Posts tonen met het label gitaar USA. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gitaar USA. Alle posts tonen

maandag 19 maart 2018

Dramarama | Cinéma Vérité

Vanuit hun vroege jeugd geïnspireerd door Johnny Cash, Mick Jagger, David Bowie en Lou Reed - en later The Ramones en The New York Dolls - richten John Easdale (zang, gitaar), Chris Carter (bas, productie) en Mark ‘Mr E. Boy’ Englert (gitaar) in 1982, in Wayne, New Yersey, Dramarama op. De band spuugt er een aantal singles uit op het piepkleine Questionmark-label, maar dan is er aandacht vanuit Europa, van New Rose Records. Dramarama neemt dan voor het Franse label hun debuut-lp op. 
Cinéma Vérité is - uitgebracht in 1985 - dit album, dat is opgetrokken uit sterke powerpopsongs als ‘Visiting the Zoo’, ‘Questions’, de vroege single ‘Anything, Anything’ en ‘Transformation’, maar ook eer betoont aan de klassiekers - wat betekent gave covers van Lou Reeds ‘Femma Fatale’ en David Bowie’s ‘Candidate’. Cinéma Vérité is, uitgerust met een hoesfoto van Andy Warhol-akoliet Gerard Malanga, een citaat van superheld Batman en een portie gave rocksongs, niettemin toch - zowel in Amerika als Europa - een jammerlijke mislukking. Dramarama is geen naam die beklijft; aan het eind van de lijn - en dat is al in 1993 - is er niets van de band over; ook geen herinnering.

‘Visiting the Zoo’ | ‘Questions’ | ‘Scenario’ | ‘Anything, Anything’ | ‘Femme Fatale’ | ‘Candidate’ | ‘Some Crazy Dame’ | ‘Etc.’ | ‘Transformation’ | ‘All I Want’ | ‘Emerald City’

zondag 18 februari 2018

The Smithereens | Especially For You

Vijfentwintig is Pat DiNizio al als hij zijn baantje van vuilnisophaler eindelijk kan verruilen voor een meer glamoureus bestaan als zanger/gitarist van een rock-’n-rollband. In 1980 richt hij in New Jersey, leunend tegen New York City, met Jim Babjak (gitaar), Mike Mesaros (bas) en Dennis Diken (drums) The Smithereens op. Het duurt dan nog tot maar liefst 1986 voordat hun debuut-lp uitkomt. Maar Especially For You is wel gelijk raak. 
In een typisch jarentachtigproductie (met die galmende drums) van Don Dixon is Especially For You met zijn mix van rock-’n-roll, doo-wop en new wave een echte New York-rockplaat. Especially For You bestaat bovendien bijna geheel uit ijzersterke poprocksongs die vooral swingen en catchy zijn (‘Strangers When We Meet’, ‘Listen To Me Girl’, ‘Time and Time Again’, ‘Behind the Wall of Sleep’, ‘Blood and Roses’, Alone At Midnight’) maar ook af en toe weemoedig en introspectief (‘Cigarette’, ‘In A Lonely Place’). Especially For You is een geweldig debuutalbum, bezorgt The Smithereens direct een doorbraak, en is de opmaat voor een serie min of meer succesvolle albums, zoals Green Thoughts (1988) en 11 (1989). 
Eind jaren negentig houden The Smithereens het aanvankelijk voor gezien, maar maken na een aantal jaren toch weer een bescheiden comeback. The Smithereens komen echter definitief tot een halt als Pat DiNizio in december 2017 op 62-jarige leeftijd overlijdt.

‘Strangers When We Meet’ | ‘Listen To Me Girl’ | ‘Goovy Tuesday’ | ‘Cigarette’ | ‘I Don’t Want To Lose You’ | ‘Time and Time Again’ | ‘Behind the Wall of Sleep’ | ‘In A Lonely Place’ | ‘Blood and Roses’ | ‘Crazy Mixed-up Kid’ | ‘Hand of Glory’ | ‘Alone At Midnight’

maandag 7 maart 2016

Stephen Malkmus | Stephen Malkmus

Terror Twilight was in 1999 het laatste Pavement-album. In naam een Pavement-album, want alle composities zijn van de hand van Stephen Malkmus en tijdens de opnamen ervan duldt hij geen enkele tegenspraak. De daarop volgende zes maanden durende wereldtournee sloopt de band volledig en maakt de weg vrij voor de solo-carriere van Malkmus. En zo verschijnt in februari 2001 het zelfgetitelde Stephen Malkmus, welke plaat duidelijk maakt dat Pavement Stephen Malkmus was. Pavement brak uiteen op zijn hoogtepunt en liet een imposant oeuvre achter, waarvan minstens Crooked Rain, Crooked Rain (1994), Wowee Zowee (1995), Brighten The Corners (1997) en Terror Twilight tot de hoogtepunten behoren van de alternatieve rock in de jaren negentig. 
Stephen Malkmus was zonder meer toe aan een nieuwe uitdaging, maar de Pavement-fans hebben niet ongerust hoeven zijn; de enigmatische zanger/gitarist borduurt trouw voort op de ‘voorganger’. De uitdaging zal erin hebben bestaan dat hij vanaf dan de volledige zeggenschap heeft over zijn muziek en zelf de sessiemuzikanten - afkomstig uit de kringen rondom Elliott Smith - heeft kunnen selecteren. Malkmus opent met ‘The Black Book’, een heerlijk rocknummer met rondzingende gitaren en een catchy refrein. de opener is een opmaat voor het vele moois dat volgt. Stephen Malkmus is een begenadigd songschrijver, want de dertien nummers zijn zonder uitzondering van een hoog niveau. Hier geen rauwe of rommelige nummers, maar afgewogen composities. Het ene nummer (‘Phantasies’) is wat vrolijker van toon dan het andere (‘Church On White’). Het ene nummer is luie Westcoastrock, het andere psychedelische Eastcoastrock. En zo biedt Stephen Malkmus volop variatie waarop het aangenaam wegdromen is; de typische Pavement-sfeer is in ruime mate voorhanden. Stephen Malkmus is vooral een gitaarplant geworden, want Malkmus gaat zich te buiten in talloze solo’s, van stevig rockend tot lyrisch solerend, van krakende minisolo’s tot huilende glissando’s. De nummers zijn compact en uiterst melodieus - in het bijzonder het schitterende ‘Trojan Curfew’. En Malkmus kraait dat het een lieve lust heeft; ademt volop speelplezier. 
Stephen Malkmus is een debuutplaat van een rockster in wording. Althans, in 2001 was die gedachte gerechtvaardigd.

Black Book / Phantasies / JoJo’s Jacket / Church On White / The Hook / Discretion Grove / Troubbble / Pink India / Trojan Curfew / Vague Space / Jenny & The Ess-dog / Deado 

dinsdag 18 november 2014

Mark Lanegan Band | Phantom Radio


Hoewel Mark Lanegan door zijn karakteristieke gruizige stemgeluid een altijd uit duizenden herkenbare sound heeft, is zijn solowerk – vanaf The Winding Sheet in 1990 – toch bijzonder gevarieerd van aard. Solo putte Lanegan enerzijds vooral uit de elektrische blues, getuige Field Songs (2001) en de cover-albums I'll Take Care Of You (1990) en Imitations (2013). En anderzijds uit grunge en jaren negentig gitaarrock, zoals bijvoorbeeld Bubblegum (2004). Duister en doomy was Lanegans rock echter altijd. Verrassend en in zekere zin avontuurlijk is op Phantom Radio dan ook Mark Lanegans hang naar de Britse postpunk en doemmuziek van de begin jaren tachtig. Ofschoon Phantom Radio aftrapt met een meeslepende gitaarsong (Harvest Home) die zomaar afkomstig had kunnen zijn van Screaming Trees' zwanenzang Dust (1996), zijn het toch Lanegans jeugdige inspiratiebronnen die op Phantom Radio de boventoon voeren. Lanegan neemt de luisteraar aldus mee op een fascinerende trip naar de post-industriële dreiging van Echo & The Bunnymen, The Cure, The Sound en The Sisters Of Mercy; naar het atmosferische geluid van reverb-gitaren, ijle toetsen en soms mechanische ritmes. Lanegans composities zijn daarbij opvallend sterk; arrangementen en instrumentatie voortreffelijk. Van ingetogen – de met harmonium opgetuigde murderballad Judgement Time – via de pulserende synths van Seventh Day naar majesteitelijke wave-songs als Floor Of The Ocean en The Killing Season, om dan af te sluiten met Death Trip To Tulsa, een schurende, duistere, ja typische Lanegan-song. Mark Lanegan verbindt op Phantom Radio op bevlogen wijze sepia getinte folkblues met atmosferische postpunk, met als resultaat een album dat een schitterende, blinkende parel in Lanegans kroon is.

Harvest Home / Judgement Time / Floor Of The Ocean / The Killing Season / Seventh Day / I Am The Wolf / Torn Red Heart / Waltzing In Blue / The Wild People / Death Trip To Tulsa

Dry Iced / No Bells On Sunday / Sad Lover / Jonas Pap / Smokestack Magic




zondag 12 oktober 2014

Dumptruck | For The Country

Op een dag liepen Kirk en ik op straat en toen we een kiepauto zagen zeiden we beiden Hé, dat is een goeie naam voor een band!’ ‘Kiepauto’ betekent ‘Dumptruck’ en aan het woord is Seth Tiven, het meesterbrein van Dumptruck, een Amerikaanse band die in het voetspoor van R.E.M. in de jaren tachtig van de vorige eeuw een bescheiden succes was in het collegecircuit. In 1983 werd Dumptruck in New Haven, Connecticut opgericht door Seth Tiven en Kirk Swan, die elkaar afwisselen als zanger, gitarist en bassist en gezamenlijk Dumptrucks composities schrijven. Met behulp van verschillende drummers – waaronder Mark Mulcahy, die later als singer-songwriter enige bekendheid geniet – neemt Dumptruck zijn eerste elpee voor het alternatieve Big Time-label. D Is For Dumptruck is een zeer matig art-rockalbum, een vage schaduw van Television, inclusief de dubbele gitaarline-up. De opvolger Positively is echter heel erg veel beter; Dumptruck is rijper en volwassener geworden door de vele live-optredens in de kleine clubs aan de oostkust en in het midwesten en heeft inmiddels een vaste ritmesectie. Bovendien past de productie van fameus producer Don Dixon (R.E.M.) heel goed bij het ritmische, doch melancholieke groepsgeluid. Positively is ruim gevuld met tintelende popsongs, waarbij de ingetogen en smaakvolle voordracht overheerst en de muzikale pretentie ondergeschikt gemaakt is aan de subtiele en gloedvolle melodieën. Dumptruck onderneemt vervolgens tournees naar de westkust, naar Canada en zelfs naar Engeland. Tijdens de intensieve live-shows wordt het publiek naast de eigen nummers getrakteerd op covers van ‘I Wanna Be Your Dog’ van The Stooges, ‘You Ain’t Going Nowhere’ van Bob Dylan en Neil Youngs ‘Down By The River’. De groep groeit en groeit en lijkt in op het toppunt van zijn kunnen. Het lijkt een geschikt moment, nu ook Dumptrucks budget is verruimd, om het ijzer te smeden als het heet is.
Tijdens hun Britse tournee is de band in contact gekomen met de Welshe producer Hugh Jones – bekend van postpunk-acts als Echo & The Bunnymen, The Sound en Modern English. Jones huurt de Rockfield Studios in Wales voor de maand mei (1987) af en is in afwachting van SethTiven, Kirk Swan en Dumptrucks drummer en bassist om aan hun nieuwe plaat te werken. Maar als Dumptruck arriveert in Wales blijkt Swan de band verlaten te hebben en is de kern van Dumptruck gehalveerd en ontdaan van een sleutelfiguur. De opnamen lijken tot mislukken gedoemd, maar niets is minder waar. Niet alleen heeft Seth Tiven een serie schitterende composities mee naar Wales genomen, maar eveneens een zanger-gitarist in de persoon van Kevin Salem.
Als For The Country in september 1987 verschijnt, blijkt hoe geïnspireerd Dumptruck in de Rockfield Studios was. Tiven heeft zich niet van zijn doel af laten leiden door het vertrek van Swan; For The Country is een plaat volgestouwd met melancholieke pop, afgezet tegen een decor van moderne countryrock en contemporaine college-rock. Tinkelende en rondcirkelende gitaren en meerstemmige zang, gecombineerd met fraaie melodiewendingen zijn Dumptrucks meest in het oog/oor springende kenmerken en deze leveren op For The Country heel veel sprankelende pop op. Dumptruck heeft met For The Country een klein meesterwerkje afgeleverd, dat in ieder geval tot de beste cd’s van het jaar 1987 mag worden gerekend. Al in de opener ‘Island’ blijkt het compositorische en muzikale vernuft van Seth Tiven; ‘Island’ is een kristallijnen popsong die naar een climax gebracht wordt door zijn lyrische gitaarspel. Verder zijn er talloze fabuleuze poprocknummers over de plaat verspreid die in lichte mineur zijn getoonzet en die daarmee aansluiten bij de tamelijk zwartgallige teksten van Tiven. ’50 Miles’ – 50 miles from nowhere / Help will not arrive – is bitter en weemoedig maar toch opgetuigd met stevige rockgitaren; in ‘Friends’ vraagt de zanger zich af waar vrienden goed voor zijn; en het deprimerende maar indrukwekkende ‘Dead Weight’ biedt een kijkje in Tivens donkere en onzekere ziel. ‘Wire’ is daarentegen een aanstekelijk rocknummer, waarin Dumptruck zijn versie van southern-rock doet en waarop een voorname rol ingeruimd wordt voor B.J. Cole’s pedal steel. Ook het Hammond-spel van sessiemuzikant Tommy Eyre (o.a. Joe Cocker, John Martyn) speelt een opvallende rol en geeft de Dumptruck-sound een warme en organische extra dimensie. ‘Barking Up The Wrong Tree ‘ is diep melancholiek en uiterst fraai, maar legt het af tegen het sleutelnummer van de plaat: het titelnummer ‘For The Country’, een traag en onheilspellend nummer van bijna epische proporties, met als terugkerend thema de hopeloze eenzaamheid die Tiven doeltreffend verwoordt: Drifting on an ocean / Till you die. ‘For The Country’ tilt For The Country simpelweg naar een hoger niveau.
De verkooppresultaten van For The Country zijn bemoedigend en als gevolg daarvan zijn er grote labels geïnteresseerd in Dumptruck. De band staat echter nog onder contract bij Big Time – waardoor het door de major aangeboden miljoen dollars Big Time ten goede komt –, maar dan blijkt dat er in het contract met Big Time een cruciale clausule ontbreekt waardoor Dumptruck contractvrij is. Als Tiven tekent bij de major ziet hij zich geconfronteerd met een miljoenenclaim van Big Time. Het betekent het einde van het veelbelovende Dumptruck; jaren en jaren wordt er in de rechtbank gevochten om wie de rechten op Dumptruck heeft. Pas zeven jaar later verschijnt er een nieuwe plaat van Dumptruck, dan een trio, geleid door een gedesillusioneerde en uitgehuilde Seth Tiven.

Island / 50 Miles / Friends / Carefree / Brush Me Back / Hung Out On A Line / Going Nowhere / For The Country / Dead Weight / Wire / Barking Up The Wrong Tree



dinsdag 12 augustus 2014

Urge Overkill | Saturation

Met Urge Overkill denkt Geffen de opvolger van Nirvana binnen te halen. Vergeet het maar, daar zijn National ‘Nash’ Kato (zang, gitaar, toetsen), ‘Eddie’ King Roeser (zang, bas, gitaar) en Blackie Onassis veel te bijzonder voor. Het punkrocktrio uit Chicago, Illinois, speelt jarenlang voor anderhalve man en een paardenkop, brengt zijn eerste platen uit op het bulldozerpunk-label Touch & Go en covert en passant liedjes van Neil Diamond, Jimmy Webb en Hot Chocolate’s ‘Emma’. Maar met de komst van een kitscherige kledinglijn en op effectbejag gerichte glitterpop gaat het roer om: hier zijn de nieuwe helden, met een knipoog, dat wel. Het drietal neemt zijn derde plaat op in Philadelphia, in het hart van de seventies philly-soul, met hiphopproducers The Butcher Brothers. In drie weken staan de twaalf songs op tape, met minimale overdub en een directe, frontale sound. Het drietal houdt bij de release van Saturation een nieuwe kledinglijn ten doop van kitscherige glimmende pakken en slicke bordeelsluipers. Kato, Roeser en Onassis dragen bovendien medaillons om de nek zo groot als onderzetters. Kitsch onder een vergrootglas, Amerikaans ten voeten uit. Saturation, voorzien van een nepperig hoesje en met bijgeleverde UO-sticker, sluit hier naadloos op aan, maar bevat wel urgente en aanstekelijke gitaarpop met zowel evidente glamrock-invloeden als een schatplichtigheid aan radiovriendelijke hardrock. Zo is ‘Bottle Of Fur’ gezegend met een lekker Mud-intro en ‘Erica Kane’ – vernoemd naar een soapsterretje – een stevige rocker. Maar meer classic style-hardrock – in de beste Blue Öyster Cult-traditie – is de knallende openingstrits ‘Sister Havana’, ‘Tequila Sundae’ en ‘Positive Bleeding’, waarin de gitaren riffen en schuren. Het ultieme popgevoel komt naar boven in ‘Back On Me’ dat voortdrijft op een cadans van akoestische gitaren en kartonnen drums, en het afsluitende ‘Heaven 90210’ dat maatschappijkritiek combineert met een bitterzoete gevoeligheid. Zoals gezegd, de nieuwe Nirvana zijn ze niet, worden ze niet. Maar dan komt het succes uit onverwachte hoek: Urge Overkills cover van Neil Diamonds ‘Girl, You’ll Be A Woman Soon’ wordt een hit doordat deze op de soundtrack van Tarantino’s Pulp Fiction is opgenomen. Om bij dit succes aan te haken laat Geffen Urge Overkill nog een plaat maken, maar Exit The Dragon brengt niet wat werd gehoopt. Exit Urge Overkill, voorlopig.

Sister Havana / Tequila Sundae / Positive Bleeding / Back On Me / Woman 2 Woman / Bottle Of Fun / Crackbabies / The Stalker / Dropout / Erica Kane / Nite And Grey / Heaven 90210

maandag 30 juni 2014

Dinosaur Jr. | Green Mind

De rammelende hardcorepunk annex feedback-gitaarnoise van de zelfgetitelde debuutplaat uit 1985 doet allerminst vermoeden dat Dinosaur – dan nog zonder Jr. – grondleggers zijn van een genre dat in de jaren negentig met Nirvana en Soundgarden mondiaal zal doorbreken. De oerbezetting van de band uit Amhurst, Massachusetts bestaat uit Jay Mascis – geswitcht van drums naar gitaar –, Lou Barlow – van gitaar overgestapt op bas – en drummer Murph. Dinosaur Jr. maakt met de albums You're Living All Over Me (1987) en Bug (1988) school door Black Sabbath-gitaarriffs en Neil Young-lijzigheid in hun muziek te stoppen. Ook staan ze bekend om de ruzies op leven en dood tussen Mascis en Barlow. Het vertrek van Barlow uit Dinosaur Jr. valt min of meer samen met de promotie naar major-label Warner Bros.
Eerst is daar nog op het Sub Pop-label de single 'The Wagon', opgenomen met Don Fleming en Jay Spiegel van The Velvet Monkeys en Gumball – en de prelude van major-debuut Green Mind. Uitgerust met een iconische hoes met daarop de jonge Priscilla met een peuk in haar mond, is Green Mind dé cruciale Dinosaur Jr.-plaat, vanwege de commerciële dimensie, de prachtige hoes te midden van alle lelijke ontwerpen, en de muziek die folk-invloeden toelaat, akoestische gitaren op de voorgrond plaatst en de mellotron introduceert. Drummer Murph wordt maar op drie tracks ingeschakeld, zodat Green Mind als het ware een J. Mascis soloalbum is. Mascis wordt hier en daar geholpen door engineers Paul Kolderie en Sean Slade, maar is vooral zelf verantwoordelijk voor dynamische gitaarpopsongs als 'Puke + Cry', 'I Live For That Look' en 'Green Mind'. Bijzonder en tekenend voor de creatieve geest van Mascis zijn de op folk geënte songs 'Flying Cloud' – gelijkend op Led Zeppelins 'Over The Hills And far Away' –, het prachtige 'Water' en het werkelijk geniale 'Thumb' met zijn fluitende mellotron en de ongeëvenaarde en hemelbestormende gitaarsolo. Vooral vanwege dit 'Thumb' is Green Mind het meest aansprekende Dinosaur Jr.-album – en in het voorjaar van 1991 de opmaat naar de doorbraak van de gitaarunderground. J. Mascis moet daar zelf niks van hebben; met grunge heeft hij niets op, een voortrekkersrol ziet hij niet voor zichzelf. Hij doet zijn ding; speelt gitaar, zingt een liedje, rookt een joint. Green Mind is een gevoel, zegt Jay Mascis, de slacker.

The Wagon / Puke + Cry / Blowing It / I Live For That Look / Flying Cloud / How'd You Pin That One On Me / Water / Muck / Thumb / Green Mind


donderdag 27 februari 2014

Galaxie 500 | Today

Galaxie 500 maakte geenszins deel uit van een scene. Het trio – Dean Wareham, Naomi Young en Damon Krukowski – maakte vanaf de start eigengereide moodmusic, wars van heersende trends. En die heersende trends wáren er in het Boston van de eind jaren tachtig van de vorige eeuw: de noiserock van Dinosaur Jr, Lemonheads en Bullet Lavolta domineerde namelijk de scene. Het leverde een reactie op van een nieuwe lichting bands die subtieler te werk gingen. Een van die subtiele én talentvolle bands was Galaxie 500. Het drietal Wareham, Young en Krukowski ontmoette elkaar op de middelbare school in New York, maar pas toen zij alledrie in Boston afstudeerden, formeerden ze een band. Door de toetreding van bassiste Naomi Young werd Speedy & The Castanets omgedoopt tot Galaxie 500 en al snel scoorde de jonge band een platencontract. Een kennis van de bandleden, Mark Alghini, had net daarvoor platenlabel Aurora Records opgericht en dus debuteerde Galaxie 500 op zijn label. De band had als producer Kramer op het oog, vanwege zijn reputatie als alternatief producer – geliefd bij de noisebands en tevens voormalig bassist in Eugene Chadbourne’s Shockabilly. En dus keerde het trio terug naar New York, naar Kramers Noise New York studio’s.
Het was een korte trip; in drie dagen tijd nam Galaxie 500 met Kramer twaalf nummers op. De eerste release op Aurora Records was de single ‘Tugboat’/’King Of Spain’, direct daarop gevolgd door het negen songs tellende debuutalbum.
Aan het eind van 1988 verschijnt Today, verpakt in een sepiakleurige hoes die onschuld en melancholie verraadt. Bovendien verwijst de titel Today, aldus Dean Wareham, naar de klank van het verleden; naar het muzikale primitivisme van de jaren zestig Hoes en titel vormen tezamen een toepasselijke afspiegeling van de inhoud, die aldus van een fragiele pracht is. Dit kenmerkt zich vooral door de trage ritmes en de kwetsbare en soms zelfs wankele stem van Dean Wareham. De akkoordenwisselingen voltrekken zich vloeiend en onnadrukkelijk, maar hebben toch een opmerkelijke precisie. Bovenop deze relatieve eenvoud van bas, drums en stem is het de elektrische gitaar van Wareham die de muziek een extra dimensie verschaft en Galaxie 500 uittilt boven het gewone. Het openingsnummer ‘Flowers’ is koud onderweg of Wareham lanceert zijn eerste, bijna vloeibare solo. Hiermee wordt de toon gezet van een ingetogen en subtiele gitaarplaat die knipoogt naar het verleden. Een verleden dat herkenbaar is in de verwijzingen naar The Velvet Underground, The Feelies, Television en The Modern Lovers. Deze laatste is zelfs rechtstreeks geëerd in de vorm van een fraaie cover van Jonathan Richmans ‘Don’t Let Our Youth Go To Waste’. Op een aantal nummers – ‘Parking Lot’ en ‘It’s Getting Late – verschuift de dynamiek bijna ongemerkt van zacht naar fluisterhard om dan uit te monden in een opzwepend ritme met uiterst subtiele akkoordenwisselingen. Hier verraadt Galaxie 500 overduidelijk zijn Velvet Underground-invloeden, hetgeen Dean Wareham beaamt omdat hij VU’s 1969 – de live dubbelaar met de ‘billenhoes’ – tot zijn favorieten rekent. Waar de songs in een traag ritme blijven steken – en die aanvoelen als een warme bries – is het Warehams gitaar die het nummer naar een hemels einde brengt. Dat geldt in overtreffende trap voor de meesterlijke afsluiter ‘Tugboat’, wanneer het harmonieuze en vloeiendzachte intro explodeert in licht en geluid als Wareham een lyrische gitaarsolo het luchtruim instuurt. Het is een passend slot van een magnifieke debuut-lp, die de onschuld, eerlijkheid en melancholie van de Galaxie 500-leden uitstekend verbeeldt. Today is daarom een verrassend en eigenwijs album, en behoort zonder meer tot dé hoogtepunten van het lauwe muziekjaar 1988.
Na Today tekende Galaxie 500 bij het Britse Rough Trade en bouwde met On Fire en This Is Our Music – beide fraaie albums – voort op de ingetogen en melancholieke sound. In 1990 scheidden zich de wegen van enerzijds Dean Wareham en anderzijds Damon Krukowski en Naomi Young. De laatste twee gingen als duo verder als Pierre Étoile en veranderden later hun naam in het eenduidige Damon & Naomi. Dean Wareham richtte met Feelies-drummer Stan Demeski Luna op, en perfectioneerde de unieke gitaarsound van Galaxie 500; zíjn unieke gitaarsound.

Flowers / Pictures / Parking Lot / Don’t Let Our Youth Go To Waste / Temperature’s Rising / Oblivious / It’s Getting Late / Instrumental / Tugboat



dinsdag 11 februari 2014

Big Dipper | Craps

De tweede helft van de jarig tachtig staat in het teken van de invasie van de Amerikaanse gitaarbands. Achter de grote golf duiken talloze bands op die gitaarpop combineren met hoekige Britse postpunk en R.E.M.-achtige neo-countryrock. Een van die bands is Big Dipper, uit het broeinest van de gitaarpop, Boston, Massachusetts. In 1987 debuteert Big Dipper – Grote Beer – met een ep, datzelfde jaar gevolgd door het prettige debuut Heavens. Maar het echte werk is Craps uit 1988, want daarop jubelen en rinkelen de elektrische gitaren, zijn de melodieën onweerstaanbaar en is de productie – Lou Giordano en Paul Kolderie in hun huisstudio Fort Apache – helder en warmbloedig. Craps bestaat uit scherpe, melodieuze gitaarsongs als 'The Insane Girl' en het schitterende 'The Bells of Love' enerzijds, en prachtig dromerige liedjes anderzijds: 'Semjase', over een buitenaardse wezen van de vrouwelijke kunne; 'Bonnie', een weemoedige herinnering aan een jeugdliefde; en het fantastische, waargebeurde 'Ron Klaus Wrecked His House'. Craps is een fenomenaal album, maar ontstijgt de indie-status niet. Daarom probeert Big Dipper het in 1990 bij major Epic met Slam, maar dat wordt een grootse mislukking zodat de band zonder platencontract komt en aldus zichzelf opheft.

Meet The Witch / Ron Klaus Wrecked His House / The Insane Girl / Semjase / Stardom Because / Bonnie / Hey! Mr. Lincoln / The Bells Of Love / A Song To Be Beautiful  

woensdag 29 januari 2014

Blind Melon | Nico

Talentvolle maar tragische band uit Los Angeles; Blind Melon had het in zich een grote alternatieve rockband te worden, maar de overdosis in 1995 van bandleider Shannon Hoon verhindert dat. Hoon, afkomstig uit Lafayette, Indiana, trekt in 1990 naar Californië om daar met andere boerenzonen Blind Melon op te richten. In 1992 verschijnt het zelfgetitelde debuut op Capitol Records, dat pas een jaar later een succes wordt door de onverwachte hit 'No Rain'. De band trekt zich terug in het Midwesten en neemt in New Orleans Soup op. Het tomeloze toeren stelt Hoon danig op de proef: wangedrag, arrestaties en heftig drugsgebruik brengen hem in de afkickkliniek. Toch voelt Hoon zich kennelijk goed genoeg om in september '95 weer op tournee te gaan, maar op 21 oktober wordt hij dood in de toerbus aangetroffen. Een jaar later verschijnt het laatste, min of meer postume Blind Melon-album, vernoemd naar Hoons pasgeboren dochter: Nico
Nico is een verzameling outtakes en bijzondere opnamen en is wellicht Blind Melons beste plaat, vooral omdat de hinderlijk funky bas achterwege blijft. Nico heeft een meer organisch geluid, met ruimte voor akoestische gitaren en eenvoudige drumpartijen; Nico is Blind Melons meest rootsy album, al vechten Led Zeppelin-invloeden – in het fascinerend mystieke 'Glitch' – grunge en southern rock om voorrang. Schitterend zijn de rocksongs 'Soup', 'Swallowed' en 'Full', strak en raak de cover van Steppenwolfs 'The Pusher' en aangrijpend de spannende ballad 'Soul One'. De alternatieve versie van 'No Rain' is vele malen beter dan het origineel en is bovendien opgenomen in Nederland in het kader van de Twee Meter Sessies. Nico is een rauw, puur, prachtig rockalbum en een waardig afscheid van Blind Melons Shannon Hoon, die slechts 28 jaar werd.

The Pusher / Hell / Soup / No Rain (Ripped Away Version) / Soul One / John Sinclair / All That I Need / Glitch / Life Ain't Shitty / Swallowed / Pull / St. Andrew's Hall / Letters From A Porcupine


dinsdag 19 november 2013

The Chant | Three Sheets To The Wind

In het spoor van R.E.M. en ook afkomstig uit het Amerikaanse Zuiden, debuteren The Chant in 1985 met een lp boordevol jengelende, licht-psychedelische collegerock. The Chant is een kwartet uit Florida dat zijn roots heeft in de punk, maar op hun platen muzikaal uitwaaiert naar folkrock, garagerock en de sound van Californische Paisley Underground. Three Sheets To The Wind, de eerste van de twee Chant-albums, wordt dan ook gekenmerkt door rinkelende Rickenbackers en neo-psychedelisch gitaarwerk à la The Dream Syndicate. 'Small House' en 'Perfect World' zijn energieke rammelsongs, evenals een cover van de obscure Nightcrawlers; de garagepunker 'Little Black Egg'. Voortreffelijk is de epische rocksong 'Jonesboro', die Zuidelijke broei combineert met bijtende desertrock-gitaarsolo's. The Chant is echter niet veel verder gekomen dan een verhuizing naar Atlanta, Georgia en slechts twee lp's. Three Sheets To The Wind is dan ook jammerlijk beneden het maaiveld blijven steken.

All Behind Me / Small House / Turned Inside Out / Drive Away / Jonesboro / For You / Little Black Egg / Heaven Assumes / Perfect World



maandag 23 september 2013

Plan 9 | Dealing With The Dead

Eric Stumpo, John DeVault, Evan Williams, Mike Ripa en Tom Champlin – alle vijf zijn het gitaristen in Plan 9. De extreem hoge gitaardichtheid maakt van Plan 9 een ultieme jamband, maar het begon natuurlijk allemaal in de punktijd. Geformeerd in Rhode Island in 1979 door Eric Stumpo, toetseniste Deb DeMarco en bassist John Florence groeit Plan 9 – vernoemd naar een van de slechtste films ooit: Ed Woods Plan 9 From Outer Space – al snel uit tot een collectief van zes muzikanten. Na de wilde punktijd duikt Plan 9 het verleden in van de garagepunk en muteren compacte songs als ‘Dirty Water’ en ‘Frustration’ tot uitgesponnen acid-rock. Plan 9 wekt vervolgens de aandacht van Greg Shaw van het befaamde Voxx Records, maakt voor het label de mini-lp Frustration en krijgt een plaatsje op de verzamelaar Battle Of The Garages (Part II). Plan 9 bevindt zich in 1984 in het hart van de neo-garagerockscene, zo bewijst het eerste volwaardige groepsalbum Dealing With The Dead. Opgenomen in de Trod Nossel Studios in Connecticut onder productionele leiding van Deborah D. is Dealing With The Dead een warm klinkende acid-rockplaat waarop Plan 9’s wall-of-guitar-sound domineert. De gitaren zoemen, zagen en zaniken uiterst prettig in klassieke heavy psychedelische rocksongs als ‘I Like Girls’ – I like girls who walk in triplicate / I like girls with central heating – ‘White Woman’ en ‘Step Out Of Time’. Deborah D.’s dreinerige Vox Super Continental-orgel weert zich kranig tegenover de vijf kronkelende gitaren, zo ook in ‘Beg For Love’. De meest karakteristieke Plan 9-song – waarin de achtkoppige band gelijke delen Grateful Dead en Blue Öyster Cult mengt – is het door vele gitaren naar een climax gevoerde titelnummer ‘Dealing With Dead’. Dealing With The Dead verschijnt in 1984 in een zeer opvallende hoes. Niet alleen heeft de beroemde sixtties-graficus R.K. Sloane de fabelachtig psychedelische hoes ontworpen; deze licht ook nog eens op in het donker. Een bijgevoegd comics-boekje vervolmaakt ontwerp en muzikaal concept. Het maakt Dealing With The Dead tot een van de beste neo-psychedelische albums van de jaren tachtig, al is het het cirkelzagende en rondkronkelende gitaarleger dat het verschil écht maakt.

I Like Girls / B-3-11 / White Women / Dealing With The Dead / Step Out Of Time / Gone / Beg For Love / Can’t Have You / Keep On Pushin’

donderdag 27 juni 2013

Lift To Experience | The Texas Jerusalem Crossroads

This is the story of three Texas boys minding their own business when the angel of the lord appeared unto them. Zo begint The Texas Jerusalem Crossroads, een soort van conceptalbum dat de luisteraar wil doen geloven dat Texas het beloofde land is. De brenger van de boodschap is Josh T. Pearson, verlaten zoon van een Pinkstergemeente-predikant, die met bassist Josh 'The Bear' Browning – ontmoet in de kerk – en jazzdrummer Andy 'The Boy' Young in 1996 in Denton, Texas Lift To Experience opricht. Het trio verwerft een twijfelachtige reputatie vanwege de verwoestende optredens waarin de Texaanse vlag geëerd wordt met een massieve wall of sound van feedback en distortion. Dat is voor de labelbazen van Bella Union, ex-leden van het Schotse Cocteau Twins, niettemin de aanleiding om de Texanen te tekenen.
Inmiddels heeft Pearson noot voor noot, woord voor woord gecomponeerd van The Texas Jerusalem Crossroads, een ouderwets dubbelalbum met een diep-religieuze lading. Bewaakt door bas en drums, en incidenteel bijgestaan door de fiddle van Centro-matics Scott Danborn, is Pearson een soort van eenmansorkest dat lappen tekst declameert en zijn gitaar door Leslie-box en allerhande effect-apparatuur stuurt. Het resultaat is een magnifieke sound – gemixt door Simon Raymonde en Robin Guthrie – die cowpunk en indierock afwisselt met vele momenten van overstelpende schoonheid. Muzikaal legt de Texaanse gruisrock het de facto dan ook af tegen de atmosferische gitaarsongs die, verrassend, lijken afgeleid van de Britse shoegazerspop. 'Falling From Cloud 9', 'With Crippled Wings' en 'Waiting To Hit' (alle van cd 1) zijn intens en etherisch, en worden verrijkt met Pearsons zang die gekwelde geesten als Jeff Buckley en Jeffrey Lee Pierce oproept. 'Down With The Prophets' (van cd 2) is met Pearsons declamerende stem en Danborns dreigende viool zwanger van dreigend onheil, 'To Guard And To Guide You' – lof zingend over beschermengel Gabriël – vooral atmosferische indierock met ruimtelijke gitaren en 'Into The Storm' gecontroleerde, apocalyptische Bad Seeds-noiserock.
The Texas Jerusalem Crossroads is een onwaarschijnlijk intens dubbelalbum, compromisloos maar niettemin schoonheid nastrevend, en uitzonderlijk uniek. Bella Union brengt in juni 2001 Lift To Experience dubbele debuutalbum op de Britse en Europese markt, maar een Amerikaanse release zit er tot op heden niet in. Lift To Experience stort in 2003 door allerlei persoonlijke drama's; Josh Pearson verliest zijn geloof in god en bijna zijn verstand. Al moet hij immer het besef hebben gehad dat hij met het complexe – muzikaal en tekstueel – The Texas Jerusalem Crossroads een baanbrekend indie-conceptalbum de wereld in geslingerd heeft. En dat heeft Josh T. Pearson bij het recht eind.

Just As Was Told / Down Came The Angels / Falling From Cloud 9 / With Crippled Wings / Waiting To Hit / The Ground So Soft / These Are The Days / When We Shall Touch / Down With The Prophets / To Guard And To Guide You / Into The Storm

vrijdag 26 april 2013

Giant Sand | Valley Of Rain


Vanuit Pennsylvania komt Howe Gelbe in Tucson, Arizona terecht omdat hij bij zijn gescheiden vader intrekt. Gelbe neemt een voorliefde voor countrymuziek mee naar de zinderende hitte van de Sonora Desert. In Tucson raakt hij bevriend met gitarist Rainer Ptacek, die hem aan muzikanten helpt om een band op te richten: Giant Sandworms, de naam ontleend aan Frank Herberts sci-fi-roman Dune. Naast Gelb en Rainer is ook David Seger gitarist in Giant Sandworms, maar hij zal later voor zichzelf beginnen met Naked Prey. De bezettingen van de band wisselen sterk, maar vaste waarden van de band zijn Howe Gelb en Scott Barber (bas, gitaar). Giant Sandworms treedt regelmatig samen op met The Serfers, maar hun wegen gaan uiteen als Gelbs band naar New York City verhuist en The Serfers naar Los Angeles – waar ze zich omdopen tot Green On Red. New York draait uit op een mislukking, dus keert de band terug naar Tucson en herstart als Giant Sand. Howe Gelb: 'So we stripped it down – bass, guitar, drums, vocals. Let's start again real simple.' Het resultaat daarvan is Valley Of Rain, deels opgenomen in Tucson, deels in Los Angeles. Verdeeld over een B- en een C-kant spreekt uit de tien Gelb-composities gedeprimeerdheid en wanhoop, muzikaal verpakt in rammelende, kletterende cowpunksongs. Gelbs denderende stem en diens aardeverschroeiende gitaarsound weerspiegelt de kokende hitte van de immer aanwezige woestijn – 'Tumble And Tear', 'Barrio' en 'Down On Town/Love's No Answer' is pure, zinderende desertrock. Het intense 'Death, Dying, And Channel 5' is gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen, samengevat als Today is a good day to die. Klassiek is echter de titelsong 'Valley Of Rain' dat opvallend melodieus is en voortgestuwd wordt door de barrelhouse-piano van Green On Reds Chris Cacavas. Valley Of Rain – regenwolken boven een door de zon geblakerd woestijnlandschap – is een voortreffelijk, rauwdouwerig visitekaartje van een man, a true spirit, die niet zal opgeven en zich decennialang blijft vernieuwen; Howe Gelb is een icoon van de alt.country,

Down On Town/Love's No Answer / Black Venetian Blind / Curse Of A Thousand Flames / Arists / Man Of Want / Valley Of Rain / Tumble And Tear / October Anywhere / Barrio / Death, Dying, And Channel 5

zaterdag 2 februari 2013

Green On Red | Gravity Talks


Eén van de songs van The Serfers, een band uit Tucson, Arizona, heet ‘Green On Red’. Als The Serfers in 1980 naar Los Angeles verhuizen, vraagt die nieuwe start om een nieuwe naam: Green On Red. Dan Stuart (zang, gitaar), Chris Cacavas (toetsen, gitaar, lap steel, zang) en Jack Waterson (bas, zang) vinden in Alex MacNicol een nieuwe drummer. Aanvankelijk en geheel tegen de stroom in doet Green On Red geen optredens, omdat ze naar Los Angeles gekomen zijn om een plaat te maken. Het lukt de band echter niet een deal met een platenmaatschappij te scoren, dus gaat Green On Red optreden in achterafzaaltjes en beatkelders. Steve Wynn van The Dream Syndicate is een van de bezoekers van die optredens en biedt Green On Red aan een plaat uit te brengen van hun materiaal. ‘Fine, put it out!’, zegt Stuart, zich niet realiserend dat Wynn daadwerkelijk een eigen label heeft. Het op Wynns label Down There uitgebrachte mini-album Green On Red – met daarop ‘Aspirin’ – wekt de interesse van platenlabels die willen profiteren van de golf van nieuwe L.A.-bands, met als gevolg dat Green On Red een contract afsluit met het alternatieve Slash Records. Dan Stuart, zanger en tekstschrijver, is een intense en gedreven voorman die zichzelf ziet als iemand die de boodschap van de Amerikaanse muziekcultuur en de beatpoets doorgeeft aan een jonger publiek, en zijn band als ‘a bunch of would-be Woody Guthries’. Samen met toetsenist en gitarist Cacavas schrijft Stuart zijn beeldende americanasongs, met daarin de sfeer van de woestijn en de eenzame weg, het idioom van B-films en de sound van een wankele psychedelische garageband. Dat is dan ook het geluid wat producer Chris D. in juli 1983 in de Quad Teck Studio uit Green On Red weet te wringen. Gravity Talks opent met het titelnummer waarin rammelende gitaren en een zeikerig Augie Meyers-orgeltje domineren. Na het fraai ingehouden en berustende ‘Old Chief’ gaat Green On Red loos in slepende en trekkende songs als ‘5 Easy Pieces’, ‘Deliverance’ ‘Over My Head’ en ‘Cheap Wine’ en klinkt het viertal alsof ze high en totaal ontregeld door de woestijn zwerven. De sneerzang van de soms verward klinkende Dan Stuart moet het voortdurend opnemen tegen Chris Cacavas’ orgel, dat beurtelings doet denken aan The Doors en The Sir Douglas Quartet – en dat maar door blijft dreinen. Maar hier tegenover stelt Cacavas zoals in ‘Blue Parade’ scheurende psychedelische gitaarsolo’s. Zo’n demente gitaarsolo – ditmaal van Rain Parade’s Matt Piucci – voert ook hoogtepunt ‘Snake Bit’ naar een zinderend einde. Gravity Talks is een ware country garageplaat; een rammelende mengvorm van desertrock en psychedelica. Maar Slash ziet dat anders en zet Green On Red op een zijspoor. Twee jaar later is Green On Red bevrijd, gerevitaliseerd en uitgebreid met gitarist Chuck Prophet IV, en maakt voor Enigma Gas, Food, Lodging; vele male gepolijster dan het rauwe Gravity Talks.

Gravity Talks / Old Chief / 5 Easy Pieces / Deliverance / Over My Head / Snake Bit / Blue Parade / That’s What You’re Here For / Brave Generation / Abigail’s Ghost / Cheap Wine / Narcolepsy

zaterdag 22 december 2012

Masters Of Reality | Sunrise On The Sufferbus


Er kan geen enkele discussie over bestaan dat Masters Of Reality het vehikel, het persoonlijke eigendom is van Chris Goss, brombeer uit Syracuse, New York, United States. In eerste instantie zijn Masters Of Reality een traditionele rockband in een traditionele bezetting: naast zanger/gitarist Goss, bestaat de band uit gitarist Tim Harrington, bassist Googe en drummer Vinnie Ludivico, maar al na een lp valt de groep uiteen en is het Goss die het trademark (™) Masters Of Reality bezit. Goss zal uitgroeien tot een zeer gerespecteerd muzikant en topproducer in het stonerrock-genre, maar dat is pas in de jaren negentig van de vorige eeuw.
Masters Of Reality – vernoemd naar de derde lp van Black Sabbath – repeteren jarenlang in een duistere kelder alvorens zij aan het daglicht treden. Slechts een enkele keer treedt de band op in hun thuishaven Syracuse, maar dan plukt befaamd Def Jam-producer Rick Rubin de band uit de kelder om ze te tekenen voor zijn nieuwe label Def American. Masters Of Reality passen uitstekend in het plaatje dat Rubin met zijn label voor ogen heeft; Rubin is de rapmuziek zat en wil alleen nog maar loodzware en harde rockplaten produceren. En daar blijken Chris Goss en kompanen uitermate geschikt voor. Masters Of Reality zijn bij hun verschijning op het internationale rockpodium dan ook niets meer en minder dan een sensatie. Een anachronisme ook, trouwens. Hun heavy bluesrock is gebaseerd op jaren zeventig hardrock-iconen als Cream en Led Zeppelin, maar er zijn ook invloeden waarneembaar van de Texaanse rockers ZZ Top en de southern-rock van Lynyrd Skynyrd. De gelijknamige debuutplaat, verschijnend in 1989, is ondanks de hang naar het verleden van zo’n 20 jaar daarvoor, een verademing en wordt door publiek en pers ervaren als een frisse wind. Masters Of Reality weten wereldwijd te imponeren – niet in de laatste plaats door de support van Rick Rubin. Maar al snel begint zowel het groepsverband als Rick Rubins bemoeienis hevig te knellen. Goss heft de Masters Of Reality simpelweg op, waarna gitarist Harrington en drummer Ludivico hun bluesrockmissie voortzetten met The Bogeymen.
Rond 1992 herformeert Chris Goss Masters Of Reality. Terug is bassist Googe, maar dé verrassing is de drummer die Goss heeft weten te strikken: ex-drumbeest en inmiddels heer op leeftijd, de legendarische Cream-drummer Ginger Baker. In deze sensationele triobezetting nemen de nieuwe Masters Of Reality hun tweede plaat op in Los Angeles. Het drietal Goss, Googe en Baker houdt de productie in eigen handen en laat zich muzikaal ondersteunen door een pianist en een cellist. Het tekent de natuurlijke en organische benadering die het trio – uiteraard onder leiding van Chris Goss – kiest voor Sunrise On The Sufferbus. Ginger Baker zet gelijk de toon met een majestueuze drumroffel in de knallende opener ‘She Got Me (When She Got Her Dress On)’ en vanwege diezelfde Baker valt nu de vocale gelijkenis op tussen Chris Goss en Cream-zanger Jack Bruce. Goss perst er een stuwende riff uit en laat dit volgen door kristalheldere en puntige licks, waardoor deze vlammende rocker al gelijk nauwelijks te overtreffen lijkt. Maar dit is slechts schijn, want de volgende song, ‘J.B. Witchdance’ – een heksendans op een maanverlicht kerkhof – is al even transparant en pakkend. De stevige popsongs en heldere rockers zijn ingebed in een warmbloedig gitaargeluid dat afwijkt van wat gangbaar is in de metal van de jaren negentig. Sunrise On The Sufferbus heeft dan ook nauwelijks wat te maken met metal. Hoewel Goss’ gitaar krijst en jankt in de beste jaren 70 rock-traditie, spelen de ijzersterke songs zich af in een popidioom – getuige de verwijzing naar The Beatles’ ‘Ticket To Ride’ in het fraaie ‘Ants In The Kitchen’. Zelfs een niemendalletje als ‘T.U.S.A.’, waarin Ginger Baker in parlandostijl de kwaliteit van Amerikaanse thee(!) bekritiseert, weet Goss met vloeiend gitaarspel te tranformeren tot een aantrekkelijk liedje. Het ruimtelijke gitaargeluid – nimmer volgeplamuurd; altijd transparant – is dan ook de grootste kwaliteit van deze superbe rock-cd. De perfect doorgevoerde samenhang in de sound, de ultraheldere productie en de zeer gevariëerde songstructuren verlenen Sunrise On The Sufferbus een absolute meerwaarde. Het levert een fikse hoeveelheid zeer memorabele songs op: naast de genoemde liedjes vormen ‘V.H.V.’, ‘100 Years (Of Tears On The Wind)’, ‘Rabbit One’ en ‘Gimme Water’ evenzovele hoogtepunten van een van de beste ouderwetse rockplaten van de jaren negentig van de vorige eeuw.
Hoewel Goss platen blijft maken met Masters Of Reality – in 2004 verrassend sterk met Give Us Barabbas – en een veelgevraagde producer is, ligt zijn hoogtepunt in de begintijd, want tegelijk visionair en respectvol naar het verleden. Met Sunrise On The Sufferbus hebben Masters Of Reality dan ook rockgeschiedenis geschreven.

She Got Me (When She Got Her Dress On) / J.B. Witchdance / Jody Sings / Rolling Green / Ants In The Kitchen / V.H.V. / Bicycle / 100 Years (Of Tears On The Wind) / T.U.S.A. / Tilt-A-Whirl / Rabbit One / Madonna / Gimme Water / The Moon In Your Pocket

woensdag 19 december 2012

The Beat Farmers | Tales Of The New West


Ex-punker en platenwinkel-eigenaar Dan McLain richt in 1983 in San Diego, Californië The Beat Farmers op. McLain, beter bekend als Country Dick Montana, vindt eerst gitarist Jerry Raney, dan rockabilly-cats Bernard 'Buddy Blue' Seigal (zang, gitaar) en Rolle Dexter (bas) bereid de lokale clubs te teisteren met een wilde mix van cowpunk en alcohol-aangedreven rootsrock. The Beat Farmers hebben het tij mee, net als bevriende bands als Los Lobos en The Blasters, en weten hun live-reputatie te kapitaliseren middels een contract met Rhino Records. Voor slechts $ 4.000 nemen ze met saxofonist Steve Berlin als producer hun dampende debuutplaat op. Tales Of The West profiteert niet alleen van de luxe van drie zanger-gitaristen – Country Dick Montana, Buddy Blue en Jerry Raney – maar ook van gastvocalisten als Sid Griffin, Peter Case en Rank & File's Chip en Tony Kinman. Naast betekenisvolle covers van The Velvet Underground ('There She Goes Again') en Bruce Springsteen ('Reason To Believe') schitteren prachtige, gedreven roots-'n-roll songs als 'Bigger Stones', 'Never Goin' Back' en 'Selfish Heart'. Tales Of The West is eenmalig en neemt een bijzondere plaats in in het verzamelde werk van The Beat Farmers; platenlabel Curb maakt het The Beat Farmers op de volgende platen namelijk bijzonder moeilijk. Als de Amerikaanse golf van gitaarbands eind jaren tachtig afneemt, lijkt hiermee ook het bestaansrecht aan The Beat Farmers ontnomen.

Bigger Stones / There She Goes Again / Reason To Believe / Lost Weekend / California Kid / Never Goin' Back / Goldmine / Showbiz / Lonesome Hound / Where Do They Go / Selfish Heart / Happy

zaterdag 17 november 2012

10,000 Maniacs | In My Tribe


In My Tribe is niet alleen 10,000 Maniacs' beste, maar ook meest bijzondere album. Het betekent in 1987 een doorbraak voor de band uit Jamestown, New York. Er zijn bescheiden hits in 'LikeThe Weather' en 'What's The Matter Here?', maar de kracht van In My Tribe zit dieper verscholen.
10,000 Maniacs, gecentreerd rond Natalie Merchant, lift in het midden van de jaren tachtig mee op de successen van Amerikaanse gitaarbands als R.E.M. en het fenomeen college rock. In 1984 tekent 10,000 Manics – losjes vernoemd naar een cultfilm – bij folkrocklabel Elektra en weet producer Joe Boyd te strikken voor het major debuut The Wishing Chair en vervolgens legende Peter Asher (o.a. James Taylor en Linda Ronstadt) voor de opvolger In My Tribe. 10,000 Maniacs genereert een bijzondere sound die de southern-indie van R.E.M. combineert met de Britse folkrock van Fairport Convention. Op In My Tribe komt dit vooral tot zijn recht in jengelende, countryeske folkrockliedjes als 'Hey Jack Kerouac', 'Don't Talk' en het epische 'The Painted Desert' – een ode aan het overweldigende Amerikaanse landschap. 'Verdi Cries' is voorts een superieure ballad die Sandy Denny in herinnering roept, 'A Campfire Song' herbergt een korte Michael Stipe cameo en de cover van Cat Stevens' 'Peace Train' een live-favoriet die aanvankelijk een comfortabel plekje krijgt op In My Tribe. Aanvankelijk, want als Cat Stevens – tot de islam bekeerd – zich achter de fatwa tegens Salman Rushdie schaart, verwijdert platenlabel Elektra de track van het album..
Ook zonder 'Peace Train' is In My Tribe nog steeds een fraai jaren tachtig folkrockalbum van een band die niet meer beter zal worden. Temeer daar de ziel van de band, zangeres en componiste Nathalie Merchant, 10,000 Maniacs in 1993 vaarwel zegt.

What's The Matter Here?/ Hey Jack Kerouac / Like The Weather / Cherry Tree / The Painted Desert / Don't Talk / Peace Train / Gun Shy / My Sister Rose / A Campfire Song / City Of Angels / Verdi Cries

dinsdag 30 oktober 2012

Burning Tree | Burning Tree


Wellicht is Burning Tree in 1990 een tikkeltje te anachronistisch. Het powerrocktrio uit Los Angeles – bestaande uit Marc Ford (gitaar), Mark Dutton (bas) en Doni Gray (drums) – baseert zich namelijk op de Britse bluesrock van Cream en Taste: in de beginjaren negentig niet hip vanwege de heersende trend van heavy metal-hairbands en de snel opkomende Seattle-grunge. Misschien is Burning Tree om die reden juist wel uniek. Voor Epic Records neemt het trio zijn zelfgetitelde debuut op, dat niet alleen het terrein van de grofmazige bluesrock bestrijkt, maar ook een fijne dosis southern rock en countryrock toevoegt. De zang is bovendien in goede handen van het trio, waarvan ieder voor zich vindt dat hij capabel is als background-vocalist, maar niet als leadzanger... Niet alleen de zang is sterk, ook het powerspel is indrukwekkend – en Marc Fords gitaarspel overweldigend. 'Burning Tree', 'Masquerade' en 'Fly On' zijn aarde verschroeiende bluessongs; 'Wigs, Blues And High Heeled Shoes' en 'Crush' fraaie gitaarpopsongs. 'Mistreated Lover' en 'Baker's Song' zijn bijzonder soulvol – vooral door de Hammond van Booker T – en 'Playing In The Wind' is het meeslepende hoogtepunt van een in feite sensationele debuutplaat. Burning Tree wordt dan ook goed ontvangen en aldus ligt de toekomst open voor het trio – ware het niet dat The Black Crowes fluks gitarist Marc Ford confisqueren. En dan is in 1991 Burning Tree helaas alweer ter ziele.

Burning Tree / Wigs, Blues And High Heeled Shoes / Fly On / Mistreated Lover / Masquerade / Playing In The Wind / Last Laugh / Crush / Same Old Story / Baker's Song / Baby Blue / Turtle

maandag 24 september 2012

The Wallflowers | The Wallflowers


Jakob Dylan heeft altijd gewaardeerd willen worden om zijn eigen muzikale talent en niet om het feit dat hij toevallig een van de zonen van Bob Dylan is. Het talent van Jakob Dylan staat buiten kijf, zonder meer, maar toch… Ten eerste is Jakob Dylan de in 1970 geboren zoon van Sara Lowndes en Robert Zimmermann, dus de naam Dylan is niets anders dan een zelfgekozen artiestennaam. Ten tweede dopen Jakob Dylan en zijn vrienden hun band in 1990 om van The Apples naar The Wallflowers – juist; de titel van een Bob Dylan-song. Enfin, The Wallflowers opereren vanuit Los Angeles en bestaan naast componist en zanger Dylan uit gitarist Tobi Miller, toetsenist Rami Jaffee, bassist Barry Maguire en drummer Peter Yanowitz. Het is, o wonder, voor The Wallflowers geen probleem een label te interesseren voor hun rockmuziek gebaseerd op jaren zestig rock en de Paisley Underground van de jaren tachtig. Met producer Paul Fox nemen The Wallflowers in een week of vier hun debuutplaat op voor Virgin in de American Recording-studio in Hollywood. In 70 minuten rockmuziek hebben The Wallflowers heel veel te vertellen. De zang van Jakob Dylan doet qua frasering – vooral op ‘Asleep At The Wheel’ – sterk denken aan die van zijn vader, maar de aandacht op het zelfgetitelde debuut gaat vooral uit naar het warme orgel- en pianospel van Jaffee, de gitaarsound van Miller die herinnert aan die van Richard Thompson, en Dylans epische composities. Het zijn inderdaad epische gitaarsongs die The Wallflowers bevolken: ‘Sugarfoot’, ‘Sidewalk Annie’, ‘Hollywood’ en het fenomenale ‘Ashes To Ashes’. Uitgesponnen rocksongs als ‘Somebody’s Else’s Money’ en ‘Honeybee’ neigen zelfs naar de tien minuten. Maar The Wallflowers blijft een lekker logge, maar scherpe gitaarplaat, nauw aansluitend bij de tijdgenoten, maar schatplichtig aan het verleden van Little Feat en Neil Young in de jaren zeventig en Green On Red in de jaren tachtig. Een geweldige plaat dus, maar daar denkt het publiek anders over. Virgin laat de band al na een cd vallen, waarna Dylan en Jaffee een nieuwe Wallflowers vormen. Met een nieuw platencontract op zak neemt de band met papa Bobs vriend T-Bone Burnett Bringin Down The Horse op, een cd die meer dan een miljoen keer verkoopt en ook nog eens singlehits oplevert. Uiteindelijk zijn Jakob Dylan en zijn Wallflowers redelijk populair geworden, ook in latere jaren, maar de kracht en lyriek van het debuut The Wallflowers blijft onovertroffen.

Shy Of The Moon / Sugarfoot / Sidewalk Annie / Hollywood / Be Your Own Girl / Another One In The Dark / Ashes To Ashes / After The Black Bird Sings / Somebody Else’s Money / Asleep At The Wheel / Honeybee / For The Life Of Me