Posts tonen met het label scandinavica. Alle posts tonen
Posts tonen met het label scandinavica. Alle posts tonen

woensdag 14 februari 2018

Wigwam | Nuclear Nightclub

Wigwam is international gezien de beste rockband die Finland heeft voortgebracht. Onder aanvoering van de Britse expatriate Jim Pembroke krijgt Wigwam begin jaren zeventig zelfs in Engeland een voet aan de grond. Na een viertal typische progrock-lp’s met klassieke en jazzinvloeden gaat het het roer om. Wigwam komt onder contract bij Virgin en wijzigt zijn koers drastisch richting pop en melodieuze rock. Op een eiland voor de kust van Helsinki treffen de bandleden voorbereidingen voor het nieuwe album dat in Stockholm opgenomen gaat worden. Het levert met Nuclear Nightclub een pastoraal en organisch werkstuk op, waarop bliepende synthesizers en snorrende moogs op natuurlijke wijze verweven worden in het transparante rockgeluid van Wigwam. Deze spacey synths verlenen tezamen met de sterke harmoniezang, fraaie melodieën en rustieke gitaarriffs en -solo’s de acht tracks een subtiele klasse. Niets voor niets is Nuclear Nightclub Wigwams meest succesvolle album.

Nuclear Nightclub / Freddie Are You Ready / Bless You Lucky Stars / Kite / Do Or Die / Simple Human Kindness / Save My Money & Name / Pigstorm

maandag 15 mei 2017

Citizen K | Second Thoughts

Acht jaar geleden debuteerde Citizen K met een verrassende retro-plaat, de sfeer in beeld en geluid ademend van de vroege jaren zeventig. Meet Citizen K - gestoken in een een vet naar Jackson Browne’s Saturate Before Using knipogende hoes was een heerlijke kennismaking met de Zweed Klas Qvist. Nu in 2017 komt Citizen K met een klassiek dubbelalbum, wat volgens de liner notes in 1968 een major rock music statement was. En misschien is Second Thoughts dat ook wel, want rijkelijk gevuld met prachtige rocksongs, gevoelige pianoliedjes en schitterende gearrangeerde Beatles- en Beach Boys-pop. De 23 tracks bieden enorm veel variatie, maar zijn steeds voorzien van geraffineerde instrumentatie en dito arrangementen. Second Thoughts is een waar smorgasbord van klassieke seventies rock.

‘Mindexpander Parts 1 & 2’ | ‘Songs of Adjustment’ | ‘Siamese Twinkle Stars’ | ‘Train of No Forgiveness’ | ‘She Will probably Tell You’ | ‘And Now, Let’s Turn the Page, Said the King’ | ‘King of Second Thoughts’ | ‘Hang On to Your Sanity’ | ‘Remembering Helena’ | ‘Floor Thirteen’ | ‘Empty Chair’ | ‘Just Once More (Second Hand Opinion)’ | ‘In Holland’ | ‘Wasps & Cars’ | ‘Dutch Coffee’ | ‘So This Is Life (I Didn’t Know)’ | ‘When Birds Fly South’ | ‘Something Truly Magic’ | ‘I Think You’ve Been Cheated Too’ | ‘Rest Your Head’ | ‘(This Is) Our Town’ | ‘The Band in the Attic’ | ‘Citizen K’s Dream’  

zaterdag 14 januari 2017

Christian Kjellvander | A Village: Natural Light

Christian Kjellvander maakt al ruime dertien jaar min of meer dezelfde platen: donkere, spaarzame Scandinavische americana. De Zweedse Kjellvander is niet bepaald een opgeruimd type, nee, eerder een doemdenker - en dan is hij ook nog eens gezegend met een aardedonkere bariton. Dat gaat schitterend samen. Een extra dimensie is dat Kjellvander ook nog eens doodgraver geworden is in zijn woonplaats Malmö. De prachtige liedjes zijn nu nog treuriger. Shallow Sea opent met een wonderschoon gitaarmotief; elektrisch en schril. Tezamen met Kjellvanders paradoxaal genoeg warme stemgeluid is dit ronduit imponerend. Rustige bas en drums, warmbloedige toetsen, een enkele hartverwarmende tweede vrouwenstem, en de Marc Ribot-achtige gitaarlijnen stellen Kjellvander in staat zijn grootse, duistere maar ook bloedwarme liedjes excellent voor het voetlicht te brengen. Het geheel, dit A Village: Natural Light, is dan ook van een onaardse schoonheid en maakt deel uit van een nauwelijks te evenaren oeuvre. 

Shallow Sea / Dark Ain’t That Dark / Midsummer (Red Dance) / Riders In The Rain / Misanthrope River ? Always With The Horses / Staghorn Sumac / Good Child / Gallow

zondag 8 december 2013

The Works | The Works

Zweden staat al decennialang garant voor kwaliteitsmuziek. In de 21e eeuw is het vooral Dungen dat internationaal aan de weg timmert, maar het aan dezelfde Stockholmse muziekscene ontsprongen The Works kent een vergelijkbare kwaliteit. In 1999 opgericht aan de Stockhom School of Music en in de daaropvolgende jaren uitgegroeid tot een dynamische kwartet met een heftig psychedelisch geluid, verschijnt in 2005 op het Subliminal Sounds-label het zelfgetitelde The Works. Opvallend in opener 'Everybody' zijn de drukke drums die vooral The Who in herinnering roepen. De sound van The Works lijkt vooral gebaseerd op Britse freakbeat en progressive rock van rond 1970. De grommende Hammond en scheurende gitaren bewijzen eer aan obscure bands als Atomic Rooster, July en The Open Mind. Naast heftige, maar fraaie sonische uitbarstingen zijn de contouren van het liedje wel steeds duidelijk zichtbaar. Dat levert in 'Speak Your Mind', 'Change My Ways', 'Not The Same' en 'The Tale' geweldige songs op en in 'Time To Wake Up' en 'Slow As She Goes' zelfs parelende, pastorale piekmomenten. The Works is een geweldige plaat die zich uitstekend verhoudt tot gelieerde albums als Dungens Skit I Allt (2010) en The Amazings Gentle Stream (2011); alle Zweedse topkwaliteit.

Everybody / Time To Wake Up / Speak Your Mind / Change My Ways / I Saw The Ocean / Not The Same / Follow Me There / Slow As She Goes / The Tale / Num And Blind / Welcome



woensdag 13 november 2013

Life | Life

Voor de Europese markt is Life een obscuriteit, want afkomstig uit het tegen wil en dank hermetische Zweden. Toch doet dit trio, afkomstig uit Stockholm, in 1971 een dappere poging de Britse markt te penetreren door hun debuut-lp ook in een Engelstalige versie op te nemen. Life wordt in 1970 opgericht door drie jonge, maar ervaren muzikanten: zanger/bassist Paul Sundlin, gitarist/toetsenist Anders Nordh en drummer Thomas Rydberg. Zo'n 20 jaar zijn ze als ze in de zomer van 1970 optreden tijdens het Mantorp Festival, het Zweedse equivalent van Woodstock ,en in dat najaar voorprogramma's verzorgen voor Procol Harum en Deep Purple. Nog datzelfde jaar neemt Life zijn debuutalbum op in de EMI-studio in Stockholm; de teksten zijn dan nog in de moedertaal, maar Life neemt ook een Engelstalige versie op.
Die versie verschijnt in het voorjaar van 1971 op Columbia – en wat een schitterend versie is dit. Life onderzoekt de grenzen van de rock – zoals die in 1970 bestaan – en absorbeert vele muziekstijlen: van psychedelische Westcoast-rock tot Canterbury-progrock; van Beatles-harmonieën tot elektrificerende hardrock. De veertien majesteitelijke songs roepen vergelijkingen op met velen: zoals Cream in 'Many Years Ago'; Uriah Heep in 'She Walks Across The Room'; The Pretty Things van Parachute in 'Living Is Loving'; Caravan in 'Nobody Was There To Love Me'; en Moby Grape van 69 in 'Every Man'. Life heeft een fascinerende eclectische stijl die, anno 1971, de schitterendst denkbare muziek in zich verenigt. De Zweden hebben niet alleen een uitstekende radar voor wat de rockmuziek interessant maakt, maar bezitten ook de technische vaardigheden dit in de studio vast te leggen. Life kent niet alleen een uitstekend geluid, maar kenmerkt zich bovendien door fraaie orkestrale arrangementen – in het ronduit prachtige, Spooky Tooth-achtige 'Once Upon A Time' – en het werkelijk superieure gitaarspel van Anders Nordh, getuige de splijtende gitaarsolo in het meeslepende 'Yes, I Am'.
De Zweden hebben met Life een band van wereldklasse in huis, maar de Engelstalige versie van hun debuutplaat ten spijt, een internationale doorbraak zit er niet in. Eén van de beste album ooit in Zweden opgenomen, aldus de pers, verdwijnt al snel in de obscuriteit, temeer omdat het trio na een tour met de Hair-musical, zich niet meer op Life kun focussen. Al in het voorjaar van 1972 is dus het Life-avontuur voorbij, rest een tamelijk briljant rockalbum.

Quo Vadis (I) / Nobody Was There To Love Me / Many Years Ago / Experience Of Love / She Walks Across The Room / Sailing In The Sunshine / Quo Vadis (II) / Living Is Loving / Every Man / Experience Or Die / One Of Us / Yes, I Am / Once Upon A Time / Quo Vadis (III)


dinsdag 12 november 2013

Trains And Boats And Planes | Engulfed

Trains And Boats And Planes heeft in haar bestaan tussen 1989 en 1994 niet kunnen doorbreken, terwijl de band uit Kopenhagen, Denemarken over een unieke sound beschikte die plaats bood aan moodrock, gitaarpop en folk. Spil in de vijf-koppige band is zanger, gitarist, producer en componist Nikolaj Nørlund, die met zijn sonore stemgeluid een sterk bepalende factor is. Verder wordt de donkere, folky gitaarsound gekenmerkt door de sirenzang en de cello van Soma Hammarland en de gruizige, schelle productie van Kramer – die al het studiowerk van Trains And Boats And Planes produceerde. De band debuteert in 1991 met de EP (zes nummers) Hum, een jaar later gevolgd door het volwaardige debuutalbum Engulfed.
Engulfed overspoelt de luisteraar inderdaad met prachtige, donker gekleurde en introspectieve popsongs die sterk leunen op een bescheiden wall of sound van elektrische gitaren en sferische cello's. 'Ill Seen', 'Likewise', 'Spinning Home', 'One Year' en '(I'm Glad It's) Soon' zijn dan ook alle van een grote schoonheid. Tussen al deze fraaie liedjes bevindt zich tevens een stemmige versie van de Lennon/McCartney-compositie 'Run For Your Life', compleet met krassende gitaren en stuwende cello. Het hoogtepunt van Engulfed is echter het trage, wurgend romantische 'Foreign Places'. Engulfed is met zijn donkere melancholie een karakteristiek Scandinavisch prachtalbum, maar het is aan dovemansoren. In 1993 verschijnt dan nog Minimal Star maar snel daarop valt Trains And Boats And Planes uiteen; in trains en boats en planes.

Ill Seen / Likewise / Divine Souls / Spinning Home / Snehvidekys / Foreign Places / (I'm Glad It's) Soon / Run For Your Life / One Year / Flabbergast / All My Friends


zondag 27 oktober 2013

Landberk | Indian Summer


In het dorre progressive rock-landschap van de begin jaren negentig breekt een Scandinavische lente aan als bands als Anglagard, Anekdoten en Landberk aan het firmament verschijnen. Landberk gaat aanvankelijk op de klassieke neo-prog-toer met de albums Lonely Land (1992) en One Man Tells Another (1994), maar met Indian Summer laat de band zich in 1996 van zijn meer introspectieve kant zien. Verstilling, atmosfeer en arctische weemoed zijn de sleutelbegrippen op dit indrukwekkende album, dat de rural prog van Genesis versmelt met de arty vervreemding van Radiohead; de postpunk-pathos van U2's October met het machtig minimalisme van Talk Talks Spirit Of Eden.
Een snorrende bas, stroperige, hypnotiserende drums en de stille dreiging van een mellotron gaan een verbond aan met Patric Heljes intense zang en Reine Fiskes fabelachtige gitaarspel. 'Humanize' is een sterke opener die een Cure-invloed ('Lullabye') verraadt, waarna de rockkant van Landberk – tussen postpunk en indierock – ten volle tot uiting komt in '1st Of May', 'Dustgod' en 'Dreamdance'. Maar met het schurende, sferische 'All Around Me', met in de hoofdrol Fiskes lyrische, ingehouden gitaarspel, gaat Landberk de peilloze diepte in. Ook in het fenomenale 'Why Do I Still Sleep' pakt de band op eenzelfde wijze uit: intens gloeiend als een smeulend vuur. Met Indian Summer geeft Landberk op unieke wijze invulling aan een gedateerd genre als progressive rock. Daarmee is de band een postmodernistische vernieuwer van het genre, maar profijt van deze kwalificatie heeft Landberk niet.
Na de release van Indian Summer wordt er niets meer van de band vernomen, en blijken de bandleden in allerlei nieuwe bands – Paatos, Dungen – te zijn opgedoken. Desalniettemin is Indian Summer een Zweedse klassieker.

Humanize / All Around Me / 1st Of May / I Wish Had A Boat / Dustgod / Dreamdance / Why Do I Still Sleep / Indian Summer



dinsdag 6 augustus 2013

Watermelon Men | Past, Present And Future

Ook in Zweden grijpt het garagerockvirus begin jaren tachtig om zich heen. De Zweden hebben de muzikale ontwikkelingen in Amerika met een scherp oog in de gaten gehouden. En als de garagerock en de algehele herwaardering voor psychedelica en Westcoast-folkrock naar Europa overwaait, raken groepen als The Nomads, The Wayward Souls en Watermelon Men als eerste met het virus besmet. Zonder het overigens van elkaar te weten. Zanger Erik Iles en de gitaristen Imre von Polgár en Johan Lundberg richten in Uppsala in 1982 de Watermelon Men op. Het mag nog geen naam hebben, want het trio oefent niet echt op nummers, maar plugt de gitaren in en ramt er dan een paar uur op los. Verrast door het bestaan van The Nomads – via de single ‘Psycho’ – leggen de Watermelon Men zich ook toe op garagerockers als ‘I Ain’t No Miracle Worker’ en ‘I’m A Man’. Met de toevoeging van Hans Sacklén (bas) en Erik Westin (drums) en een orgel aan de groepssound zijn de Watermelon Men een meer dan volwaardige rockband geworden. Het handelsmerk van de Watermelon Men zijn de rinkelende elektrische gitaren, zoemende twaalfsnarige Rickenbackers en meerstemmige harmoniezang. De EP Four Stories By The Watermelon Men uit 1985 is de voorbode van de debuut-lp, die ook in Engeland wordt uitgebracht. Gek genoeg hebben de Watermelon Men dan in hun hele bestaan niet meer dan acht keer opgetreden. Dat doet niets af aan de kwaliteit van Past, Present And Future, dat is volgeladen met melodieuze retrorockers, en waarop de Rickenbacker de boventoon voert. Het jengelende spel van de gitaristen Von Polgár en Lundberg stuwt garagepopsongs als ‘Seven Years’, ‘Pretty Days In The Summertime’ en ‘Tell That Girl’ op tot grote hoogten. De cello en violen voorzien het melancholieke ‘Hungarian Heart’ van een grootse grandeur, terwijl ‘Autumn Girl’ een scherpe observatie is van de bubblegumpop van The Monkees en ‘You Should Be Mine’ een fraaie Standells-pastiche. De ingezette lijn van knisperende gitaarpop – met zoete herinneringen aan Love, The Byrds en vooral The Flamin’ Groovies – zet zich door in ‘Back In My Dreams’ en vindt zijn hoogtepunt in ‘New Hope For The Lonely’, met dank aan Iles’ reutelende Farfisa-orgel. Past, Present And Future is een uitstekende garagepop-plaat, maar behalve een zeer bescheiden succes in Engeland blijven de Watermelon Men, ook na een tweede album, onopgemerkt. Ze laten echter wel een prachtige erfenis met een relativerende titel achter: Past, Present And Future.

Seven Years / Pretty Days In The Summertime / Tell That Girl / Hungarian Heart / New Hope For The Lonely / You Should Be Mine / Lonesome Time / Autumn Girl / Back In My Dreams / There She Goes / Nowhere Train / Still I’m Dressed In Blue 

zaterdag 18 mei 2013

Sister Rain | Water In Tide


Noorwegen neemt een zeer onbeduidende plaats in als het gaat om rockmuziek die internationale faam geniet. Mondiaal gezien zijn er nauwelijks bands of artiesten die de Noorse landsgrenzen hebben doorbroken; maar ook in West Europa – Groot-Brittannië en het continent – dringt de Noorse rockmuziek nauwelijks door. Kennelijk is er een geïsoleerde interne markt die rockmuzikanten ervan weerhoudt hun vleugels uit te slaan. Niettemin kunnen de werkelijk geïnteresseerden kennisnemen, zij het met enige moeite, van een aantal exponenten van de Noorse rockcultuur. Motorpsycho is wellicht internationaal gezien de bekendste band, maar ook The Midnight Choir behoort, of beter gezegd behoorde, tot de top van Noorse rockcultuur, evenals de uitzonderlijk getalenteerde singer-songwriter Thomas Dybdahl. De voorloper van deze tak van de Noorse popmuziek – orkestrale, dramatische en soms experimentele rock – is Sister Rain, een vijftal dat in de jaren tachtig furore maakte met barokke trancerock.
Sister Rain wordt halverwege de jaren tachtig in Oslo opgericht door zanger en songschrijver Aslak Nygren, die in de gitaristen Eystein Hopland en Mads Due-Tønnesen, bassist Ivar Berge en drummer Steinar Buholm gelijkgestemde geesten vindt. De band krijgt een contract aangeboden bij hét Noorse indie-label Voices Of Wonder en brengt het titelloze debuut uit, dat in aanleg interessant is maar teveel missers kent. Op het podium schaaft Sister Rain aan haar vaardigheden met als resultaat dat er een zeer gedifferentiëerd geluid ontstaat: aan de ene kant gepolijst en toetsen-georiënteerd, en aan de andere kant rauw, heavy en voortgestuwd door feedbackgitaren.
Het is deze sound die Sister Rain in december 1988 in de City Sound-studio voor eeuwig vastlegt. Twee maanden later vinden er nog aanvullende opnamen plaats in de Red Light Studio plaats, waarna later in 1989 Sister Rains tweede plaat, Water In Tide, verschijnt. En inderdaad, Water In Tide is een kaleidoscoop van zwaar aangezette synthesizers en gierende gitaren.
In de opener ‘Two Alternatives’ zingt Aslak Nygren met de lijzige dictie van Lou Reed, althans zoals deze klonk in de midjaren zeventig. De rammelende begeleiding versterkt dit effect, waarmee een van Sister Rains voornaamste invloeden wordt prijsgegeven. Naast Lou Reed en The Velvet Underground heeft de band goed geluisterd naar de doem van de Britse postpunk, in het bijzonder Joy Division. In ‘The Walk’ doen de dreigende Fairlights, de fluitende synthesizers en de glasachtige gitaarerupties inderdaad sterk denken aan Joy Division. Waarna ‘Head Away’ door zijn sterk repetitieve ritme opnieuw The Velvet Underground, en wel ‘Sister Ray’, in herinnering roept. Nygren sneert en grauwt en strooit zijn teksten over nachtelijke ontmoetingen, winterse industrieterreinen en groen neonlicht met machtige stem over de luisteraar uit. ‘Green Neonlight’ is hiervan een van meest aansprekende voorbeelden; tegen een decor van gierende en jankende gitaren doemdenkt Nygren op superieure wijze: The way out you think that I see / Is escape in green neonlight. De zang op ‘That Ball’ komt regelrecht uit de vleermuizenkelder, op bezoek bij The Sister Of Mercy of bij Michael Gira en zijn Swans. En voorts presenteert Sister Rain een mengeling van Britse trance-rock à la Spacemen 3, de echoput van The Jesus And Mary Chain en de psychedelica van The Grateful dead en natuurlijk The Velvet Underground. Deze verwarrende mix openbaart zich in extenso in de heavy hoogtepunten van de plaat: ‘Respectable Faces’ en het ruim negen minuten durende ‘Passion Pain’, waarna dit duistere en kille meesterwerk een soort lieflijk en relativerend einde kent in ‘Water In Tide’.
Water In Tide – een onbetwiste mijlpaal in de Noorse rockgeschiedenis – kon geen internationale doorbraak bewerkstelligen en ook de uitstekende opvolger Wild Flowers Grow (1991) maakte geen kans in Europa of daarbuiten. In 1998 probeerde Sister Rain het nog eens met Illuminated. Het was vergeefse moeite; Sister Rain werd gedoemd tot de vergetelheid. De pracht en majesteit van Water In Tide bewijst weer eens het ongelijk van de rockgeschiedenis.

Two Alternatives / The Walk / Head Away / Green Neonlight / That Ball / Respectable Faces / Passion Pain / Water In Tide / Head Away (Extended Mix)

donderdag 11 april 2013

Thomas Denver Jonsson | Barely Touching It


In 2003 werd hem een grootse toekomst voorspeld als voorman van de Zweedse americana: Thomas Denver Jonsson. In selecte kring goed ontvangen, maakte Hope To Her, het prachtige debuut, veel indruk. Jonsson toerde daarop door de USA en Duitsland, en trad op tijdens Take Root 2004. Een jaar later zijn de verwachtingen hooggespannen, ook bij de bijzonder bescheiden Jonsson zelf, maar de singer-songwritet kan gerust zijn: Barely Touching It, de opvolger van Hope To Her is godvergeten prachtig. Het akoestische 'I’m With You All The Way' is een opwarmertje, maar zet wel gelijk Jonssons wankele en tegelijke associatieve stem in de etalage. En dan brandt The September Sunrise, Jonssons geweldige begeleidingsband, los in het rockende en buitelende 'Strange Luck'. De Crazy Horse anno 2005, met voorts een verwijzing naar Neil Young: To stay as friends / Like a fish on the line. Orgel en pedal steel – beide warm van textuur – nemen hoofdrollen op zich, maar staan in de schaduw van de jengelende, zwalkende en krabbende elektrische gitaar van Carl Edlom; werkelijk superieur. In doorjagende en bijna ontsporende countryrocksongs als 'Dance Floor Borders', 'Silver Boy', 'Don’t Cry' en 'Walther' heeft Jonsson een perfecte partner in Edloms trekkende gitaarspel. Mooie, heartbreaking duetten zijn er met Nina Kinert – op zijn ‘Grams en Emmylou’s’ – in de vorm van 'Dreams At The Film Club' en afsluiter 'Reprise'. En Will Oldhams broer Ned neuzelt ook nog even lekker mee. Het is niet allemaal vrolijkheid wat de klok slaat, maar de diepe gloed en warmbloedige intensiteit die Barely Touching It uitstraalt laat zowel ruimte voor een lach als een traan. Niet in de laatste plaats opgeroepen door Jonssons ijzersterke en rondzingende zang – prachtig geëtaleerd in weer een hoogtepunt: de zesëneenhalve epische minuten van 'Good Night'. Thomas Denver Jonsson is een voorbeeldig lid van het singer-songwriters-gilde en verenigt het beste van Ryan Adams en Will Oldham in zich. Barely Touching It kent geen zwak moment en behoort in 2005 tot de allerbeste platen in het genre.

I'm With You All The Way / Strange Luck / Time Stops When I Hold You / Dance Floor Borders / Dreams At The Film Club / Silver Boy / Don't Cry / A Day From A Year / Walther / Eyes Of Blue / Working Star / Good Night / Reprise 

zaterdag 23 maart 2013

The Krispies | Solid Gold Rockstars


Solid Gold Rockstars, dat mochten ze willen. Slechts een album produceren The Krispies en dat mag ook alleen in thuisland Finland op enige belangstelling rekenen. Vreemd genoeg worden The Krispies door Larry Crane (zang, gitaar) in Amerika opgericht en is de thuisbasis van de band – Knipi (gitaar), Aleksi Mänttäri (bas, sitar, elektrische piano) en Heikki Tikka (drums) – Helsinki. Daar in Finland wordt in januari 1998 het debuutalbum Solid Gold Rockstars uitgebracht; een album tjokvol aanstekelijke powerpopliedjes met een serieuze sixties-inslag. Referenties: Teenage Fanclub, The Posies, Sloan. In gouden melodieën gegoten liedjes als 'Lover', '(Blessed With) Nine Lives', 'Your Words Don't Mean A Thing', het lekker slepende 'Miss You When You're Dead' en het pastorale 'Like No Other' maken van dit Solid Gold Rockstars onbetwist de beste pure powerpopplaat in Finland geproduceerd. En daar blijft het voor wat The Krispies betreft bij: Solid Gold Rockstars is het eindstation.

(I'm On The) Radio / Lover / (Blessed With) Nine Lives / Radical / Miss You When You're Dead / Lucky Stars / Solid Gold Rockstar / Your Words Don't Mean A Thing / Dear Louise / Take A Look At The Sun / Smile / Like No Other

vrijdag 22 maart 2013

The Creeps | Enjoy The Creeps


Almhult is een afgelegen stadje in de bossen van Zuid-Zweden. In het begin van de jaren tachtig herbergt het een modband en een garagepunkgroep: The Pow en The Creeps. The Pow wordt geleid door Hans Ingemannson, The Creeps door zijn jeugdvriend Robert Jelinek. Een van een tape opgenomen track van The Creeps verschijnt in 1985 op de neo-garageverzamelaar A Real Cool Time, maar een jaar eerder zijn The Creeps al ter ruste gelegd. De bassist en drummer moeten hun dienstplicht vervullen, waarna de overgebleven Jelinek begin 1984 gitarist van The Pow wordt, terwijl Ingemannson op zijn beurt orgel gaat spelen in een door Jelinek nieuw opgezette Creeps. Maar twee bands is teveel van het goede voor het duo en dus gaat The Creeps in winterslaap. The Pow daarentegen gaat op tournee door Duitsland, wordt aanmerkelijk ruiger door Jelineks garagerock-inbreng en diens rauwe stemgeluid, en neemt een passender naam aan: The Backdoor Men. Via het Tracks On Wax-label verschijnt in juni 1985 de fenomenale single ‘Out Of My Mind’, gevolgd door vele optredens in Duitsland waar de band populair is, en de geweldige folkrocksingle ‘Going Her Own Way’ op het Duitse FAB Records. Gestimuleerd door het succes van The Backdoor Men brengt Robert Jelinek de oorspronkelijke Creeps, met bassist Anders Johansson en drummer Patrick Olsson, weer tot leven. 
Als The Creeps een contract tekenen met Tracks On Wax richt Jelinek zich geheel op zijn eigen band en heffen The Backdoor Men zichzelf op wegens gebrek aan een zanger. Backdoor Men-gitarist Hans Ingemannson stapt over naar The Creeps en wordt daar bespeler van een Farfisa-orgel. In deze viermansbezetting nemen The Creeps in kleine lokale studio’s Jelineks composities op, met als resultaat Enjoy The Creeps. Twaalf opwindende, rauwe rhythm & blues-nummers in de stijl van Them en The Pretty Things, met in de hoofdrollen Ingemannsons gierende orgeltje, Jelineks fuzzende gitaar en bluesy stem. Naast dampende covers van ‘Maintaining My Cool’ en ‘I’m A Rolling Stone’, beide van The Sonics, klinken Robert Jelineks opwindende, soulvolle liedjes als klassiekers uit de beatgeschiedenis. De rhythm & blues-ballads ‘Darling’ en ‘Come Back, Baby’ laten een radeloze, maar meesterlijk zingende Jelinek horen, terwijl een stompende beat, overstuurde gitaren en het gemeen knerpende orgeltje ‘The Creep’, ‘She’s Gone’ en ‘Ain’t No Square’ naar grote hoogten stuwen. Maar niet zo hoog als ‘Down At The Nightclub’, klinkend als Them met een furieuze Van Morrison, en zondermeer een van de beste songs van de het neo-garage tijdperk. Enjoy The Creeps wordt in Zweden uitgebracht in een oplage van 2.000 stuks en bij FAB Records in Duitsland in een oplage van 1.750, waardoor de plaat al snel uitverkocht raakt. Maar daar staat niemand bij stil als The Creeps tekenen bij major WEA, bij wie het zeer matige Now Dig This! verschijnt. The Creeps worden echter een totale aanfluiting als ze op Blue Tomato een soort van partyfunk spelen. Het is in niets vergelijkbaar met Enjoy The Creeps, een ware neo-garage klassieker.

Down At The Nightclub / Ain’t No Square / Come Back, Baby / Rattlesnake Shake / City Of People / Just What I Need / The Creep / Darling / Hi, Hi, Pretty Girl / Maintaining My Cool / I’m Rolling Stone / She’s Gone 

donderdag 21 maart 2013

Thomas Dybdahl | ...That Great October Sound


Thomas Dybdahl, geboren in 1979, is in Noorwegen een populaire artiest. Als de gitarist van Quadraphonics in 2000 solo gaat en een eerste single uitbrengt, levert dat nog niets op, de daarop volgende EP ‘John Wayne’ evenmin. Maar als …That Great October Sound op 3 oktober 2002 uitkomt, is de cd in een dag uitverkocht en bereikt Dybdahls debuut zelfs de platina status. Noorwegen is veroverd; nu de rest van de wereld nog. Bijna twee jaar later, in juni 2004, brengt het alerte Glitterhouse Records …That Great October Sound in Europa uit, zodat ook buiten Noorwegen vastgesteld kan worden dat het hier een onwaarschijnlijk getalenteerde singer-songwriter betreft. Dybdahl heeft zich kleine deeltjes toegeëigend van groten der aarde als Tim Buckley, John Martyn, Nick Drake en ook Elliott Smith, en heeft deze deeltjes samengesmeed tot een postmodernistisch meesterwerk. Dybdahls muziek is rijk geschakeerd, opwindend en groovy. 
In een extreem soepele stijl en met een magnifiek stemgeluid bezingt Dydbdahl de pieken en dalen van het leven; van de ziekte in zijn lijf in ‘From Grace’; over het alledaagse liefdesverdriet in ‘Love’s Lost’; en over het universele heimweegevoel naar Noorwegen in ‘Life Here Is Gold’. De poëtische songs, waarin Thomas Dybdahl werkelijk genres overstijgt en grenzen tussen muziekstijlen slecht, kennen universele thema’s zoals de onveranderlijkheid van het leven in ‘Tomorrow Stays The Same’ en de naschok van 11 september in ‘All’s Not Lost’. Daarbij geeft deze allround troubadour blijk van een ongekende muzikaliteit – Dybdahl speelt zelf gitaar, bas, drums en orgel – waarin altijd een rol is weggelegd voor aanrollende muziekgolven, in het bijzonder de kwelende pedal steel en de gloedvolle orgelklanken, en wanneer deze afnemen is dat met een organisch minimalisme. Thomas Dybdahl overtuigt bovendien ten volle in het epische en symfonische – vanwege duur en sfeerwisselingen – ‘John Wayne’. Met de volgende cd’s – die steeds met vertraging in de rest van Europa worden uitgebracht – bewijst Thomas Dybdahl dat zijn magistrale debuut geen toevalstreffer is. Het duurt wel even voordat de Nederlandse muziekpers dat in de gaten heeft: met Dybdahls vierde, Science, krijgt hij de aandacht die hij verdient. Al is dat wel vijf jaar ná het meesterwerk …That Great October Sound.

From Grace / All’s Not Lost / That Great October Sound / Life Here Is Gold / Tomorrow Stays The Same / Postulate / Adelaide / John Wayne / Love’s Lost / Dreamweaver / Outro

donderdag 20 december 2012

The Soundtrack Of Our Lives | Behind The Music


Enthousiasme en avontuur kan ze niet ontzegd worden. Helaas levert dat ook allerminst coherente albums op. The Soundtrack Of Our Lives uit Gothenburg, Zweden is onder aanvoering van de prettig gestoorde gek Ebbot Lundberg een tamelijk zootje ongeregeld dat in 1995 ontstaat uit de as van industrial punkers Union Carbide Productions. Na de rammelende debuutplaat wordt TSOOL met open armen ontvangen, maar de receptie van de tweede is ontluisterend en dus neemt Lundberg – een stoere Viking in een maffe kaftan – het heft in handen en dirigeert zijn kompanen met Behind The Music naar een carrière-hoogtepunt.
De mix van classic rock, garagepunk en sixties psychedelica is ditmaal uiterst transparant geproduceerd, waardoor de opwindende rocksongs zelfs hitpotentie verkrijgen: 'Infra Riot', 'Sister Surround' en 'Independent Luxury' zijn gezegend met Stonesy riffs – van de gitaartandem Ian Person en nieuwkomer Mattias Bärjed – sterke vocalen en catchy melodieën. Het zijn klassieke rock-'n-rollsongs met een hoog verbrandingsgehalte, welke fraai contrasteren met de psychedelische liedjes die vooral dromerig klinken en ingekleurd worden door twinkelende akoestische gitaren en de Hammond, Farfissa en mellotron van Martin Hederos (ook actief in het duo Hederos & Hellberg). Geestverruimend en zwevend zijn dan ook de vele, vele hoogtepunten van een coherent, gecontroleerd en modern rockalbum: 'In Someone Elses Mind', 'Mind The Gap', 'Broken Imaginary Time', 'In Your Veins' – met herfstige strijkers –, de potentiële hit 'Nevermore' en de meeslepende torchsong 'Tonight'. Groot in schoonheid en prachtig vastgelegd. Dat vindt ook Noel Gallagher van Oasis, die Behind The Music uitroept tot album van het decennium. Hij sleept The Soundtrack Of Our Lives vervolgens mee op tournee door de Verenigde Staten. Een gekkenhuis wordt het, en wellicht de reden dat The Soundtrack Of Our Lives Behind The Music in de verste verte niet meer zal evenaren.
Met zijn 15 songs is Behind The Music een enkele cd, maar op vinyl een dubbel-lp – een klassieke dubbel-lp.

Infra Riot / Sister Surround / In Someone Elses Mind / Mind The Gap / Broken Imaginary Time / 21st Century Rip Off / Tonight / Keep The Line Movin' / Nevermore / Independent Luxury / Ten Years Ahead / Still Aging / In Your Veins / The Flood / Into The Next Sun

vrijdag 19 oktober 2012

Agents Of Mercy | The Fading Ghosts Of Twilight


Frappant dat de schoonheid, muzikaliteit en het volmaakte symfonische retro-gevoel – dat alles is in volmaakte balans – van The Fading Ghosts Of Twilight toegeschreven moet worden aan louter een hobbyproject. Een hobbyproject dat de Zweedse gitarist en componist Roine Stolt in 2008 start. Stolt is een actieve, creatieve en veelzijdige muzikant die in 1994 de oprichter is van de neo-progband The Flower Kings. Het internationale succes van The Flower Kings is voor Stolt niet voldoende, want de ongedurige gitarist gaat in de loop der jaren diverse dwarsverbanden aan, zoals Transatlantic en Kaipa.
In 2008 heeft Roine Stolt een aantal songs geschreven die noch in het concept passen van The Flower Kings noch in enig ander bestaand project. Aldus vraagt Stolt Unifaun-zanger Nad Sylvan zijn nummers in te zingen. Niet alleen hij stemt toe, ook muzikanten van The Flower Kings, King Crimson, Santana, Karmakanic en Walrus Farm – tezamen de Agents Of Mercy gedoopt – verlenen hun medewerking aan het realiseren van Stolts muzikale fantasieën – die vooral teruggrijpen naar het begin van de jaren zeventig. De diverse muzikale partijen worden ingespeeld op verschillende locaties: in Zweden, Texas, Californië en New York. Stolt maakt er in de Cosmic Lodge-studio in Uppsala, Zweden een samenhangend geheel van dat als het ware een eerbetoon is aan het gouden tijdperk van de progressive rock: de eerste helft van de jaren zeventig. En nog specifieker: aan Genesis ten tijde van The Lamb Lies Down On Broadway (1974). De zang – à la Gabriel –, sfeer en instrumentatie op The Fading Ghosts Of Twilight is overduidelijk Genesis: poëtische momenten worden afgewisseld met mini-moogs, mellotrons en Hackett-gitaarpartijen. The Fading Ghosts Of Twilight is daarbij vooral ingetogen, pastoraal en dromerig.
In twaalf songs en ruim 77 minuten – in feite een dubbelalbum – orkestreert Agents Of Mercy een universum waar muzikale schoonheid wordt verbonden met avontuurlijke, zij het niet originele, symfonica. Al in het sterke openings- en titelnummer is de overeenkomst met Genesis' en diens 'Fly On A Windshield' evident, en dat zal voor de volle duur van het schitterende album zo blijven. In het wonderschone, feërieke 'Heroes & Beacons' is de gloedvolle productie, het excellente spel en de pracht van dit neo-symfo-album in extremis samengebald. The Fading Ghosts Of Twilight mag dan wel uitermate retro zijn, en een pastiche bovendien, het is ook een fascinerende hommage aan de unieke progrock van Genesis en haar tijdgenoten.
Roine Stolt krijgt er geen genoeg van; The Fading Ghosts Of Twilight wordt in 2010 opgevolgd door Dramarama en een jaar later door The Black Forest.

The Fading Ghosts Of Twilight / The Unwanted Brother / Afternoon Skies / Heroes & Bacons / Jesus On The Barricades / Wait For The Sun / A Different Sun / Ready To Fly / People Like Us / A Soldiers Tale / Bomb Inside Her Heart / Mercy & Mercury

zaterdag 8 september 2012

Madrugada | Industrial Silence

In 1995 verlaten de vier jongens van Madrugada de leegte en het isolement van het uiterste noorden van Noorwegen en vestigen zich in Oslo. De bandleden verruilen de letterlijke brede horizon voor de mogelijkheid hun muzikale horizon te verbreden. Op kosten van hun studiefinanciering betrekken Silver Høyem (zang), Robert Burås (gitaar), Frode Jacobson (bas) en Jon Lauvland Pettersen (drums) een flat in Oslo en leven op een dieet van The Doors, Joy Division, Nick Cave and the Bad Seeds en vooral The Gun Club.
Een demo van de roadsong 'Strange Colour Blue' trekt in 1998 de aandacht van de Noorse vestiging van Virgin, die de band dan ook voor zes albums contracteert, waarna het viertal vanwege de mystieke uitstraling de bandnaam Madrugada – Spaans voor ochtendgloren – adopteert. In de analoge Athletic Sound-studio, bezuiden Oslo, nemen de vier in een periode van drie maanden hun intense gitaarsongs op, spaarzaam opgefleurd met pedal steel, Hammond en Fender Rhodes. Dan worden de opnamen in New York gemixt door topproducer John Agnello (Screaming Trees, Dinosaur Jr., Son Volt) en ligt Industrial Silence in september 1999 in de Noorse platenwinkels.
Industrial Silence wordt gekenmerkt door nachtelijke romantiek, broeierige tensie en een duistere atmosfeer; 'Vocal', 'Shine', 'Sirens' en 'Electric' getuigen daar bij uitstek van. Naast deze angstaanjagend traag kruipende songs offreert Industrial Silence krachtige roadsongs met een magnetiserende drive als 'Beautyproof', 'Salt' en 'Belladonna'. 'Strange Colour Blue' is niettemin met zijn gejaagdheid het spannende, schitterende scharnierpunt van Industrial Silence: Oh everybody's sleeping now / In industrial silence / And the rain it will keep hammering down overhead / There's a blue, blue, a strange colour blue. De hoofdrollen zijn onmiskenbaar voor Høyems imposante bariton en Burås' veelzijdige gitaarspel; zij maken van een sterk album een fantastisch album – wat Industrial Silence eenvoudigweg is. In Noorwegen stijgt Industrial Silence direct naar de nummer 1-positie in de verkooplijsten, wat voor Virgin een reden is Madrugada's debuut internationaal te releasen. Een eclatant succes, waarop Madrugada met het uitbrengen van sterke opvolgers succesvol voortborduurt.
In 2007 slaat het noodlot echter toe als gitarist Robert Burås dood in een hotelkamer wordt aangetroffen. Voor de rest van de band is het onmogelijk door te gaan: op 15 november 2008 speelt Madrugada in Oslo haar afscheidsconcert.

Vocal / Beautyproof / Shine / Higher / Sirens / Strange Colour Blue / This Old House / Electric / Salt / Belladonna / Norwegian Hammerworks Corp. / Quite Emotional / Terraplane

woensdag 8 augustus 2012

Motorpsycho | The International Tussler Society

Tien jaar na het debuut The Tussler – Original Motion Picture Soundtrack, de soundtrack van een fictionele spaghetti western, verschijnt in 2004 The Internattional Tussler Society. Een waanzinnig sterke kruising tussen Westcoast-, country- en southern rock, gemaakt door een illuster trio: Charlie Bob Bent, Duellin' Flint Gebhardt en Snakebite Ryan. Zij weten zich gesteund door Barrie 'Space' Hillen op piano en orgel, K.K. Karlsen op pedal steel en de drummers Ringo 'Fire' Karlsen en Chickenshakin' Lolly Hanks Jr. En hoewel het gezelschap onversneden, rammelende, zwalkende americana brengt, verschuilen zich achter de alter ego's de Noren van Motorpsycho. Een verrassende en meesterlijke zet.
Motorpsycho wordt in 1989 opgericht in Trondheim en ontleent, net als bijvoorbeeld Mudhoney, zijn naam aan een Russ Meyer-speelfilm. Aanvankelijk richt Motorpsycho zich op grunge, noiserock, metal en jazz. Hiermee brengen de drie grillige Noren, waaraan toegevoegd noise-specialist Deathprod, hun publiek danig in verwarring. Het maakt ze overigens ook tot de culthelden van de indierock en bezorgt ze een stevige following in Nederland. Vanaf Let Them Eat Cake (2000) zet Motorpsycho, dan weer een trio met Bent Saether, Hans Magnus Ryan en Gebhardt Haakon, de volgers opnieuw op het verkeerde been door strijkers, Westcoast en southern rock in hun indiesound te incorporeren. Het levert vervolgens met Phanerothyme (2001) en It's A Love Cult (2002) nog meer prachtige albums op – en leidt uiteindelijk tot de Cosmic American Music van The International Tussler Society. Hierop draagt Motorpsycho aanwijsbaar zijn liefde uit voor seventies bands als The Byrds, Crosby, Stills & Nash, Quicksilver Messenger Service, The Grateful Dead, New Riders Of The Purple Sage, The Outlaws en The Allman Brothers. 'That Ol' White Line' is dan ook pure, onversneden C,S&N; 'Laila Lou' herinnert sterk aan de country van The Byrds; 'Shitbox Ford' knipoogt naar de bluegrass van The Nitty Gritty Dirt Band; 'The West Ain't What It Used To Be' en 'The Skies Are Full Of ...Wine' klinken als vintage Allman Brothers Band compleet met hemelse gitaarsolo en de kenmerkende dubbele drums. The Internattional Tussler Society sluit af met het prachtige 'Cassie (Call On Me)' dat is opgedragen aan Cassie Gaines, de achtergrondzangeres van Lynyrd Skynyrd die bij de vliegramp in 1977 omkwam.
Motorpsycho verrast velen met dit verbluffende staaltje neo-countryrock uit onverwachte hoek, dat niet alleen ouderwetse genres eer betoont maar ook nog eens van niet geringe kwaliteit is. The Internattional Tussler Society is in 2004 vooralsnog Motorpsycho's laatste rootsplaat; met een enorme toewijding en productiviteit storten de Noren zich weer op jazz, metal en indierock.

Highway Zen / That Ol' White Line / The West Ain't What It Used To Be / September / Satan's Favorite Son / Laila Lou / Back In Your Bed / When We Were One / Shitbox Ford / Morning Rain / The Skies Are Full Of ...Wine? / Cassie (Call On Me)

zaterdag 21 juli 2012

Day Of Phoenix | Wide Open N-Way

Denemarken kent een levendige jaren zestig scene, waarin talloze beatgroepen floreren. Beat evolueert tot psychedelica en bij de kentering van het decennium doet, net als in Engeland, de progressive rock zijn intrede. In Kopenhagen wordt in 1968 op de resten van beatband The Maniacs Day Of Phoenix opgericht. Zanger is Cy Nicklin, een beroemde Deense folkartiest, die een stevige folkinvloed meebrengt. Day Of Phoenix maakt dan, zo blijkt uit de eerste single, een avontuurlijke mengvorm van psychedelische rock, folkrock en een lichte jazz-toets. Als Day Of Phoenix in 1970, onder leiding van Colosseum-bassist Tony Reeves, zijn debuutplaat opneemt, is Nicklin inmiddels vervangen door een nieuwe zanger. Het doet niets af aan de kwaliteit van Wide Open N-Way, dat op het Sonet-label verschijnt. Blijkens het ruim elf minuten durende titelnummer is de kracht van Day Of Phoenix de combinatie van venijnige elektrische gitaren en zachtmoedige, tinkelende akoestische. Day Of Phoenix verbindt voorts een dromerige Noord-Europese folksfeer met jazzy wendingen en een psychedelisch Westcoast-geluid. Wah-wah gitaren, vloeiende solo's en hier en daar een rammelende piano vinden elkaar feilloos in het klankbeeld, wat leidt tot voortreffelijke en spannende songs als 'Cellophane No. 1', 'Cellophane No. 2' en 'If You Ask Me'. Wide Open N-Way verleent Day Of Phoenix terecht de status van een van Denemarkens meest prominente progressive rockgroepen. Tot een internationale doorbraak komt het, ondanks een Britse en Duitse release, niet. Na een tweede lp houdt Day Of Phoenix in 1972 op te bestaan.

Wide Open N-Way / Cellophane No. 1 / Cellophane No. 2 / If You Ask Me / Mind Funeral / Tick-Tack

woensdag 1 februari 2012

Midnight Choir | Amsterdam Stranded

De eerste stap vooruit die The Hashbrowns maken, is in 1993 hun naam veranderen in Midnight Choir – ontleend aan Leonard Cohens 'Bird On The Wire'. Daarbij hoort ook een verhuizing van het platteland van Noorwegen naar Oslo. Midnight Choir is een trio – Paal Flaata (zang, gitaar) en de broers Ron Bystrøm Olson (bas, toetsen) en Atle Bystrøm Olsen (gitaar, piano, orgel) – met zeer ambitieuze plannen, die ze ook daadwerkelijk uitvoeren. Hun zelfgetitelde debuutalbum nemen ze in 1995 op in een schuur nabij Luckenbach, Texas, de opvolger Olsen's Lot in Seattle, Washington met Walkabout Chris Eckman als producer. De beide albums worden goud in Noorwegen, maar de ambities van het drummerloze trio reiken verder. Daarvoor reist de band met producer Chris Eckman, engineer Phil Brown (Talk Talk, Roxy Music) en Walkabouts-drumster Terri Moeller af naar Lissabon, Portugal. Multi-instrumentalist Atle Bystrøm, die door het leven gaat als Al DeLoner, heeft tijdens een verblijf in Engeland een serie nieuwe songs geschreven die in Estudios Valentim de Carvalho gedurende februari en maart van 1998 worden vastgelegd. Datzelfde jaar nog komt Amsterdam Stranded uit in Noorwegen en een jaar later in Europa door een distributiedeal met Glitterhouse Records. Midnight Choir overschrijdt letterlijk en figuurlijk zijn grenzen, want ook muzikaal heeft de band een enorme groei doorgemaakt: Amsterdam Stranded is een meeslepende en sublieme plaat. De band wendt de bloedrode romantiek van iconen als Leonard Cohen, Scott Walker en Nick Cave aan om in negen epische, adembenemende songs zijn muzikale grandeur te etaleren. Verstilde piano-intro's, akoestische pathos en vervreemdende elektronische effecten beheersen de sfeer op Amsterdam Stranded, al verlenen de strijkers van het Orquestra de Camara de fantastische songs 'Mercy Of Maria' en 'Muddy River Of Loneliness' een goddelijke grootsheid. De arrangementen zijn van een meesterlijke hand en zowel DeLoners spel op piano en gitaar als Flaata's stemgeluid is superieur. Paul Flaata's stem bezit een godvergeten zeggingskracht, die beklemmende, in mineur getoonzette songs als 'Harbor Hope', 'Amsterdam Stranded' en het ultiem melancholieke 'Bayview (Time Ain't No Friend)' naar immense hoogten stuwt. 'October 8' en 'Dear Friend' laten de rockkant van Midnight Choir tot uiting komen in het spannende, heavy gitaarspel van De Loner; 'Finest Hour' sluit het album passend af met een hartverscheurende mondharmonica-solo en het geluid van een Hammond die uiteindelijk oplost in het niets, en er slechts stilte rest. Amsterdam Stranded is een in marmer uitgehouwen meesterwerk. In Noorwegen wint de band een Grammy met het album, in Europa zijn de recensies lyrisch. De twee opvolgers, Unsung Heroine (2000) en Waiting For The Bricks To Fall (2003) zijn van vergelijkbare schoonheid en niveau, maar de wrijving tussen Flaata en DeLoner doet Midnight Choir in 2004 uiteenvallen; een schitterend oeuvre achterlatend.
Harbor Hope / October 8 / Mercy Of Maria / Amsterdam Stranded / And The Rain Redoubled In Violence / Muddy River Of Loneliness / Death's Threshold Step #2/The Train / Dear Friend / Bayview (Time Ain't No Friend) / Finest Hour