Posts tonen met het label 1980. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1980. Alle posts tonen

vrijdag 14 november 2014

The Teardrop Explodes | Kilimanjaro

In 1976 komt Julian Cope naar Liverpool, met maar een doel: 'I want to be famous!' Cope doet daar hard zijn best voor; nestelt zich in de incrowd van Eric's, de hipste club van de stad en heeft met Ian McCulloch en Pete Wylie zijn eerste, embryonale band: The Crucial Tree. Julian Cope is een groot fan van The Doors, Love, Tim Buckley, Scott Walker en obscure Krautrock. Met zijn in de nazomer van '78 opgerichte groep The Teardrop Explodes vermengt hij psychedelica met postpunk, en creëert weirde, warme popmuziek. De eerste single 'Sleeping Gas' op het lokale Zoo-label is gelijk een hit, gevolgd door het springerige 'Bouncing Babies' en het ultra-pakkende 'Treason'. Major Phonogram/Mercury ziet de enorme potentie van Julian Cope als popster, tekent The Teardrops en releaset de vierde single 'When I Dream'. Maar tijdens de opnamen van de debuut-lp raakt Cope flink onder de invloed van LSD, al houdt de band de zinnen bij elkaar op Kilimanjaro, het album waar verwachtingsvol naar werd uitgekeken. Kilimanjaro is een klassieke popplaat met volop rinkelende gitaren, in reverb gedrenkt, een rondzoemend orgeltje en tribale drums. Alle – prachtige – singles zijn bijeengebracht op het album, naar de kroon gestoken door het fenomenale 'The Thief Of Baghdad'. Kilimanjaro wordt in 1980 in Engeland een hit, evenals het meer bespiegelende Wilder van het jaar daarop, maar Julian Cope, die in 1981 nog de schitterende Scott Walker-compilatie Fire Escape In The Sky samenstelt, raakt meer en meer vervreemd van de werkelijkheid. En is in 1984 uiteindelijk een LSD-slachtoffer dat zichzelf opblaast en zich vervolgens als een kluizenaar terugtrekt op het platteland. Het is het einde van de popster Julian Cope, al komt hij sterk terug als de muzikale druïde van het Stonehenge-tijdperk, met in zijn bagage fraaie, geflipte en ook onbeluisterbare albums.

Ha Ha I'm Drowning / Sleeping Gas / Treason / Second Head / Poppies In The Field / Went Crazy / Poppies In The Field / Went Crazy / Brave Boys Keep Their Promises / Books / The Thief Of Baghdad / When I Dream



woensdag 5 februari 2014

The Soft Boys | Underwater Moonlight

Vraag: wat heeft een Britse folkzanger die in 2002 een live opgenomen dubbel-cd met Dylan-covers uitbrengt gemeen met de gitarist die met zijn song ‘Love Shine A Light’ in 1997 het Eurovisie Songfestival wint? Antwoord: zij waren eind jaren zeventig de gezichtsbepalende figuren in The Soft Boys, een neo-psychedelische poppunkband uit Cambridge, Engeland. In 1976 treedt gitarist Kimberley Rew – van de latere Katrina & The Waves – toe tot de punkband die zanger en songschrijver Robyn Hitchcock reeds heeft opgericht met drummer Morris Windsor. Geïnspireerd door de opkomende punkbeweging en beïnvloed door de psychedelica van de sixties groeien The Soft Boys in de luwte van Cambridge uit tot een van de best bewaarde geheimen van de Britse new wave. De rammelpunk van het eerste uur maakt na de komst van funky bassist Matthew Seligman plaats voor nieuwe en meer gestructureerde songs. Op de bovenverdieping van een boothuis met zicht op de rivier de Cam oefent het kwartet dagelijks op Hitchcocks nieuwe meer pop-georiënteerde composities. Tussen januari en maart 1980 nemen The Soft Boys met Vibrators-bassist Pat Collier in drie verschillende Londense studio’s voor een loutere 600 pond de basistracks op voor hun lp, die volgens Windsor een perfecte misinterpretatie van popmuziek is. Toch komen op Underwater Moonlight – in juni 1980 uitgebracht op indie-label Armagaddon – Hitchcocks voorkeuren voor Syd Barretts Pink Floyd en de Westcoast-folkrock van The Byrds duidelijk naar voren. De driestemmige zang van Morris, Rew en Hitchcock verschaft Underwater Moonlight een psychedelische lading die nogal afwijkt van de dan heersende postpunktrend. Mede vanwege die zang zijn nummers als de single ‘I Wanna Destroy You’, ‘Positive Vibrations’, ‘Tonight’ en het weergaloze ‘Kingdom Of Love’ zulke fantastische naar de sixties knipogende poprocksongs. Rews twaalfsnarige gitaar en de Byrdsy benadering maken van ‘The Queen Of Eyes’ een prachtige folkrock-pastiche, terwijl het afsluitende titelnummer de psychedelica van Pink Floyd nog eens gereviseerd in de etalage zet. Wat verwacht werd gebeurde: Underwater Moonlight kon in Engeland op een incidentele positieve reactie rekenen, maat overal daarbuiten – Amerika, Nederland – was de ontvangst lauw. Een jaar na de release van Underwater Moonlight waren The Soft Boys al opgelost in het niets. Jaren later zal een van de grootste bands van de jaren tachtig – R.E.M. – op de vraag wie hun grootste invloed is, antwoorden: The Soft Boys.

I Wanna Destroy You / Kingdom Of Love / Positive Vibrations / I Got The Hots / Insanely Jealous / Tonight / You’ll Have To Go Sideways / Old Pervert / The Queen Of Eyes / Underwater Moonlight

dinsdag 26 november 2013

The Jim Carroll Band | Catholic Boy

Met zijn dertien jaar schrijft Carroll beter proza dan negentachtig procent van de schrijvers die nu de dienst uitmaken,’ schrijft Jack Kerouac over Jim Carrolls prozadebuut The Basketball Diaries (vertaald als Dagboeken van een lijmsnuivertje) uit 1978. Tussen zijn dertiende en zestiende tekende Carroll zijn belevenissen op in de straten van New York; belevenissen in het teken van basketbal, straatroof, prostitutie en een verslaving aan heroïne. Carroll is ook degene die in 1970 met een cassetterecordertje opnamen maakt van de Velvet Underground die twee jaar later zullen worden uitgebracht als Live At Max’s Kansas City. In het begin van de jaren zeventig ontwikkelt de junkie Carroll zich als dichter van de zelfkant, weet dichtbundels te publiceren en raakt bevriend met Patti Smith en Richard Hell. Maar als de CBGB’s-scene midden jaren tot volle bloei komt, leeft Carroll, pogend aan de heroïne te ontkomen, als een kluizenaar in Californië. Inmiddels heeft hij zijn scope verlegd van gedichten naar popteksten; schrijft deze voor Blue Öyster Cult-toetsenist Allan Lanier.
Per toeval klimt Carroll op het podium bij Patti Smith die optreedt in Californië, en de punkpoëet Jim Carroll – dan al bijna dertig – is geboren. Met de Californische band Amsterdam neemt Carroll en demo op die in handen komt van Earl McGrath, de baas van Rolling Stones Records. Met hem en Bob Clearmountain neemt The Jim Carroll Band zijn debuut-lp op; een rauwe punkrock-lp met loeiende, riffende gitaren en een – in de stijl van Lou Reed en Elliott Murphy – praatzingende Carroll. Logischerwijs worden Carrolls songs bevolkt door dropouts en verslaafden, en is de setting steevast die van de New Yorkse straten. ‘Crow’ – over Patti Smith – en ‘Catholic Boy’ zijn punky en voorzien van strakke gitaren, ‘Wicked Gravity’ is opgetuigd met een Ramones-riff, evenals ‘Three Sisters’ – met de gewraakte tekst She says “Abbra Cadabra”/ When she goes / Down / On / You. ‘Day And Night’ en ‘City Drops (Into The Night)’ – met Bobby Keys op saxofoon – zijn schitterende melodieuze rocksongs, maar onbetwist hoogtepunt van Catholic Boy is ‘People Who Died’, waarin Carroll de horror van een vroegtijdige dood onopgesmukt en droog debiteert: Mary took a dry dive from her motel room / Bobby hung himself from a cell in the Tombs / Judy jumped in front of a subway train / Eddie got slit in the jugular vein / And Eddie / I miss you more than all the others / This song is for you / My brother!
Met Catholic Boy completeert Jim Carroll het beeld van de allround-artiest in de straten van New York – dat van junkie, straatdichter en punkrocker. Ook Jim Carroll zelf voldoet hieraan: op 11 september 2009 overlijdt hij aan een hartaanval, zestig jaar oud.

Wicked Gravity / Three Sisters / Day And Night / Nothing Is True / People Who Died / City Drops (in The Night) / Crow / It’s Too Late / I Want The Angel / Catholic Boy

zaterdag 8 juni 2013

Any Trouble | Where Are All The Nice Girls?

Elvis Costello, Joe Jackson en Wilko Johnson gingen eens gekleed als saaie kantoorklerken. Clive Gregson – jaren vijftig-kostuum, skinny tie, brilletje – ook, alleen wás hij, werkzaam bij de sociale dienst in Manchester, een kantoorklerk. Maar ook zanger, gitarist, componist en bandoudste van Any Trouble. Gregson, in 1979 24 jaar, is vier jaar ouder dan Chris Parks (gitaar), Phil Barnes (bas en zang) en Mel Hanley, en verwerkt zijn echtscheiding door het schrijven van komisch-zielige teksten. Any Trouble neemt op een regenachtige middag vijf van die liedjes op en brengt in eigen beheer de single ‘Yesterday’s Love’/’Nice Girls’ uit. De single krijgt airplay van John Peel en als het liedje onder de aandacht komt van Stiff Records is een contract snel getekend. Any Trouble past met zijn op soul, pop en rhythm & blues geschoeide new wave prima bij Stiff; Gregson wordt niet voor niets steeds weer vergeleken met Elvis Costello. Dat dat waar is, wordt bevestigd als de debuutplaat Where Are All The Nice Girls? in de zomer van 1980 verschijnt. Any Trouble houdt een steady beat aan, passend bij de tijdgeest waarin Costello en Joe Jackson een belangrijke rol vervullen. In de uptempo-songs rinkelen de akoestische gitaren en jengelen de Fenders en de Rickenbackers. Niettemin zijn de midtempo-songs, met veel soulinvloeden, aanstekelijke achttien-karaats liedjes. In die zin is ‘Girls Are Always Right’ een klassieke new wave-song, waar ‘Nice Girls’ overigens nauwelijks voor onder doet. Het doordachte van Where Are All The Nice Girls? is dat de introspectie fraai wordt afgewisseld met bitterzoete en intelligente popliedjes als ‘Second Choice’, ‘Playing Bogart’ en ‘Romance’. De lp wordt goed ontvangen, maar Any Trouble blijft in de schaduw van de grote broers. Drie platen, vier jaar en vele muzikantenwisselingen later trekt Clive Gregson definitief de stekker uit Any Trouble. Altijd al een fan van de folkrock van Richard en LindaThompson, vormt Gregson dan een folkduo met Christine Collister. In 1992 gaat Clive Gregson vanuit Nashville als solo-artiest verder, met redelijk succes. Toch zal hij nooit een mooier liedje schrijven dan ‘Girls Are Always Right’.

Second Choice / Playing Bogart / Foolish Pride / Nice Girls / Turning Up The Heat / Romance / The Hurt / Girls Are Always Right / Honolulu / (Get You Off) The Hook

dinsdag 26 maart 2013

The Rousers | A Treat Of New Beat


Een onbetwistbare mijlpaal in de vaderlandse rockhistorie. Dat moet meer dan 20 jaar na de release de conclusie zijn bij de beluistering en beoordeling van de sensationele rock-‘n-rollplaat van The Rousers. A Treat Of New Beat is, eenmaal ontdaan van het stof, nog even energiek en catchy als bij zijn verschijning in 1980 en ook nu nog dringt zich het gevoel van vaderlandse trots op. Oerhollandse lulligheid klinkt luid door in de op gejaagde punkpop gestoelde teenangst van dit kwintet uit – hoe kan het treffender – Broek op Langedijk.
The Rousers vinden hun definitieve vorm als zanger Bonne Zigtema in 1979 tot de groep toetreedt, die dan verder bestaat uit broer Wieb Ziegtema (gitaar), de broertjes Cock (zang, gitaar) en Jan de Jong (drums), en Rob Marienus (bas). In deze constellatie probeert de band onderdak te vinden bij een platenmaatschappij, maar deze zien het niet in The Rousers zitten. Wie het wél ziet zitten is de uitbater van de hoofdstedelijke platenshop No Fun, Hansje Joustra. Joustra – punkpleitbezorger van het eerste uur – is de kersverse eigenaar van het Torso-label en biedt de jonge honden een platendeal aan. Met de hulp van niet echt ervaren studiotechnici, waaronder ook Joustra, slingeren The Rousers zeventien nummers op de band, die in verschillende vorm, alle een plekje zullen vinden op A Treat Of New Beat.
Aan de lp gaat eerst een single vooraf: ‘Magazine Girl’. En die zorgt voor enige opschudding in Hilversum; de AVRO weigert het nummer te draaien vanwege het pornografische karakter ervan en ook dj Frits Spits, niet befaamd om zijn progressieve muzieksmaak, laat zich negatief uit over The Rousers’ debuutsingle. De kritiek van de brave Hilversumse broeders is eerder een aanbeveling dan een afkeuring, gewoon omdat ‘Magazine Girl’ een perfecte drieminuten-popsingle is. En pornografisch is de tekst zeker niet, hooguit een uiting van puberromantiek, oordeel zelf maar: I found my girlfriend in some porno-magazine / The way she looked at me, o boy was so obscene.
Magazine Girl’ is de voorbode van de debuut-lp, die in januari van 1980 verschijnt en bij de critici en een kleine kring van ontvankelijke geesten inslaat als een bom. Na de simpele kreet Rousers! vangen de knapen aan met het weergaloze ‘Rock ’n Roll Or Run’ – gelijk al een hoogtepunt van de plaat – en met een tomeloze vaart rammen The Rousers hun hyperpotente gitaarsound door de speakers. Een sound die herinneringen oproept aan de fameuze nederbeat van The Outsiders en Q 65. The Rousers noemen het zelf New Beat en dat is een rake typering – overigens niet gespeend van enige zelfrelativering. The Rousers hebben dan ook een ironische uitstraling die het midden houdt tussen die van The Monkees en The Ramones, en dompelen zich onder een lauw bad van Hollandse knulligheid. Die voor de polderjongens zo typerende lulligheid is uiterst treffend neergezet in zowel beeld als geluid. Want onderdeel van dit no-nonsense imago is de geniale hoes waarin deze verzameling punkpopjuweeltjes is gestoken. Niemand minder dan illustrator/ontwerper Joost Swarte – die later gemanaged zal worden door diezelfde Joustra – heeft in de van hem bekende Klare Lijn een fraai tableau neergepensenseeld, voorzien van allerhande grafische details. Dit fabuleuze ontwerp heeft een versterkend effect op de inhoud, want de wijze waarop Swarte de bandleden in een snackbar portretteert, verschaft hun een extra aura van knulligheid. Maar knullig of niet, geheel onbevangen en ongeremd doen The Rousers in minder dan 40 minuten hun energieke verhaal, aangejaagd door een aanstekelijke huppelbeat en puntige gitaarriffs. De teksten, volgestouwd met tienerromantiek, worden tegen een punkpopdecor à la The Buzzcocks of The Undertones door Bonne Zigtema koel en schijnbaar onaangedaan voor het voetlicht gebracht. Maar ook de jaren zestig-invloeden zijn minstens zo dominant aanwezig; naast de genoemde nederbeat zijn duidelijk herkenbare Merseybeat-injecties – zoals Beatles- en Hollies-koortjes – en garagepunkaccenten waar te nemen.
A Treat Of New Beat laat in veertien bedrijven – alle klokkend rond de drie minuten – de Sturm und Drang zien die in de vijf polderjongens is gevaren. Deze gedrevenheid is – in al zijn geledingen – perfect vormgegeven in een machtige verzameling compacte en springerige rocksongs. De bij de eerste persing bijgeleverde 7”-single completeert een album dat tot beste van de vaderlandse rockgeschiedenis behoort te worden gerekend. A Treat Of New Beat is klassieke NL-rock en is, hoe kan het anders, perfecte New Beat.

Rock ‘n Roll Or Run / Leave Us Alone / Life Is A Song / Intensive Caren / Nice & Friendly People / All I Can See / Ain’t Got A Minute To Lose / Magazine Girl / First Thing Tomorrow / People To Meet / The Rock / Face The Day / Ann-Louise / Lost & Broken Hearted / 7”: Nothing Else To Do / Back Off / What A Way To Go


woensdag 16 januari 2013

Echo & The Bunnymen |Crocodiles


Punk is uitgewoed, Ian Curtis heeft zelfmoord gepleegd. Het is de zomer van 1980. Temidden van de bruisende Liverpoolse muziekscene staat een groep op die debuteert met een album dat inslaat als een bom. Na de singles 'Rescue', 'Monkeys' en 'Villiers Terrace' brengt de groep met de nogal ironische naam Echo & The Bunnymen hun debuutplaat Crocodiles uit. Hun muziek is geladen, ruimtelijk en ongewoon zelfverzekerd. Postpunk is de geuzennaam die hun muziek – een bruisend amalgaam van punk en psychedelica – later zal krijgen.
Echo is de naam van de drumcomputer die Ian McCullogh, Will Sergeant en Les Pattison bijstaat voordat de machine vervangen wordt door een drummer van vlees en bloed. Deze dynamiek completeert de anno-nu klassiek geworden Bunnymen-sound. De roffelende drums voorzien McCullochs theatrale zang en Sergeants atmosferische gitaarspel van een stevige ruggengraat. De ongemeen felle voordracht en de uiterst melodieuze composities zetten Crocodiles op de kaart als een icoon van zijn tijd: nerveuze voortjakkerende rock uitgevoerd door ogenschijnlijk verveelde middleclass-jongeren. Poseurs zijn het, dat laat de hoesfoto zien, met McCullogh en zijn glimmende sensuele lippen als het stralende middelpunt. Als een reïncarnatie van een jonge Jim Morrison of een punk-uitvoering van David Bowie straalt Ian McCulloch de luisteraar tegemoet, alsof hij zowel in woord of gebaar wil zeggen: hier zijn wij, we weten wat we willen en we zijn onontkoombaar, of je het nu wilt of niet. En onontkoombaar is Crocodiles.
Tien nummers in krap 35 minuten, slechts twee klokkend boven de vier minuten, dat is Crocodiles in tijd gemeten. Korte nummers getoonzet in een punk-traditie, uitgevoerd met een atmosferische diepgang die doem paart aan jaren zestig psychedelica. McCullogh croont en schmiert als een volleerde melancholicus die de wereld op zijn rug draagt, partner-in-crime Sergeant ondersteunt met krassende gitaarlijnen, nerveuze ritmiek en bovenal met wonderschone open akkoorden-motiefjes. Het is een sound die, zeker in retrospectief, herkenbaar is uit duizenden en simpelweg klassiek is. Crocodiles schiet uit de startblokken met mistige gitaarflarden die beelden oproepen van een grauwe negentiende-eeuwse industriestad. Dickens vervat in popmuziek. Heldere melodieuze pop-lyriek voert je de wereld binnen van het Bunnymen-universum. Onzekerheid vertolkt met grandeur en bravoure, handelend over Things that shouldn’t be. 'Going Up' is een overrompelende opener, exempel van wat er komen gaat. Negen van de tien composities bezitten een hoge popgevoeligheid en zouden radiohits hebben moeten zijn in een betere wereld. Nummer tien, de afsluiter 'Happy Death Men', is van een andere orde en wordt naar een einde gebracht door schallend koper. In de laatste seconden die Crocodiles telt keert de melodie terug van plaatopener 'Going Up' en is de cirkel rond, waarmee de luisteraar bijna gedwongen is de reis door Bunnymen-land nog eens te maken. En nog eens en nog eens.
In 1988, na vijf veelal hoogstaande platen verbreekt McCullogh de band met Sergeant. Maar al in 1991 komt het duo weer bijelkaar. Pas in 1995 levert dit onder de naam Electrifixion in de vorm van Burned weer een aansprekende plaat op. Dan neemt het duo de vertrouwde groepsnaam weer aan en laat Evergreen en What Are You Going To Do With Your Life? op de wereld los. Om in 2001 herboren te verschijnen met Flowers. De plaat wordt in de Britse pers ruimhartig geprezen en impliciet wordt hiermee het bestaansrecht van de vaandeldragers van de new wave erkend. Waarmee de hoop op een betere wereld nieuw leven ingeblazen wordt.

Going Up / Stars Are Stars / Pride / Monkeys / Crocodiles / Rescue / Villiers Terrace / Pictures On My Wall / All That Jazz / Happy Death Men


zaterdag 29 september 2012

The Associates | The Affectionate Punch


Op 23 januari 1997 overleed Billy Mackenzie in zijn vaders Schotse plattelandhuisje aan een overdosis van slaap- en kalmeringsmiddelen. Eenzaam en alleen; gedesillusioneerd, depressief en bankroet. Mackenzie’s muzikale carrière begon precies twintig jaar daarvoor, toen hij in Edinburgh Alan Rankine tegen het lijf liep. Het duo gaat optreden als cabaret-act; treedt op in nachtclubs en louche foyers. Het daarmee verdiende geld gaat op zeer veelvuldig pub-bezoek. Toch werkt het duo in Rankine’s flat aan de piano aan een repertoire van popmuziek. Maar dan popmuziek in de betekenis van een hutspot aan stijlen: van cabaret tot funk; van postpunk tot Bowie. Niet voor niets is de debuutsingle van The Associates een expres belabberde cover van ‘Boys Keep Swinging’. Het wekt de interesse van Fiction-labelbaas Chris Parry. In de Engelse Morgan Studio neemt het duo met behulp van producer Mike Hedges in vijf weken hun debuutplaat op, die in augustus 1980 uitkomt. The Associates zijn opThe Affectionate Punch met weinig tijdgenoten te vergelijken. Billy Mackenzie, beïnvloed door opera en zigeunermuziek, steekt met zijn exuberante falsetstem zowel Billy Holliday, Scott Walker als David Bowie naar de kroon en croont en krijst zich een weg door de mathematisch geconstrueerde liedjes. Het muzikale decor komt voor rekening van Rankine die in sprankelende liedjes als ‘Amused As Always’, ‘A Matter Of Gender’ en ‘Even Dogs In The Wild’ zowel met elektronica experimenteert als kristallijnen motiefjes en krassende, kille lijnen uit zijn gitaar tovert. Experimentele en barokke songs als ‘Transport To Central’ en ‘Deeply Concerned’ maken deel uit van de schitterende muzikale speeltuin waarin de dartele Rankine en Mackenzie naar hartelust ronddolen. Op The Affectionate Punch maken The Associates postmoderne popmuziek, gebruikmakend van bronnen afkomstig van opera, cabaret, disco en het Franse chanson. De naïviteit waarmee Rankine en Mackenzie deze stijlen tegemoet treden is eenvoudigweg uniek en overrompelend. The Affectionate Punch is ondanks het experimentele, soms mechanische geluid een gloeiende door Mackenzie’s pathetische falset opgepookte warmtebron. Het debuut van The Associates blijft ook in retrospect fier overeind, in tegenstelling tot de gladgepoetste geremixte versie die op aandringen van major Warner Brothers in 1982 verschijnt.

The Affectionate Punch / Amused As Always / Logan Time / Paper House / Transport To Central / A Matter Of Gender / Even Dogs In The Wild / Would I... Bounce Back / Deeply Concerned / A.