Posts tonen met het label neo-psych. Alle posts tonen
Posts tonen met het label neo-psych. Alle posts tonen

woensdag 12 februari 2014

Temples | Sun Structures


In Engeland uiteraard, gonst het al een tijdje rondom Temples, een stel neo-psychedelische jonkies met de juiste mindset. Opgericht als duo in 2012, debuterend met de geweldige single 'Shelter Song' in datzelfde jaar, en nu een kwartet dat hun waanzinnige album Sun Structures op de markt slingert. Temples is het helemaal, waarbij de band niet alleen knipoogt naar het verleden van Westcoast-grootheden als The Byrds en Moby Grape en de glamrock van T.Rex, maar ook het vizier gericht heeft op bands als The Allah-Las, Tame Impala en Toy. Vertrekpunt op Sun Structures zijn de gitaren in alle soorten en maten; rinkelende 12-snarige, gemene fuzzgitaren en lieflijke, twinkelende tremolo-gitaren. Een bonkende bas, droge drums en een lekker zoemend orgeltje doen de rest. Maar altijd is daar het liedje; tussen de duizelingwekkende kleuren van de echoput-sound klinkt er altijd een puik liedje door. Twaalf parelende psychedelische popliedjes, voorzien van een gave sound en sterke melodieën, dat is de rijke oogst van Sun Structures, een album dat Temples voorwaarts stuwt naar een nieuw retro-futurisme.

Shelter Song / Sun Structures / The Golden Throne / Keep In The Dark / Mesmerise / Move With The Season / Colours to Life / A Question Isn't Answered / The Guesser / Test Of Time / Sand Dance / Fragment's Life 

woensdag 5 februari 2014

The Soft Boys | Underwater Moonlight

Vraag: wat heeft een Britse folkzanger die in 2002 een live opgenomen dubbel-cd met Dylan-covers uitbrengt gemeen met de gitarist die met zijn song ‘Love Shine A Light’ in 1997 het Eurovisie Songfestival wint? Antwoord: zij waren eind jaren zeventig de gezichtsbepalende figuren in The Soft Boys, een neo-psychedelische poppunkband uit Cambridge, Engeland. In 1976 treedt gitarist Kimberley Rew – van de latere Katrina & The Waves – toe tot de punkband die zanger en songschrijver Robyn Hitchcock reeds heeft opgericht met drummer Morris Windsor. Geïnspireerd door de opkomende punkbeweging en beïnvloed door de psychedelica van de sixties groeien The Soft Boys in de luwte van Cambridge uit tot een van de best bewaarde geheimen van de Britse new wave. De rammelpunk van het eerste uur maakt na de komst van funky bassist Matthew Seligman plaats voor nieuwe en meer gestructureerde songs. Op de bovenverdieping van een boothuis met zicht op de rivier de Cam oefent het kwartet dagelijks op Hitchcocks nieuwe meer pop-georiënteerde composities. Tussen januari en maart 1980 nemen The Soft Boys met Vibrators-bassist Pat Collier in drie verschillende Londense studio’s voor een loutere 600 pond de basistracks op voor hun lp, die volgens Windsor een perfecte misinterpretatie van popmuziek is. Toch komen op Underwater Moonlight – in juni 1980 uitgebracht op indie-label Armagaddon – Hitchcocks voorkeuren voor Syd Barretts Pink Floyd en de Westcoast-folkrock van The Byrds duidelijk naar voren. De driestemmige zang van Morris, Rew en Hitchcock verschaft Underwater Moonlight een psychedelische lading die nogal afwijkt van de dan heersende postpunktrend. Mede vanwege die zang zijn nummers als de single ‘I Wanna Destroy You’, ‘Positive Vibrations’, ‘Tonight’ en het weergaloze ‘Kingdom Of Love’ zulke fantastische naar de sixties knipogende poprocksongs. Rews twaalfsnarige gitaar en de Byrdsy benadering maken van ‘The Queen Of Eyes’ een prachtige folkrock-pastiche, terwijl het afsluitende titelnummer de psychedelica van Pink Floyd nog eens gereviseerd in de etalage zet. Wat verwacht werd gebeurde: Underwater Moonlight kon in Engeland op een incidentele positieve reactie rekenen, maat overal daarbuiten – Amerika, Nederland – was de ontvangst lauw. Een jaar na de release van Underwater Moonlight waren The Soft Boys al opgelost in het niets. Jaren later zal een van de grootste bands van de jaren tachtig – R.E.M. – op de vraag wie hun grootste invloed is, antwoorden: The Soft Boys.

I Wanna Destroy You / Kingdom Of Love / Positive Vibrations / I Got The Hots / Insanely Jealous / Tonight / You’ll Have To Go Sideways / Old Pervert / The Queen Of Eyes / Underwater Moonlight

zaterdag 21 december 2013

Tame Impala | Innerspeaker


Perth, Western Australia, wordt meer dan eens genoemd als de meest afgelegen metropool ter wereld. De beroemdste rockband uit die contreien is ongetwijfeld The Triffids, maar het is niet ondenkbeeldig dat zij in de nabije toekomst voorbijgestreefd worden door de psychedelische bloemenkinderen van Tame Impala. Zij hebben ongetwijfeld een grote toekomst voor zich, want als zanger-gitarist en wonderkind Kevin Parker samen met maatje Dominic Simper op bas Tame Impala opricht, zijn beiden nog maar 13 jaar. Pas in 2007 verlaten ze de slaapkamer en met een gevonden drummer is Tame Impala een psychedelische rockband om in de gaten te houden. Retro-psychedelica wel te verstaan, want het powertrio – aangevoerd door Kevin Parker met zijn omfloerste zang – leunt sterk op zowel The Beatles als op The Jimi Hendrix Experience. MySpace wakkert de belangstelling voor de band aan, wat hen een platencontract oplevert en de release van een eerste ep in 2008.
De internationale doorbraak volgt in 2010 met het uitbrengen van Innerspeaker, een zinderend, blaartrekkend rockalbum, dat o wonder, hyper-melodieus en warm van toon is. Kevin Parker heeft als songschrijver en multi-instrumentalist de volledige regie over Innerspeaker, terwijl Dave Fridmann (Mercury Rev, Flaming Lips) garant staat voor een ruimtelijke mix. Tame Impala's debuut is ronduit magistraal – vanwege de perfecte sound, maar ook om de loutere psychedelische pracht van de songs: de openings-trits 'It Isn't Meant To Be', 'Desire Be Desire Go' en 'Alter Ego' is puur meeslepend. Het transparante geluid en de zweverige zang herinneren aan de mooiste jaren zestig psychedelica, maar ook aan tijdgenoten als het geniale Zweedse Dungen. Innerspeaker kent in 'Why Won't You Make UpYour Mind?', 'Solitude Is Bliss' en 'Expectation' voortreffelijke songs die worden opgepookt door fuzz-gitaar, Leslie-box en prachtig opgenomen drums. Innerspeaker is niet alleen een topplaat vanwege de songs en het gitaargeweld, maar ook zeker vanwege de absoluut perfect sound. Tame Impala is alleen al op basis van hun debuutplaat een rockband die een grootse doorbraak verdient. Het leidt dan ook weinig twijfel dat opvolger Lonerism in 2012 voor deze absoluut verdiende internationale doorbraak zal gaan zorgen: Tame Impala is de toekomst van de rock.

It Isn't Meant To Be / Desire Be Desire Go / Alter Ego / Lucidity / Why Won't You Make UpYour Mind? / Solitude Is Bliss / Jeremy's Storm / Expectation / The Bold Arrow Of Time / Runway, Houses, City, Clouds / I Don't Really Mind


zondag 8 december 2013

The Works | The Works

Zweden staat al decennialang garant voor kwaliteitsmuziek. In de 21e eeuw is het vooral Dungen dat internationaal aan de weg timmert, maar het aan dezelfde Stockholmse muziekscene ontsprongen The Works kent een vergelijkbare kwaliteit. In 1999 opgericht aan de Stockhom School of Music en in de daaropvolgende jaren uitgegroeid tot een dynamische kwartet met een heftig psychedelisch geluid, verschijnt in 2005 op het Subliminal Sounds-label het zelfgetitelde The Works. Opvallend in opener 'Everybody' zijn de drukke drums die vooral The Who in herinnering roepen. De sound van The Works lijkt vooral gebaseerd op Britse freakbeat en progressive rock van rond 1970. De grommende Hammond en scheurende gitaren bewijzen eer aan obscure bands als Atomic Rooster, July en The Open Mind. Naast heftige, maar fraaie sonische uitbarstingen zijn de contouren van het liedje wel steeds duidelijk zichtbaar. Dat levert in 'Speak Your Mind', 'Change My Ways', 'Not The Same' en 'The Tale' geweldige songs op en in 'Time To Wake Up' en 'Slow As She Goes' zelfs parelende, pastorale piekmomenten. The Works is een geweldige plaat die zich uitstekend verhoudt tot gelieerde albums als Dungens Skit I Allt (2010) en The Amazings Gentle Stream (2011); alle Zweedse topkwaliteit.

Everybody / Time To Wake Up / Speak Your Mind / Change My Ways / I Saw The Ocean / Not The Same / Follow Me There / Slow As She Goes / The Tale / Num And Blind / Welcome



donderdag 17 oktober 2013

The Dolly Rocker Movement | Electric Sunshine

Vier kerels in denim. Poserend tussen de schaduwrijke bomen. Ergens in Australië, in Sidney om precies te zijn. Ze debuteren in 2006 met Electric Sunshine, een geestverruimende trip richting heelal. Zelf noemen Daniel Poulter (zang, gitaar, glockenspiel), Martin Walters (orgel, synths, piano), Ricky Drabsch (bas) en Jamie van Veldhoven (drums) het chemical country. Dat is het zeker, maar het is ook: Westcoast-psychedelica, folkrock uit de garage, flower power country. De elf prachtige, zweverige rocknummers zijn, zo klinkt het, opgenomen op de bodem van een echoput. Het geeft Electric Sunshine een heerlijk authentiek sixties sfeertje. De liedjes zijn ook niet mis, afwisselend, doordacht en voorzien van mooie melodieën. Opvallend in de instrumentatie is het jengelende orgeltje, dat herinneringen oproept aan de desertrock van Green On Red of, minder bekend, The Aimless Blades. De bezwerende opener 'Falling Home Again' zet de toon voor een portie spacey countryrock en dan volgen er vele juweeltjes: het uptempo en met bongodrums opgesierde 'What’s That Sound'; het lieflijke 'Sunflower'; de reverb-rocker 'Go Go Getter'; de acidfolk van 'Sunday Mourning'; en de talking-blues 'Steam Train Blues'. Nog mooier wordt Electric Sunshine, vanwege het zinderende hoogtepunt 'The Light Ride'. Als toegift zijn er nog twee sfeervolle kampvuurliedjes afkomstig van een akoestische sessie. Samen met de hoofdmoot van psychedelische country en rock – tussen Beachwood Sparks en The Seeds, tussen The Electric Prunes en de vroege Long Ryders – is dit Electric Sunshine een ronduit meesterlijk debuut. Wow!

Feeling Home Again / What's That Sound? / In My Mind, In My Words & In My Heart / Sunflower / Sad Sally / Go Go Getter / Sunday Mourning / Steam Train Blues / Will I See My Star / The Light Ride / Sorry / Call All Angels / Walk In The Light

maandag 23 september 2013

Plan 9 | Dealing With The Dead

Eric Stumpo, John DeVault, Evan Williams, Mike Ripa en Tom Champlin – alle vijf zijn het gitaristen in Plan 9. De extreem hoge gitaardichtheid maakt van Plan 9 een ultieme jamband, maar het begon natuurlijk allemaal in de punktijd. Geformeerd in Rhode Island in 1979 door Eric Stumpo, toetseniste Deb DeMarco en bassist John Florence groeit Plan 9 – vernoemd naar een van de slechtste films ooit: Ed Woods Plan 9 From Outer Space – al snel uit tot een collectief van zes muzikanten. Na de wilde punktijd duikt Plan 9 het verleden in van de garagepunk en muteren compacte songs als ‘Dirty Water’ en ‘Frustration’ tot uitgesponnen acid-rock. Plan 9 wekt vervolgens de aandacht van Greg Shaw van het befaamde Voxx Records, maakt voor het label de mini-lp Frustration en krijgt een plaatsje op de verzamelaar Battle Of The Garages (Part II). Plan 9 bevindt zich in 1984 in het hart van de neo-garagerockscene, zo bewijst het eerste volwaardige groepsalbum Dealing With The Dead. Opgenomen in de Trod Nossel Studios in Connecticut onder productionele leiding van Deborah D. is Dealing With The Dead een warm klinkende acid-rockplaat waarop Plan 9’s wall-of-guitar-sound domineert. De gitaren zoemen, zagen en zaniken uiterst prettig in klassieke heavy psychedelische rocksongs als ‘I Like Girls’ – I like girls who walk in triplicate / I like girls with central heating – ‘White Woman’ en ‘Step Out Of Time’. Deborah D.’s dreinerige Vox Super Continental-orgel weert zich kranig tegenover de vijf kronkelende gitaren, zo ook in ‘Beg For Love’. De meest karakteristieke Plan 9-song – waarin de achtkoppige band gelijke delen Grateful Dead en Blue Öyster Cult mengt – is het door vele gitaren naar een climax gevoerde titelnummer ‘Dealing With Dead’. Dealing With The Dead verschijnt in 1984 in een zeer opvallende hoes. Niet alleen heeft de beroemde sixtties-graficus R.K. Sloane de fabelachtig psychedelische hoes ontworpen; deze licht ook nog eens op in het donker. Een bijgevoegd comics-boekje vervolmaakt ontwerp en muzikaal concept. Het maakt Dealing With The Dead tot een van de beste neo-psychedelische albums van de jaren tachtig, al is het het cirkelzagende en rondkronkelende gitaarleger dat het verschil écht maakt.

I Like Girls / B-3-11 / White Women / Dealing With The Dead / Step Out Of Time / Gone / Beg For Love / Can’t Have You / Keep On Pushin’

dinsdag 3 september 2013

Hidden Masters | Of This & Other Worlds


De nieuwe progressieve rock – daar waar jaren vijftig rock-'n-roll, psychedelica, prog en folk elkaar ontmoeten – heeft met de Hidden Masters ware ambassadeurs. Hidden Masters is een wat wonderlijk uitgedost – retro as hell – trio uit Glasgow, Schotland dat klassieke rockstijlen bij elkaar brengt. Een zeer bijzonder amalgaam van energieke rock en meerstemmige zang, zo bleek al bij de release van de (vinyl)debuutsingle 'Nobody Knows That We're Here'/'Grey Walls Grey' in 2011. Beide nummers zijn terug te vinden op Hidden Masters' geweldige debuutalbum Of This & Other Worlds. Het trio verrast met catchy psychedelica die niet alleen Moby Grape en Love in herinnering roepen maar ook heel concreet Younger Than Yesterday-Byrds in het geweldige 'Last Days In The Sun'. Voeg daarbij hippie-Britten als Mighty Baby en July en de connotaties zijn duidelijk: Hidden Masters grijpt vooral terug op het verleden, maar is ook helemaal anno-nu. Stevige rock, voortreffelijke harmoniezang, mooie liedjes. Of This & Other Worlds is uit onverwachte hoek zomaar een van de beste rockalbums van 2013.

She Broke The Clock Of The Long Now / Into The Night Sky / Perfume / See You In The Dark / Last Days Of The Sun / There Are More Things / Nobody Knows That We're Here / Like Candy / Grey Walls Grey / Fall In Line

zaterdag 31 augustus 2013

The Sneetches | Slow

In retrospect – de release van Slow is ruim 20 jaar geleden – is het eenvoudig vast te stellen dat The Sneetches de obscuriteit niet ontstegen zijn. The Sneetches, met hun repertoire van drie reguliere platen, zijn daarmee onbekend, onbemind en zeker obscuur. En dat is feitelijk nogal onbegrijpelijk; The Sneetches passen in een traditie waarin schoonheid werd gepoogd te vatten in tijdloze popmuziek. Het is een lange lijn van halverwege de jaren zestig naar waar The Sneetches zich aan het eind van de jaren tachtig bevonden: The Beatles, The Byrds, The Beau Brummels, The Zombies, The Lovin’ Spoonful, Big Star, The Rain Parade en vele anderen. The Sneetches gebruikten een recept van jaren zestig Anglo/Amerikaanse pop, verrijkten dat met de technische verworvenheden van de navolgende decennia en bereidden aldus een uiterst smaakvolle dis van klassieke rockmuziek op basis van schitterende vocale arrangementen, orkestrale finesse en een ultiem popgevoel.
Moderniteiten mogen niet van The Sneetches verwacht worden; de blik is strak naar achteren gericht, ook al was dat in de Amerikaanse underground-scene van de jaren tachtig – pré-grunge – cool en paradoxaal genoeg eh, modern. De alternatieve popmuziek beleefde een ware renaissance; psychedelische rock en flowerpower-pop bleken idiomen die werden herbezocht door talloze talentvolle bands. En vanzelfsprekend zijn The Sneetches één van die talentvolle – en obscure – bands.
The Sneetches zijn nog een trio, bestaande uit zanger Mike Levy, gitarist en songschrijver Matt Carges en drummer Daniel Swan, als hun eerste reguliere lp, Sometimes That’s All We Have, naast een Amerikaanse release uitgebracht wordt op het fameuze Creation label van Alan McGee. De fijnzinnige antenne van McGee blijkt weer eens feilloos te werken; met The Sneetches haalt McGee een band binnen die uitstekend in de Creation-stal past. Sometimes That’s All We Have is een fijnzinnige plaat boordevol psychedelische softpop die meer dan eens doet denken aan Simon & Garfunkel. Levy en Carges zijn zich dat ten volle bewust en hebben dan ook het heilige voornemen om de opvolger meer gewicht te geven en de diepte en duisternis op te zoeken. Eén van deze wensen wordt vervuld als de naar San Francisco geëmigreerde Brit en ex-Stingrays-bassist Alec Paleo tot The Sneetches toetreedt. In zijn bagage torst Paleo zijn garagerockverleden en zijn uitputtende Zombies platenverzameling met zich mee. Het blijkt de bite te zijn die The Sneetches nodig hebben; de sound wordt logger, spannender en psychedelischer. Deze extra dimensie nemen The Sneetches in de winter van ‘89/’90 mee de Soma Sync Studios in. Maar de nadruk komt te liggen op de serie uitmuntende composities van Levy en Carges die, van majesteitelijke arrangementen voorzien, de ware groei van The Sneetches laten zien. Het fundament van de Britse ritmesectie is strak en stevig en vormt een effectief contrast met de schitterende harmonievocalen van Mike Levy en Matt Carges, wier meerstemmige zang dan ook regelmatig voor kippenvel zorgt. In 'Heloise' wordt de stuwende begeleiding – opgesierd met repetitieve drumpatronen en swingende conga’s – verfraaid door zwierige gitaarmotieven en een rollende Hammond, maar is de hoofdrol toch weggelegd voor de vocalen van Levy en Carges die zinderen in de hete zon: Falling down / Falling down in the sun. Gedreven door een fascinatie voor de orkestrale en psychedelische pop van de sixties en telkens de vraag opwerpend welke klassieke referentie nu weer verstopt zit in de volgende voorbijkomende song, dwingen The Sneetches respect af met hun ultrafraaie retrorock. Het zwevende vermogen is groot in songs als 'Crystal Ball' en 'Broke Up In My Hands' – met zijn hemelse refrein broke up in my hands / a fragile flower – alwaar The Sneetches herinneren aan zowel The Zombies, The Association, The Lovin’ Spoonful als aan The Left Banke. De laatste laten The Sneetches letterlijk herleven door een fraaie en authentieke cover van 'She May Call You Up Tonight'. Maar de hoofdrol op Slow is toch wel weggelegd voor het razendknappe 'How Does It Feel'. Dit pièce de résistance van The Sneetches met zijn peilloze diepgang en onwaarschijnlijke fraaie chorale coda is letterlijk schoonheid gevat in 24-karaats popmuziek. Slow is daarmee een hoogtepunt in de neo-psychedelische popmuziek van de jaren tachtig, maar blijft eveneens vooralsnog onbekend, onbemind, obscuur én neo-klassiek. The Sneetches maken nog één plaat en daarna is de koek op. Songschrijver Matt Carges zei het al in 1990: ‘Over tien jaar liggen we in de uitverkoopbakken.’ Het is triest maar waar, ook al bewijst Slow het ongelijk van de wereld.

Things We’ll Never See / Over ‘Round Each Other / Heloise / Broke Up In My Hands / Crystal Ball / What’s In Your Mind / Voice In My Head / Wish You Would / Let Us Go / She May Call You Up Tonight


maandag 26 augustus 2013

Monster Magnet | Dopes To Infinity

Neo-hippie en grootverbruiker van allerhande drugs, Dave Wyndorf wil niet zo erg deugen in zijn jeugdjaren. Kind van de suburb, exponent van de trash-cultuur, maar bovenal fanatiek liefhebber van heavy psychedelische rock. Wyndorf en zijn maten uit Red Bank, New Jersey verafgoden de ouderwetse geestverruimende rock van MC5, Black Sabbath en Hawkwind – retro-dopeheads dus – maar krijgen het tij mee als Seattle en de grunge-rock de muziekwereld domineren. Dan is er ook plaats voor Monster Magnets vette hallucinogene riffs en eindeloze spacy gitaarsolo’s. Na een aantal jaren van pillenslikken, dope roken en gerommel in de marge weten Dave Wyndorf (zang, gitaar), John McBain (gitaar), Joe Calandra (bas) en Jon Kleiman (bas) in een vlaag van gezond verstand een platendeal te scoren. Op indie-label Caroline verschijnt in 1991 Spine Of God, op major A&M de opvolger Superjudge. Superjudge, gemaakt met nieuwe gitarist Ed Mundell, is een loeizware acid-rockplaat, maar lijdt onder een modderige productie. Die is een stuk beter op Monster Magnets derde, Dopes To Infinity, die Dave Wyndorf en zijn personeel – de baas duldt tegen- noch inspraak – opnemen in de New Yorkse, what’s in a name, The Magic Shop. De thuis met akoestische gitaar en bongo’s gecomponeerde songs worden in de studio omgezet in nucleaire powerrock. Paradoxaal genoeg klinken de metalriffs en bombastgitaren opvallend helder in Wyndorfs eigen productie. Nieuw in Monster Magnets geluid zijn mellotron, theremin en orgel, wat zelfs, o wonder, niet eens ten koste gaat van de transparantie. Opener ‘Dopes To Infinity’ laat aan duidelijkheid niets te wensen over: pure Hawkwind-acid-rock en Sabbath-riffs. Opnieuw is Wyndorf – door de té lekkere paddenstoelen – in hogere sferen en zingt hij in ‘All Friends And Kingdom Come’ letterlijk over mushroom clouds in my head. Logisch dat de teksten gaan over supernova’s, interplanetaire ruimten, exploderende hersenpannen en natuurlijk naakte chicks. De gespierde metalriffs zijn overweldigend in ijzersterke songs als ‘Negasonic Teenage Warhead’, ‘Look Through Your Orb For The Warning’ en ‘King Of Mars’ en worden nog eens verfraaid door mellotron, wah-wah, fuzz-gitaar en tonnen feedback. Dopes To Infinity is een super heavy trip, waarvan nagenoeg alle liedjes geteisterd worden door – fantastische – aardeverschroeiende gitaarstormen. Het prachtige breekbare ‘Dead Christmas’ is de relativerende factor die Dopes To Infinity alleen nog maar beter maakt. Maar ondanks de gespierde kwaliteit moet Dave Wyndorf nog even wachten op de doorbraak; die komt in 1998 met Powertrip.

Dopes To Infinity / Negasonic Teenage Warhead / Look To Your Orb For The Warning / All Friends And Kingdom Come / Ego, The Living Planet / Blow ‘Em Off / Third Alternative / I Control, I Fly / King Of Mars / Dead Christmas / Theme From “Masterburner” / Vertigo

woensdag 3 juli 2013

Charlie Boyer and The Voyeurs | Clarietta


Hotly tipped! Weer een lekker bandje dat in Engeland al voor de nodige opwinding heeft gezorgd: Charlie Boyer and The Voyeurs. De fantastische debuutsingle 'I Watch You' trok in het spoor van de psychedelische krautrockers Toy vorig jaar de terechte aandacht. Boyer en zijn band gooien het wat over een andere boeg; zij trekken namelijk de lijn door van The Velvet Underground, Television en The Strokes. Vooral de nerveuze gitaarrock van Television klinkt duidelijk door op debuutalbum Clarietta. De plaat werd geproduceerd door Edwyn Collins, die Charlie Boyer van het juiste gruizige, punky geluid voorzag. Jengelende orgeltjes, stofzuigergitaren en Boyers jachtige zang zorgen voor een geweldige New York artpunk-sound, terwijl melodie en liedjesstructuur behouden blijven. Tweede single 'Things We Be' opent het bal en dan is het drie kwartier lang een rock-'n-rollfeest.

Things We Be / I've Got A River / Clarietta / Go Blow A Gale / You Haven't Got A Chance / A Lion's Way / Clarinet / I Watch / Be A Complete Dream / Be Glamorous / The Central Tonne

woensdag 12 juni 2013

Truly | Fast Stories... From Kid Coma

De storm van de grunge is in 1995 behoorlijk geluwd. Het bevordert het zicht op bands die weliswaar harde rock spelen, maar die grungy rock combineren met ouderwetse hardrock en classic seventies rock. Truly is zo’n band, die – hoe kan het anders – in Seattle wordt opgericht. Bassist Hiro Yamamoto is na zijn diensttijd bij Soundgarden weer gaan studeren en keert na zijn studie terug in de muziek. In 1990 vormt hij met ex-Screaming Trees-drummer Mark Pickerel, gitarist Chris Quinn en zanger/gitarist Robert Roth Truly. Het kwartet staat in en om Seattle in het voorprogramma van vele bekende noisebands, toert mee met Lollapalooza-karavaan, maar moet het zonder veel publieke aandacht stellen. Sub Pop brengt daar verandering in als in 1991 de fraaie EP ‘Hearts And Lungs’ wordt uitgebracht, die in 1993 – maar dan zonder Quinn – wordt opgevolgd door nog een EP, ‘Leslie’s Coughing Up Blood’. Een jaar later maakt Truly, dat ondanks de gereputeerde drummer en bassist fier wordt aangevoerd door Robert Roth, de overstap naar het grote Capitol. Met producer John Agnello – gevierd gitaarrockproducer – gaat het trio hun debuutalbum opnemen. Ze doorkruisen als het ware Seattle, want Truly’s debuutalbum wordt in niet minder dan vijf studio’s in de stad opgenomen. Het eindproduct – Fast Stories… From Kid Coma – leidt hier beslist niet onder. Fast Stories… From Kid Coma, gerealesed in de vroege zomer van 1995, is een zeer coherente heavy rockplaat. 
Onder leiding van Robert Roth heeft het trio de grunge-sfeer vertaald naar de hardrocktijden van Black Sabbath en Blue Öyster Cult. Dit uit zich in logge en zware ritmes en een gitaarsound die door een basversterker gestuurd wordt. Robert Roth – niet alleen meesterlijk gitarist, maar ook bespeler van de mellotron – schreeuwt niet, maar zingt zijn composities met lijzige stem. Het trio heeft aldus een heel bijzondere sound, een sound die zich onderscheidt van de doorsnee zware rockbands en elementen van The Doors en Pink Floyd in zich heeft. ‘Blue Flame Ford’ is de knallende opener met een gejaagd ritme en scheurend gitaarwerk, en wordt opgevolgd door zoemende mellotronklanken die het heavy ‘Four Girls’ preluderen. En door gaat het met de zinderende, psychedelische sound in ‘If You Don’t Let It Die’, slechts onderbroken door ijle mellotronflarden die klinken als een walvis in de nacht, naar het waanzinnige met acid-gitaar opgeluisterde ‘Hot Summer 1991’. ‘Hurricane Dance’, episch en acht minuten lang, is voorzien van een zinderende gitaarsolo, terwijl het magische ‘Virtually’ – met kronkelende elektrische gitaar en jankende mellotron – het dichtst bij een powerballad komt. In het machtige ‘So Strange’ laat Roth zijn gitaar opnieuw uitbundig janken, waarna Truly’s heavy psychedelische sound ten volle benadrukt wordt in de uitgesponnen afsluiter ‘Chlorine’. Fast Stories… From Kid Coma is een fenomenaal heavy rock-album, maar het heeft – met de grunge op zijn retour – het tij niet mee. Truly valt in een gat in de tijd en neemt dit superieure grunge-psychedelic-heavy rockalbum mee in zijn val. Het zij zo, maar een rockklassieker is Fast Stories… From Kid Coma wel.

(Intro) / Blue Flame Ford / Four Girls / If You Don’t Let It Die / Hot Summer 1991 / Blue Lights / Leslie’s Coughing Up Blood / Hurricane Dance / Angelhead / Tragic Telepathic (Soul Slasher) / Virtually / So Strange / Strangling / Chlorine


donderdag 16 mei 2013

The Growlers | Hung At Heart


Welkom in de psychedelische speeltuin van het hedendaagse Californië. Na het eclatante succes van The Allah-Las is het nu de beurt aan de kosmische cowboys van The Growlers. The Growlers, gevestigd te Costa Mesa, bezuiden Los Angeles, staan onder leiding van de aimabele, stonede Brooks Nielson. Hij is gezegend met een geweldig, neusverkouden stemgeluid dat op het derde album Hung At Heart volledig ondergedompeld is in reverb. In combinatie met de psychedelische gitaren, loom, spacy orgel en relaxte country-ritmes levert dat een waanzinnig sterk album op. Hoewel de dank volgens de hoesinformatie uitgaat naar Dan Auerbach, bleek de Black Keys-man geen tijd te kunnen vrijmaken voor het produceren van Hung At Heart. En dus produceerden Neilson c.s. het monster zelf – met superbe resultaat. De fantastische sound komt in prachtige liedjes als 'Naked Kids', 'One Million Lovers', 'In Between' en 'Burden Of The Captain' ten volle tot uiting. Een kruising tussen The Grateful Dead (ten tijde van Workingman's Dead), Blitzen Trapper, The Allah-Las en My Morning Jacket (ten tijde van The Tennessee Fire), is Hung At Heart ook op zijn eigen merites beschouwd een voortreffelijk indie-americana-album en sluipenderwijs een van de top-albums van het nog jonge jaar 2013.

Someday / Naked Kids / Salt On A Slug / One Million Lovers / No Need For Eyes / Living In A Memory / Pet Shop Eyes / In Between / Burden Of The Captain / Row / It's No Use / Use Me For Your Eggs / Derka Blues / Beach Rats / The Fruit Is For Everyone  

dinsdag 23 april 2013

Jacco Gardner | Cabinet Of Curiosities


Zelden ontstond er zo'n hype in de Nederlandse indiepopscene als over de release van Cabinet Of Curiosities, het debuutalbum van muzikant, producer en songschrijver Jacco Gardner. Nog voor de release van de plaat zijn de media vol van de innemende, zeer getalenteerde jongeman uit Zwaag, Noord-Holland. Die aandacht begon ruim een jaar geleden in Engeland, naar aanleiding van Jacco's baroque pop debuutsingle. Er volgde nog een single op een Spaans label, waardoor de aandacht werd gewekt van het Amerikaanse label Trouble In Mind, evenals van het immer alerte Excelsior Recordings. De laatste brengt in Nederland Gardners sprookjesachtige debuutalbum op de markt. Cabinet Of Curiosites is volgestopt met psychedelische popliedjes waarin de echo's uit het verleden overduidelijk doorklinken. In de opmaat naar de release van dit debuut zijn al namen genoemd als Syd Barrett, Brian Wilson en de relatief onbekende Curt Boettcher, maar ook zijn sporen te herkennen van The Moody Blues, Supersister en het obscure maar niet minder betoverende Eclection. Naast bas en wat steriel klinkende drums heeft Jacco kleurrijke arrangementen gemaakt waarin elektrische piano, klavecimbel en mellotron hoofdrollen vervullen. Twaalf aanstekelijke popliedjes in een charmant, veelkleurig jasje vormen tezamen een bijzonder verrassend debuut van een zeer groot talent, toepasselijk verbeeld op de hoes: een jongetje in een sprookjeswereld.

Clear The Air / The One Eyed King / Puppets Dangling / Where Will You Go / Watching The Moon / Cabinet Of Curiosities / The Riddle / Lullaby / Help Me Out / Summer's Game / Chameleon / The Ballad Of Little jane

maandag 12 november 2012

The Dukes Of Stratosphear | 25 O’Clock


The Dukes Of Stratosphear zijn het slechtst bewaarde geheim van de jaren tachtig popmuziek. Hoewel de bandleden zich schuilhielden achter illustere namen als Sir John Johns, Lord Cornelius Plum, The Red Curtain en E.I.E.I. Owen, maakte platenmaatschappij Virgin om verkooptechnische redenen direct bekend dat het hier om XTC ging. 25 O’Clock, de eerste plaat en niet meer de een ep, verscheen op 1 april 1985 en verkocht drie keer zoveel als de laatste reguliere XTC-plaat. En dat terwijl 25 O’Clock niet meer dan een grap was en minder dan 5.000 pond had gekost. Op deze toverbal van een plaat wordt de voorliefde voor Britse psychedelica – Pink Floyd, Tomorrow, The Beatles – gebotvierd in zes dynamische, transparante songs, waarvan het titelnummer speciale vermelding verdient; een overdonderende mengeling van Sgt. Pepper, Pink Floyds 'Money' en Arthur Browns 'Fire'. Het succes smaakte naar meer en dus maakte XTC – na de opnamen van Skylarking – met opnieuw een beperkt budget een volwaardig album, wederom gestoken in een waanzinnige, psychedelische hoes. Psonic Psunspot is een waardige opvolger; een conceptalbum dat geen conceptalbum is, volgestopt met psychedelische gekkigheidjes, maar vooral ook met mooie songs. The Dukes Of Stratosphear-releases zijn volwaardige XTC-albums en behoren zonder meer tot het muzikale erfgoed van de jaren tachtig.

25 O'Clock / Bike Ride To The Moon / My Love Explodes / What In The World? / Your Gold Dress / The Mole From The Ministry

dinsdag 17 juli 2012

Green Pajamas | Book Of Hours

Ondanks de lijvige discografie is Green Pajamas een bescheiden band. De band uit Seattle maakte tussen 1984 en 2006 zo’n twintig albums, maar trad zeer weinig op en hield zich voornamelijk op in de studio. Green Pajamas is even bescheiden en verlegen als diens voorman Jeff Kelly. Green Pajamas ontstaat in 1983 als Jeff Kelly en Joe Ross elkaar op een feestje tegenkomen en erachter komen dat ‘Rain’ van The Beatles hun beider favoriete nummer is. Twee dagen later spelen ze samen met drummer Karl Wilhelm in een band: Felix The Cat Explodes. Kort daarop verandert het drietal zijn naam in het iets minder ridicule Green Pajamas. Intussen heeft het trio talloze nummers opgenomen in de huisstudio van Kelly en laat deze uitbrengen op Green Monkey, een label dat alleen maar cassettes uitbrengt. De debuutplaat Summer Of Lust verschijnt in 1984 dan ook alleen op cassette. Maar de Green Pajamas zijn ambitieus en productief – zanger/gitarist Jeff Kelly legt honderden uren muziek vast in zijn portable studio. Voor de opnamen van de opvolger treden gitarist Steve Lawrence en toetsenist Bruce Haedt toe, terwijl Joe Ross de band verlaat wegens ruzie met Kelly over een wederzijdse vriendin. Als kwartet nu nemen de Green Pajamas in Tom Dyers studio een twintigtal liedjes op, waarvan er twaalf terechtkomen op de bands eerste vinyl-release: Book Of Hours. De fijngevoelige en romantische geest van Jeff Kelly komt nadrukkelijk in beeld in de folky psychedelische liedjes, waarin gelaagde gitaren, casio’s en klavecimbels elkaar omarmen. De sfeer op Book Of Hours is Brits; 19e eeuws – geïnspireerd door de literatuur van Edgar Alle Poe en de zusters Bronte en de schilderijen van de Prerafaëlieten – en komt tot uiting via pastorale songs als ‘The First Rains Of September’ en ‘Time Of Year’. Onderscheidend en fraai is ‘Men In Your Life’ – à la Rain Parade met zijn waterval van psychedelische gitaren, terwijl ‘Stand In The Light’ een vreemde maar pakkende mix is tussen folky R.E.M. en cultband Pavlov’s Dog. Het toppunt van Green Pajamas’ Britse flower power-po en barokke psychedelica is het hartverscheurend fraaie ‘The Night Miss Sundby Died – een neo-psych klassieker. Book Of Hours is net als Summer Of Lust een vroeg hoogtepunt in het oeuvre van Green Pajamas en gek genoeg de enige plaat waarop Lawrence en Haedt meedoen; zij verlaten de band. Nog gekker is het dat mede-oprichter Joe Ross zijn ruzie met Jeff Kelly bijlegt en weer toetreedt tot de band, zodat Book Of Hours het enige album is van Green Pajamas waarop hij niet meedoet.

Ten Thousand Words / The First Rains Of September / Stand To Reason / The Night Miss Sundby Died / A Murder Of Crows / Ain’t So Bad / Paula / Men In Your Life / Stand In The Light / Bang Bang You’re Dead / Higher Than I’ve Been / Time Of Year

dinsdag 22 mei 2012

The Chamber Strings | Gospel Morning

Een warrige haardos, een oogopslag naar het niets: een gekwelde romanticus uit de goot. Een blik op Kevin Junior is voldoende om de associaties te laten stromen: Alex Chilton, Johnny Thunders, Peter Perrett, Nikki Sudden, Paul Westerberg. En inderdaad, Kevin Junior stevende af op totale zelfvernietiging – maar overleefde. De chronisch depressieve Kevin Gerber trekt in 1985 op 15-jarige leeftijd van Akron, Ohio naar Chicago, Illinois om zijn passie voor rock-'n-roll te leven en krijgt in het clubcircuit, jong als hij is, de bijnaam 'junior'. Hij richt The Mystery Girls op, een band die in 1992 wordt omgedoopt tot The Rosehips en twee jaar later een album uitbrengt bij een major. Kevin Junior raakt dan innig bevriend met Epic Soundtracks van The Swell Maps en broer van Nikki Sudden. Voor de band van Epic Soundtracks zoekt Kevin Junior bandleden in Chicago, maar uiteindelijk komen ze in de band van Junior zelf terecht: The Chamber Strings. Na een tournee door Europa met Soundtracks neemt Junior tussen oktober '96 en februari '97 in Angel Studios in Chicago elf zelfgepende nummers op met producer en bassist Ellis Clark, drummer Anthony Illarde, toetsenist Todd Flechter en de gitaristen Aaron Bright en Tom Fowler. Op het resultaat, Gospel Morning, betoont Kevin Junior zich de breekbare romanticus die zwelgt in decadente jaren zeventig rock, zoals de swagger van The Rolling Stones en The Faces in 'Dead Man's Poise' en 'Cold, Cold Meltdown'', en Only Ones-postpunk in 'The Race Is On' en 'Thank My Lucky Stars' – de laatste opgenomen in Londen. De overheersende sfeer op Gospel Morning is echter die van verval, verlies en wanhoop en doet sterk denken aan de deprimerende sound van Big Stars Third. Magistrale, in mineur gestemde songs als 'Flashing Star', 'I Can't Lose' en 'All Of Your Life' laten een fragiele, magnifieke Junior horen die wordt begeleid door herfstige strijkers, barokke toetsen en lyrische gitaarsolo's. Gospel Morning bereikt dan zijn bij de strot grijpende apotheose in de kaalslag van 'No More Songs'. In de herfst van 1997 komt Gospel Morning via een klein label, Idiot Savant Music, in een oplage van 1.000 stuks op de markt en wordt nauwelijks opgemerkt. Opnieuw gaat Junior dan in Engeland toeren met Epic Soundtracks, maar bij terugkomst uit Engeland, dat hij heeft moeten verlaten vanwege een aflopend visum, verneemt Junior dat de zwaarmoedige Soundtracks is overleden aan overdosis antidepressiva. Kevin Junior komt de schok niet te boven en verliest zich in een zware heroïneverslaving, die aanvankelijk in 2001 een wonderlijk creatieve piek oplevert in de vorm van het orkestrale Month Of Sundays – al is de doorgetripte Junior totaal onhandelbaar in de studio. Maar dan gaat het bergafwaarts met Kevin Junior. Hij verliest zijn band, verkoopt al zijn spullen en gitaren en leeft in Los Angeles het leven van een aan heroïne, cocaïne en alcohol verslaafde dakloze. Zelmoordpogingen, gevangenisstraffen en ziekenhuisopnamen – Junior blijkt een lekke hartklap te hebben – krijgen hem er echter niet onder. Hij overleeft ternauwernood en gaat weer muziek maken; gaat in 2004 op tournee met Nikki Sudden door Europa – a living hell. Terug in Chicago sterft hij bijna aan een overdosis valium, maar in 2006 komt hij definitief tot inkeer als hij hoort dat Nikki Sudden na een optreden in New York overlijdt door een overdosis. Kevin Junior overleeft zes jaar in de goot, heeft in 2007 zijn band weer bij elkaar en heeft talloze nieuwe songs geschreven voor wat het derde album van The Chamber Strings moet worden. Met Gospel Morning heeft Kevin Junior in ieder geval al een gebutst, verloren meesterwerk op zijn naam staan.
Flashing Star / Telegram / Everyday Is Christmas / Dead Man's Poise / I Can't Lose / Victorian Arms / The Race Is On / All Of Your Life / Gospel Morning / Cold, Cold Meltdown / Thank My Lucky Stars / No More Songs

donderdag 16 februari 2012

The Moffs | Labyrinth

Eerst is daar in 1985 de single ‘Another Day In The Sun’, een waanzinnige mix van Neil Young-gitaren en zweverige psychedelica. Wie zijn deze volslagen onbekende Moffs dat ze met zo’n uitgebalanceerd meesterwerkje debuteren? Een jaar later komt het antwoord in de vorm van een mini-lp, het zelfgetitelde The Moffs. En met het verschijnen van dit superieure staaltje neo-psychedelica wordt duidelijk wie The Moffs zijn: vier jonge muzikanten uit Sydney, Australië, onder wie zanger, componist en bandleider Tom Kazas. Op grond van de vijf nummers tellende mini-lp wordt duidelijk waar The Moffs hun inspiratie vandaan halen: van de psychedelica van Pink Floyd en de progrock van King Crimsons debuutplaat. Vier twintigers die zich onderdompelen in de muzikale geneugten van de sixties: windorgel, tapevertraging, vervormde Farfissa’s, hallucinerende gitaarsolo’s en jawel, de massieve sound van de mellotron. Optreden doet de band vooralsnog alleen maar in de binnenstad van Sydney maar de berichten sijpelen al snel naar buiten dat dit ware happenings zijn, compleet met een waanzinnige lichtshow en een publiek dat in kleermakerszit weg zweeft op de geestverruimende klanken van de Moffs-muziek. In een nieuwe bezetting, The Moffs bestaan dan uit Tom Kazas (zang, gitaren, mellotron), Scott Barnes (Hammond, piano, synthesizer), Andrew Byrnes (drums, tamboerijn) en David Byrnes (bas, zang), neemt de band in februari 1988 het volwaardige debuutalbum op in Studios 301 in thuishaven Sydney. Voor de albumrelease komt op single nog het uit 1986 daterende ‘Flowers’ uit, maar in de zomer van 1988 verschijnt dan het lp-debuut Labyrinth. The Moffs borduren voort op de met de mini-lp ingeslagen weg, maar het perspectief is verschoven naar het begin van de jaren zeventig, een periode waarin de Britse rural progressive hoogtij viert. Sfeervolle melodieuze rock, fantasierijke composities van vijf minuten en meer en een open, organische sound waarin elektrische gitaar, Hammond, synthesizer en mellotron centraal staan zijn aldus de ingrediënten van Labyrinth. Gedragen op een warme zomerbries zweven overweldigende songs als ‘The Grazing Eyes’, ‘Desert Sun’ en ‘Who’ll Point You’ hoog de ijle lucht in, in de richting van de zon. Warmbloedig, panoramisch en uitgevoerd in de mooiste kleuren klinken ook uitgesponnen tracks als de instrumental ‘Stealing Cake’ en het mede door oboe en tablas oriëntaals getinte ‘Tapestry’. Maar de hoogste vlucht – op Daedalus’ vleugels – en de zachtste landing ondergaan The Moffs in de kristallijnen opener ‘Touch The Ground’, waarin gitaren, toetsen en het gedragen stemgeluid van Tom Kazas volmaakt samensmelten. Dit alles tezamen maakt van Labyrinth een neo-hippieklassieker, zo dit genre bestaat. In 1988 is de pastorale pracht van de Moffs-muziek in ieder geval een anachronisme. Dat schijnt Tom Kazas ook te beseffen, als hij niet lang na de release van het debuutalbum The Moffs opheft. Twee singles, een mini-lp en een album is de bescheiden nalatenschap, en hoewel aan het zicht onttrokken, geeft dit wel toegang tot een adembenemend en toverachtig muzikaal wonderland.
Touch The Ground / Tapestry / Surprised / The Grazing Eyes / Desert Sun / Always A-Flame / Stealing Cake / Who’ll Point You

woensdag 4 januari 2012

The Rain Parade | Emergency Third Rail Power Trip

De hoesfoto dateert van minstens een eeuw geleden. Toen de wereld draaide op stoom en de mensen vermaakt werden met ballonvluchten. Ballonvluchten die ondernomen werden door waaghalzen die het luchtruim tartten en onzeker waren over de afloop. En net als de hoesfoto komt The Rain Parade ook uit een heel ander tijdperk dan het huidige tijdsgewricht. Sterker nog, The Rain Parade was al nostalgisch en ouderwets op het moment dat zij aan het rockfirmament verscheen. The Rain Parade was een met helium gevulde ballon, bemand met waaghalzen die onzeker waren over de afloop. Met Emergency Third Rail Power Trip beleefden ze hun finest hour. Het momentum van het debuut wisten ze nog een EP vol te houden. Totdat de groep topzwaar neerstortte.
De groep rond de gebroeders Steve en David Roback was de dromerigste en meest psychedelische exponent van The Paisley Underground, een verzamelnaam van groepen die actief waren in het Los Angeles van de begin jaren tachtig. The Rain Parade kwam uit het niets en zette zichzelf met ETRPT op de kaart van de tijdloze muziek. Tijdloos, omdat de The Rain Parade alles in zich verenigde wat echte muziek de moeite waard maakt: vakmanschap, emotie, dynamiek en bovenal, verbeelding. De muziek op de plaat roept beelden op van vergankelijkheid, van verlies, van hoop en van berusting. De zweverigheid vermengd met agressieve gitaarsolo’s en breed uitwaaierende orgelpartijen laat een wereld zien waar schoonheid en zeggingskracht samengaan. De songs zijn puntig en gericht en toch lijken ze als zeepbellen weg te zweven op een lauw briesje. De krinkelende Rickenbackers doen sterk aan The Byrds denken. The Byrds ten tijde van Notorious wel te verstaan. Psychedelica is hier het magische woord. Schatplichtig aan de sixties maar toch stevig geworteld in de jaren tachtig. De jaren tachtig van REM, van The Gun Club, ja zelfs van U2. En waar deze groepen de kunst verstonden om epische nummers te verpakken in de lyriek van het tijdsbeeld, daar dreef The Rain Parade mee op de vloedgolf van zijn tijdgenoten. Op eigen kracht bereikte de groep een niveau dat in mijn ogen in latere tijden niet vaak meer bereikt zou worden. Ouderwets maar niet gedateerd, modern maar tijdloos. Nu nog staan de nummers fier overeind. Het is nog steeds fijn wegzweven op ‘This Can’t Be Today’, ‘Look At Merri’ of ‘Kaleidoscope’ of meedeinen op ‘Talking In My Sleep’ of ‘What’s She’s Done To Your Mind’. Dit is de geestverruimende muziek van de jaren tachtig, negentig en kan nog zeker een paar decennia mee in de nieuwe eeuw.
Dat geldt niet voor de groep zelf. Na dit meesterlijke debuut verscheen er nog een EP getiteld Explosions In The Glass Palace. David Roback heeft de groep dan al verlaten en richtte met Dream Syndicate’s Kendra Smith Clay Allison op. De groep die op haar beurt weer incarneerde in het al even psychedelische Opal en vervolgens in Mazzy Star.
De doodsteek kwam toen The Rain Parade getekend werd door major Island. De druk werd te groot. Na een slechte live lp en een bij vlagen uitstekende plaat, toepasselijk getiteld Crashing Dream, was het zwevende vermogen van de groep totaal opgebruikt. Na grote hoogten te hebben bereikt stortte de ballon die The Rain Parade was hulpeloos ter aarde. Wat rest is een meesterwerk.
Talking In My Sleep / This Can’t Be Today / I Look Around / 1 Hr ½ Ago / Carolyn’s Song / What She’s Done To Your Mind / Look At Merri / Saturday’s Asylum / Kaleidoscope

Painted Hills | Painted Hills



Niet voor niets klinkt het gelijknamige debuutalbum van Painted Hills verwant aan de neo-psychedelische countryrock van Beachwood Sparks. Zanger/gitarist Josh Schwarz maakte namelijk ooit deel uit van de kosmische Californische rockers. Painted Hills is in de kern een soloproject van Schwartz, doch de in 2010 gereleasde debuutplaat werd met behulp van bevriende muzikanten opgenomen. Painted Hills klinkt als een groepsalbum; klinkt als een kleurrijk, betoverend groepsalbum dat het Westcoast-stempel met verve draagt. In elf soeverein zwevende songs keert Painted Hills terug naar de gouden tijden van de begin jaren zeventig Laurel Canyon-scene van Neil Young en The Byrds. De meest dominante invloed op Painted Hills is echter The Rain Parade, getuige de dromerige melodiëen, de slepende composities en het geestverruimende gitaarspel van Schwartz. Opener 'Come On Down' zet de toon voor een fantastische serie hallucinerende, in acid gedrenkte liedjes: 'Kaleidoscope Eyes', 'Morning Light', 'Everybody', 'Down Down', 'Knew That I'd Want You' – glinsterende parels opgepoetst door rinkelende, zoemende en kronkelende gitaren. Uitgebracht op het indie-label van Ric Menk (Velvet Crush), bezorgen zoals verwacht de cd noch de vinyl dubbel-lp Painted Hills enige internationale bekendheid. Wat niets af doet aan de fascinerende, neo-psychedelische, kosmische country-trip die Painted Hills daadwerkelijk is
Come On Down / Kaleidoscope Eyes / Sitting On Your Stone / Morning Light / Stella's Raga / Everybody / Dreams / The Sound & The Fury / Down Down / Wagon Blues / Knew That I'd Want You

maandag 2 januari 2012

Beachwood Sparks | Beachwood Sparks

Net als de The Long Ryders twintig jaar voor hen, zijn de Beachwood Sparks op bijna genante wijze schatplichtig aan de folk- en countryrock van The Byrds, Buffalo Springfield en The Flying Burrito Brothers. Beachwood Sparks ontstaat in 1997 als een soort muzikaal hippiecollectief dat ten huize van bassist Brent Rademaker countrymuziek speelt. Als het kwartet – de overige muzikanten zijn Chris Gunst (gitaar, mondharmonica, zang), Farmer Dave Scher (orgel, zang) en Aaron Sperske (drums, zang) – de pedal steel ontdekt, en de uitzichten die dat biedt, raken ze verslingerd aan de ware Cosmic American Music. Op hun zelfgetitelde debuut gaan de Beachwood Sparks in de tijdmachine terug naar de early seventies. Vertrekpunt is The Byrds circa de toetreding van Gram Parsons. Spacey countryrock in een twintigste-eeuws jasje – wat bevestigd wordt door de cd-inlay: de vier knapen ogen als originele kosmische cowboys. De muziek die zij ten gehore brengen is dienovereenkomstig. Veertien avontuurlijke countryliedjes die zich genoeglijk nestelen in een aantrekkelijke psychedelische omgeving. Veel ruimte voor speelse mondharmonica en jubelende pedal steel – in ‘The Calming Seas’ – , veel aandacht voor harmoniërende samenzang, en wat vooral heel belangrijk is, veel heel mooie liedjes. Alles lijkt te kloppen aan dit debuut, van de tinkelende Rickenbacker tot de krabbende Gretsch gitaar, van de rammelende tamboerijnen tot het krakende orgel, van de hallucinerende tape-effecten tot de close-harmony zang – zeer fraai in ‘New County’. De vergelijkingen met The Byrds ten tijde van The Notorious Byrd Brothers liggen voor de hand, maar ook Love en Buffalo Springfield zijn herkenbare invloeden. De Beachwood Sparks stoppen evenveel country als psychedelica in hun muziek en dat maakt dit debuut tot een klassieke Westcoastplaat die uitermate geschikt is voor retrorockers, countrypickers, en sixtieslovers. Dit is ‘Cosmic American Music’ zoals Gram Parsons het bedoelde – en de Beachwood Sparks zijn zijn onechte kleinkinderen.
Desert Skies / Ballad Of Never Rider / Silver Morning After / Singing Butterfly / Sister Rose / This Is What It Feels Like / Canyon Ride / The Reminder / The Calming Seas / New County / Something I Don’t Recognize / Old Sea Miner / See, Oh Three / Sleeping Butterfly