Posts tonen met het label 1991. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1991. Alle posts tonen

maandag 30 juni 2014

Dinosaur Jr. | Green Mind

De rammelende hardcorepunk annex feedback-gitaarnoise van de zelfgetitelde debuutplaat uit 1985 doet allerminst vermoeden dat Dinosaur – dan nog zonder Jr. – grondleggers zijn van een genre dat in de jaren negentig met Nirvana en Soundgarden mondiaal zal doorbreken. De oerbezetting van de band uit Amhurst, Massachusetts bestaat uit Jay Mascis – geswitcht van drums naar gitaar –, Lou Barlow – van gitaar overgestapt op bas – en drummer Murph. Dinosaur Jr. maakt met de albums You're Living All Over Me (1987) en Bug (1988) school door Black Sabbath-gitaarriffs en Neil Young-lijzigheid in hun muziek te stoppen. Ook staan ze bekend om de ruzies op leven en dood tussen Mascis en Barlow. Het vertrek van Barlow uit Dinosaur Jr. valt min of meer samen met de promotie naar major-label Warner Bros.
Eerst is daar nog op het Sub Pop-label de single 'The Wagon', opgenomen met Don Fleming en Jay Spiegel van The Velvet Monkeys en Gumball – en de prelude van major-debuut Green Mind. Uitgerust met een iconische hoes met daarop de jonge Priscilla met een peuk in haar mond, is Green Mind dé cruciale Dinosaur Jr.-plaat, vanwege de commerciële dimensie, de prachtige hoes te midden van alle lelijke ontwerpen, en de muziek die folk-invloeden toelaat, akoestische gitaren op de voorgrond plaatst en de mellotron introduceert. Drummer Murph wordt maar op drie tracks ingeschakeld, zodat Green Mind als het ware een J. Mascis soloalbum is. Mascis wordt hier en daar geholpen door engineers Paul Kolderie en Sean Slade, maar is vooral zelf verantwoordelijk voor dynamische gitaarpopsongs als 'Puke + Cry', 'I Live For That Look' en 'Green Mind'. Bijzonder en tekenend voor de creatieve geest van Mascis zijn de op folk geënte songs 'Flying Cloud' – gelijkend op Led Zeppelins 'Over The Hills And far Away' –, het prachtige 'Water' en het werkelijk geniale 'Thumb' met zijn fluitende mellotron en de ongeëvenaarde en hemelbestormende gitaarsolo. Vooral vanwege dit 'Thumb' is Green Mind het meest aansprekende Dinosaur Jr.-album – en in het voorjaar van 1991 de opmaat naar de doorbraak van de gitaarunderground. J. Mascis moet daar zelf niks van hebben; met grunge heeft hij niets op, een voortrekkersrol ziet hij niet voor zichzelf. Hij doet zijn ding; speelt gitaar, zingt een liedje, rookt een joint. Green Mind is een gevoel, zegt Jay Mascis, de slacker.

The Wagon / Puke + Cry / Blowing It / I Live For That Look / Flying Cloud / How'd You Pin That One On Me / Water / Muck / Thumb / Green Mind


vrijdag 10 januari 2014

Necromandus | Quicksand Dream

Een contract met Vertigo, lovende kritieken en een debuutalbum dat geproduceerd is door Black Sabbaths Tony Iommi. De wereld ligt in 1973 open voor Necromandus, maar het zal nog 18 jaar duren voordat dit album wordt uitgebracht, en wel op een obscuur Zuid-Amerikaans label onder de titel Quicksand Dream. Hoe heeft het zover kunnen komen? In 1968 komen de bandleden bij elkaar, eerst onder de naam Hot Spring Water, dan Heavy Hand, vervolgens Taurus en dan in '72 wordt het Necromandus, bestaande uit Bill Branch (zang), Barry Dunnery (gitaar), Dennis McCarthy (bas) en Frank Hall (drums). Het kwartet verhuist van Noord Engeland naar Birmingham, raakt bevriend met Black Sabbath, komt onder de vleugels van Tony Iommi en krijgt een deal bij het uiterst prestigieuze Vertigo. In de Londense Morgan Studios wordt met producer Iommi in februari '73 Necromandus' debuutalbum opgenomen. Het album is kant en klaar – prefixnummer 6360061 en met een hoesontwerp van Roger Dean – maar een release laat op zich wachten omdat manager Iommi te druk is met Sabbath. Vertigo schuift de release verder naar achteren en laat Necromandus' debuut uiteindelijk op de plank liggen, waar het 18 jaar zal blijven liggen. 
Necromandus komt de telurstelling niet te boven; al in het najaar van '73 gaat te band ter ziele. Tot het erfgoed behoort een ijzersterke heavy rockplaat, die weliswaar doom-elementen met Black Sabbath gemeen heeft, maar over het algemeen lichter van toon is. Jazzy passages en akoestische gitaren geven de uitgesponnen songs ruimte en kleur. Het jazzy gitaarspel van Baz Dunnery is ronduit fantastisch – het meest bijzonder de lyrische solo in het uiterst fascinerende 'Gypsy Dancer'. Meer prog dan doom zijn tracks als 'A Black Solitude', 'Homicidal Psychopath', 'Still Born Beauty' en 'Orexis Of Death' van zwaarte ontdaan en inventief ingekleurd zonder aan impact te verliezen. Het debuutalbum van Necromandus is bijzonder indrukwekkend en het is eeuwig zonde dat de band geen release heeft mogen meemaken – het was anders zonder meer tot grootse dingen in staat geweest.

Mogidisimo / Nightjar / A Black Solitude / Homicidal Psychopath / Still Born Beauty / Gypsy Dancer / Orexis Of Death / Mogidisimo (reprise) 

zaterdag 9 maart 2013

Temple Of The Dog | Temple Of The Dog


Soundgarden en Green River, twee bevriende bands uit Seattle, grossieren in punk en metal. Het woord ‘grunge’ moet eind jaren tachtig nog uitgevonden worden, maar de noise-niks van de twee bands maken aan de noordwestkust van de Verenigde Staten furore met compromisloos geschreeuw en geram. Als Green River uiteenvalt, vormen bassist Jeff Ament en gitarist Stone Gossard samen met zanger Andrew Wood Mother Love Bone. Mother Love Bone krijgt bekendheid, maar Soundgarden – waarvan zanger Chris Cornell Woods huisgenoot is – breekt echt door als een van de eerste grungebands. Dan overlijdt Andrew Wood op 16 maart 1990, vlak voor de release van Mother Love Bone’s debuut, aan een overdosis heroïne, waardoor de droom van Cornell, Ament en Gossard wreed verstoord wordt. Door het verdriet heen schrijft Chris Cornell twee songs ter nagedachtenis aan Andrew Wood, ‘Say Hello 2 Heaven’ – He came from an island / And he died from the street – en ‘Reach Down’. De rouwende vrienden besluiten de songs op te nemen, waarop de opnamen – in de weekenden van november en december 1990 – uitgroeien tot het gelegenheidsproject Temple Of The Dog. 
Temple Of The Dog, met daaraan toegevoegd de studiogitarist Mike McCready en Soundgarden-drummer Matt Cameron, is mijlenver verwijderd van de grungesound van Soundgarden en ligt volledig in het verlengde van de jaren zeventig-hardrock van Led Zeppelin en Deep Purple. Temple Of The Dog klinkt bluesy en heeft een brede gepolijste sound, hetgeen de prachtige heavy liedjes adem geeft. De instrumenten klinken helder en gescheiden, maar wat vooral opvalt is het werkelijk immense stemgeluid van Chris Cornell die klassieke hardrockzangers als Robert Plant en David Coverdale naar de kroon steekt. Temple Of The Dog is feitelijk een absolute hardrockklassieker omdat de composites een uitzonderlijk niveau hebben en zeer gevarieerd zijn, omdat de instrumentbeheersing nagenoeg perfect is – zeker waar het het solospel van Mike McCreedy betreft – en de zang van Cornell uniek is voor het tijdsgewricht. Daar komt nog bij dat de dan onbekende Eddie Vedder de imposante achtergrondvocalen verzorgt – en vervolgens door Ament en Gossard gevraagd wordt zanger te worden van een nieuwe band: Pearl Jam. Chis Cornell en Soundgarden blijven voorlopig trouw aan hun heftige punkmetalsound, tot aan Superunknown – dan bekeert ook Soundgarden zich tot een meer melodieuze sound. Temple Of The Dog heeft echter, in een tijdperk van luide punkrock, de weg bereid voor de herwaardering van klassieke hardrock. En hoewel de aanleiding een trieste is; Temple Of The Dog ontsteeg het verdriet en de rouw om Andrew Wood en produceerde – misschien wel juist daardoor – een meesterwerk.

Say Hello 2 Heaven / Reach Down / Hunger Strike / Pushin Forward Back / Call Me A Dog / Times Of Trouble / Wooden Jesus / Your Saviour / Four Walled Word / All Night Thing

maandag 24 december 2012

Matthew Sweet | Girlfriend


In een tijd dat Radio 3 nog gold als bruikbare bron voor interessante popmuziek – daar waar popzenders voor bedoeld zijn – stamt dit wonderlijke meesterwerk van ultieme popsongs. De verpletterende rinkelpop van ‘I’ve Been Waiting’ was de perfecte voorbode van Girlfriend. Vele jaren later dato staat deze mijlpaal van pure popmuziek nog immer fier overeind en leeft voort als een sleutelplaat in het genre. Of Matthew Sweet met Girlfriend het grote publiek heeft weten te bereiken mag betwijfeld worden, wel heeft Sweet de harten van een kleine schare devote volgelingen voor altijd gestolen heeft. En dat met een verzameling schijnbaar eenvoudige popliedjes. Het is tegelijk het verraderlijke aan Girlfriend; de eenvoud bedriegt.
Een niet te verwaarlozen aspect aan de totstandkoming van Girlfriend is het feit dat Matthew Sweet zich volledig afkeerde van keyboards en computers. De twee voorgaande cd’s waren compleet mislukt en Sweet wist dat het anders moest. De ommekeer moest komen van een organischer benadering en van aardse gitaren. Bovendien was Sweet na analyse van het werk van Neil Young tot de conclusie gekomen dat hij zijn stem anders moest aanwenden. Girlfriend werd in 1990 voor A&M opgenomen in een kleine studio in New York. De crew bestond uit de gelouterde New-Yorkers Richard Lloyd, Fred Maher en de van Lou Reed bekende Robert Quinne, Velvet Crush-drummer Rick Menck en gastmuzikanten Greg Leisz en Lloyd Cole. Sweet neemt ondanks deze sterbezetting naast alle vocalen zowel gitaar, bas als piano voor zijn rekening. Als hij de mastertapes aflevert bij de platenmaatschappij blijkt dat A&M de plaat niet wil uitbrengen. Een zoveelste brevet van onvermogen van de hotshots van de grote platenlabels. Na een jaar lang leuren behoedt Zoo/BMG Girlfriend van de vergetelheid, al doet deze major evenzeer zijn best zijn zin door te drukken door Sweet af te raden Hollywood-actrice Tuesday Weld op de hoes af te beelden. Matthew Sweet volhardt in zijn ideeën; voor Girlfriend, dat hij ziet als een nieuwe kans, wenst hij geen concessies te doen. Uiteindelijk kan het publiek dan toch kennisnemen van de oorspronkelijke verzameling perfecte popsongs die Girlfriend is. In de nazomer van 1991 komt Girlfriend uit, een oase van subtiliteit en geraffineerdheid in een omgeving van grunge en punkrock.
De basis voor de songs zijn de droog opgenomen bas en drums, die de vele lagen akoestische gitaren ondersteunen. Daar doorheen zijn de elektrische gitaren gevlecht die om voorrang vechten met Sweets gedubbelde vokalen. De rocknummers en de popsongs hebben hun plaats gevonden tussen de ronduit meesterlijke ballads. Deze laatste, met als prachtig voorbeeld 'Your Sweet Voice' waar Sweet in zijn eentje de weergaloze close harmony van Crosby, Stills & Nash naar de kroon steekt, zijn tegelijk suikerzoet en venijnig. Dit laatste geldt uiteraard ook voor de felle rocksongs waarvan opener 'Divine Intervention' de toon zet voor al het moois dat dan nog komen gaat. Zonder uitzondering nodigen bijna alle liedjes, handelend over onbereikbare liefdes, verlatingsangst en het mysterie vrouw in algemene zin – basisthema’s van klassieke powerpop – , tot voluit meezingen. En dat is een kwaliteit. De tot het uiterst doorgevoerde weemoedigheid en breekbaarheid, met een jankende pedal steel als metafoor, laat zich perfect afwisselen door de rinkelende en scheurende gitaren. Girlfriend is als het leven zelf, een vat vol tegenstellingen, maar o zo prachtig.
Matthew Sweet weet met de vier erop volgende platen de ingezette lijn uitstekend vast te houden, maar reeds met Girlfriend besteeg hij gedecideerd de Olympus. Met alle respect voor zijn complete oeuvre; Girlfriend is Matthew Sweets Greatest Hits.

Divine Intervention / I’ve Been Waiting / Girlfriend / Looking At The Sun / Winona / Evangeline / Day For Night / Thought I Knew You / You Don’t Love Me / I Wanted To Tell You / Don’t Go / Your Sweet Voice / Does She Talk? / Holy War / Nothing Lasts 


woensdag 30 mei 2012

Hallo Venray | The More I Laugh, The Hornier Due Gets!

Na zo'n vier jaar lolbroekerij in jeugdcentra en kraakpanden, wordt Hallo Venray serieuzer en professioneler. Heel, heel langzaam daagt bij zanger en songschrijver Henk Koorn het besef dat zijn band veel meer kan dan melig zijn en lol trappen. Opgericht in Den Haag in 1987 en de naam ontleend aan het truttige radioprogramma Los Vast, wordt Hallo Venray naast de ietwat schlemielige Koorn gevormd door gitarist Toon Moerland, bassist Peter Konings en drummer Dim Veldhuisen. Na twee rammelende albums worden de zaken serieuzer aangepakt – Henk Koorn heeft ook een echte baan bij de Haagse plantsoenendienst – zo blijkt uit het niet alleen toegankelijke maar ook voortreffelijke The More I Laugh, The Hornier Due Gets! De sound op de plaat, die is vernoemd naar een soundbite van Cissy Spacek in Coal Miner's Daughter, houdt het midden tussen de monotone rammel van de Velvet Underground en de countryrock-galop van Neil Young And Crazy Horse. De navel-hoes van ontwerper Jeroen van Erp doet de belegen radio-deejay Frits Spits verzuchten: 'Wat een acommerciële hoes!' Waarop de band maar liefst drie liedjes van het album als single uitbrengt: 'Slow Song', 'The Road' en 'The Summer Is Gone'. Het zijn alle drie ijzersterke songs met een rootsy inslag en fijn gitaarwerk. Het zwaartepunt van The More I Laugh, The Hornier Due Gets! ligt echter bij de langere songs: de in triest marstempo uitgevoerde ballad 'The Heart And The Soul'; het slepende en landerige 'Las Vegas', met een boven alles uit torende saxsolo van Hans Dulfer; en het prachtige muzikale portret van sukkelaar Tuck in de aarde verschroeiende Crazy Horse-rocker 'Tuck, The Man'. De beloning voor het geweldige The More I Laugh, The Hornier Due Gets! krijgen Koorn en kornuiten als ze in 1993 mogen aantreden op Pinkpop. Centraal op dit feestje staat Henk Koorn in zijn kanariegele pak, dat later plaats moet maken voor een gestippelde onderbroek.
The Summer Is Gone / Slow Song / Not So Long / Mr. Bigshot / Tuck, The Man / Eugene / Be Someone / The Heart And The Soul / The Road / Japanese Cars / Las Vegas

zondag 6 mei 2012

Julian Cope | Peggy Suicide

In 1990 is Julian Cope net teruggekeerd op aarde. In tien jaar tijd wisselde Cope popsterrenstatus af met vier jaar lang heftig LSD-gebruik, een mislukte, vier albums durende solo-carrière en het maken van een tweetal ondoordringbare en nagenoeg onbeluisterbare cd’s – die Cope’s deplorabele gemoedstoestand aan het eind van de jaren tachtig treffend reflecteren. Maar in de zomer van 1990 krijgt Julian Cope een visioen. In dat visioen ziet Cope Moeder Aarde als een enorme, vleselijke godin, die ten onder dreigt te gaan aan de gevolgen van het broeikaseffect. Omdat Moeder Aarde op het punt staat van een hoge rots af te springen, noemt Cope haar vanaf dat moment Peggy Suicide. Julian Cope heeft zich dan reeds grondig verdiept in filosofie, mystiek, geologie en antieke geschiedenis. De verworven kennis, de visioenen en zelfs fysieke hallucinaties brengen hem nieuwe inzichten en vernieuwd elan. Cope wisselt de honderden bezoeken aan prehistorische plekken af met opnamen voor zijn nieuwe plaat voor Island, getiteld Peggy Suicide. De opnamen vinden eerst plaats in de huisstudio van Mike Joyce, de ex-drummer van The Smiths. Samen met zijn vaste gitarist Donald Ross Skinner en percussionist Mark ‘Rooster’ Cosby legt Cope zijn nummers zoveel mogelijk in één take vast. Hevig geïnspireerd stromen de nieuwe nummers letterlijk uit Cope, reden waarom de band – aangevuld met de psychedelische gitaar van Mike Mooney – naar de Island-studio verhuist. De intensieve en extensieve opnamen zijn ruimhartig over Peggy Suicide uitgestrooid; niet voor niets een dubbelalbum. In phase one tot en met phase four presenteert Cope in achttien songs een waanzinnig muzikaal spectrum. Van garagerock tot torch-song; van krautrock tot country twang; van progressieve rock tot de Madchester-sound van Happy Mondays; en meer nog. Tussen de opzwepende openingsballad ‘Pristeen’ en het sfeervolle slotakkoord van ‘Las Vegas Basement’ bevindt zich een muzikale speeltuin van elastieken gitaren, freakerige en funky bassen en sterk ritmische afterbeat-drums. De Echo & The Bunnymen-pastiche ‘Hanging Out & Hung Up On The Line’ is opvallend en sterk, evenals de Neil Youngiaanse gitaarrock van het hart van Peggy Suicide: het acht minuten durende ‘Safesurfer’. Julian Cope blijft ook na Peggy Suicide productief en creatief. In vele hoedanigheden doet Cope talloze cd’s en boeken het daglicht zien, maar Peggy Suicide moet toch wel gezien worden als ’s mans creatieve revanche.
Pristeen / Double Vegatation / Easy Easy Rider / Promised Land / Hanging Out & Hung Up On The Line / Safesurfer / If You Loved Me At All / Drive, She Said / Soldier Blue / You... / Not Raving But Drowning / Head / Leperskin / Beautiful Love / Western Front 1992 CE / Hung Up & Hanging Out To Dry / The American Lite / Las Vegas Basement

zondag 22 april 2012

Screaming Trees | Uncle Anesthesia

Ook al hebben slaande ruzies Screaming Trees meermalen op non-actief gezet, het jaar 1990 is een helder gemarkeerde scheidslijn. Eind 1989 nemen de spanningen weer eens toe tussen de eeuwig ruziënde broertjes Gary Lee Conner en Van Conner en dompelt Mark Lanegan zich definitief onder in whiskey en heroïne. Onder de vleugels van indierocklabel SST lukt het Screaming Trees niet door te breken, dus komt de band tot een halt. Ruim vier jaar daarvoor hebben de volslanke broertjes Conner, gitarist Gary Lee en bassist Van, in Ellisburg, Washington met zanger Mark Pickerel Screaming Trees opgericht. Mark Lanegan, een oude schoolvriend van de Conners, voegt zich bij hen en wordt de drummer. Na een fikse ruzie valt Screaming Trees uiteen en wordt vervolgens weer in elkaar gezet, maar nu is Pickerel drummer en Mark Lanegan zanger. Met als voornaamste ingrediënten psychedelica, garagerock en punkrock maakt Screaming Trees een aantal gruizige gitaarplaten voor Velvetone Records en SST, waarbij songs en sound steeds beter worden. In 1989 zijn de bandleden elkaar compleet zat, of zoals Mark Lanegan het zegt: ‘The Trees was four complete nuts.’ Lanegan maakt dan in 1990 zijn solodebuut met The Winding Sheet, een album vol duistere folkblues. Ook Van Conner brengt in 1990 een plaat met zijn band Solomon Grundy uit, evenals Gary Lee met The Purple Outside. Het lijkt een complete scheiding der geesten, maar o wonder, met hulp van het management van Soundgarden tekent het gerevitaliseerde Screaming Trees in 1990 bij major Epic. Met instemming van Epic gaat Screaming Trees zijn majordebuut opnemen met Soundgarden-producer Terry Date, die de band een meer gepolijst geluid geeft. In juni 1990 worden met producers Terry Date en Soundgarden-zanger Chris Cornell in de London Bridge Studio in Seattle de opnamen gemaakt van Uncle Anesthesia, Screaming Trees’ majordebuut. Het geluid is transparant, maar de gitaren cirkelzagen wild, zo blijkt uit de majestueuze opener ‘Beyond This Horizon’. Lanegans putdiepe bariton komt voor het eerst uitstekend tot zijn recht en is een geduchte opponent van Gary Lee Conners genadeloos rauwe gitaargeluid en priemende wah-wahsolo’s. Screaming Trees’ luide garagerock is aanstekelijk bovendien in opwindende songs als ‘Bed Of Roses’, ‘Úncle Anesthesia’ en ‘Alice Said’. ‘Time For Light’ heeft met zijn smerige riff een extreem hoog octaangehalte, terwijl ‘Lay Your Head Down’ aan R.E.M. doet denken, ‘Disappearing’ voorzien is van mariachi-trompetten en de prachtige afsluiter ‘Closer’ de dromerig-psychedelische kant laat zien van Screaming Trees. Uncle Anesthesia is een fantastisch jaren negentig-rockalbum en preludeert de doorbraak van grunge en de Seattle-sound. Het album verkoopt echter niet veel meer dan 50.000 exemplaren, maar opvolger Sweet Oblivion is twee jaar later de doorbraakplaat. Maar een jaar toeren – energieke live-optredens met twee rondstuiterende dikkerdjes en een stoïcijnse zanger – levert naast succes ook veel knokpartijen op. In 1996 komt de laatste cd Dust uit en op 25 juni 2000 maakt Mark Lanegan officieel een einde aan wat een lijdensweg werd. Lanegan: ‘It was like prison. Without the sex.’
Beyond This Horizon / Bed Of Roses / Uncle Anesthesia / Story Of Her fate / Caught Between / lay Your Head Down / Before We Arise / Something About Today / Alice Said / Time For Light / Disappearing / Ocean Of Confusion / Closer