Posts tonen met het label neo-countryrock. Alle posts tonen
Posts tonen met het label neo-countryrock. Alle posts tonen

donderdag 29 maart 2018

The Last Of The Easy Riders | Unto The Earth


Zing je zoals The Last Of The Easy Riders doen in ‘Freewheelin’’ over the high lonesome desert, dan is het beslist een pre als je uit Denver, Colorado komt. Unto The Earth is na de debuut-ep uit 2016 eigenlijk de debuutplaat van het vijftal neo-kosmische cowboys - van wie er vreemd genoeg maar vier op de hoes zijn afgebeeld - en wat voor een debuutplaat! The Last Of The Easy Riders graven terug naar het verleden van The Byrds en The Flying Burrito Brothers - met ‘High And Lonesome’ als meest sprekende prachtige voorbeeld - maar herinneren in hun retro-klassieke countryrocksound ook aan recentere bands als Beachwood Sparks en The Allah-Las. Rinkelende Rickenbackers, wuivende pedalsteel en hemelse zang-harmonieën zetten de toon in de negen gave bandcomposities, waar toch vooral de nadruk op het liedje wordt gelegd. Unto The Earth is daarom met heerlijke liedjes als ‘Easy Alameda’, ‘Unto the Earth’, ‘High And Lonesome’ en ‘Woodland Echoes’ een uiterst toegankelijke plaat, waarop countryrock, Westcoast-pop en neo-vintage voortreffelijk samenkomen. Nieuwe helden, deze Last Of The Easy Riders.

‘Freewheelin’’ | ‘Easy Alameda’ | ‘Unto the Earth’ | ‘Turn the Tide’ | ‘High And Lonesome’ | ‘Shadow Cruiser’ | ‘Silver Canyon’ | ‘Woodland Echoes’

maandag 27 maart 2017

The Jayhawks | Paging Mr. Proust

Hollywood Town Hall (1992) geldt als het onbetwiste meesterwerk van The Jayhawks. Goede tweede is Sound of Lies uit 1997, maar daarbij moet opgetekend worden dat de tandem Mark Olson/Gary Louris defunct was en de gave powerpop-achtige liedjes op die plaat geheel op het conto van Louris geschreven moeten worden. Weer bijna twintig jaar later keert Louris met zijn Jayhawks terug naar de sound van Sound of Lies; met Paging Mr. Proust keert de band terug naar zijn glorieuze verleden. Dit is niet alleen mogelijk gemaakt door de klassieke bezetting (minus Olson), maar mede door co-producers Tucker Martine en R.E.M.’s Peter Buck. The Jayhawks zelf zijn intussen in blakende vorm en sleet zit er, opgericht in 1985, nog niet op. Op Paging Mr. Proust krijg je de vintage Jayhawks-sound, wat betekent: gouden melodieën, vlekkeloze harmoniezang, klassieke countryrocksongs en scherp gitaarwerk van Louris op zijn Gibson SG. In ‘Lost the Summer’ klinkt de band heavier dan voorheen en ‘Ace’ wordt gedomineerd door gitaarfeedback, maar songs als ‘Quiet Corners & Empty Spaces’, ‘The Devil Is in Her Eyes’, Lies in Black & White’ en de mooie met mellotron versierde afsluitende ballad ‘I’ll Be Your Key’ doen fantastische tijden herleven. Paging Mr. Proust is een onverwachte, maar niettemin welkome terugkeer van The Jayhawks aan het americana-front met een voor 2016 bijzonder relevante (jaarlijstjes)plaat.

‘Quiet Corners & Empty Spaces’ | ‘Lost the Summer’ | ‘Lovers of the Sun’ | ‘Pretty Roses in Your Hair’ | Leaving the Monsters Behind’ | ‘Isabel’s Daughter’ | ‘Ace’ | ‘The devil’s Is in Her Eyes’ | ‘Comeback Kids’ | ‘The Dust of Long-Dead Stars’ | ‘Lies in Black & White’ | ‘I’ll Be Your Key’

Thirty Tigers, 2016.

Eerder gepubliceerd in Platomania.

zondag 12 oktober 2014

Dumptruck | For The Country

‘Op een dag liepen Kirk en ik op straat en toen we een kiepauto zagen zeiden we beiden Hé, dat is een goeie naam voor een band!’ ‘Kiepauto’ betekent ‘Dumptruck’ en aan het woord is Seth Tiven, het meesterbrein van Dumptruck, een Amerikaanse band die in het voetspoor van R.E.M. in de jaren tachtig van de vorige eeuw een bescheiden succes was in het collegecircuit. In 1983 werd Dumptruck in New Haven, Connecticut opgericht door Seth Tiven en Kirk Swan, die elkaar afwisselen als zanger, gitarist en bassist en gezamenlijk Dumptrucks composities schrijven. Met behulp van verschillende drummers – waaronder Mark Mulcahy, die later als singer-songwriter enige bekendheid geniet – neemt Dumptruck zijn eerste elpee voor het alternatieve Big Time-label. D Is For Dumptruck is een zeer matig art-rockalbum, een vage schaduw van Television, inclusief de dubbele gitaarline-up. De opvolger Positively is echter heel erg veel beter; Dumptruck is rijper en volwassener geworden door de vele live-optredens in de kleine clubs aan de oostkust en in het midwesten en heeft inmiddels een vaste ritmesectie. Bovendien past de productie van fameus producer Don Dixon (R.E.M.) heel goed bij het ritmische, doch melancholieke groepsgeluid. Positively is ruim gevuld met tintelende popsongs, waarbij de ingetogen en smaakvolle voordracht overheerst en de muzikale pretentie ondergeschikt gemaakt is aan de subtiele en gloedvolle melodieën. Dumptruck onderneemt vervolgens tournees naar de westkust, naar Canada en zelfs naar Engeland. Tijdens de intensieve live-shows wordt het publiek naast de eigen nummers getrakteerd op covers van ‘I Wanna Be Your Dog’ van The Stooges, ‘You Ain’t Going Nowhere’ van Bob Dylan en Neil Youngs ‘Down By The River’. De groep groeit en groeit en lijkt in op het toppunt van zijn kunnen. Het lijkt een geschikt moment, nu ook Dumptrucks budget is verruimd, om het ijzer te smeden als het heet is.
Tijdens hun Britse tournee is de band in contact gekomen met de Welshe producer Hugh Jones – bekend van postpunk-acts als Echo & The Bunnymen, The Sound en Modern English. Jones huurt de Rockfield Studios in Wales voor de maand mei (1987) af en is in afwachting van SethTiven, Kirk Swan en Dumptrucks drummer en bassist om aan hun nieuwe plaat te werken. Maar als Dumptruck arriveert in Wales blijkt Swan de band verlaten te hebben en is de kern van Dumptruck gehalveerd en ontdaan van een sleutelfiguur. De opnamen lijken tot mislukken gedoemd, maar niets is minder waar. Niet alleen heeft Seth Tiven een serie schitterende composities mee naar Wales genomen, maar eveneens een zanger-gitarist in de persoon van Kevin Salem.
Als For The Country in september 1987 verschijnt, blijkt hoe geïnspireerd Dumptruck in de Rockfield Studios was. Tiven heeft zich niet van zijn doel af laten leiden door het vertrek van Swan; For The Country is een plaat volgestouwd met melancholieke pop, afgezet tegen een decor van moderne countryrock en contemporaine college-rock. Tinkelende en rondcirkelende gitaren en meerstemmige zang, gecombineerd met fraaie melodiewendingen zijn Dumptrucks meest in het oog/oor springende kenmerken en deze leveren op For The Country heel veel sprankelende pop op. Dumptruck heeft met For The Country een klein meesterwerkje afgeleverd, dat in ieder geval tot de beste cd’s van het jaar 1987 mag worden gerekend. Al in de opener ‘Island’ blijkt het compositorische en muzikale vernuft van Seth Tiven; ‘Island’ is een kristallijnen popsong die naar een climax gebracht wordt door zijn lyrische gitaarspel. Verder zijn er talloze fabuleuze poprocknummers over de plaat verspreid die in lichte mineur zijn getoonzet en die daarmee aansluiten bij de tamelijk zwartgallige teksten van Tiven. ’50 Miles’ – 50 miles from nowhere / Help will not arrive – is bitter en weemoedig maar toch opgetuigd met stevige rockgitaren; in ‘Friends’ vraagt de zanger zich af waar vrienden goed voor zijn; en het deprimerende maar indrukwekkende ‘Dead Weight’ biedt een kijkje in Tivens donkere en onzekere ziel. ‘Wire’ is daarentegen een aanstekelijk rocknummer, waarin Dumptruck zijn versie van southern-rock doet en waarop een voorname rol ingeruimd wordt voor B.J. Cole’s pedal steel. Ook het Hammond-spel van sessiemuzikant Tommy Eyre (o.a. Joe Cocker, John Martyn) speelt een opvallende rol en geeft de Dumptruck-sound een warme en organische extra dimensie. ‘Barking Up The Wrong Tree ‘ is diep melancholiek en uiterst fraai, maar legt het af tegen het sleutelnummer van de plaat: het titelnummer ‘For The Country’, een traag en onheilspellend nummer van bijna epische proporties, met als terugkerend thema de hopeloze eenzaamheid die Tiven doeltreffend verwoordt: Drifting on an ocean / Till you die. ‘For The Country’ tilt For The Country simpelweg naar een hoger niveau.
De verkooppresultaten van For The Country zijn bemoedigend en als gevolg daarvan zijn er grote labels geïnteresseerd in Dumptruck. De band staat echter nog onder contract bij Big Time – waardoor het door de major aangeboden miljoen dollars Big Time ten goede komt –, maar dan blijkt dat er in het contract met Big Time een cruciale clausule ontbreekt waardoor Dumptruck contractvrij is. Als Tiven tekent bij de major ziet hij zich geconfronteerd met een miljoenenclaim van Big Time. Het betekent het einde van het veelbelovende Dumptruck; jaren en jaren wordt er in de rechtbank gevochten om wie de rechten op Dumptruck heeft. Pas zeven jaar later verschijnt er een nieuwe plaat van Dumptruck, dan een trio, geleid door een gedesillusioneerde en uitgehuilde Seth Tiven.

Island / 50 Miles / Friends / Carefree / Brush Me Back / Hung Out On A Line / Going Nowhere / For The Country / Dead Weight / Wire / Barking Up The Wrong Tree



dinsdag 3 juni 2014

Marc Ford | Holy Ghost


Er is bijna een kwart eeuw voorbij gegaan tussen Marc Fords debuut met Burning Tree (1990) en zijn geweldige countryrockplaat Holy Ghost. Ford verdiende zijn sporen als supergitarist in The Black Crowes en produceerde sleutelplaten als Mescalito van Ryan Bingham en The Pines van Phantom Limb. Maar het liet ook zijn sporen na: drank en drugs eisten zijn tol, zodat een veel ouder gezicht dan dat van de 47-jarige Ford de luisteraar aanstaart op de voorkant van Holy Ghost. De muzikale inhoud van Fords vijfde soloplaat is hier overigens volledig mee in overeenstemming: bitterzoete, warmbloedige, klassieke countryrock. Als begeleidingsband huurde Ford het ontmantelde Phantom Limb in, opgevuld met moeders de vrouw Kirsten en zoon Elijah (waar we nog meer van gaan horen). Het resultaat is een soulvol, laidback americana-album waarop Ford jaren zeventig Westcoast met countrysoul vermengt. De sfeer op Holy Ghost doet dan ook beurtelings denken aan J.J. Cale en Jackson Browne; de laatste vooral vanwege het David Lindley-achtige gitaarspel, zoals bijvoorbeeld in 'Dancing Shoes'. Ook is qua sfeer en feel Neil Youngs Harvest nooit ver weg, getuige het weemoedige 'Just A Girl'. De countrysoul van 'Call Me Faithful' sluit een prachtig doorleefde rootsplaat af.

If I'd Waited / Blue Sky / Dancing Shoes / Dream #26 / In You / I'm Free / Just A Girl / You Know What I Mean / Turquoise Blue / Sometimes / Badge Of Descension / Call Me Faithful  

woensdag 23 april 2014

The Ashtray Hearts | Perfect Halves

Asbakken misschien, maar aan schoonheid geen gebrek. Dit sextet uit Minneapolis, Minnesota paart op Perfect Halves eenzaamheid en melancholie aan eenvoud en transparantie. In een 19e eeuwse kathedraal – wat oud is voor Anglo-Amerikanen – aan Lake Superior in Duluth heeft deze band tien nummers opgenomen die organisch en aansprekend zijn en de poprock met country-invloeden van bijvoorbeeld Toad The Wet Sprocket, Clay Idols of Hannah Cranna in herinnering brengen. The Ashtray Hearts borduren voort op hun fraaie debuut Old Numbers uit 2002 en laten hun sterke punten voor zich spreken: het weemoedige stemgeluid van Dan Richmond en de atmosferische gitaar van Steve Yernberg. Aan topnummers geen gebrek; het aanvangstrio 'Rules', 'On The Wires' en 'Exits' is wonderschoon, om maar niet te spreken van 'English', 'Perfect Halves', 'New York' en de ruim acht minuten klokkende afsluiter 'Flowers': melodramatisch, maar tegelijk van een zeer grote pracht. Perfect Halves is perfecte, herfstige rootsmuziek, soms te mooi om waar te zijn. Tijdloze muziek derhalve, wat The Ashtray Hearts tevens lijken te willen uitdrukken in hun kleine maar o zo fijne oeuvre: Old Numbers in 2002; Perfect Halves in 2005; en The Strangest Light in 2013.

Rules / On The Wires / Exits / English / Perfect Halves / New York / Long Enough / Valentine / Where You Sleep / Flowers

dinsdag 11 februari 2014

Big Dipper | Craps

De tweede helft van de jarig tachtig staat in het teken van de invasie van de Amerikaanse gitaarbands. Achter de grote golf duiken talloze bands op die gitaarpop combineren met hoekige Britse postpunk en R.E.M.-achtige neo-countryrock. Een van die bands is Big Dipper, uit het broeinest van de gitaarpop, Boston, Massachusetts. In 1987 debuteert Big Dipper – Grote Beer – met een ep, datzelfde jaar gevolgd door het prettige debuut Heavens. Maar het echte werk is Craps uit 1988, want daarop jubelen en rinkelen de elektrische gitaren, zijn de melodieën onweerstaanbaar en is de productie – Lou Giordano en Paul Kolderie in hun huisstudio Fort Apache – helder en warmbloedig. Craps bestaat uit scherpe, melodieuze gitaarsongs als 'The Insane Girl' en het schitterende 'The Bells of Love' enerzijds, en prachtig dromerige liedjes anderzijds: 'Semjase', over een buitenaardse wezen van de vrouwelijke kunne; 'Bonnie', een weemoedige herinnering aan een jeugdliefde; en het fantastische, waargebeurde 'Ron Klaus Wrecked His House'. Craps is een fenomenaal album, maar ontstijgt de indie-status niet. Daarom probeert Big Dipper het in 1990 bij major Epic met Slam, maar dat wordt een grootse mislukking zodat de band zonder platencontract komt en aldus zichzelf opheft.

Meet The Witch / Ron Klaus Wrecked His House / The Insane Girl / Semjase / Stardom Because / Bonnie / Hey! Mr. Lincoln / The Bells Of Love / A Song To Be Beautiful  

vrijdag 7 februari 2014

The Golden Smog | Down By The Old Stream

Natuurlijk begint zoiets als een grap. Bevriende muzikanten die een gezelligheidsclubje oprichten. Zo ook muzikanten uit de Minneapolis-scene die in 1987 als reactie op de heersende hardcore-trend de Eagles-coverband The Take It To The Limit Band oprichten. Twee jaren later – vrienden komen en gaan – heet de club The Golden Smog, waarna ze in 1992 de cover-ep (21:55 minuten) On Golden Smog releasen. Dat smaakt naar meer en dus ruimen de bandleden, allen onder een schuilnaam, tijd in om te toeren en een volwaardige debuutplaat op te nemen.
Op Down By The Old Stream geven acte de présence: zanger/gitarist Michael Macklyn (The Jayhawks' Gary Louris); zanger/gitarist David Spear (Soul Asylums Dan Murphy); zanger/gitarist Jarrett Decatur (Run Westy Runs Kraig Johnson); en bassist Raymond Virginia (The Jayhawks' Marc Perlman). Naast deze oudgedienden schuiven nieuwelingen zanger/gitarist Scot Summit (Wilco's Jeff Tweedy) en drummer Leonardson Saratoga (Honeydogs' Noah Levy) aan. Opgedragen aan The Highwaymen is Down By The Old Stream een lekker lui rootsrockalbum, waarbij het spelplezier en de pretentieloosheid voorop lijkt te staan. Toch zijn er fraaie, sfeervolle countryrocknummers met een sterke Jayhawks-inslag als 'V', 'Ill Fated', 'Yesterday Cried', 'Won't Be Coming Home' en 'Nowhere Bound'. Ronduit fantastisch zijn de verrassende covers van Bobby Patersons countrysoul-classic 'She Don't Have To See You' en van Ronnie Lane's zalig zwalkende 'Glad & Sorry'.
Aanvankelijk lijkt The Golden Smog serious business; de band gaat met Down By The Old Stream zelfs op tournee door Europa, maar de agenda's van Wilco en The Jayhawks blijken een obstakel. Toch verschijnen er nog relatief ambitieuze albums als Weird Tales (1998) en Another Fine Day (2006), maar uiteindelijk is The Golden Smog niet meer dan wat het in den beginne al was: een heel goeie grap.

V / Ill Fated / Pecan Pie / Yesterday Cried / Glad & Sorry / Won't Be Coming Home / He's A Dick / Walk Where We Walked / Nowhere Bound / Friend / She Don't Have To See You / Red Headed Stepchild / Williamton Angel / Radio King


dinsdag 24 september 2013

Farmer Not So John | Receiver

Farmer Not So John – belachelijker kunnen de namen bijna niet worden – is een band, of eigenlijk in de kern een duo, uit Nashville, Tennessee, die zich modelleert naar de alt.country van Uncle Tupelo. In overeenstemming daarmee verschijnt in 1997 de zelfgetitelde en zelfgeproduceerde debuutplaat, maar een jaar later is opvolger Receiver van een geheel andere orde. Mack Linebaugh (zang, gitaar) en Richard McLaurin (zang, banjo, gitaar, lap steel) profiteren dan van de meest gunstige omstandigheden. Niet alleen zijn zij zelf verantwoordelijk voor voortreffelijke composities, maar ook qua productie en bezetting is Receiver een subliem alternatief countryrockalbum.
In de MonkeyFinger-studio in Nashville brengt producer Tucker Martine – inmiddels beroemd om zijn warme sound – een bonte verzameling muzikanten tezamen: Any Trouble's Clive Gregson (orgel), Matthew Ryan (zang, gitaar) en Daniel Tashian (Wurlitzer). Gevoegd bij studiomuzikanten op bas, drums en pedal steel heeft Receiver een even geavanceerde als rustieke sound. Maar het zijn natuurlijk de liedjes – en de schitterende zang – van Linebaugh en McLaurin die het hem doen. Het R.E.M.-achtige 'Consigned To Oblivion' en het zinderende 'Grand Bouquet' zijn geweldige countryrockrockers, maar de focus ligt overduidelijk op een weergaloze serie van weemoed druipende liedjes: 'Paperthin', 'Fuse'. 'Rise Above The Wreckage' en de pure country-droefenis van 'For You I Will Pretend'. Prachtige rinkelende gitaren, zoemende orgels, waanzinnige sterke zangharmonieën en geniaal melancholieke composities maken van Receiver een niet te missen klassieker in het zeg maar neo-countryrock-genre.
Het probleem is echter dat het ontvankelijke publiek Receiver wél gemist heeft, want een bescheiden pers en een klein label. Bovendien besluiten Linebaugh en McLaurin al snel na de release de handdoek in de ring te gooien – en valt Receiver direct ten prooi aan de vergetelheid. Desondanks, en In weerwil van de ridicule bandnaam, is Farmer Not So Johns Receiver een obscuur klein alt.country meesterwerkje.

Paperthin / Fuse / Consigned To Oblivion / Rise Above The Wreckage / For You I Will Pretend / Undertow / No Time To Please You / Me Too / Grand Bouquet / Pen Across The Page

dinsdag 11 juni 2013

Counting Crows | August And Everything After

Gezien het onmiddellijke succes van August And Everything After lijkt het of het alsof het allemaal van een leien dakje ging voor Adam Duritz en zijn band, Counting Crows. Niets is minder waar. Barstensvol zelfkwelling en ziekelijke twijfel lijkt Duritz nauwelijks opgetogen als Counting Crows – waarvan de leden allen de dertig al naderen – in het voorjaar van 1992 getekend worden door Geffen Records. Opnemen in een grote studio zit er niet in wat Duritz betreft. Op advies van Duritz’ held Robbie Robertson kiest de band voor de opnamen van hun debuut voor een ‘big house on the hill' in Los Angeles. Onbetwist bandleider Duritz eist in samenspraak met producer T-Bone Burnett van de bandleden dat ze afstand doen van hun moderne instrumenten. In plaats daarvan spelen ze de debuutplaat in met een simpele drumkit, tweedehands gitaren, een oude Vox-bas, een Hammond en een accordeon. Voor de hypochondrische Adam Duritz wordt het een lijdensweg, maar moeizaam komt het debuutalbum tot leven en vlak voor kerstmis ’92 is het album gereed als Maria McKee en Jayhawks Mark Olson en Gary Louris de achtergrondvocalen hebben ingezongen. 
Negen maanden later, in september 1993, verschijnt August And Everything After en blijkt het album, in weerwil van de moeizame totstandkoming, zeer evenwichtig en organisch. August And Everything After wordt direct vergeleken met het werk van Bob Dylan & The Band, Bruce Springsteen en Van Morrison. In navolging van tijdgenoten als The Jayhawks en The Wallflowers herinterpreteert Counting Crows de traditionale Amerikaanse rootsrock. Het album, begeleid door de single ‘Mr. Jones’, wordt een instant succes, de single een monsterhit. Mr. Jones and me, we’re gonna be big stars, zingt Adam Duritz over een begeleiding van ruimtelijke gitaren en hij zal gelijk krijgen. De ingetogen up-temposongs als ‘Mr. Jones’ en ‘Rain King’ zijn de blikvangers van August And Everything After, maar de kwaliteit zit verstopt in de herfstige zwaarmoedigheid en desolaatheid van traag trekkende songs als ‘Anna Begins’, ‘Time And Time Again’ en ‘Ghost Train’. Maar nog beklemmender is Duritz’ afrekening met zijn verleden, ‘Raining In Baltimore’, en ‘Perfect Blue Buildings’ dat de lethargie van de city slacker perfect tot uitdrukking brengt. De intense Adam Duritz weet zijn gedachten en gevoelens op overtuigende wijze over te brengen in tekst en compositie, welke zijn band op ingetogen en sfeervolle wijze inkleurt. August And Everything After spreekt verschillende generaties aan – zowel de traditionele rockliefhebber als de alternatieveling – waardoor de cd binnen een jaar meer dan drie miljoen keer verkocht wordt. 
Big stars, dat worden de Counting Crows inderdaad, mede door de uitstekende opvolger Recovering The Satellites. Maar de daarop volgende cd’s stellen ronduit teleur en erger nog: Duritz’ ziekelijke pathos groeit uit tot megalomane proporties. De puurheid en organische intimiteit van het imponerende debuut is echter nog steeds verfrissend.

Round Here / Omaha / Mr Jones / Perfect Blue Buildings / Anna Begins / Time And Time Again / Rain King / Sullivan Street / Ghost Train / Raining In Baltimore / Murder Of One  

zondag 9 juni 2013

Maplewood | Maplewood



In januari 2007 verschijnt de verrassende comebackplaat van America. Verrassend, omdat Here And Now geproduceerd is door James Iha (Smashing Pumpkins) en Adam Schlesinger (Fountains Of Wayne) en bijdragen kent van Jim James (My Morning Jacket) en Ryan Adams. Maar dat niet alleen; een van de hoogtepunten op de cd is ‘Indian Summer’, een cover van een door een volslagen onbekende band geschreven nummer. Die band is Maplewood, uit Brooklyn, New York. Opgericht in de verwarrende maanden na 11 september door muzikanten uit Maki & The Comas, Champale, Koester en Nada Surf, keert Maplewood muzikaal terug naar de onschuldige tijden van laidback-rock en Westcoast-countryrock. Het begint als een grap als de songschrijvers Mark Rozzo (zang, toetsen, akoestische en elektrische gitaar) en Steve Koester (zang, toetsen, akoestische en elektrische gitaar) songtitels als ‘Indian Summer’ en ‘Morning Star’ bedenken, terwijl de liedjes nog niet geschreven zijn. Samen met Craig Schoen (zang, akoestische en elektrische gitaar), Ira Elliot (drums) en Jude Webre (bas, Wurlitzer) en met een voorliefde voor de muziek van Flying Burrito Brothers, The Byrds, Poco en America worden die liedjes werkelijkheid. In de huisstudio in Brooklyn, de Rustysoundshack, neemt het zestal gedurende de periode van 2001 tot halverwege 2003 meer dan een dozijn in klassieke countryrock ondergedompelde songs op, zeer royaal voorzien van superieure meerstemmige zang. Als het publiek tijdens de spaarzame concerten Maplewoods feelgood-muziek enorm blijkt te waarderen, is de logische volgende stap een release van het uit een grap ontstane materiaal. 
Maplewoods gelijknamige debuut, uitgebracht op 7 september 2004, vangt aan met de heerlijkheid van ‘Indian Summer’, een en al driestemmige zang, rinkelende twaalfsnarige akoestische gitaren en zachte, rondzoemende elektrische. Hoewel opgenomen in New York tovert Maplewood moeiteloos gouden stranden, schaduwrijke canyons en verlaten woestijnwegen voor het geestesoog. Dit is de retro-variant van de pure Zuid-Californische countryrock. Maar er komt meer voorbij; ‘Darlene’ klinkt als R.E.M. ten tijde van Chronic Town, ‘Bright Eyes’ trapt af als een soulvolle Lambchop en het fenomenale ‘Morning Star’ klinkt met zijn dubbelloops elektrische gitaren als Teenage Fanclub in zijn hoogtijdagen. ‘Sea Horse’ en ‘Little Dreamer Girl’ drijven volledig op zijdezachte harmoniezang en de America-associatie, terwijl in ‘Santa Fe’ en ‘Desert Queen’ het woestijnzand denkbeeldig schuurt. Het meest psychedelisch – in de zin van cosmische cowboys – is Maplewood in ‘Think It Through’, dat klinkt als Moby Grape’s ‘8:05’, en in ‘Be My Friend’, dat genoeglijk aanschuurt tegen The Byrds’ ‘Wasn’t Born To Follow’. Hoewel Maplewood zich enerzijds volledig op de mellow countryrock van weleer richt, is het anderzijds de veelzijdigheid, de akelige perfecte uitvoering en de fantasie om volledig op te gaan in een gedateerd genre dat respect afdwingt. Waarmee Maplewood als een obscure retro-klassieker kan worden gecatalogiseerd.

Indian Summer / Darlene / Gemini On The Way / Little Dreamer Girl / Santa Fe / Be My Friend / Bright Eyes / Morning Star / Sea Horse / Poconos / Carolina Jasmine / Desert Queen


woensdag 29 mei 2013

Stillhouse | The Great Reprise

Vergéét Chatham County Line. De akoestische Appalachan-folk van allen-rondom-de-microfoon moet, ja moet plaats maken voor The Great Reprise van Stillhouse, eveneens uit Raleigh, North Carolina. Stillhouse dateert van voor Chatham County Line, maar eindigt als de wegen van zanger-gitarist Dave Wilson en drummer Zeke Hutchins en basist Jay Brown zich scheiden; de laatste twee gaan Tift Merritt begeleiden, Wilson richt Chatham County Line op. In 2005 verschijnt het debuut van Stillhouse, Through The Winter, een prachtige, ouderwetse countryrockplaat. Wilson, Brown en Hutchins hebben Chatham County Line-instrumentalist Greg Readling weten te strikken – hij voegt pedal steel en piano toe – zodat Stillhouse een volwaardige countryrockgroep is. Dat blijkt acht jaar later opnieuw met de release van The Great Reprise, een warmbloedig, ronduit schitterend album en van een intense schoonheid. Dave Wilson is een begenadigd schrijver van magnifieke liedjes, waarin hij melodie aan muzikaliteit paart. Gezegend met een wondermooi stemgeluid, brengt Wilson warmte en een goed gevoel over in fraaie liedjes als 'Put It Back' en 'Running Away'; liedjes bovendien met catchy hooks. Ingetogen begeleid door 12-snarige gitaar, pedal steel en piano imponeert de singer-songwriter Wilson met intieme en melancholieke songs. Ronduit adembenemend zijn dan ook de verstilde hoogtepunten 'Automobile', 'Old Fool In Love' en 'To The Light'. Tien countryliedjes vol van berusting, weemoed en verlangen, The Great Reprise is een authentiek meesterstuk. Klein, bescheiden, maar van een groot gewicht.

Put It Back / Running Away / Leave This World / Say Goodbye / Automobile / Calling / Old Fool In Love / She Makes My Mind / Time It Takes To Die / To The Light

maandag 27 mei 2013

Pernice Brothers | Overcome By Happiness

In 1997 gaat Scud Mountain Boys op de helling. Sleutelfiguren Frank Padellaro en Joe Pernice beginnen hun eigen band: Padellaro King Radio, Pernice Pernice Brothers. De laatste verlaat het pad van de alternatieve country en zoekt zijn weg in de pop van Burt Bacharach, Bread en Colin Blunstone. Geruggensteund door een nieuw label (Rykodisc) en gelouterde muzikanten als Michael Deming (producer van de Gigolo Aunts en The Lilys), Aaron Sperske (Beachwood Sparks), Peyton Pinkerton (Weezer),Tom Monahan (Scud Mountain Boys) en een compleet orkest, neemt Pernice Overcome By Happiness op. De country- en folkinvloeden zijn resoluut naar de achtergrond verdrongen ten faveure van een popbenadering. De drums en bas zijn ten opzichte van Scud Mountain Boys steviger aangezet en zanger Joe Pernice laat zich nadrukkelijker gelden. Britse invloeden als Badfinger en The Zombies doen definitief hun intrede en ook doen de Pernice Brothers herinneren aan de perfecte poprock van Big Star. Melancholiek en melodieus, catchy en introspectief – Pernice betoont zich meermalen de treurige troubadour – Overcome By Happiness heeft dit alles in zich en ademt met hemelse, van weemoed druipende liedjes als 'Sick Of You', 'Dimmest Star', 'Shoes And Clothes' en 'Wherein Obscurely' een bijzonder grote muzikale rijkdom. Overcome By Happiness zet de standaard voor een imposant, zich decennialang uitstrekkend Pernice-oeuvre.

Crestfallen / Overcome By Happiness / Sick Of You / Clear Spot / Dimmest Star / Monkey Suit / Chicken Wire / Wait To Stop / All I Know / Shoes And Clothes / Wherein Obscurely / Ferris Wheel




vrijdag 15 maart 2013

The Parson Red Heads | Yearling


Het spreekt bijna vanzelf dat The Parson Red Heads geleid worden door een roodharig koppel: Evan en Brette Marie Way. Opgericht in 2003 in Eugene, Oregon door zanger-gitarist Evan, drummer Brette Marie en jeugdvriend Sam Fowles (leadgitaar), verhuist de band in 2005 naar Californië om hun muzikale droom na te jagen. Dat is ook, gelet op invloeden en voorliefdes, waar The Parson Red Heads thuishoren; aan de Westcoast, ergens tussen de jaren zestig folkrock en jaren zeventig countryrock. The Byrds en The Flying Burrito Brothers dienen als iconische voorbeelden, en ook de retro-countryrock van The Jayhawks en Whiskeytown heeft zijn sporen nagelaten in de op rinkelende gitaren en harmoniezang gebaseerde liedjes van The Parson Red Heads.
In 2007 verschijnt dan het debuut Giraffe, maar het brengt de band succes noch een doorbraak in het beloofde land (lees: Los Angeles). Een ervaring rijker keert de band terug naar Oregon en nestelt zich in de muziekscene van Portland. Daar ontstaat een contact met Chris Stamey die de band uitnodigt voor opnamen in North Carolina – maar ook in Los Angeles – met hem als producer en de fameuze Mitch Easter als engineer. Het resultaat is Yearling, een zelfverzekerd en majestueus album waarop tussen orgel, pedal steel en akoestische en elektrische gitaren in prachtige liedjes vooral de meerstemmige zang schittert. Superieur is dan ook de Byrdsy folkrock van 'Hazy Dreams' en “Seven Years'; de British Invasion-pop van 'I Was Only'; de countryballad met jankende steel 'Hard To See The Light'; de scheurende elektrische gitaar in het countryrockende 'Time Is Running Out'; en het schitterende slotakkoord 'Banking On The Sun'.
The Parson Red Heads hebben met Yearling een klassieker afgeleverd in het contemporaine folkrock/countryrock-genre, maar in 2011 wordt het voortreffelijke album totaal niet opgemerkt. In 2013 probeert de band het opnieuw, nu met zes bonustracks toegevoegd aan het origineel. Een moedige poging een ouderwets klinkend, maar geniaal folkrock- en countryrockalbum aan de man te brengen. Waarschijnlijk – ondanks de evidente pracht van Yearling – mislukt deze missie jammerlijk.

Burning Up The Sky / Hazy Dream / When You Love Somebody / Unemotional / Time Is Running Out / Seven Tears Ago / Kids Hanging Out / Happy We Agree / Hard To See The Light / I Was Only / Banking On The Sun

zondag 3 maart 2013

Map Of Wyoming | Round Trip


Map Of Wyoming is – vanuit San Francisco, Californië – een project van Dale Duncan en Chris von Sneidern. Dale Duncan maakt in de jaren tachtig deel uit van Flying Color, een groep die in 1987 hun enige – schitterende – lp maakte. Chris von Sneidern is de gitarist in de laatste versie van Flying Color, maar produceert daarnaast sterke solo-albums. Samen met drummer John Stuart storten Duncan en Von Sneidern zich op jaren zeventig Westcoast-countryrock. Map Of Wyomings Round Trip uit 1998 is dan ook een onvervalste retro-countryrockplaat, al bevat het in overheersende mate traag voortrollende songs en fantastische ballads. De plaat klinkt vol en is rijk aan details, zoals de inzet van violen, Hammond en pedal steel. De elektrische gitaren zijn steeds achterin de productie gestopt, wat Round Trip warm en louterend maakt. Prachtige, slepende bitterzoete liedjes als ‘Shine’, ‘Yesterday’, 'Drown' en ‘Always Alone’ – met een gitaarsolo van Chuck Prophet – vormen dan ook de hoogtepunten van Round Trip, dat in 2000 wordt opgevolgd door Trouble Is, waarna Map Of Wyoming in het niets verdwijnt.

Broken Sky / Another Road / Shine / Yesterday / Come Monday / Always Alone / Caroline / Drown / Crusher / On My Way Home / Straight For The Sun / Everybody Knows / Sometime Later On

vrijdag 15 februari 2013

The Rustlanders | The Rustlanders


Ze hebben hun naam niet mee, The Rustlanders. Een krankjoreme bandnaam, maar waar heb je een zorgvuldig gekozen naam voor nodig als je fantastische muziek maakt? Dat lijkt me een prima ethos voor deze vier debutanten uit Pennsylvania. In ieder geval hebben Jason McIntyre (zang, gitaar), Jason Tutwiller (sologitaar), Corry Drake (bas, zang) en Chris Rattie (drums, zang) een goudeerlijke, harmonische en spetterende countryrockplaat afgeleverd. The Rustlanders straalt de sfeer uit van het beste wat de countryrock in het beginstadium voortbracht: Neil Young, The Byrds, The Burrito’s en The Eagles. Maar meer nog doet dit opwindende en sfeervolle debuut denken aan de beste countryrockplaat van de jaren negentig: Hollywood Town Hall. Is The Rustlanders zo goed? Ja, The Rustlanders is zo goed, gewoon vanwege de klassieke elementen: supermelodieuze liedjes, messcherpe samenzang en knallende, gierende gitaarsolo’s die fenomenale nummers als 'Holdin’ Out', 'Blind Faith' en 'My Rock n Roll' linea recta naar countryrock-heaven katapulteren. Bekomen van deze opwinding nemen The Rustlanders je vervolgens mee naar rustieke landweggetjes, getuige de wuivende pedal steel en het rollende orgel – bespeeld door Reverend James Horton – die de soulvolle midtemponummers verfraaien. Laat je achteroverleunen en meevoeren op de pracht van deze elf superieure songs die je als vanzelf gaat beschouwen als goede vrienden waar je altijd op kunt rekenen. Ik reken op The Rustlanders – en zij mogen op mij rekenen.

Holdin' Out / Begining To Show Through / La Conchita / Blind Faith / High Lonesome Road / Border Town / Broken Bottles / Route 251 / Shenandoah Sunrise / Two Long Years / My Rock n Roll

donderdag 7 februari 2013

Cosmic Rough Riders | Panorama


De eerste akkoorden maken meteen duidelijk waar we hier mee te maken hebben. Dit is klassieke, rinkelende pop in de trant van The Byrds en de Teenage Fanclub van Songs From Northern Britain (1997). De veelstemmige zang en tinkelende Rickenbackers smaken goed, en smaken naar meer. Dit album is een goudeerlijk product, sterker nog, Panorama is een werk van kwaliteit en creativiteit van jonge topmuzikanten met het hart op de juiste plaats.
Cosmic Rough Riders bestaat uit Stephen Fleming en Daniel Wylie, twee singer-songwriters uit Glasgow, Schotland. Panorama is de opvolger van het debuut Deliverance (1999) en is volgepropt met fantastische liedjes, met heerlijke nazomerende liedjes. Meezingen en meedeinen is onvermijdelijk als je luistert naar deze blinkende composities. De toonzetting is open; akoestische gitaren, pianomotiefjes en aardse samenzang. Als The Byrds anno 1967 nog bestonden dan zouden ze absoluut klinken als de Cosmic Rough Riders dat anno 2000 doen. Sommige nummers hebben een Oosters tintje, andere zijn versierd met mandoline, viool en Hammond. Rijke schakeringen en uitstekende productie vervolmaken deze werkelijk fantastische indie-cd. Titels noemen is overbodig omdat hiermee bepaalde nummers boven andere gesteld worden en dat zou het totale product tekort doen. Om de dingen simpel te houden is het voldoende om te constateren dat de Cosmic Rough Riders met Panorama een ongelofelijk goeie plaat hebben afgeleverd.
Op zich is het dik verdiend dat Alan McGee van voorheen Creation de Cosmics vrij snel tekent voor zijn nieuwe label Poptones, maar helaas heeft hij de band kapot vermarkt. Het Poptunes-debuut Enjoy The Melodic Sunshine (2000) is louter een compilatie van Panorama en Deliverance en op Too Close To See Far lijken Wylie en Fleming hun kruit al verschoten te hebben, met een ontbinding van de Cosmic Rough Riders als gevolg. Enfin, Panorama is the real deal.

Revolution (In The Summertime) / Have You Heard The News Today? / Brothers Gather 'Round / The Gun Isn't Loaded / Value Of Life / You've Got Me / Afterglow / The Pain Inside / The Charm / I Call Her Name / The Loser / Can't Get Any Closer / To Be Someone / Back Home Again

zondag 3 februari 2013

The Illegitimate Sons | American Music


Lee Miles, afkomstig uit Fort Wayne, Indiana timmert al heel wat jaren aan de weg. Miles heeft sinds 2005 vier singer-songwriters-albums op de markt geslingerd, maar van een doorbraak is het nog niet gekomen. Daar zal met de release van American Music wel niet veel verandering in komen. Toch is dit een opvallende plaat, want Miles is hier getransformeerd tot een heuse countryrock-band: The Illegitimate Sons. Vertrekpunt op American Music is vintage – begin jaren zeventig – countryrock; in het bijzonder geïnspireerd door Neil Young en The Band. Miles weet zich gesterkt door een vijf-koppige band en nog een trits gastmuzikanten, met als gevolg dat American Music een rijk georkestreerd album is, waarop belangrijke rollen zijn weggelegd voor pedal steel, accordeon, orgel en de elektrische gitaar van Ben Porter. Aanvankelijk, bij wijze van opwarmertje, opteren Miles en zijn Sons voor frisse bluegrass en countryfolk, maar dan volgen weemoedige countryrock pareltjes als 'Television Mama', 'Burn You To The Ground' en 'Gillian'. The Illegitimate Sons winnen de originaliteitsprijs er niet mee, maar de geweldige ode 'I Want To Die Like Blaze Foley' vergoedt heel erg veel. En dus is American Music gewoon weer zo'n heerlijke ouderwetse countryrockplaat.

Bleed It Dry / Where You'll Hide From My Blooded Eyes / Television Mama / Burn You To The Ground / Gillian / Wholesaler / I Want To Die Like Blaze Foley / Janene / You'll Never Break This Cold Heart Of Mine / I'll Go Where You Go  

maandag 17 december 2012

The Sheepdogs | The Sheepdogs


Een bijzondere, ja bizarre manier om aan een platencontract te komen, maar het is The Sheepdogs gelukt. Rolling Stone riep hun lezers op om te stemmen op een aantal kandidaten voor de cover van de augustus-editie van 2011. Major Atlantic deed daar een schepje bovenop door een platendeal in het vooruitzicht te stellen. Winnaars: The Sheepdogs, een countryrockband uit Saskatoon, Canada. Met Black Keys-drummer Patrick Carney als producer namen de schapendoezen hun derde album op, hetwelk door gigant Atlantic op de internationale markt geslingerd wordt. Het zelfgetitelde album laat een band zien en horen die zijn voeten ferm in de seventies geplant heeft. Want de veertien liedjes leunen sterk op de gekende iconen: Creedence Clearwater Revival, Doobie Brothers, Lynyrd Skynyrd, Grand Funk Railroad, The Outlaws, en The Allman Brothers. Dit is in de kern om van te smullen, maar epigonisme ligt hier op de loer. The Sheepdogs houden het compact in bondige songs, waarin niettemin royaal plaats ingeruimd is voor fraaie harmonieën en sterk gitaarwerk. De gruizige Carney-productie, in combinatie met spelplezier en een heerlijke retro-vibe, maken van The Sheepdogs een geweldig classic rock-album, welke kwaliteit de luisteraar ongemerkt van achteren besluipt.

Laid Back / Feeling Good / Alright OK / Never Gonna Get My Love / Ewan's Blues / The Way It Is / Javelina! / I Need Help / Is Your Dream Worth Dying For? / How Late, How Long / Sharp Sounds / In My Mind / While We're Young / It Ain't Easy To Go  

zondag 18 november 2012

The Hiders | Valentine


Billy Alletzhauser is al van jongs af aan een muzikant in al zijn vezels. Zijn muzikale leven speelt zich echter aanvankelijk louter binnenskamers af, maar eind jaren tachtig treedt Alletzhauser naar buiten als gitarist van de uit Cincinnati, Ohio afkomstige Ass Ponys. Nog steeds min of meer vanuit huis – en zijn huisstudio, The Batcave – begint Alletzhauser met Beth Harris vervolgens een eigen band: The Hiders. Zonder platencontract brengen Alletzhauser en Harris een band op de been met daarin naast de ritmesectie gitarist en pedal steel-speler Toby Harris. In 2006 neemt het gezelschap in Nashville, Tennessee met producer Brad Jones (Matthew Sweet, Cotton Mather, Dolly Varden) het debuutalbum Valentine op, dat Alletzhauser in eigen beheer uitbrengt. Valentine is zo'n plaat die – hoewel onbekend en obscuur – in al zijn poriën een klassieke Westcoast countryrockplaat is vanwege de pedal steel, mondharmonica, epische gitaarsolo's en de lijzige Neil Young-zang. De eerste twee nummers klinken nogal folky en rollen en wiegen aangenaam op een lome beat en de fluisterstemmen van Alletzhauser en Harris, overigens met de allure van Gram Parsons en Emmylou Harris. Daarna begint het echte werk als de gitaar en de pedal steel in stelling worden gebracht. Traag, stroperig en met scheurend gitaarwerk trekken dan de hoogtepunten voorbij: 'Bones In The Well', 'Lets Forget' en de zeven goddelijke minuten van 'Persephone', Alletzhausers eigen 'Cowgirl In The Sand'. Verder worden smaakvol sixtiesinvloeden – Moby Grape, Buffalo Springfield – geïntegreerd in het heldere en soms rafelige bandgeluid. En ook dan zijn de retro-countrypsych-liedjes van een uitzonderlijk hoog kaliber – 'Hawaiian Ice', 'You Can't Hurt Me Anymore' – om maar niet te spreken van de dromerige en feërieke rustpunten die de trekkende gitaarsongs perfect afwisselen. Op het snijpunt van retro, countryrock en vintage-Neil Young, Valentine is een schitterend debuut van de kosmische cowboys van The Hiders.

Everything I Wanted / Hideous Sunbeam / Bones In The Well / Lets Forget / Persephone / Hawaiian Ice / Magic Show / Take Me Back / Bury Me / You Can't Hurt Me Anymore / Into The Sun


maandag 5 november 2012

Mover | The Only One


Een album vol opwindende seventiesrock in de trant van Creedence Clearwater Revival en The Rolling Stones en veroordeeld tot de vergetelheid. Het overkomt Mover in 1999 met hun tweede album, The Only One. Hun eerste cd komt in 1997 uit op het label van grafisch kunstenaar Frank Kozik, maar jeugdige overmoed doet de plaat mislukken. Voor de opvolger op Mod Lang doet de band uit San Francisco onder aanvoering van zanger/bassist Mike Therieau en zanger/gitarist Eric Shea het anders, en grijpt aldus zeer gericht terug op het verleden van de seventies countryrock – daar waar de Stones van Sticky Fingers samenvloeien met de country van Gram Parsons. Met The Only One genereert het met songs als 'Hold Me Down', 'Another Shot', 'Better Days Are Gone' en 'Spend Your Life' een plaat boordevol boeiende countryboogie, rockswagger en Westcoastpop. Het levert het countryrock-kwartet echter weinig erkenning op en hoewel de bandleden uitzwermen naar andere bands, blijft Mover nog jarenlang een sluimerend bestaan leiden, de herinnering aan The Only One nog in enige mate in leven houdend.

Hitched A Ride / Hold Me Down / Another Shot / Drunk On Wine / Better Days Are Gone / Train / Hung Up / Spend Your Life / The Only One / Alma Velha / Something That Makes Me