Posts tonen met het label Neder gitaarpop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Neder gitaarpop. Alle posts tonen

zondag 12 november 2017

Blue Guitars | While Away The Time 1990-1994

De Nederlandse rockmuziek beleeft in de begin jaren negentig hoogtijdagen. Na de Amsterdamse School van de jaren tachtig - Fatal Flowers, Claw Boys Claw, Blue Murder, The Landlords - komen er in het zog daarvan talloze bands op, die vooral het vaderlandse rockklimaat internationaliseren. De Nederlandse gitaarpop is dan met bands als Blue Guitars, Daryll-Ann, The Serenes, Indian Summer en The Prodigal Sons van een ongekend hoog niveau; zij verdienen alle een monument. Dat monument krijgt Blue Guitars nu met de machtige overzichtsplaat While Away The Time 1990-1994, niet voor niets vernoemd naar de debuutsingle die in 1989 op het fameuze Kelt-label verschijnt. 
De vier Deventenaren - Dick Dijkman (zang, gitaar), Bert Dijkman (gitaar), Erik van Loo (contrabas), Ben Heersping (drums) - brengen in 1991 hun eerste album uit, dat volgestouwd is met prachtige melancholieke en herfstige gitaarliedjes die enerzijds veel wonderlijke folkinvloeden etaleren maar anderzijds ook refereren aan R.E.M.’s Fables Of The/Reconstruction Of The (1985). Het is onnederlands goed. Het zelfgetitelde eerste album wordt een jaar later opgevolgd door Shellfish - al even sterk als het debuut - waarna in 1993 met een nieuwe drummer het curieuze Music From Heaven verschijnt - een soort van countryproject. Waterwings is in 1994 helaas Blue Guitars’ zwanenzang. 
Maar nu is daar, 23 jaar later, een fantastische vinylcompilatie waarop de favorieten, althans mijn favorieten, de revue nog eens passeren en om ons vooral op het hart te drukken hoe goed, intens en verfijnd de Blue Guitars in de jaren negentig waren. Luister maar naar parelende popsongs als ‘Summer Rain’, ‘Pearly White Day’ en ‘Quiet Boy’, met kristallijnen gitaarspel, en steeds van een onnadrukkelijke eenvoud. Of luister naar het wervelende gitaarcrescendo in ‘You Say It’s Cruel’. Of beter nog, luister naar Blue Guitars’ stroperig meanderende folky ballads met een hoog zwevend gehalte en een ingehouden, droeve spanning. Waarlijk schitterend zijn ‘Island In The Sky’, ‘Happy Accident’ en ‘A Good Year For The Lost’, en wat mij betreft de fraaiste, de meest weemoedige en doortrokken van een peilloos verlangen: ‘While The Time Away’.
Het gekleurde vinyl, op zich al prachtig, wordt ook nog eens vergezeld van een cd met daarop dezelfde nummers en meer nog: een cover van Bowies ‘What In The World’ van Low; en nog twee onlangs opgenomen songs, onder de naam Blauwe Gitaren en gezongen in de moerstaal. While Away The Time 1990-1994 is een schatkist vol lang verborgen muziek, die eenmaal geopend de luisteraar flonkerend en glinsterend tegemoet treedt. Verschijnt er dit jaar nog een mooiere compilatie? Ik dacht het niet.

‘While The Time Away’ | ‘Quiet Boy’ | ‘Island In The Sky’ | ‘When I'm In Velvet’ | ‘Pearly White Day’ | ‘Madelynn' | ‘A Good Year For The Lost’ | ‘Summer Rain’ | ‘A Fool Is A Star’ | ‘Happy Accident’ | ‘Waterwings' | ‘Fever Dreaming’ | ‘You Say It's Cruel’ | ‘Close Down’

Tevens gepubliceerd op platomania.nl en in een verkorte versie in Mania # 342.

woensdag 21 augustus 2013

The Serenes | Back To Wonder

Pretenties heeft Theo de Jong niet, al vindt hij zichzelf wel de grootste ouwehoer van Joure. De zanger/gitarist van The Serenes is een sympathieke zonderling, die het van grote woorden noch grote gebaren moet hebben. Aards, eigenzinnig en kwetsbaar; een muzikale poët van de koude grond. Eind jaren tachtig voegt parttime fabrieksarbeider De Jong zich bij zanger/gitarist Paul Dokter in The Toylets. Gezamenlijk starten ze met drummer Joan Hooghiemstra en bassist Ale Bosma The Serenes. Het componistenduo De Jong/Dokter blijkt een eigen stijl gevonden te hebben waarin folk, rock en new wave vermengd worden. Ver van de Randstad, vanaf het Friese platteland, lanceren The Serenes in 1990 hun grandioze debuutplaat Barefoot And Pregnant die in Nederland goed wordt ontvangen. Maar de grootse verwachtingen en het toeren langs ’s lands jeugdhonken, versterkt door het stevige blowen en drinken leveren spanningen op binnen The Serenes. Eerst vertrekt bassist Bosma, dan Paul Dokter en tot overmaat van ramp krijgt de onzekere De Jong een writer’s block. Na anderhalf jaar komt De Jongs zelfvertrouwen terug door nieuwe bassist Pyter Kuipers en de gunstige reacties op zijn nieuwe composities, die vooral tijdens depressies tot stand komen. Met het sluiten van een deal met major BMG/Ariola en het aantrekken van gitaarrockproducer Lou Giordano komt De Jongs grote doorbraak naar betere tijden. De Amerikaan schenkt de Fries zijn volste vertrouwen. Bovendien blijkt dat Giordano een voorliefde voor de natuur en voor vogels gemeen heeft met De Jong. Alvorens de nieuwe Serenes-plaat in Studio Zeezicht in Spaarndam op te nemen, trekken de twee naar Terschelling om door de natuur te zwalken en vogels te observeren. Het resultaat van de activiteiten binnen en buiten de studio is Back To Wonder, een verbluffend sterk gitaarpopalbum. De Angelsaksische sfeer van het lichtvoetige Barefoot And Pregnant is op Back To Wonder ingeruild voor een Amerikaanse, zwaarder aangezette sound. Dit is herkenbaar aan de logge bassound van Kuipers, maar vooral aan de grofkorrelige, overstuurde gitaar van De Jong in magische en meeslepende rocksongs als ‘Spirit (Let Me Walk With You)’, ‘Millbank Wood’ en ‘Wider Green’. Het stemmige en herfstige ‘Here’ is met zijn strijkers een rustpunt en ook de folky akoestische gitaren en het orgel van Rob van Zandvoort in ‘Love Under Will’ zorgen voor een fraai verstild moment. Hoewel Back To Wonder nadrukkelijk de landelijke, organische sfeer van het platteland ademt, klinken vooral de gitaarrock van Hüsker Dü en de koele romantiek van Joy Division door. Voortgejaagd door de krassende, roterende gitaarsound van De Jong en voorzien van diens van weemoed druipende composities zijn de Sturm und Drang van ‘Dreamscape’ en ‘Back To Wonder’ eenvoudigweg overrompelend. Een letterlijke verwijzing naar Joy Division is terug te vinden in ‘Every Sunday’, een fraaie popsingle die inderdaad een radiohit wordt. Aangestoken door het Nederlandse succes van single en cd, wordt Theo de Jong overmoedig: ‘Ik wil wereldberoemd worden.’ 
Dat lukt hem niet met The Serenes en ook niet met Slide en Simmer. Op 6 juni 1998 neemt Theo de Jong op het Frozenland-festival afscheid van zijn publiek met de woorden: ‘Tot niet meer ziens’, hopelijk in het besef dat zijn Back To Wonder een puur meesterwerk is. Wat het inderdaad is.

Spirit (Let Me Walk With You) / Feel Me / Every Sunday / Millbank Wood / Here / Dreamscape / All Of These Days / Wider Green / Love Under Will / Back to Wonder / The Gathering Of Eighteen Years Of Silence

dinsdag 26 maart 2013

The Rousers | A Treat Of New Beat


Een onbetwistbare mijlpaal in de vaderlandse rockhistorie. Dat moet meer dan 20 jaar na de release de conclusie zijn bij de beluistering en beoordeling van de sensationele rock-‘n-rollplaat van The Rousers. A Treat Of New Beat is, eenmaal ontdaan van het stof, nog even energiek en catchy als bij zijn verschijning in 1980 en ook nu nog dringt zich het gevoel van vaderlandse trots op. Oerhollandse lulligheid klinkt luid door in de op gejaagde punkpop gestoelde teenangst van dit kwintet uit – hoe kan het treffender – Broek op Langedijk.
The Rousers vinden hun definitieve vorm als zanger Bonne Zigtema in 1979 tot de groep toetreedt, die dan verder bestaat uit broer Wieb Ziegtema (gitaar), de broertjes Cock (zang, gitaar) en Jan de Jong (drums), en Rob Marienus (bas). In deze constellatie probeert de band onderdak te vinden bij een platenmaatschappij, maar deze zien het niet in The Rousers zitten. Wie het wél ziet zitten is de uitbater van de hoofdstedelijke platenshop No Fun, Hansje Joustra. Joustra – punkpleitbezorger van het eerste uur – is de kersverse eigenaar van het Torso-label en biedt de jonge honden een platendeal aan. Met de hulp van niet echt ervaren studiotechnici, waaronder ook Joustra, slingeren The Rousers zeventien nummers op de band, die in verschillende vorm, alle een plekje zullen vinden op A Treat Of New Beat.
Aan de lp gaat eerst een single vooraf: ‘Magazine Girl’. En die zorgt voor enige opschudding in Hilversum; de AVRO weigert het nummer te draaien vanwege het pornografische karakter ervan en ook dj Frits Spits, niet befaamd om zijn progressieve muzieksmaak, laat zich negatief uit over The Rousers’ debuutsingle. De kritiek van de brave Hilversumse broeders is eerder een aanbeveling dan een afkeuring, gewoon omdat ‘Magazine Girl’ een perfecte drieminuten-popsingle is. En pornografisch is de tekst zeker niet, hooguit een uiting van puberromantiek, oordeel zelf maar: I found my girlfriend in some porno-magazine / The way she looked at me, o boy was so obscene.
‘Magazine Girl’ is de voorbode van de debuut-lp, die in januari van 1980 verschijnt en bij de critici en een kleine kring van ontvankelijke geesten inslaat als een bom. Na de simpele kreet Rousers! vangen de knapen aan met het weergaloze ‘Rock ’n Roll Or Run’ – gelijk al een hoogtepunt van de plaat – en met een tomeloze vaart rammen The Rousers hun hyperpotente gitaarsound door de speakers. Een sound die herinneringen oproept aan de fameuze nederbeat van The Outsiders en Q 65. The Rousers noemen het zelf New Beat en dat is een rake typering – overigens niet gespeend van enige zelfrelativering. The Rousers hebben dan ook een ironische uitstraling die het midden houdt tussen die van The Monkees en The Ramones, en dompelen zich onder een lauw bad van Hollandse knulligheid. Die voor de polderjongens zo typerende lulligheid is uiterst treffend neergezet in zowel beeld als geluid. Want onderdeel van dit no-nonsense imago is de geniale hoes waarin deze verzameling punkpopjuweeltjes is gestoken. Niemand minder dan illustrator/ontwerper Joost Swarte – die later gemanaged zal worden door diezelfde Joustra – heeft in de van hem bekende Klare Lijn een fraai tableau neergepensenseeld, voorzien van allerhande grafische details. Dit fabuleuze ontwerp heeft een versterkend effect op de inhoud, want de wijze waarop Swarte de bandleden in een snackbar portretteert, verschaft hun een extra aura van knulligheid. Maar knullig of niet, geheel onbevangen en ongeremd doen The Rousers in minder dan 40 minuten hun energieke verhaal, aangejaagd door een aanstekelijke huppelbeat en puntige gitaarriffs. De teksten, volgestouwd met tienerromantiek, worden tegen een punkpopdecor à la The Buzzcocks of The Undertones door Bonne Zigtema koel en schijnbaar onaangedaan voor het voetlicht gebracht. Maar ook de jaren zestig-invloeden zijn minstens zo dominant aanwezig; naast de genoemde nederbeat zijn duidelijk herkenbare Merseybeat-injecties – zoals Beatles- en Hollies-koortjes – en garagepunkaccenten waar te nemen.
A Treat Of New Beat laat in veertien bedrijven – alle klokkend rond de drie minuten – de Sturm und Drang zien die in de vijf polderjongens is gevaren. Deze gedrevenheid is – in al zijn geledingen – perfect vormgegeven in een machtige verzameling compacte en springerige rocksongs. De bij de eerste persing bijgeleverde 7”-single completeert een album dat tot beste van de vaderlandse rockgeschiedenis behoort te worden gerekend. A Treat Of New Beat is klassieke NL-rock en is, hoe kan het anders, perfecte New Beat.

Rock ‘n Roll Or Run / Leave Us Alone / Life Is A Song / Intensive Caren / Nice & Friendly People / All I Can See / Ain’t Got A Minute To Lose / Magazine Girl / First Thing Tomorrow / People To Meet / The Rock / Face The Day / Ann-Louise / Lost & Broken Hearted / 7”: Nothing Else To Do / Back Off / What A Way To Go


maandag 7 januari 2013

Claw Boys Claw | Shocking Shades Of Claw Boys Claw


Vijfhonderd gulden. Vijfhonderd gulden kostten de opnamen van een van de wellicht beste Nederlandse rockplaten ooit. Na het winnen van een talentenjacht in een Amsterdamse discotheek mag Claw Boys Claw een singletje opnemen. Leuk. Maar in één middag, of eigenlijk in drie uren, neemt de band voor dat geld twaalf nummers op in de studio van Stichting Popmuziek. Die opnamen verschijnen zonder overdubs – gewoon het ruwe product – in het voorjaar van 1984 als Shocking Shades Of Claw Boys Claw; als de debuutplaat van trash-rockers Claw Boys Claw. De plaat slaat een diepe krater in het dan vlakke Nederlandse muzieklandschap en komt bovendien van een geoliede, vette rock-’n-rollmachine die dan krap aan een jaar bestaat. Oprichter Allard Jolles en bassiste Bobbie Rossini komen uit de punkgroep The Suspenders, gitarist John Cameron uit Odorex. De groep noemt zich dan Combala, maar na de toetreding van Peter te Bos – docent aan de Rietveld Academie en toegerust met een enorme muil – wordt het kwartet omgedoopt tot Claw Boys Claw. Claw Boys Claw is de punk voorbij en heeft de blik strak gericht op de garagerock van The Gun Club en The Cramps en de sixtiespunk van The Stooges. Aangevoerd door podiumgek Te Bos, die zijn ervaring in een mannenkoor meebrengt, en het gerafelde en rammelende gitaarspel van Cameron, staat Claw Boys Claw garant voor zinderende optredens in rokerige hoofdstedelijke zaaltjes. Die sfeer, die rauwe sfeer, is volop aanwezig op Shocking Shades Of Claw Boys Claw. De plaat is dan ook een opwindende mengelmoes van trash-, garage-, acid- en glamrock. In twaalf geweldig vuige rocksongs speelt Claw Boys Claw zich gelijk in de eredivisie van de Nederlandse rock en doet dat met respect voor de vaderlandse rockgeschiedenis. Hiervan getuigen de swampy cover van Shocking Blue’s ‘Venus’ en de gitaarriff uit Brainbox’ ‘Down Man’ in ‘Hippy On The Highway’. Het basspel van Bobbie is vanzelfsprekend sexy as hell en de drums van Jolles zijn immer in gestrekte draf, toch draait het op Shocking Shades Of Claw Boys Claw vooral om de opengesperde scheur van oom Peter en het rauschende gitaarspel van neefje John. Cameron is zeer effectief is in zijn primitivisme, zoals te beluisteren valt op smoezelige rockers als ‘Understanding Her’ en ‘Phantom Shark’, evenals de hortende en stotende rifferama op ‘Cars’ en de T.Rex-gitaar in ‘Shake It On The Rocks’. Shocking Shades Of Claw Boys Claw rammelt werkelijk aan alle kanten, en die puurheid en urgentie maken het debuut van Claw Boys Claw inderdaad tot een van de beste platen ooit in Nederland gemaakt.

Business / Venus / Melrose / Hippy On The Highway / Wanking Fun / Cars / Camargue / Understanding Her / Shake It On The Rocks / You Gotta Go / Feed Me To The Lions / Phantom Shark

zondag 22 juli 2012

Bettie Serveert | Palomine

Ze zijn de populairste Nederlandse gitaarband van de jaren negentig, ze komen uit Arnhem en ze vernoemen zich naar een net niet top-tennisspeelster. Ze zijn zeer succesvol in het Nederlandse clubcircuit, geven meerdere geslaagde optredens op Pinkpop en breken door in de Verenigde Staten. Al vanaf de oprichting in 1991 zijn de ogen gericht op Bettie Serveert. Bettie Serveert ontstaat als De Artsen uiteenvallen en gitarist Peter Visser en bassist Herman Brunskoeke samen met roadie Berend Dubbe en geluidsmixer Carol van Dijk een nieuwe band oprichten. Dubbe wordt de drummer en de van oorsprong Canadese Van Dijk de frontvrouw. Er ontstaat gelijk een buzz rond het kwartet, want de eerste demo zorgt gelijk al voor enthousiaste reacties en bezorgt de band in de zomer van 1992 een optreden op het prestigieuze New Music Seminar. Bettie Serveert heeft dan de platenlabels voor het uitkiezen, en kiest voor het kleine Nijmeegse independent-label Brinkman – maar sluit ook deals voor Engeland met een sublabel van 4AD en voor Amerika met independent Matador.
In de nazomer van 1992 wordt de debuutplaat dan opgenomen in Frans Hagenaars' Sound Enterprise-studio – waar later ook nederklassiekers als Weeps (1996) van Daryll-Ann Pergola (2001) van Johan zullen worden opgenomen. De single 'Tom Boy' is de voorbode van Palomine dat begin november uitkomt en al snel de Moordlijst van Oor/VPRO aanvoert. Opvallend op Palomine is de songgerichte aanpak; de gitaartrance van De Artsen heeft plaatsgemaakt voor scherp afgebakende liedjes die zijn opgebouwd volgens het hard-zacht-principe, karakteristiek voor de gitaarpop van de begin jaren negentig. Dromerige en soms ragfijne melodielijnen worden op Palomine dan ook meestal opgeduwd door een swingende, slepende rockbeat, die werkelijk fantastische songs als het broeierige 'Leg', 'Kid's Allright' en 'Tom Boy' in vuur en vlam zet. De zelfbenoemde verwantschap met een groep als Buffalo Tom komt tot uiting in 'Healthy Sick' – overigens een cover van Sebadoh –, terwijl Betty Serveert hun onderscheidende dynamiek subtiel neerzet in het moody 'Brain-Tag'. De sleutelsongs op het machtige Palomine zijn echter 'Balantine' en titelnummer 'Palomine, waarin de schuchtere, dromerig-naïeve zang van Van Dijk volmaakt samenvloeit met Peter Vissers aanvankelijk rammelende en jengelende gitaar, die daarop uitbarst in gierende en jankende feedback. Palomine is een waanzinnig sterk debuutalbum dat Bettie Serveert de jaren negentig in katapulteert en hen overal – Engeland, Amerika, Japan – ter wereld brengt. Bij een dergelijke staus hoort dan ook in ieder geval één geniaal album: Palomine.

Leg / Palomine / Kid's Allright / Brain-Tag / Tom Boy / Under The Surface / Balantine / This Thing Nowhere / Healthy Sick / Sundazed To The Core / Palomine (Small)

woensdag 30 mei 2012

Hallo Venray | The More I Laugh, The Hornier Due Gets!

Na zo'n vier jaar lolbroekerij in jeugdcentra en kraakpanden, wordt Hallo Venray serieuzer en professioneler. Heel, heel langzaam daagt bij zanger en songschrijver Henk Koorn het besef dat zijn band veel meer kan dan melig zijn en lol trappen. Opgericht in Den Haag in 1987 en de naam ontleend aan het truttige radioprogramma Los Vast, wordt Hallo Venray naast de ietwat schlemielige Koorn gevormd door gitarist Toon Moerland, bassist Peter Konings en drummer Dim Veldhuisen. Na twee rammelende albums worden de zaken serieuzer aangepakt – Henk Koorn heeft ook een echte baan bij de Haagse plantsoenendienst – zo blijkt uit het niet alleen toegankelijke maar ook voortreffelijke The More I Laugh, The Hornier Due Gets! De sound op de plaat, die is vernoemd naar een soundbite van Cissy Spacek in Coal Miner's Daughter, houdt het midden tussen de monotone rammel van de Velvet Underground en de countryrock-galop van Neil Young And Crazy Horse. De navel-hoes van ontwerper Jeroen van Erp doet de belegen radio-deejay Frits Spits verzuchten: 'Wat een acommerciële hoes!' Waarop de band maar liefst drie liedjes van het album als single uitbrengt: 'Slow Song', 'The Road' en 'The Summer Is Gone'. Het zijn alle drie ijzersterke songs met een rootsy inslag en fijn gitaarwerk. Het zwaartepunt van The More I Laugh, The Hornier Due Gets! ligt echter bij de langere songs: de in triest marstempo uitgevoerde ballad 'The Heart And The Soul'; het slepende en landerige 'Las Vegas', met een boven alles uit torende saxsolo van Hans Dulfer; en het prachtige muzikale portret van sukkelaar Tuck in de aarde verschroeiende Crazy Horse-rocker 'Tuck, The Man'. De beloning voor het geweldige The More I Laugh, The Hornier Due Gets! krijgen Koorn en kornuiten als ze in 1993 mogen aantreden op Pinkpop. Centraal op dit feestje staat Henk Koorn in zijn kanariegele pak, dat later plaats moet maken voor een gestippelde onderbroek.
The Summer Is Gone / Slow Song / Not So Long / Mr. Bigshot / Tuck, The Man / Eugene / Be Someone / The Heart And The Soul / The Road / Japanese Cars / Las Vegas

dinsdag 17 april 2012

Indian Summer | Upriver

Indian Summer. De browser van het Nederlands Pop Instituut geeft geen enkel resultaat; Indian Summer bestaat niet bij het NPI. Zoekmachines op het internet laten evenmin informatie los. Nergens lijkt er informatie te bestaan over Indian Summer, een Nederlandse countryrockband die in 1992 een magnifieke cd op de wereld losliet. Met als resultaat: zilch.
Indian Summer heeft zich niet kunnen manifesteren in het Nederlandse muzikale landschap, terwijl juist in de begin jaren negentig er volop aandacht was voor de ontwikkeling van een volwassen popcultuur. Het pad geplaveid door de Amsterdamse gitaarschool – met in de voorhoede Claw Boys Claw en Fatal Flowers – ontstonden er ook buiten Amsterdam lokale scenes die interessante bands opleverden. Een nieuwe gitaarlichting met als voorname exponenten De Artsen (later getransformeerd tot Bettie Serveert), Hallo Venray, Blue Guitars, The Prodigal Sons, The Serenes, Daryll-Ann en ook Indian Summer baseerde zich op klassieke rock en vermengde dat met folk- en countryrock-elementen. Vooral de laatste – Indian Summer – toonde zich een spannende hybride van gitaarrock en countryrock; met de nadruk op het laatste.
Indian Summer werd opgericht in Nijmegen, bestond uit zes bandleden en werd aangevoerd door zanger en componist Marc Brand. De band verdiende in 1990 een ereplaats tijdens de Roos van Nijmegen, een regionale talentenwedstrijd, en kwam hierdoor onder de aandacht van het Haagse platenlabel VAN. Indian Summer maakte vervolgens door hun intense optredens veel indruk op VAN, zodat het label de enige juiste beslissing nam: het bood Indian Summer aan een cd op te nemen.
In 1992 – een topjaar wat de doorbraak van de Nederlandse alternatieve gitaarrock betreft – verschijnt Upriver, een debuut waar Indian Summer voor altijd trots op mag zijn. Upriver is namelijk een ijzersterke countryrockplaat, die zelfs naar internationale maatstaven gemeten een van de beste platen in het genre is in het muziekjaar 1992. Indian Summer behoort vanzelfsprekend niet tot de originators van het genre dat zich op het kruispunt bevindt van gitaarrock en country, maar betoont zich wel op een respectvolle manier schatplichtig aan iconen als The Byrds, Warren Zevon en natuurlijk Neil Young. In die zin kan Indian Summer vergeleken worden – en de vergelijking doorstaan – met een band als R.E.M. Natuurlijk is de scope waarbinnen Indian Summer acteert van een totaal andere orde dan die van R.E.M., maar het zou – zeker in retrospect – een grote vergissing zijn om Indian Summer af te doen als epigonen. Indian Summer is namelijk uitstekend gekwaliceerd en zou, wellicht arbitrair, een wereldband hebben kunnen zijn, ware ze afkomstig geweest uit Amerika of Engeland. Helaas is dat niet zo, maar dat doet totaal niets af aan de kwaliteit van Upriver.
Upriver trapt af met het opzwepende en fraaie ‘Every Flower’ en hierin komen gelijk de kenmerkende elementen naar voren: de dubbele gitaarline-up – met een wisselwerking tussen de ritmische slaggitaar en de soepele soli van de leadgitarist – en de samenzang tussen Marc Brand en zangeres Lisa Pals. Deze samenzang roept de herinnering op aan de ultieme tandem Gram Parsons/Emmylou Harris en dat is een kwaliteit die de gehele plaat naar een hoger plan tilt. Marc Brand bedient zich daarbij van een cowboy- en westernachtige vocabulaire, waarbij hij obligate beeldtaal niet bepaald schuwt. Niettemin roepen de nummers een reële sfeer op van dorre landschapen, verlaten weggetjes en zinderende temperaturen – desertrock in optima forma. Hoogtepunten zijn er in overvloed, zoals ‘Southern Land’ met een gitaarsolo die qua intensiteit en sfeer niet ver verwijderd is van Neil Youngs ‘Like A Hurricane’, ‘For That Day’, met jankende pedal steel en ‘Long Forgotten Trails’ met zijn messcherpe en bloedmooie samenzang. Upriver sluit op zinderende wijze af met het epische – en ruim acht minuten klokkende – ‘The Hollow Road’. Een schitterend slotakkoord van een zeer overtuigende en fantasievolle cd.
Het blijft echter bij een cd. Indian Summer ondernam nog een tournee langs de vaderlandse podia, maar het lijkt erop dat de band als snel ontbonden werd. Op het platenfront werd nooit meer iets vernomen van deze uiterst talentrijke band. Zoals gezegd, zowel componist Marc Brand als Indian Summer is helaas geen voetnoot gegund in de historie van de Nederlandse popmuziek. En dat is een groot onrecht.
Every Flower / High Rider / Falling To Pieces / For That Day / Wind In My Hair / Long Forgotten Trails / Badlands / Bigger Than You / Osma / Southern Land / Wind All The Way / The Hollow Road

zaterdag 17 maart 2012

The Prodigal Sons | Wine Of Life

Ze halen in 1991 de finale van de De Grote Prijs Van Nederland, maar de ogen zijn vooral gericht op het solo-optreden van Erwin Nijhoff in Haenen Voor De Nacht, waarna de platenmaatschappijen toesnellen. Maar Nijfhoff en zijn band, The Prodigal Sons, zijn al onder dak en komen in september 1993 zeer verrassend voor de dag met hun debuut Wine Of Life. The Prodigal Sons, afkomstig uit Zwolle en omstreken , bestaan dan naast grote man Nijhoff – zanger, gitarist, songschrijver en slechts 20 jaar – uit bassist Albert Bartelds en drummer Henk Holsappel. Op de plaat krijgen ze versterking van gospelkoortjes, piano en slidegitaar, wat resulteert in een gedegen, volle sound. De vlotte rockers gebaseerd op de bluesy hardrock van Bad Company en de southern rock van The Black Crowes geven Wine Of Life dan ook een flinke vaart. Maar het zijn de traag trekkende nummers, ingekleurd met Hammond en mellotron, die indrukwekkend zijn: de fantastische single 'You Still Think', het Gene Clark-achtige 'In Another Land' en de epische afsluiter 'Dark Days', die schitterend naar een climax wordt gewerkt. Wine Of Life is een uitstekend product van vaderlandse bodem, dat een essentiële toevoeging is aan de dan in Nederland heersende hausse van fiere gitaarpop. In 1994 staat de band op Pinkpop; een jaar later komt het nog rootsier The Eye Of A Stranger uit, het tweede en tevens laatste album van The Prodigal Sons.
Last Song / Wine of Life / You Still Think / Shut Your Mouth / That's When I Love You / In Another Land / What About Yourself / Jimi / Waiting / Gone / Dark Days

vrijdag 23 december 2011

Daryll-Ann | Weeps

Exact acht jaar na het verschijnen van hun ultieme meesterwerk trekken de bandleden eind mei 2004 definitief de stekker eruit; Daryll-Ann is dus geschiedenis. Vijftien jaar ploeteren in de beperkte afzetmarkt die Nederland is. Pogingen om de vleugels uit te slaan over de landgrenzen mislukten jammerlijk, terwijl Daryll-Ann internationale allure bezat. De band heeft dit ruimschoots bewezen, middels een contract bij het Britse Virgin-label en door zowel met ‘I Could Never Love You’ als ‘Stay’ het predikaat single van de week bij de Melody Maker te verdienen. En natuurlijk vanwege de reeks schitterende platen die Daryll-Ann produceerde, met als hoogtepunt het monumentale Weeps.
Als in het voorjaar van 1995 Seaborne West, Daryll-Anns tweede, verschijnt, lijkt het de groep voor de wind te gaan; een Brits platencontract en voorprogramma van The Smashing Pumpkins op hun Engelse tournee. De band, dan bestaande uit Jelle Paulusma, Anne Soldaat, Jeroen Vos en Jeroen Kleijn, is enorm gegroeid sinds het debuut, is robuuster, geraffineerder geworden en ook de arrangementen van Paulusma en Soldaat verraden klasse en vernuft. Seaborne West wordt alom zeer goed ontvangen. Zoals zo vaak leiden goede kritieken echter niet tot hoge omzetten en dus wordt Daryll-Ann bij een bezuinigingsactie van Hut/Virgin bij het grof vuil gezet.
Daryll-Ann is dan terug bij af, maar weigert zichzelf op te heffen. Sterker nog; om de moraal te verhogen treedt Coen Paulusma, de tweelingbroer van Jelle, weer tot de band toe. Dit laatste blijkt een versterkend effect te hebben op de onderlinge samenhang tussen de bandleden, want hoewel vrienden, wrijvingloos zijn de verstandhoudingen binnen de band niet. Maar de revanchegevoelens overheersen en dus neemt de band in het korte tijdsbestek van elf dagen in de Concordia-studio in Weesp een serie nummers op onder leiding van Frans Hagenaars. Maar een platencontract heeft Daryll-Ann nog niet, dus zicht op de release van de opgenomen nummers hebben Paulusma en de zijnen niet. Aan het eind van 1995 heeft Darryl-Anns manager, Ferry Roosenboom, samen met producer Hagenaars een platenlabel opgericht: Electrolux. Het label tekent bands als Caesar, Slide (ex-The Serenes), Johan, Scram C Baby en 13 (ex-Fatal Flowers), maar Daryll-Ann is daar wonderlijk genoeg niet bij. Als Electrox onder druk van de gelijknamige stofzuigerfabrikant – ‘Nothing sucks like Electrolux!’ – in mei 1996 zijn naam verandert in Excelsior, blijken de eerste releases Caesars debuutplaat en Daryll-Anns Weeps te zijn.
Weeps – de titel zegt het al, ook al volhardt Jelle Paulusma dat het niets meer is dan een verbastering van Weesp – is het manifest van een band die is uitgehuild en die woede en verdriet opzij gezet heeft om artistieke wraak te nemen. Weeps is de ultieme wraak en Daryll-Anns grote bewijs van het eigen gelijk. Zestien nummers, 54 minuten en 35 seconden, diepgang, variatie en ruwe schoonheid; dat is Weeps. Maar meer nog; Weeps is een duizelingwekkende caleidoscoop, Weeps is vervreemdend, Weeps is zalig psychedelisch.
De openingsgitaarrif van ‘Tools R Us’ roept gelijk al Neil Youngs Crazy Horse in herinnering, hetgeen versterkt wordt door het nasale stemgeluid van Jelle Paulusma – hier is een band aan het werk die nadrukkelijk zijn invloeden etaleert. Wars van modieuze en opportunistische trekjes smeedt Daryll-Ann het typische melancholieke polder- en kustgevoel en de geraffineerde Westcoastsound aaneen. Folky elementen, Slauerhoff-idioom en de verbeelding van Ruysdael-luchten kenmerken de oer-Hollandse invloeden aan de ene kant, terwijl de logge gitaarsound en de fabuleuze samenzang refereren aan The Byrds, Moby Grape en Buffalo Springfield. Weeps is aldus een welhaast een perfecte hybride: een combinatie die meer is dan de som der delen. Daryll-Ann is nog verder gegroeid en gerijpt en is op Weeps een geoliede machine. De productie bezit een diep laag en een snerpend hoog, hetgeen fraai tot uitdrukking komt in spanningsvolle songs als ‘Springfever’ en ‘Ocean Drive’. In meesterlijke popliedjes als ‘Tremble Forte’, Mean Love’ en Summerdaze’ – met opnieuw een hoofdrol voor de harmonieën – zijn krakende geluiden en sfeervol gitaargerommel toegevoegd. Gitarist Anne Soldaat is zowel effectief als zeer inventief in zijn begeleiding alsook in de glasachtige solo’s. Jelle Paulusma toont zich een topvocalist; zijn zang is werkelijk fabelachtig. Het intieme ‘Elegy’ – het rustpunt van de plaat, waardoor de klasse van de overige nummers zich onnadrukkelijk aan de luisteraar opdringt – is een solonummer van Paulusma, opgenomen op een eenzame zolderkamer. Deze uitgesproken melancholie wordt nog eens benadrukt door het afsluitende ‘Dustyfied’, waarin de geest van Alexander Spence rondwaart. Weeps, per saldo, etaleert groei en wijsheid, logheid en diepgang. Weeps is een ruwe diamant en is ondanks het latere Happy Traum de sleutelplaat in de bandgeschiedenis, het scharnierpunt én de stroomversnelling in de muzikale ontwikkeling van de tandem Paulusma en Soldaat. Weeps biedt een verzameling sensationele rocknummers opgehangen aan compacte songstructuren, benadrukt door zangharmonieën die hun gelijke nauwelijks kennen. De samenzang van Jelle en Coen Paulusma en Anne Soldaat is op Weeps tot in de perfectie doorgevoerd. Het maakt het verschil tussen een topklasse album en een meesterwerk. Daarom is Weeps een mijlpaal in de vaderlandse rockgeschiedenis, onbetwistbaar.
Tools R Us / Always Share / A Proper Line / Mean Love / Sheeszalitch / Springfever / Scott And Lesley / Tremble Forte / Safe Beef / Elegy / April / Summerdaze / Rollecoaster / My Only World / Ocean Drive / Dustyfied