Posts tonen met het label 1997. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1997. Alle posts tonen

zondag 27 december 2015

Whiskeytown | Strangers Almanac

Toen eind 1997 Whiskeytowns Strangers Almanac verscheen, had Nederlands meest toonaangevende muziekschrift er slechts een paar woorden voor over. Geen aandacht voor Whiskeytown; geen bladruimte voor Ryan Adams. Een schromelijke vergissing omdat als snel zou blijken dat Whiskeytown naast The Jayhawks en Wilco de countryrock aan een eigentijds imago zou helpen. Voorman Ryan Adams werd en wordt in sommige kringen zelfs beschouwd als de persoon waarin Gram Parsons en Kurt Cobain samengaan.
Als Adams in 1995 de countrymuziek van George Jones en Gram Parsons ontdekt richt hij in Raleigh, North Carolina Whiskeytown op, waarna de band een jaar later getekend wordt door Geffen-dochter Outpost. In 1996 debuteert Whiskeytown met Faithless Street, dat nog allerminst opvalt. De opnamen voor de tweede plaat worden aanvankelijk afgekeurd, waarop Whiskeytown in Nashville, Tennessee wordt opgesloten met producer Jim Scott (Neal Casal, Wilco, The Jayhawks) om het nog eens over te doen. Het valt de rebelse Adams niet mee, niettemin levert het een schitterend album op: Strangers Almanac. 
Opvallend is de organische benadering, vormgegeven door de akoestische gitaren van Adams en van Phil Wandscher, en de fiddle van Caitlin Cary. Het merendeel van de stemmige countryrocksongs wordt bovendien opgeluisterd door Joe Ginty’s Hammond en de pedal steel van maestro Greg Leisz. Whiskeytowns afwisselend weemoedige en rauwe neo-countryrock levert parels op als ‘Inn Town’, ‘Everything I Do’, ’16 Days’, ‘Yesterday’s News’, ‘Turn Around’ en ‘Waiting To Derail’. Gezamenlijk maken ze van Strangers Almanac een baanbrekend album en een ware alt.countryklassieker.
Een klassieker die overigens pas jaren later op ware waarde geschat wordt. En dan is het te laat, want Ryan Adams verlaat het Whiskeytown-schip en verrast in 2000 vriend en vijand met het waarlijk iconische solo-album Heartbreaker. Maar een jaar later blijkt er nog een Whiskeytown-album op de plank te hebben gelegen: Pneumonia is de zwanenzang en het bijna-meesterwerk dat de korte en heftige Whiskeytown-periode fraai afrondt.

Inn Town / Excuse Me While I Break My Own Heart Tonight / Yesterday’s News / 16 Days / Everything I Do / Houses On The Hill / Turn Around / Dancing With The Women At The Bar / Waiting To Derail / Avenues / Losering / Somebody Remembers The Rose / Not Home Anymore  

dinsdag 9 december 2014

Chuck Prophet | Homemade Blood

Opeens is een geblondeerd schoffie de blikvanger in Green On Red vanwege zijn zinderende en zelfverzekerde gitaarspel. Het is de 22-jarige Chuck Prophet IV die imponeert op Gas Food Lodging (1985). Prophet is een echte Californiër; opgegroeid in een buitenwijk van Los Angeles, standplaats: San Francisco. Hij trekt jaren op met Dan Stuart, getweeën houden ze Green On Red gaande totdat in 1992 de chemie is uitgewerkt: Too Much Fun, de sarcastiche titel van het laatste GOR-album. Ondertussen is Prophet, met partner Stephanie Finch, al een tijdje als solo-artiest actief. Tussen het intensieve toeren door verschijnt er met enige regelmaat een Chuck Prophet-album. In deze serie is Homemade Blood uit 1997 een van de sterkste en meest gedreven albums. Gepokt en gemazeld door een leven on the road is Chuck Prophet in een grootse vorm: cynisch en gruizig is zijn zang, fel en puntig het gitaarspel. Live opgenomen in een studio bij Prophet om de hoek, is Homemade Blood een urgent rock'-n-rollalbum waarop een strakke band te horen is die uitblinkt in gemeen klinkende rootsrocksongs als 'You Been Gone', 'Textbook Case' en 'Inside Track', en met een absolute hoofdrol voor Prophets vlammende Fender. Dat geldt ook voor het broeierige 'Ooh Wee', dat daarnaast ook opvalt vanwege Prophets persoonlijke ontboezemingen: I was nine years old in seventy-three / Strung out on Ritalin and color TV. Naast de felle songs en het vlijmscherpe gitaarspel biedt Homemade Blood evenzeer ruimte aan trage, rootsy liedjes die op gelijke wijze imponeren; 'New Years Day' – met een cameo van Greg Leisz op pedal steel – 'Homemade Blood', 'Whole Lot More', 'Kmart Family Portrait' en de georkestreerde afsluiter 'The Parting Song'. Gedreven, gevarieerd en ronduit grandioos; Homemade Blood is Chuck Prophets beste en een van de fraaiste rootsrockplaten van de jaren negentig.

Credit / You Been Gone / Inside Track / ooh Wee / New Year's Day / Fillmore / Homemade Blood / Whole Lot More / Textbook Case / Kmart Family Portrait / Til You Came Along / The Parting Song



zondag 7 december 2014

Poole | The Late Engagement

Poole past probleemloos in de hausse van powerpopbands in de tweede helft van de jaren negentig: Beatles-koortjes, Big Star-melodieën en gruizige gitaren. Poole komt van de Amerikaanse oostkust; uit de omgeving van Washington D.C. The Late Engagement is het tweede album van Poole, dat nu met een extra gitarist een vijftal is. De gitaren zijn dan ook dominanter en zwaarder aangezet, waardoor Poole's wall of sound het midden houdt tussen tijdgenoten als Sloan en The Posies. Rinkelende en licht overstuurde Rickenbackers overheersen het groepsgeluid, al blijven de koortjes er helder doorheen klinken. The Late Engagement is dan ook een verzameling klassieke powerpop, al is het lichtende hoogtepunt de met Beach Boys-harmonieën opgeluisterde baroquepop van 'La Chanson De La Voiture Du Pompier (Fire Engine Song)'. Poole blijft echter nodeloos een totaal obscure band. Na Amongwhoshine in 1999 valt het doek voor Poole.

Glumb / Like Anybody / La Chanson De La Voiture Du Pompier (Fire Engine Song) / The Only One (I Am) / Sugartime / Venus Passing / The Late Engagement / Sparkler / Modern Way / Junior




donderdag 14 augustus 2014

Buddy Miller | Poison Love

Singer-songwriters als John Hiatt en Steve Earle steken niet onder stoelen of banken dat ze de platen van Buddy Miller fantastisch vinden. En ook de grande dame van de country, Emmylou Harris, heeft Miller hoog zitten, want regelmatig is hij gitarist in Harris' begeleidingsband. Wonderlijk genoeg is Buddy Miller al een stuk in de veertig als hij in 1995 debuteert met Your Love And Other Lies. Vanaf die plaat is Miller een ware country-cultheld. Miller wordt geboren in Ohio, groeit op in New Jersey, vestigt zich in Manhattan en trekt in de jaren zeventig door het land met zijn country- en bluegrassband Partners In Crime. In Austin, Texas ontmoet hij de vrome countryzangeres Julie Griffin, met wie hij trouwt en een onafscheidelijk duo vormt. Vanaf eind jaren tachtig brengt Julie Miller religieus getinte platen uit, terwijl echtgenoot Buddy jarenlang geduld oefent – en met Jim Lauderdale optreedt. Eenmaal woonachtig in Nashville, Tennessee richt het echtpaar in hun achterkamer een studio in – Dogtown – en neemt Buddy zijn en Julie's songs op, met Your Love And Other Lies als resultaat. Twee jaar later, in 1997, ontvangt Miller in zijn Dogtown-studio wederom vele muzikale vrienden die hem begeleiden op wat zijn tweede album zal worden: Poison Love. In het titelnummer, een aanstekelijke uitvoering van mrs. Elmer Lairds countryclassic, is het Steve Earle die de harmoniezang doet, terwijl topmuzikanten als drummer Blady Blade, bassist Daryl Johnson, gitarist Gurf Morlix en pedal steelspeler Al Perkins Miller begeleiden op countryslijpers 'Baby Don't Let Me Down' en 'Lonesome For You' en de bluegrass van 'Love In The Ruins'. Natuurlijk duetteert Buddy met zijn Julie – op het smachtende 'Draggin The River' en op de aanklacht tegen het gebruik van landmijnen, het fantastische '100 Million Little Bombs' – maar op dit terrein gaat Buddy ook vreemd met niemand minder dan Emmylou Harris. Gezamenlijk stuwen ze 'Don't Tell Me' en een superieure cover van Otis Reddings 'That's How Strong My Love Is' naar grote hoogten: naar countrysoul-heaven. En zo is Poison Love een ronduit grandioos album dat soul en blues perfect laat samensmelten met eigentijdse country. Niet voor niets wordt de laatbloeier Buddy Miller gezien als een van de grote vernieuwers van een ouderwets genre als country.

Nothing Can Stop Me / 100 Million Little Bombs / Don't Tell Me / Poison Love / Baby Don't Let Me Down / Love Grows Wild / Love In The Ruins / Draggin The River / Help Wanted / That's How Strong My Love Is / Lonesome For You / I Can't Help It / Love Snuck Up

maandag 3 maart 2014

Hannah Cranna | Hannah Cranna

Hannah Cranna is een tamelijk idiote naam voor een, afgaand op de hoes, kwartet keurige jonge kerels uit New Haven, Connecticut. Ze maken ook nog eens tijdloze gitaarpop die teruggrijpt naar Buffalo Springfield, Big Star en Badfinger. De laatste referentie wordt nog duidelijker als Badfinger-gitarist Joey Molland producer is van het zelfgetitelde tweede album van Hannah Cranna, dat in 1997 uitkomt. Maar Hannah Cranna is ook zwaarmoediger van toon dan het debuut, getuige de trage, stroperige songs die worden voortgebracht door melancholieke zang en slepend gitaarwerk. Hannah Cranna is ook meer countrified, zodat de band doet denken aan een pop-georiënteerde Jayhawks. Melancholieke gitaarpopsongs als 'The Hardest Day', 'Waiting & Wondering' en 'Toeing The Line' – met waanzinnige gitaarsolo – geven cachet aan een sterk album. Ze kunnen echter niet verhoeden dat Hannah Cranna – mede door een faillissement van platenlabel Big Deal – snel na de release van het album jammerlijk ten onder gaat.

Don't Fall In Love / The Hardest Way / Crazy Little Thing / Waiting & Wondering / It's A Lie / Heroine In Ohio / Coming Untrue / Toeing The Line / Photos / Five Wasted Years / Falling Down / Already Home


dinsdag 17 december 2013

Blue Mountain | Homegrown


In 2008 proberen Laurie Stiratt en Cary Hudson het na ruim zes jaar opnieuw, want dan verschijnt hun vijfde cd Midnight In Mississippi. Stiratt en Hudson: gehuwd en gescheiden, opnieuw tot elkaar veroordeeld. Ze leren elkaar kennen in 1989 als John Stiratt – de huidige bassist van Wilco – zijn tweelingzus Laurie vraagt bassist te worden in The Hilltops, een band die hij in Oxford, Mississippi heeft met zanger/gitarist Cary Hudson. In 1991 gaan Stiratt en Hudson op avontuur naar Los Angeles, maar binnen een jaar is het stel terug in Oxford, het universiteitsstadje dat southern gothic novelists William Faulkner en Larry Brown voorbracht. Niet alleen richten ze Blue Mountain op – met drummer Frank Coutch – maar ze worden ook man en vrouw. 
Via een vriend komen ze onder contract bij het heavy metal-label Roadrunner, waarop in 1995 het debuut Dog Days verschijnt. De opnamen voor de opvolger vinden met onderbrekingen en verspreid over drie maanden plaats in de Route 1-studio van Cary Hudsons neef Chris Hudson en producer Jeffrey Reed in Monticello, meer dan 200 mijl zuidelijker in Mississippi. Talloze keren maakt het trio de tocht over het platteland van Mississippi – en dat werkt door in Hudsons songs; roadsongs over verlaten en eindeloze plattelandswegen. Maar ook de veranda thuis in Oxford is een geliefde plek van het stel; niets voor niets heet Blue Mountains tweede Homegrown, met op de hoes een foto van het trio op de back porch. Ook op de hoes staat Willie, hoofdpersoon in het voortjagende ‘Black Dog’ en verantwoordelijk voor het achtergrondgeblaf. Maar er zijn meer bijzondere personages in Hudsons songs. Zoals ‘Ira Magee’, over een lokale blueszanger die in het niets verdwijnt; de onbereikbare Myrna Lee in het twangende gelijknamige nummer; Midnight Clyde die bij zijn dood een grote leegte achterlaat, maar wel schitterend geportretteerd wordt in ‘Last Words Of Midnight Clyde’; en de dorpsgek, vereerd met het fraaie traditionele walsje ‘Town Clown’. Het is het kleinstedelijke leven op het platteland van Mississippi dat het terugkerende thema is in Cary Hudsons teksten. Muzikaal beweegt Blue Mountain zich tussen countryblues, southern rock en aanstekelijke pop, met vervlechtende akoestische en elektrische gitaren en in eenvoudige maar zeer doeltreffende arrangementen. Wat ook ten volle geldt voor ‘Babe’, een jengelende, R.E.M.-achtige ode aan de huwelijkse staat, het swingende ‘Bloody 98’ – waarin een overspelige echtgenoot heen en weer racet over de US 98 – en het broeierige en meeslepende ‘Dead End Street’, een oude compositie van Hudson die ook te vinden is op The Hilltops’ Big Black River . De respectvolle liner notes van Larry Brown ten slotte vervolmaken dit eerbetoon aan het plattelandsleven in het Diepe Zuiden. 
Dat mag zo zijn; van Homegrown gaan niet meer dan 16.000 exemplaren over de toonbank en van de opvolgers nog minder. In 2001 hebben Laurie Stiratt en Cary Hudson geen huwelijk, geen platencontract en geen drummer.

Bloody 98 / Myrna Lee / Pretty Please / Black Dog / Generic America / Last Words Of Midnight Clyde / Babe / It Ain’t Easy To Love A Liar / Ira Magee / Town Clown / Dead End Street / Rain 

maandag 25 november 2013

The Gourds | Dem's Good Beeble

Een spraakmakend Texaans album op een Nederlands label, dat is Dem's Good Beeble van The Gourds. Allerlei authentieke Amerikaanse muziekstijlen zijn op unieke wijze samengebracht in een enthousiaste, aanstekelijke potpourri van liedjes, maar liefst 16 in getal. In Austin, Texas richten kernleden Kevin Russell en Jimmy Smith in 1994 The Gourds op. Ze laten zich gewillig inspireren door het Amerikaanse muzikale erfgoed, dat een melting pot van culturen is: van polka tot tex-mex; van tango tot zydeco; van country tot mountain-folk. De bezetting van de band is dienovereenkomstig: trekzak, mandoline en drums die nauwelijks een naam mogen hebben. The Gourds is een rudimentair orkestje. Hun debuut nemen ze op in een boerderij, The Laurels Ranch in Comfort, Texas. Zoals gezegd 16 liedjes, eerlijk verdeeld tussen de componisten Smith en Russell. Jimmy Smith is onder meer verantwoordelijk voor 'Jenny Brown', dat klinkt als The Clash in Appalachen-stijl, en de prachtige cajun-ballad 'When Wine Was Cheap'. Kevin Russell, de betere zanger, weet op zijn beurt de Appalachen-sfeer van afgelegen bergdorpjes – en de aangrijpende beelden van fotograaf Shelby Lee Adams – muzikaal uitstekend te treffen met zijn schitterende, hartverscheurende meezingers 'Dying Of The Pines', 'Clear Light' en 'Money Honey', en ook de Band-achtige tranentrekker 'Web Before You Walk Into It'. The Gourds verbeelden op Dem's Good Beeble – zoiets als die goeie mensen – een antiek, grotendeels verdwenen Amerika. Het is dan ook tamelijk bizar dat dit puur Amerikaanse muzikale document – americana in optima forma – in 1997 op een Nederlands label verschijnt.

Piss & Moan Blues / Caledonia / Dying Of The Pines / Jenny Brown / Clear Light / Sweet Li'l / When Wine Was Cheap / Money Honey / Honduras / Ringing Dark & True / Pine Tar Ramparts / Makes Me Roll / Trampled By The Sun / Web Before You Walk Into It / I Come Up / All The Labor 

woensdag 19 juni 2013

Jim White | Wrong-Eyed Jesus!

Geheimzinnige verhalen in een setting van spookachtige, krakende country-noir: Jim White's Wrong-Eyed Jesus! is in 1997 een tamelijk spectaculair debuut. Jim White – een samentrekking van de namen van twee dierbare vrienden, werkelijke naam: Mike Pratt – is een zonderling die de bagage van een getroebleerd leven met zich mee torst. Wrong-Eyed Jesus! is zijn verlossing. White werd geboren in San Diego, Californië, groeide op in Pensecola, Florida, confronteerde zijn demonen en hield zich in leven als model voor de Europese Vogue en als taxichauffeur in New York. Hij hield zich evenzeer bezig met de liefde als met het vagevuur. Een gekweld man; richtingloos maar altijd op zoek. Hij is de veertig al gepasseerd als hij de gitaar ontdekt en dan duurt het niet lang of hij wordt gespot door Joe Henry's vrouw/Madonna's zus en getekend door David Byrne's Luaka Bop-label. Op Wrong-Eyed Jesus! poogt White de boze geesten af te schudden die hem op de hielen zitten: Won't you help to write my book of angels? zingt hij in 'Book Of Angels'. Het muzikale kader is een atmosferische combinatie van southern gothic en Appalachen-folk; White zingt omfloerst, terwijl Afrikaanse palmwijn-gitaren de broeierige countryfolk inkleuren – die combinatie is adembenemend en onheilspellend tegelijk in 'Still Waters', 'A Perfect Day To Chase Tornados' en het fabuleus-etherische 'The Road That Leads To Heaven'.
Teksten worden niet meegeleverd, maar het cd-boekje bevat wel een kort verhaal: The Mysterious Tale Of How I Shouted “Wrong-Eyed Jesus!” - A True Story By Jim White. In 2005 wordt dit verhaal werkelijkheid, want verfilmd, als hij met een Jezus-beeld in de kofferbak van zijn Cadillac een roadtrip onderneemt door het mythische zuiden, zich onderhoudend met dominees, vrachtwagenchauffeurs, ter dood veroordeelden en muzikanten. Jim White is een bijzondere singer-songwriter – altijd op zoek naar het spirituele.

Book Of Angels / Burn The River Dry / Still Waters / When Jesus Gets A Brand New Name / Sleepy-Town / A Perfect Day To Chase Tornados / Wordmule / Stabbed In The heart / Angel-Land / Heaven Of My Heart / The Road That Leads To Heaven


zondag 5 mei 2013

Ron Sexsmith | Other Songs


Ronald Eldon Sexsmith, geboren in 1964, is als sinds zijn 21e samen met zijn vrouw Jocelyne. Samen hebben ze een zoon en een dochter. Als een liefhebbende vader en echtgenoot draagt hij steevast zijn albums aan hen op en verontschuldigt zich voor het feit dat hij zoveel weg is en dat hij ze erg mist. Ronald Eldon Sexsmith uit St. Catherines, Canada, draagt nette, keurig gepoetste schoenen, geklede broeken en blouses in gedekte kleuren tot boven aan toe dichtgeknoopt. Hij heeft een engelachtig gezicht, een melancholieke oogopslag en een jongensachtige uitstraling; in alles anti-cool. Maar ondanks dat alles beschikt Ron Sexsmith over een indrukkende verzameling onwaarschijnlijk mooie singer-songwritersliedjes. Al direct na zijn debuut voor major Interscope in 1995 wordt Sexsmith door Elvis Costello en Steve Earle gewaardeerd om zijn talent voor het schrijven van intelligente liedjes. Het grote publiek denkt daar beduidend anders over. Een langdurig contract met Interscope stelt Sexsmith niettemin in staat met topproducer Mitchell Froom (Crowded House, Richard Thompson) en ervaren studiomusici zijn liedjes op plaat vast te leggen. De opnamen voor Sexsmiths tweede Interscope-album vinden afwisselend plaats in New York City en Los Angeles. Sexsmith heeft een uitgelezen band tot zijn beschikking: Mitchell Froom (orgel), Brad Jones (bas), Larry Campbell (pedal steel), Jerry Marotta (drums) en op accordeon Sheryl Crow. Zij leggen op Other Songs vooral een warm klanktapijt neer voor Sexsmith, die telkens in delicate partjes van tussen de twee en de drie minuten – veertien in getal – in droge stijl zijn beslommeringen met de luisteraar deelt. Hardop denken noemt Sexsmith dat, zoals blijkt uit ‘Thinking Out Loud’: Thinking out loud is all I’m doing. Het zijn kleine liedjes – portretjes van het huiselijk leven, tobberige overpeinzingen en sentimentele gevoelens – maar ze zijn prachtig. Kennelijk onaangedaan zingt Sexsmith zijn liedjes over de verloren onschuld, zoals ‘Pretty Little Cemetery’, ‘Child Star’ en ‘So Young’, of het grote menselijke falen onvoorwaardelijk lief te hebben. Dat blijkt uit het prachtig melancholieke ‘While You’re Waiting’, met zijn zachtjes huilende pedal steel: While you’re waiting for the love / To return / To her eyes. In de afsluiter ‘April After All’ is de regen een poëtische metafoor voor het relationele verdriet; regen moet vallen en tranen moeten vloeien, want het is April after all. Liefde is niet eeuwig, want al bedankt Ron Sexsmith zijn vrouw op al zijn met wisselend succes verschenen albums, het uit 2006 stammende Time Being vormt een trendbreuk. Zijn vrouw heeft dan het veld moeten ruimen voor een inspirerende nieuwe liefde voor wie hij nu de prachtigste liedjes componeert. Net zoals hij dat in 1997 zo intens romantisch en melancholisch deed op zijn klassieke singer-songwritersplaat Other Songs.

Thinking Out Loud / Strawberry Blonde / Average Joe / Thinly Veiled Disguise / Nothing Good / Pretty Little Cementery / It Never Fails / Clown In Broad Daylight / At Different Times / Child Star / Honest Mistake / So Young / While You’re Waiting / April After All 

vrijdag 8 juni 2012

Michael Head | The Magical World Of The Strands

Pech heeft Michael Head altijd als een schaduw gevolgd; het ongeluk lag altijd op de loer. Michael Head was de motor achter Pale Fountains en is de huidige frontman van Shack. Niet bepaald een indrukwekkend palmares, want wie loopt er nog warm voor de Pale Fountains en wie is er op de hoogte van het marginale bestaan van Shack? Om dezelfde reden zal Michael Heads solo-cd nauwelijks harten sneller doen kloppen. En dat zouden ze nu juist wél moeten doen; The Magical World Of The Strands is namelijk een barok en melancholiek meesterwerk, volledig ondergedompeld in kale psychedelica en georkestreerde folkpop. Een paradox wellicht, maar niettemin geheel toepasbaar op Michael Heads solo-avontuur.
Michael Head groeide samen met zijn jongere broer op in een arme wijk in Liverpool. Hun vader liet hen op jonge leeftijd naar muziek van Hank Williams luisteren, maar later ontdekten de broers de extravaganza van Bowie’s Aladdin Sane. Eind jaren zeventig wordt Michael Head fan van de Liverpool-scene, in het bijzonder van de neo-psychedelica van Teardrop Explodes. Onder deze invloed richt Michael Head de Love Fountains op, vernoemd naar een andere invloed: Arthur Lee’s Love. Als Virgin de groep tekent, wordt deze omgedoopt tot Pale Fountains. De band wordt echter gemangeld tussen producers en platenlabel, want drummachines en commerciële – lees: foute – productie ontsieren de albums van de Pale Fountains en beroven Michael Head van zijn illusies. Als de bassist van de Pale Fountains overlijdt aan een hersentumor, heft Head de band op. De nalatenschap van de Pale Fountains bestaat dan slechts uit twee geflopte lp’s. Twee jaar later richt Michael Head samen met zijn broer John Shack op. De eerste plaat flopt volledig, maar de Head-broers volharden en ontwikkelen gaandeweg een psychedelische folkrocksound die de interesse wekt van publiek en media. Waterpistol, Shacks tweede cd, voldoet aan de eigen hoge verwachtingen van Michael Head, maar dan brandt hun Londonse opnamestudio tot de grond toe af, met daarin de mastertapes van Waterpistol. Als echter Shacks producer terugkeert van een vakantie naar Amerika, blijkt dat hij een DAT-tape van de opnamen mee op reis had genomen, alleen heeft hij die achtergelaten in het dashboardkastje van de huurauto… Wonder boven wonder komt de tape boven water, maar dan gaat Shacks platenlabel failliet. Helaas duurt het nog vier jaar voordat de plaat zal verschijnen, maar in de tussentijd beleven Michael en John Head wel een muzikaal hoogtepunt als zij in 1992 levende legende Arthur Lee mogen begeleiden op zijn Britse tournee. In 1995 verschijnt Waterpistol dan eindelijk op het Schotse Marina-label, maar tegen die tijd heeft Michael Head Shack opgeheven.
Dan volgen de écht slechte jaren voor Michael Head; hij verpleegt zijn moeder die stervende is en raakt verslaafd aan heroïne. Ondanks dat Head onhandelbaar is, stelt de Franse labelbaas en fan Stephane Bismuth hem in staat een solo-cd op te nemen. Gedurende een jaar bezoekt Head, samen met een klein rockcombo – The Strands –, een fluitiste en een strijkkwartet, een Liverpoolse studio. In de studio ontluikt Heads creativiteit en gaandeweg onstaan er talloze nieuwe songs. Deze uiterst vruchtbare periode – en het vertrouwen van de man van het Village-label – leiden in 1997 uiteindelijk tot de release van The Magical World Of The Strands, een wonderlijke mengeling van orkestrale pop en folky psychedelica. Al vanaf de begintonen van ‘Queen Mathilda’ raak je als luisteraar uitermate geboeid door de wijze waarop Michael Head je de songs intrekt. De jazzy gitaar doet denken aan het spel dat Lee Underwood op Tim Buckleys platen etaleerde. Dit gevoel wordt nog versterkt door het volgende nummer, ‘Something Like You’, waarin de weemoed van de ondergaande zon op een nazomerse avond tastbaar wordt gemaakt. Dit staaltje van sublieme orkestrale pop, voorzien van een hemels refrein, is een van de hoogtepunten van The Magical World Of The Strands. ‘And Luna’ is opgetuigd met heftige rondzingende gitaareffecten, waar tegenover staat dat het door het strijkkwartet gegenereerde organische geluid – zoals in ‘The Prize’ – Heads melancholische inslag benadrukt. In ‘It’s Harvest Time’ waart de geest van Nick Drake rond, gedragen op het getokkel en getinkel van de akoestische gitaar en Leslie Roberts’ dwarsfluit. ‘Glynys And Jacqui’ vangt aan als een zweverige Westcoastsong die niet misstaan zou hebben op The Byrds’ Notorious Byrd Brothers of, jawel, Love’s Forever Changes, maar barst dan los in een heftige feedbacksolo. Opnieuw een hoogtepunt op dit subtiele meesterwerk. In het magistrale slotnummer ‘Fontilan’ komt alles – psychedelica, folkrock en kamerbrede pop – nog eens tezamen en aldus wordt The Magical World Of The Strands op magistrale wijze afgesloten. The Magical World Of The Strands is Michael Heads superieure en briljante reactie op de pech die hem al zijn gehele muzikele carrière achtervolgt. Ooit zal dit onbetwistbare meesterwerk – opgetrokken uit bittere liefdesliedjes – herkend en erkend worden.
Queen Mathilda / Something Like You / And Luna / X Hits The Spot / The Prize / Undecided (Reprise) / Glynys And Jaqui / It’s Harvest Time / Loaded Man / Hocken’s Hey / Fontilan

dinsdag 22 mei 2012

The Chamber Strings | Gospel Morning

Een warrige haardos, een oogopslag naar het niets: een gekwelde romanticus uit de goot. Een blik op Kevin Junior is voldoende om de associaties te laten stromen: Alex Chilton, Johnny Thunders, Peter Perrett, Nikki Sudden, Paul Westerberg. En inderdaad, Kevin Junior stevende af op totale zelfvernietiging – maar overleefde. De chronisch depressieve Kevin Gerber trekt in 1985 op 15-jarige leeftijd van Akron, Ohio naar Chicago, Illinois om zijn passie voor rock-'n-roll te leven en krijgt in het clubcircuit, jong als hij is, de bijnaam 'junior'. Hij richt The Mystery Girls op, een band die in 1992 wordt omgedoopt tot The Rosehips en twee jaar later een album uitbrengt bij een major. Kevin Junior raakt dan innig bevriend met Epic Soundtracks van The Swell Maps en broer van Nikki Sudden. Voor de band van Epic Soundtracks zoekt Kevin Junior bandleden in Chicago, maar uiteindelijk komen ze in de band van Junior zelf terecht: The Chamber Strings. Na een tournee door Europa met Soundtracks neemt Junior tussen oktober '96 en februari '97 in Angel Studios in Chicago elf zelfgepende nummers op met producer en bassist Ellis Clark, drummer Anthony Illarde, toetsenist Todd Flechter en de gitaristen Aaron Bright en Tom Fowler. Op het resultaat, Gospel Morning, betoont Kevin Junior zich de breekbare romanticus die zwelgt in decadente jaren zeventig rock, zoals de swagger van The Rolling Stones en The Faces in 'Dead Man's Poise' en 'Cold, Cold Meltdown'', en Only Ones-postpunk in 'The Race Is On' en 'Thank My Lucky Stars' – de laatste opgenomen in Londen. De overheersende sfeer op Gospel Morning is echter die van verval, verlies en wanhoop en doet sterk denken aan de deprimerende sound van Big Stars Third. Magistrale, in mineur gestemde songs als 'Flashing Star', 'I Can't Lose' en 'All Of Your Life' laten een fragiele, magnifieke Junior horen die wordt begeleid door herfstige strijkers, barokke toetsen en lyrische gitaarsolo's. Gospel Morning bereikt dan zijn bij de strot grijpende apotheose in de kaalslag van 'No More Songs'. In de herfst van 1997 komt Gospel Morning via een klein label, Idiot Savant Music, in een oplage van 1.000 stuks op de markt en wordt nauwelijks opgemerkt. Opnieuw gaat Junior dan in Engeland toeren met Epic Soundtracks, maar bij terugkomst uit Engeland, dat hij heeft moeten verlaten vanwege een aflopend visum, verneemt Junior dat de zwaarmoedige Soundtracks is overleden aan overdosis antidepressiva. Kevin Junior komt de schok niet te boven en verliest zich in een zware heroïneverslaving, die aanvankelijk in 2001 een wonderlijk creatieve piek oplevert in de vorm van het orkestrale Month Of Sundays – al is de doorgetripte Junior totaal onhandelbaar in de studio. Maar dan gaat het bergafwaarts met Kevin Junior. Hij verliest zijn band, verkoopt al zijn spullen en gitaren en leeft in Los Angeles het leven van een aan heroïne, cocaïne en alcohol verslaafde dakloze. Zelmoordpogingen, gevangenisstraffen en ziekenhuisopnamen – Junior blijkt een lekke hartklap te hebben – krijgen hem er echter niet onder. Hij overleeft ternauwernood en gaat weer muziek maken; gaat in 2004 op tournee met Nikki Sudden door Europa – a living hell. Terug in Chicago sterft hij bijna aan een overdosis valium, maar in 2006 komt hij definitief tot inkeer als hij hoort dat Nikki Sudden na een optreden in New York overlijdt door een overdosis. Kevin Junior overleeft zes jaar in de goot, heeft in 2007 zijn band weer bij elkaar en heeft talloze nieuwe songs geschreven voor wat het derde album van The Chamber Strings moet worden. Met Gospel Morning heeft Kevin Junior in ieder geval al een gebutst, verloren meesterwerk op zijn naam staan.
Flashing Star / Telegram / Everyday Is Christmas / Dead Man's Poise / I Can't Lose / Victorian Arms / The Race Is On / All Of Your Life / Gospel Morning / Cold, Cold Meltdown / Thank My Lucky Stars / No More Songs