Posts tonen met het label New York. Alle posts tonen
Posts tonen met het label New York. Alle posts tonen

maandag 19 maart 2018

Dramarama | Cinéma Vérité

Vanuit hun vroege jeugd geïnspireerd door Johnny Cash, Mick Jagger, David Bowie en Lou Reed - en later The Ramones en The New York Dolls - richten John Easdale (zang, gitaar), Chris Carter (bas, productie) en Mark ‘Mr E. Boy’ Englert (gitaar) in 1982, in Wayne, New Yersey, Dramarama op. De band spuugt er een aantal singles uit op het piepkleine Questionmark-label, maar dan is er aandacht vanuit Europa, van New Rose Records. Dramarama neemt dan voor het Franse label hun debuut-lp op. 
Cinéma Vérité is - uitgebracht in 1985 - dit album, dat is opgetrokken uit sterke powerpopsongs als ‘Visiting the Zoo’, ‘Questions’, de vroege single ‘Anything, Anything’ en ‘Transformation’, maar ook eer betoont aan de klassiekers - wat betekent gave covers van Lou Reeds ‘Femma Fatale’ en David Bowie’s ‘Candidate’. Cinéma Vérité is, uitgerust met een hoesfoto van Andy Warhol-akoliet Gerard Malanga, een citaat van superheld Batman en een portie gave rocksongs, niettemin toch - zowel in Amerika als Europa - een jammerlijke mislukking. Dramarama is geen naam die beklijft; aan het eind van de lijn - en dat is al in 1993 - is er niets van de band over; ook geen herinnering.

‘Visiting the Zoo’ | ‘Questions’ | ‘Scenario’ | ‘Anything, Anything’ | ‘Femme Fatale’ | ‘Candidate’ | ‘Some Crazy Dame’ | ‘Etc.’ | ‘Transformation’ | ‘All I Want’ | ‘Emerald City’

zondag 18 februari 2018

The Smithereens | Especially For You

Vijfentwintig is Pat DiNizio al als hij zijn baantje van vuilnisophaler eindelijk kan verruilen voor een meer glamoureus bestaan als zanger/gitarist van een rock-’n-rollband. In 1980 richt hij in New Jersey, leunend tegen New York City, met Jim Babjak (gitaar), Mike Mesaros (bas) en Dennis Diken (drums) The Smithereens op. Het duurt dan nog tot maar liefst 1986 voordat hun debuut-lp uitkomt. Maar Especially For You is wel gelijk raak. 
In een typisch jarentachtigproductie (met die galmende drums) van Don Dixon is Especially For You met zijn mix van rock-’n-roll, doo-wop en new wave een echte New York-rockplaat. Especially For You bestaat bovendien bijna geheel uit ijzersterke poprocksongs die vooral swingen en catchy zijn (‘Strangers When We Meet’, ‘Listen To Me Girl’, ‘Time and Time Again’, ‘Behind the Wall of Sleep’, ‘Blood and Roses’, Alone At Midnight’) maar ook af en toe weemoedig en introspectief (‘Cigarette’, ‘In A Lonely Place’). Especially For You is een geweldig debuutalbum, bezorgt The Smithereens direct een doorbraak, en is de opmaat voor een serie min of meer succesvolle albums, zoals Green Thoughts (1988) en 11 (1989). 
Eind jaren negentig houden The Smithereens het aanvankelijk voor gezien, maar maken na een aantal jaren toch weer een bescheiden comeback. The Smithereens komen echter definitief tot een halt als Pat DiNizio in december 2017 op 62-jarige leeftijd overlijdt.

‘Strangers When We Meet’ | ‘Listen To Me Girl’ | ‘Goovy Tuesday’ | ‘Cigarette’ | ‘I Don’t Want To Lose You’ | ‘Time and Time Again’ | ‘Behind the Wall of Sleep’ | ‘In A Lonely Place’ | ‘Blood and Roses’ | ‘Crazy Mixed-up Kid’ | ‘Hand of Glory’ | ‘Alone At Midnight’

zondag 2 november 2014

Suzanne Rhatigan | To Hell With Love

Mysterieus is ze, onbevattelijk. Slechts één solo-album maakte ze, en dan ook alweer in 1992. Zwoel is ze, kirrend, maar ook vol venijn – en ondubbelzinnig in haar verdict over de amoureuze kant van het leven: To Hell With Love. Het is de titel van Suzanne Rhatigans debuutplaat. Iers is ze, en achtergrondzangeres was ze op Stock, Aitken and Watermans en Kylie Minogue’s wereldhit ‘I Should Be So Lucky'. Op To Hell With Love klinkt ze echter als een New-Yorkse die ergens in de Lower East Side een vaste hangout heeft; To Hell With Love is dan ook een volbloed New York-plaat, met muzikanten als Robert Quinne (Richard Hell and the Voidoids), Bernie Worrell (Talking Heads) en Matthew Sweet. En meer nog; teleurstelling, onverschilligheid, drank en drugs vormen het louche decor waartegen deze grande dame haar aangrijpende rol speelt. To Hell With Love is een meesterlijk muzikaal dagboek uit onverwachte hoek. Maar als Rhatigans platenlabel failliet gaat, loopt haar net gestarte carrière op de klippen. Het is een triest voorlopig einde, want sindsdien probeert Rhatigan, nu vanuit Londen, nu alweer zo’n 20 jaar haar carrière weer op de rails te krijgen. Wat vooralsnog niet lukt. Suzanne Rhatigan is een mysterie.

To Hell With Love / Open Up / The Further In We Go / Nearly 18 / The Games We Play / Indian Summer / Don’t Talk / Shelter Me / All You Ever Need / Daddy / Learning To Cry / The Spinner Of Years




vrijdag 27 juni 2014

Johnny Thunders | So Alone

Op 23 april 1991 wordt in kamer 37 van het St. Peter House in New Orleans het levenloze lichaam aangetroffen van de 38-jarige John Anthony Genzale. De hotelkamer is volledig overhoop gehaald, alle persoonlijke eigendommen gestolen en er zijn sporen van geweld. In het lichaam van de overledene worden sporen aangetroffen van cocaïne- en methadongebruik, zodat Genzale aangemerkt wordt als een drugsdode en niet als slachtoffer van misdrijf. Het is een dood die, hoewel ontluisterend, volledig past bij de mythe die Genzale in zijn tijd van leven was: de beruchte punkrocker Johnny Thunders, rock and roll gypsy, aartsvader van punkers en glamrockers, junkie, rioolrat en vuig gitarist.
Thunders’ korte leven kenmerkt zich door een dwangmatige hang naar drugs en rock and roll. Het heilige triumviraat bestaande uit heroine, rioolrock en Johnny Thunders zelf, komt tezamen in de legendarische New York Dolls. The Dolls zijn voorbestemd ten onder ten gaan aan een tamelijk ongezonde levensstijl waarin injectiespuiten en acidtrips centraal staan. Slechts twee platen brengt deze archetypische glam-punk-rock-band op haar naam. Als The Dolls op het punt staan een mega-contract te sluiten valt de band in scherven uiteen. Razendsnel vormt Thunders samen met Dolls-drummer Jerry Nolan en Television-bassist Richard Hell The Heartbreakers. Het onbetrouwbare lawaai-trio vindt naadloos aansluiting bij de zowel in New York als London heersende punktrend. Op het Britse Track label (van The Who) verschijnt in 1977 het debuut L.A.M.F., oftewel Like A Mother Fucker. The Heartbreakers, zonder Hell maar met Walter Lure en Billy Rath, kiest vanwege het succes domicilie in London. De band betrekt gezamenlijk een huis, alwaar chaos en destructie zal regeren. Thunders onderhoudt een nauw contact met de Britse punkscene, waaronder The Sex Pistols en Siouxsie & The Banshees. Eind 1977 echter, is Johnny nog de enige Heartbreaker in London, is Track failliet en blijken Thunders’ teksten een voorspellende waarde te hebben: Born To Loose.
De neurotische Thunders zit niet bij de pakken neer, verhuist naar Soho en timmert de The Living Dead in elkaar. In deze gelegenheidsformatie nemen de ritmesectie van Eddie & The Hot Rods, Only Ones Mike Perry en Peter Perrett en chanteuse Patti Palladin plaats. The Living Dead vormt de opmaat voor de band die Thunders – nu in het bezit van een solocontract met Real Records voor één plaat – zal begeleiden op de opnamen van So Alone. Thunders is in het bijzonder gecharmeerd van nachtvlinder, poët en junkie Peter Perrett en wil samen een band beginnen. Perrett weigert, maar zal wel een spilfunctie innemen op So Alone.
De vrije rol van solo-artiest bevalt Thunders bijzonder goed; hij laat zich graag omringen door gereputeerde muzikanten. Thunders vindt in Steve Lilywhite bovendien een competent co-producer. De opnamen vinden verspreid over twee studio’s plaats; op elke locatie heeft Thunders zijn all-star band. In de ene studio wordt de kern gevormd door Sex Pistols Cook en Jones – aangevuld met Phil Lynott –, in de andere wordt Johnny ondersteund door Only Ones Perrett en Kellie. De complete set is een gevarieerde portie ultieme rock and roll, rhythm and blues en punkrock. So Alone flitst uit de startblokken met een energieke cover van The Chantays’ surf-instrumental 'Pipe Line' en raast dan nog langs negen nummers. 'London Boys' is een parodie op Johnny Rottens Sex Pistols, waarop Thunders ironisch genoeg begeleid wordt door Cook en Jones. 'Great Big Kiss' daarentegen, een cover van The Shangri-Las, is een eerbetoon aan de girl-groups van de begin jaren zestig. 'Ask Me No Questions', 'Subway Train' – met in het koortje Chrissie Hynde – en 'You Can’t Put Your Arms Around A Memory' zijn mede door de inbreng van Peter Perrett evenzovele hoogtepunten op dit fantastische solodebuut. 'Downtown' is een logge stadsblues met gemeen gitaarwerk van Thunders himself en het eveneens bluesy 'Daddy Rollin’ Stone' is evenzeer een hoogtepunt. Al was het maar dat op deze cover van Otis Blackwell wel erg veel dode zangers een prominente rol vervullen: naast Thunders neemt zowel Phil Lynott als Steve Marriott een couplet voor zijn rekening. De mix van old school rockers en New Yorkse en Britse Punkers geeft So Alone een absolute meerwaarde. Johnny Thunders, zelf in bloedvorm op So Alone, weet dan toch het beste uit zichzelf en anderen te halen. So Alone is daarmee tegelijk een staalkaart van relevante rockmuziek anno 1978 als een muzikaal dagboek van een getormenteerde ziel. Kortom, een meesterwerk.
Thunders heeft nauwelijks mogen genieten van hetgeen hij in London aan de band toevertrouwde. Kort na de opnamen – die slechts twee weken in beslag namen – werd hij door de Britse Immigratiedienst het land uitgeschopt. Een band, om de release van So Alone te ondersteunen, kreeg Thunders daarom niet van de grond. De Britse all-stars hadden hun eigen beslommeringen en terug in New York weigerden The Heartbreakers om met Johnny op te treden. Het is de tragiek van de rock and roller – annex junkie – in hart in nieren: zoveel kracht, zoveel talent en so much fuck ups. Het junkieleven van Johnny Thunders eindigde 13 jaar later in een louche hotel in New Orleans. Uiteindelijk So Alone.

Pipeline / You Can’t Put Your Arms Around A Memory / Great Big Kiss / Ask Me No Questions / Leave Me Alone / Daddy Rollin’ Stone / London Boys / Untouchable / Subway Train / Downtown



dinsdag 26 november 2013

The Jim Carroll Band | Catholic Boy

‘Met zijn dertien jaar schrijft Carroll beter proza dan negentachtig procent van de schrijvers die nu de dienst uitmaken,’ schrijft Jack Kerouac over Jim Carrolls prozadebuut The Basketball Diaries (vertaald als Dagboeken van een lijmsnuivertje) uit 1978. Tussen zijn dertiende en zestiende tekende Carroll zijn belevenissen op in de straten van New York; belevenissen in het teken van basketbal, straatroof, prostitutie en een verslaving aan heroïne. Carroll is ook degene die in 1970 met een cassetterecordertje opnamen maakt van de Velvet Underground die twee jaar later zullen worden uitgebracht als Live At Max’s Kansas City. In het begin van de jaren zeventig ontwikkelt de junkie Carroll zich als dichter van de zelfkant, weet dichtbundels te publiceren en raakt bevriend met Patti Smith en Richard Hell. Maar als de CBGB’s-scene midden jaren tot volle bloei komt, leeft Carroll, pogend aan de heroïne te ontkomen, als een kluizenaar in Californië. Inmiddels heeft hij zijn scope verlegd van gedichten naar popteksten; schrijft deze voor Blue Öyster Cult-toetsenist Allan Lanier.
Per toeval klimt Carroll op het podium bij Patti Smith die optreedt in Californië, en de punkpoëet Jim Carroll – dan al bijna dertig – is geboren. Met de Californische band Amsterdam neemt Carroll en demo op die in handen komt van Earl McGrath, de baas van Rolling Stones Records. Met hem en Bob Clearmountain neemt The Jim Carroll Band zijn debuut-lp op; een rauwe punkrock-lp met loeiende, riffende gitaren en een – in de stijl van Lou Reed en Elliott Murphy – praatzingende Carroll. Logischerwijs worden Carrolls songs bevolkt door dropouts en verslaafden, en is de setting steevast die van de New Yorkse straten. ‘Crow’ – over Patti Smith – en ‘Catholic Boy’ zijn punky en voorzien van strakke gitaren, ‘Wicked Gravity’ is opgetuigd met een Ramones-riff, evenals ‘Three Sisters’ – met de gewraakte tekst She says “Abbra Cadabra”/ When she goes / Down / On / You. ‘Day And Night’ en ‘City Drops (Into The Night)’ – met Bobby Keys op saxofoon – zijn schitterende melodieuze rocksongs, maar onbetwist hoogtepunt van Catholic Boy is ‘People Who Died’, waarin Carroll de horror van een vroegtijdige dood onopgesmukt en droog debiteert: Mary took a dry dive from her motel room / Bobby hung himself from a cell in the Tombs / Judy jumped in front of a subway train / Eddie got slit in the jugular vein / And Eddie / I miss you more than all the others / This song is for you / My brother!
Met Catholic Boy completeert Jim Carroll het beeld van de allround-artiest in de straten van New York – dat van junkie, straatdichter en punkrocker. Ook Jim Carroll zelf voldoet hieraan: op 11 september 2009 overlijdt hij aan een hartaanval, zestig jaar oud.

Wicked Gravity / Three Sisters / Day And Night / Nothing Is True / People Who Died / City Drops (in The Night) / Crow / It’s Too Late / I Want The Angel / Catholic Boy

maandag 21 oktober 2013

Talking Heads | Fear Of Music

In het hart van de meest creatieve fase van de Talking Heads ligt Fear Of Music. In diezelfde fase – van 1978 tot en met 1980 – staat de band onder hevige invloed van Brian Eno. Maar niet alleen onder invloed van hem: al vanaf de oprichting in New York in 1974 laat kunstacademie-student David Byrne zich vrijelijk inspireren door kunststromingen als dada en Fluxus; door architectuur, cybernetica en systeemtheorieën. Zanger/gitarist Byrne woont samen in een huis met Tina Weymouth en Chris Frantz en met z'n drieën richten ze Talking Heads op, dat een van de huisbands wordt van CBGB's. Ten tijde van het verschijnen van de debuut-lp 77 is gitarist/toetsenist Jerry Harrison (ex-Modern Lovers) toegetreden en voor het tweede album More Songs About Buildings And Food gaat de band een intensieve samenwerking aan met producer Brian Eno. Wat de band bijzonder maakt is de combinatie van een intellectuele, afstandelijke benadering en hoekige ritmes; een wankel evenwicht van gevoel en verstand. Maar het volgende album zal vooral, gevoed door grotestadsparanoia en een pessimistisch toekomstbeeld, nerveus, jachtig en duister worden. De repetities daarvoor beginnen in het zolderappartement van Weymouth en Frantz, nu een echtpaar. Met Brian Eno achter de knoppen en kabels uit het raam verbonden met een mobiele studio wordt het nieuwe album, Fear Of Music, ook daar opgenomen. De nieuwe sound is, in tegenstelling tot een steriel studiogeluid, hol, claustrofobisch en vervreemdend. Fear Of Music verbeeldt de multiculturele smeltkroes van New York, waarin intellectualisme en paranoia samengaan met koortsachtige ritmes en Afrikaanse muziekstijlen. Opener 'I Zimbra', met op gitaar Robert Fripp, is dan ook een curieuze versmelting van exotische ritmes en dadaïstische, onbegrijpelijke teksten. Fear Of Music, in een pikzwarte hoes met het patroon van een roestvrijstalen vloer, vervolgt met knap geconstrueerde popsongs, enerzijds swingend – 'Cities', 'Life During Wartime' – anderzijds fascinerend melodieus – 'Mind', 'Air' – en abstracte teksten handelend over lucht, hemel, stad, gebouwen en drugs. Het atmosferische, galmende bandgeluid wordt vooral bepaald door Eno's schurende elektronica en Byrne's ratelende, geschifte gitaarsound. In het voortreffelijke 'Heaven' – Heaven is a place where nothing ever happens – komen de Talking Heads het dichtst bij een ballad, waarna Talking Heads' derde album afgesloten wordt met het donker funkende 'Electric Guitar' en het angstaanjagende, psychedelische 'Drugs'. Fear Of Music is een monumentaal spookhuis dat in 1979 de Amerikaanse pendant is van de huiveringwekkende doem van Joy Division. Het is bovendien een kantelmoment in de ontwikkeling van David Byrne en Talking Heads, want vanaf 1980 zijn Afrikaanse ritmes de leidraad, getuige het opwindende en baanbrekende Remain In Light, evenals het experimentele My Life In The Bush Of Ghosts, de bezegeling van de uiterst creatieve samenwerking tussen David Byrne en Brian Eno.

I Zimbra / Mind / Paper / Cities / Life During Wartime / Memories Can't Wait / Air / Heaven / Animals / Electric Guitar / Drugs



zondag 29 september 2013

Lou Reed | Coney Island Baby

Na het grote succes van Transformer in 1972 bevindt Lou Reed zich in een ongekend creatieve fase. Ga maar na: in de vier volgende jaren verschijnen een decadent meesterwerk (Berlin), maar liefst twee hardrock live-platen, een funky, rommelige maar bij vlagen schitterende plaat (Sally Can’t Dance) en een onbeluisterbare instrumentale dubbel-lp (Metal Machine Music). Lou Reed sluit deze vruchtbare periode af met een bijzonder smaakvol toetje: Coney Island Baby. Niettemin zit Reed in 1975 volledig aan de grond. Geen geld, geen gitaren en een platenlabel dat hem – na het Metal Machine Music-debacle – in een louche hotel parkeert. Reed wordt toch in genade aangenomen en gaat met de onervaren producer Godfrey Diamond de studio in om een aantal nummers op te nemen die on the road zijn getest. In december 1975 verschijnt Coney Island Baby. 
Lou Reed is zelf die Coney Island Baby, al is het autobiografische karakter van de plaat minimaal. Reed is immers de beschouwer van andermans leed, de chroniqueur van de goot, de onbewogen camera die de hoeren, junkies en little criminals registreert. Over zichzelf zingt hij in ‘Nobody’s Business’ It’s nobody’s business but my own. Vanzelfsprekend trakteert Reed de luisteraar op een fikse dosis ironie, zoals in ‘A Gift’ waarin Reed zichzelf beschouwt als een geschenk voor alle vrouwen in de wereld, maar is zijn sarcasme mild van toon in ‘Charley’s Girl’. Muzikaal is Reed relaxt, zijn de tempo’s comfortabel en toch pure rock-‘n-roll en is het laidback gitaarspel van Bob Kulick sfeervol en soms zelfs uitgesproken countryesk. Coney Island Baby is in dat opzicht – feitelijk in alle opzichten – de ware opvolger van Velvet Undergrounds Loaded. ‘Kicks’ daarentegen, is ongemakkelijk, onheilspellend, met zijn barlawaai en duistere frasen als when the blood coming down his neck / Don’t you know it was better than sex. ‘Kicks’ behoort samen met ‘She’s My Best Friend’ en ‘Coney Island Baby’ tot de sleutelnummers van Coney Island Baby. In het onverwacht tedere titel- en slotnummer vangen we zelfs een glimp van het huiselijk geluk dat Lou vindt bij travestiet Rachel: I’m gonna send this one out for Lou and Rachel / And all the kids and P.S. 192 / Man, I swear I’d give the whole thing up for you. Hetgeen zoals we weten, Lou Reed natuurlijk niet deed.

Crazy Feeling / Charley’s Girl / She’s My Best Friend / Kicks / A Gift / Ooohhh Baby / Nobody’s Business / Coney Island Baby

dinsdag 2 juli 2013

Richard Hell & The Voidoids | Blank Generation

De Blanco Generatie; leeg, oningevuld. Een liggende streep: vul zelf maar in. I belong to the — generation / But I can take it or leave it each time. En op de hoes van Blank Generation zet Richard Hell dit statement kracht bij met op zijn borst de tekst: you make me —. Vul maar in. Hells punkideologie is dat er geen ideologie is. En Richard Hell, punkpionier van het eerste uur, kan het weten. In 1968 ontvlucht Richard Myers zijn armoedige leefomgeving in Kentucky en de kostschool in Delaware en verruilt deze voor het New Yorkse stadsleven. Hij vindt een baantje in een winkel in tweedehands boeken en houdt zich bezig met drugs, de dichtkunst en het schrijven van songteksten. Een jaar later voegt kostschoolvriend Tom Miller zich bij hem. Na het zien van The New York Dolls besluit het duo een band op te richten met Myers op bas en Miller op gitaar: de Neon Boys. 
Twee jaar later, in 1974, wordt die band Television, Richard Myers Richard Hell en Tom Miller Tom Verlaine. En daar ergens, in CBGB in de New Yorkse Bowery, begint met Television, de Ramones en Patti Smith de punk en de new wave. Richard Hell is daarbij en is en passant de eerste punker in gescheurde, door veiligheidsspelden bijeengehouden shirts. Maar dan, voorjaar ’75, wordt dichter, junkie en non-muzikant Hell – althans volgens Verlaine – tot zijn woede uit Television gezet. Direct wordt Hell door collega-junkie Johnny Thunders gevraagd als bassist in The Heartbreakers, maar Richard Hell wil zijn eigen band. Na een paar maanden in The Heartbreakers richt Hell The Voidoids op, een competente band met drummer Marc Bell en slaggitarist Ivan Julian, en met een briljante gitarist: Robert Quine. Hell heeft voldoende ongebruikt materiaal op de plank liggen van zijn tijd met Television – ‘Love Comes In Spurts’, ‘Blank Generation’ – en met The Heartbreakers – ‘New Pleasure’, ‘The Plan’. Met producer Richard Gottehrer knallen Richard Hell & The Voidoids in de Plaza Sound-studio in no time tien nummers op de band. Blank Generation klokt krap aan 32 minuten; 32 intense punkrockminuten, dat wel. Hells met schelle stem uitgespuwde teksten zijn persoonlijk, expliciet en confronterend: Look out jerk / You ancient slut / I can’t endure / Your smirking smut, heet het in ‘Liars Beware’ en Your mind’s a wreck but that’s fine / It corresponds to mine in ‘New Pleasure’. In ‘Down At The Rock And Roll Club’ – But I rip up my shirt – viert Hell stoned zijn pogofeestje, terwijl hij in ‘The Plan’ een incestueuze verhouding heeft met zijn ingebeelde dochter. Rauw zijn niet alleen Hells teksten, rauw is ook de Voidoids-sound, aangevuurd door de striemende, staccato slaggitaar van Ivan Julian. De muzikale hoofdrol is echter voor Robert Quine die talloze spetterende gitaarsolo’s lanceert, zoals in het stroperig bluesy ‘Betrayal Takes Two’, de fantastische John en Tom Fogerty-cover ‘Walking On The Water’, de ontsporende finale van ‘Another World’ en natuurlijk in de weergaloze punkklassieker ‘Blank Generation’. 
Dat Richard Hell een van de initiators is van de punkbeweging is, met bijbehorend provocatief gedrag en drugsgebruik, is niets teveel gezegd. Lang blijft het bij één album, wat precies genoeg is om een punkheld te zijn.

Love Comes In Spurts / Liars Beware / New Pleasure / Betrayal Takes Two / Down At The Rock And Roll Club / Who Says? / Blank Generation / Walking On The Water / The Plan / Another World