Eyed And Laughing, gereleased in oktober 1974, verraden al direct de Byrds-invloeden; de 12-snarige Rickenbacker en de daarbij behorende harmonieuze samenzang bepalen de sound volledig. Starry Eyed And Laughing heeft overigens een stevig rockgeluid dat geheel past in de radiovriendelijke tijdgeest van midden jaren zeventig. Groepen als Brinsley Schwartz, Badfinger en The Raspberries moeten dan ook beschouwd worden als gelijkgestemde zielen. Aan de countryrock-kant roept het groepsgeluid ook een band als The Outlaws – southernrockers uit Florida – in herinnering getuige het fraaie ‘Going Down’. Gaandeweg wordt de plaat beter en beter, want ‘Closer To You Now’ – met zijn messcherpe zang en de pedal steel van maestro B.J. Cole – is gelijk al een hoogtepunt. Starry Eyed And Laughing weet dit hoge niveau – mede te danken aan het uitstekende gitaarspel van Poole en McGeeney – behoorlijk goed te handhaven; ‘Lady Came From The South’ heeft eenzelfde sfeer als The Byrds’ ‘Chestnut Mare’; ‘Nobody Home’ – met gaaf klavecimbelspel – en ‘50/50 (Better Stop Now)’ zijn aanstekelijke midtempo rockers; ‘Never Say Too Late’ is countryrock à la Poco; en ‘In The Madness’ bevat schitterende close-harmony, sterk gelijkend op die van Crosby, Stills & Nash. Maar natuurlijk sluit Starry Eyed And Laughing af met het hoogtepunt: het zeseneenhalve minuut klokkende en meesterlijke ‘Everybody’. ‘Everybody’ is een even fraaie als perfecte mix van countryrock en symfonische rock, is opgedeeld in diverse coda’s, kent subtiele en sensitieve zangpartijen en brengt de dubbele gitaar line-up in stelling. ‘Everybody’ is kortom, een geniaal brok inventieve rockmuziek. Het sluit bovendien een heel fraaie jaren zeventig-elpee op indrukwekkende wijze af.
In het vroege najaar van 1975 gaat Starry Eyed And Laughing eindelijk op tournee door het Beloofde Land – de Verenigde Staten –, tegelijkertijd verschijnt de prima opvolger Thought Talk. Maar Starry Eyed And Laughing raakt vermoeid en de desinteresse, zowel intern als bij het publiek, neemt toe. Ross McGeeney verlaat de band en op de drempel van een muzikale revolutie is de band plots gedateerd en ebt alle belangstelling weg. Al na tweeëneenhalf jaar is Starry Eyed And Laughing niet meer, een klein maar sprankelend oeuvre achterlatend.

Going Down / Closer To You Now / Money Is No Friend Of Mine / Lady Came From The South / Oh What? / See Your Face / Nobody Home / 50/50 (Better Stop Now) / Living In London / Never Say Too Late / In The Madness / Everybody


zondag 9 december 2012

Stealers Wheel | Stealers Wheel


Bijna een mensenleven lang verslaafd aan alcohol, bezweek Gerry Rafferty op 4 januari 2011 uiteindelijk aan de gevolgen daarvan. Hij werd slechts 63 jaar. Voor altijd verbonden aan 'Baker Street', mogen we Rafferty’s periode met Stealers Wheel niet zomaar uit het oog verliezen.
De allergrootste bekendheid heeft Stealers Wheel, zo'n twintig jaar nadat de band in de vergetelheid is geraakt, te danken aan Quentin Tarrantino's speelfilmdebuut Reservoir Dogs, waarin op de vrolijke klanken van 'Stuck In The Middle' bruut een oor wordt afgesneden. Stealers Wheel wordt op het radiostation K-Billy's Super Sounds Of The 70's overigens ten onrechte geïntroduceerd als 'Joe Egan and Gerry Rafferty a duo known as Stealers Wheel when they recorded this Dylanesque pop-bubblegum favorite.' De werkelijkheid is dat Stealers Wheel in 1972 naast Rafferty en Egan, schoolvrienden uit Glasgow, Schotland, bestaat uit Paul Pilnick (gitaar), Tony Williams (bas) en Rod Coombes (drums).
In deze samenstelling – en gek genoeg geproduceerd door het Amerikaanse jaren vijftig producersduo Jerry Leiber en Mike Stoller – neemt Stealers Wheel dan ook zijn debuut op, een sfeervolle popplaat die Britse pubrock combineert met Westcoast-harmoniëen. Rammelend en elektrisch zijn 'I Get By', 'Outside Looking In' en 'Jose', terwijl de melodieuze, pastorale kant van Stealers Wheel volop tot zijn recht komt in meesterlijke songs als 'Next To Me' en 'You Put Something Better Inside Me'. En dat laatste geldt natuurlijk ook voor de fenomenale hitsongs 'Late Again', een superieure ballad die in Nederland tot nummer vier komt, en het onsterfelijke 'Stuck In The Middle', dat de twaalfde positie haalt. Mede dankzij de hits, maar ook op zichzelf beschouwd mag Stealers Wheel, in die geinige dierentuin-hoes, gerust beschouwd worden als een prachtig album dat rootsrock combineert met voortreffelijk songschrijverschap.
Helaas is het Stealers Wheel-debuut niet een van de grote albums van de jaren zeventig; ondergewaardeerd, maar desalniettemin van een bescheiden pracht.

Late Again / Stuck In The Middle / Another Meaning / I Get By / Outside Looking In / Johnny's Song / Next To Me / José / Gets So Lonely / You Put Something Better Inside Me

dinsdag 17 april 2012

Peter Bruntnell | Normal For Bridgwater

Terwijl The Jayhawks niet meer bestaan en Son Volt tot een tijdelijk halt gekomen is, is daar in 1999 opeens Peter Bruntnell die de ontstane ruimte opvult. Zijn derde cd, Normal For Bridgwater, ademt de sfeer van klassieke neo-countryrock en past dus feilloos tussen het werk van Jayhawks, Son Volt en ook Wilco en Whiskeytown. En dat is uitzonderlijk voor een Brit. Peter Bruntnell, afkomstig uit Zuid-Londen, maakt in 1995 zijn weinig succesvolle debuut met Cannibal, twee jaar later gevolgd door Camelot In Smithereens. Het is artistiek een stap vooruit, maar commercieel opnieuw een flop, waardoor Bruntnell zonder contract komt te zitten. Het brengt hem echter wel in contact met Jay Farrar en Son Volt, voor wie Bruntnell en zijn band in 1997 het voorprogramma van de Britse tour verzorgen. Aldus geïnspireerd door alt.country gaat het roer definitief om bij Bruntnell. Hij formeert een nieuwe band, bassist Peter Noone mag blijven, met daarin drummer Michael Clews en de jonge, talentvolle gitarist James Walbourne, opgepikt uit de zaal na een optreden. Country en twang doen hun intrede in de nieuwe songs die Peter Bruntnell schrijft, hetgeen wordt opgemerkt door Rykodisc-baas George Howard die Bruntnell aantrekt voor zijn net opgerichte americana-label Slow River. Howard haalt Bruntnell en zijn band naar Zippah Studios in Boston, Massachusetts en neemt daar zonder poespas en studiotrucs maar met Son Volt-leden Eric Heywood (pedal steel) en Dave Boquist (fiddle) de twaalf liedjes op van Normal For Bridgwater. Het zijn elegante, harmonische en diepgevoelde liedjes die een muzikale sfeer oproepen van landelijke, golvende weggetjes, neonverlichting en de uitgestrekte velden van het Amerikaanse Midwesten. Hoewel ‘Jurassic Parking Lot’ inderdaad handelt over het grootste neonbord van Noord Amerika, gaan de ijzersterke songs ‘N.F.B.’ (Normal For Bridgwater) over een stadje in Sussex, Engeland waar iedereen tamelijk gestoord is en ‘By The Time My Head Gets Back To Phoenix’ over gefortuneerde Britten die door invriezing van hun hoofd het eeuwige leven denken te bereiken. ‘Outlaw (May The Sun Always Shine)’ is een countryballad die vreemd genoeg gecomponeerd is met Randy Bachman van Bachman Turner Overdrive, ‘Cosmea’ is vanwege de jeremiërende fiddle een echte Appalachen-song en ‘Forgiven’ en ‘Lay Down The Curse’ zijn Uncle Tupelo-achtige rockers. De kern van Bruntnells compositorische vaardigheden, in combinatie met zijn onderkoelde, hese stemgeluid, is echter te vinden in schitterend weemoedige countryrockliedjes als ‘Handful Of Stars’, ‘Played Out’ en ‘Shot From A Spring’, liedjes die bovendien de fenomenale James Walbourne laten schitteren op gitaar, banjo en Hammond. Onder critici wordt Normal For Bridgwater uitstekend ontvangen – volgens de NME moeten Bruntnells platen op scholen onderwezen worden – maar uiteindelijk worden er in Amerika ongeveer 8.500 verkocht, in Engeland zo’n 3.000 en in Nederland een paar honderd. Dat is bepaald niet spectaculair voor een neo-countryrock meesterwerk van een groots talent; dat in 2005 nog eens bevestigd wordt door het uitzonderlijke fraaie Ghost In A Spitfire.
Handful Of Stars / You Won’t Find Me / N.F.B. / Forgiven / By The Time My Head Gets To Phoenix / Played Out / Cosmea / Lay Down This Curse / Shot From A Spring / Jurassic Parking Lot / How You Are / Outlaw (May The Sun Always Shine)

dinsdag 10 april 2012

Roger Morris | First Album

Roger Morris is zo onder de de indruk en geïnspireerd door The Band, dat het niet meer dan logisch is dat zijn debuutalbum – en enige album voor zo'n dertig jaar – een pure pastiche is van Music From Big Pink en The Band. Akelig dicht blijft Morris op First Album qua songs, instrumentatie en sfeer bij de monumentale Band-platen – en dat terwijl Roger Morris een Brit is die zijn jeugd doorbrengt in Wales en Essex. Op grond van zijn op gitaar en piano gecomponeerde liedjes krijgt Morris in Londen een contract, eerst als songschrijver, later als uitvoerend artiest. In 1971 mag Morris zijn liedjes opnemen in de Command Studios met een uitgelezen studioband met daarin onder meer producer en gitarist Keith West (Tomorrow), gitarist John Weider (Family), organist en pianist Tommy Eyre (Sensational Alex Harvey Band) en de Amerikaanse pedal steelspeler Glen Ross Campbell (The Misunderstood). Een pastiche mag First Album zijn, maar het is ook een fascinerend countryrock-album met fantastische songs die de sfeer verbeelden van afgelegen bossen, eenzame landweggetjes en landelijke, 19e eeuwse tafereeltjes. Roger Morris' fijngevoelige tenor laat zich in liedjes als 'All My Riches', 'The Trail Of Tears' en 'Idaho' omgeven door laidback spel, rollend orgel, barrelhouse-piano en jankende pedal steel. First Album is net als albums van Brinsley Schwartz en Head, Hands & Feet trendsettend in het Londen van de begin jaren zeventig, maar de nihilverkoop doet Roger Morris samen met zijn obscure debuut subiet in de vergetelheid verdwijnen.
Taken For Granted / Trail Of Tears / The Vigil / Golightly's Almanac / Showdown / All My Riches / Northern Star / Livin' On Memories / Poor Lucy / First Snow / Let The Four Winds Blow / Idaho

dinsdag 27 maart 2012

Cochise | Cochise



De lijst van artiesten op wier albums de Britse pedal steelspeler B.J. Cole meespeelt is schier onuitputtelijk. Van Elvis Costello tot R.E.M., van Emmylou Harris tot Joe Ely, van Elton John tot Robbie Williams. In zeer uiteenlopende kringen wordt Cole gewaardeerd om zijn virtuoze spel op de pedal steel. B.J. Cole is een sessiemuzikant bij uitstek, maar begon zijn professionele muzikale loopbaan in een countryrockgroep: Cochise. In 1969 krijgt Cole, zat van het beperkende idioom van de pedal steel en de traditionele country & western, de uitnodiging van zanger Stewart Brown om zitting te nemen in een Engelse versie van The Flying Burrito Brothers. Dit interessante idee loopt op niets uit, maar na een paar maanden krijgt Cole opnieuw een telefoontje van Brown die dan net met gitarist Mick Grabham een band is begonnen. Als in Rick Wills en Willie Wilson een bassist en drummer worden gevonden, is Cochise een feit. Cochise vestigt zich in West Londen temidden van hippies, dopeheads en muzikanten. Het duurt niet lang of de band weet de aandacht op zich gevestigd door Liberty Records, een Amerikaanse platenmaatschappij dat met United Artists een sublabel bezit dat vele nieuwe Britse bands contracteert. Zo ook Cochise. Door veel op te treden wordt Cochise een geoliede rockmachine, die vooral opvalt door Mick Grabhams elektrische gitaarspel en de pedal steel en het vreselijke ringbaardje van B.J. Cole. Cole’s spel voegt een aparte dimensie toe aan de psychedelische bluesrocksound van Cochise. Dit beeld – de combinatie van Britse rock en Amerikaanse countryrock – vindt zijn bevestiging in de gelijknamige debuut-lp, die in 1970 met de totaal onervaren Pretty Things-gitarist Dick Taylor als producer in Kingsway Studios wordt opgenomen. Het geeft Cochise een laidback en los/rommelig karakter, wat mede zijn oorzaak vindt in de zich suf blowende muzikanten. Niettemin hebben kalm galopperende countryrockliedjes als ‘Velvet Mountain’ en ‘Watch This Space’ een sfeervol Westcoast-gevoel, vanwege de harmoniezang en B.J. Cole’s smachtende pedal steel. Nog lethargischer is het fraaie ‘China’ dat bovendien met strijkers is verrijkt. Er is een ruige, stompende uitvoering van Paul Simons ‘59th Street Bridge Song’ en er zijn uitstekende rocksongs als ‘Moment And The End’ en het schitterend slepende ‘Past Loves.’ Cochise krijgt zijn grande finale met het zeven minuten klokkende ‘Painted Lady’. Hierin passeren de karakteristieken van Cochise nog eens ruimhartig de revue; Mick Grabhams fantasierijke gitaarspel en B.J. Cole’s fabuleuze spel op de pedal steel. Gestoken in een fraaie door Hipgnosis-man Storm Thorgerson ontworpen klaphoes is Cochise een bijzonder album, want Britse Westcoast-countryrock. Een paradox die waarschijnlijk de reden is dat Cochise al snel afbrokkelde, maar desondanks wel het startpunt is van B.J. Cole’s reputatie als de allerbeste Britse pedal steelspeler ooit.
Velvet Mountain / China / Trafalgar Day / Moment And The End / Watch This Space / 59th Street Bridge Song (Feelin’ Groovy) / Past Loves / Painted Lady