Posts tonen met het label San Fran-sound. Alle posts tonen
Posts tonen met het label San Fran-sound. Alle posts tonen

dinsdag 9 december 2014

Chuck Prophet | Homemade Blood

Opeens is een geblondeerd schoffie de blikvanger in Green On Red vanwege zijn zinderende en zelfverzekerde gitaarspel. Het is de 22-jarige Chuck Prophet IV die imponeert op Gas Food Lodging (1985). Prophet is een echte Californiër; opgegroeid in een buitenwijk van Los Angeles, standplaats: San Francisco. Hij trekt jaren op met Dan Stuart, getweeën houden ze Green On Red gaande totdat in 1992 de chemie is uitgewerkt: Too Much Fun, de sarcastiche titel van het laatste GOR-album. Ondertussen is Prophet, met partner Stephanie Finch, al een tijdje als solo-artiest actief. Tussen het intensieve toeren door verschijnt er met enige regelmaat een Chuck Prophet-album. In deze serie is Homemade Blood uit 1997 een van de sterkste en meest gedreven albums. Gepokt en gemazeld door een leven on the road is Chuck Prophet in een grootse vorm: cynisch en gruizig is zijn zang, fel en puntig het gitaarspel. Live opgenomen in een studio bij Prophet om de hoek, is Homemade Blood een urgent rock'-n-rollalbum waarop een strakke band te horen is die uitblinkt in gemeen klinkende rootsrocksongs als 'You Been Gone', 'Textbook Case' en 'Inside Track', en met een absolute hoofdrol voor Prophets vlammende Fender. Dat geldt ook voor het broeierige 'Ooh Wee', dat daarnaast ook opvalt vanwege Prophets persoonlijke ontboezemingen: I was nine years old in seventy-three / Strung out on Ritalin and color TV. Naast de felle songs en het vlijmscherpe gitaarspel biedt Homemade Blood evenzeer ruimte aan trage, rootsy liedjes die op gelijke wijze imponeren; 'New Years Day' – met een cameo van Greg Leisz op pedal steel – 'Homemade Blood', 'Whole Lot More', 'Kmart Family Portrait' en de georkestreerde afsluiter 'The Parting Song'. Gedreven, gevarieerd en ronduit grandioos; Homemade Blood is Chuck Prophets beste en een van de fraaiste rootsrockplaten van de jaren negentig.

Credit / You Been Gone / Inside Track / ooh Wee / New Year's Day / Fillmore / Homemade Blood / Whole Lot More / Textbook Case / Kmart Family Portrait / Til You Came Along / The Parting Song



woensdag 5 november 2014

The Wizards From Kansas | The Wizards From Kansas

Inderdaad, The Wizard From Kansas komen uit Kansas. Aanvankelijk heet het psychedelische vijftal Pig Newton And The Wizards From Kansas, maar op aandringen van platenlabel Mercury wordt de bandnaam ingekort. De band heeft dan, in de zomer van 1969, succesvol getoerd langs de oostkust en opgetreden in de Fillmore East, waarna de platenlabels op de stoep staan bij de tovenaars uit Kansas. Een jaar later vinden in San Francisco de opnamen plaats van The Wizard From Kansas, dat ondanks de herkomst van de bandleden een typisch product is van de San Francisco-sound: acidrock dus, met kenmerkende uitgesponnen, lyrische gitaarpartijen à la Quicksilver Messenger Service, Moby Grape-vocalen en Grateful Dead-hippiesfeer. Naast geweldig sfeervolle vertolkingen van Billy Ed Wheelers ‘High Flying Bird’ en Buffy Sainte-Marie’s ‘Codeine’ zijn de zeven bandoriginelen stuk voor stuk prachtige songs die zich bewegen tussen melodieuze psychedelica en kosmische countryrock. De bitterzoete harmoniezang is een fraai tegenwicht tegen de slangachtige, kronkelende gitaarlijnen, zoals te horen is op superieure songs als ‘Freedom Speech’, ‘Misty Mountainside’ en ‘Country Dawn’ ‘She Rides With Witches’ rondt een uitstekende Westcoastcoast-acidrockplaat af, die gelijk de uitverkoopbakken in gaat omdat The Wizards From Kansas direct na de lp-opnamen uiteen vallen; een combinatie die het album een verdiende cultstatus oplevert.

High Flying Bird / High Mister / 912 ½ Mass / Codeine / Freedom Speech / Flyaway Days / Misty Mountainside / Country Dawn / She Rides With Witches


dinsdag 24 juni 2014

Tripsichord Music Box | Tripsichord Music Box

De band begint midden jaren zestig als The Ban, maar na verhuizing van Lompoc, Californië naar Los Angeles in 1966 wordt het The Now. Als de beruchte manager Matthew Katz – van Moby Grape en Jefferson Airplane – de band ontdekt en in 1967 meetroont naar San Francisco dient zich opnieuw een naamsverandering aan – nu meer in overeenstemming met de flower power-trend: Tripsichord Music Box. De band, nu in volledige acidrock-modus, treedt op met de grote namen – The Doors, Moby Grape, It's A Beautiful Day – maar manager Katz houdt een debuutalbum jarenlang tegen, tot 1971. Dan verschijnt op Katz' label het gelijknamige debuutalbum. Te laat: de band is dan al uiteengevallen. Wat rest is een bij vlagen magistraal acidrock-album dat op die momenten kan wedijveren met Moby Grape en Quicksilver Messenger Service. Het superieure twin-lead gitaarspel in songs als 'The New World', 'Son Of The Morning' en het psychedelische hoogtepunt 'Fly Baby' dragen bij aan de pracht van Tripsichord Music Box; de canon van de San Francisco-psychedelica gegarandeerd waardig.

On The Last Ride / We have Passed Away / Black Door / The New World / Son Of The Morning / Short Order Steward / The Narrow Gate / Fly Baby / Everlasting Love

dinsdag 15 oktober 2013

Lee Michaels | Barrel

Michael Olson start zijn muzikale carrière in Los Angeles, Californië, waar hij als toetsenist in lokale bands als The Sentinels en The Joel Scott Hill Group speelt. In 1966 duikt Olson op in San Francisco als organist in Bob Segarini's The Family Tree, waarna hij onder de naam Lee Michaels als solo-artiest tekent bij A&M Records.
In 1968 verschijnt de debuut-lp Carnival Of Life, waarop Michaels zich laat beluisteren als een soort van toetsen-equivalent van Steve Miller. Dan stuurt Michaels zijn begeleidingsband de deur uit, neemt een aantal solo-albums op en strijkt vervolgens met vaste drummer Frosty neer in het landelijke Mill Valley, benoorden Frisco. Daar, in zijn eigen studio-hut, neemt Michaels met Frosty en gitarist Drake Levin zijn vierde album op: Barrel. Barrel is een ware showcase van Lee Michaels talenten, want een zeer capabele gitarist, een uitmuntende toetsenist en een zanger met een soulvolle strot. Daarnaast is Barrel een sfeervolle en rauwe plaat vol rock met massa's soul en af en toe een funky inslag. Aangedreven door Michaels' warme gitaarlicks, barrelhouse-piano en zuigende Hammond met rondjagende Leslie-speaker ademen songs als 'Mad Dog', 'Uummmm My Lady' en het miniatuurtje 'As Long As I Can' volop zuidelijke countrysoul en Rolling Stones-swagger. Westcoast-psychedelica is vertegenwoordigd in een opwindende versie van Moby Grape's 'Murder In My Heart (For The Judge)', terwijl Michaels tekstueel – zoals een Californische hippie betaamt – de revolutie predikt, want de tijden moeten veranderen – overtuigend in het Traffic-achtige 'Day Of Change' – en de Vietnamoorlog moet worden beëindigd, aldus het prachtig bonkende 'Thumbs'.
Barrel paart, hoewel de hippiedroom in 1970 lijkt te zijn vervluchtigd, oprechte maatschappijkritiek aan muzikale rijkdom, die kunstig balanceert op het snijvlak van rock, soul en countryblues. Het rauwe Barrel is dan ook het hoogtepunt in Lee Michaels' beslist niet onbeduidende oeuvre, al behaalt hij een jaar later een verrassende Amerikaanse top 10-hit met 'Do You Know What I Mean?'. Michaels' latere output is echter ronduit teleurstellend, zodat de begaafde muzikant zich eind jaren zeventig min of meer terugtrekt uit de muziekbusiness en zich vestigt op Hawaii.

Mad Dog / What Now America / Uummmm My Lady / Thumbs / When Johnny Comes Marching Home / Murder In My Heart (For The Judge) / Day Of Change / Think I'll Cry / Games / Didn't Know What I Had / As Long As I Can



donderdag 29 augustus 2013

The Beau Brummels | Triangle

Het is nog maar 1967, de popmuziek staat in de kinderschoenen, en The Beau Brummels zijn reeds toe aan hun tweede carrière. Al een jaar na hun oprichting in 1964 hadden The Beau Brummels, dan een vijftal, een trits nationale hits waarvan het Beatleske 'Laugh, Laugh' de grootste was. De Britse popmuziek – onder aanvoering van The Beatles, The Searchers en The Yardbirds – heeft dan, in 1965, vaste voet gekregen op Californische bodem. The Beau Brummels, vernoemd naar een 19e eeuwse Britse zot, krijgen volop ondersteuning van Tom Danahue van Autumn Records, een platenlabel uit San Francisco en een zwarte discjockey, genaamd Sylvester Stewart, oftewel Sly Stone. Stewart produceert zelfs de eerste twee succesvolle lp’s van de band. The Beau Brummels treden op in tv-shows, worden geportretteerd in The Flintstones en doorkruisen Amerika van oost naar west. The Beau Brummels zijn hot. Maar dan gaat Autum Records failliet en worden alle banden van onuitgebrachte opnamen overgedragen aan een obscuur label. En dat zou, anno 1966, het einde van het verhaal zijn: exit Beau Brummels. Maar dat bleek nog maar het begin te zijn.
De band, gereduceerd tot trio, sluit zich op in een studio en oefent en experimenteert met nieuwe muziekvormen. Binnen de tijspanne van een jaar evolueren The Beau Brummels van Amerikaanse copycats van de British Invasion-sound naar enigmatische en oorspronkelijke folkrockers. The Beau Brummels vinden op Triangle een nieuw genre uit. Zoals het trio – Ron Elliott (op de hoes van Triangle met één t), Sal Valentino en Ron Meagher – folk, country, music hall en embryonale psychedelica weet te mengen tot een nouveauté nooit eerder vertoond, is ronduit fascinerend, adembenemend zelfs. Op Triangle boren The Beau Brumels nieuwe gronden aan die vast verankerd zullen blijven in de popmuziek van de toekomst, let wel, geredeneerd vanuit 1967, het jaar van verschijnen van het fabuleuze Triangle.
De trio-bezetting is geen beperking; door de arrangementen van Ron Elliott, de op zichzelf toegesneden vocale arrangementen van zanger extra-ordinaire Sal Valentino en de voor die tijd volle en heldere productie van Lenny Waronker had Triangle door een grotere bezetting gemaakt kunnen zijn en ja, zelfs tien jaar later opgenomen kunnen zijn. Triangle is dan ook een uitnemend voorbeeld van het ten volle benutten van de aanwezige studiotechnieken anno 1967. In die zin kan Triangle in retrospect dan ook beschouwd worden als een state of the art kunstwerk; zijn tijd op dat moment ver vooruit, avantgardistisch in zijn majestueuze eenvoud. De basis is akoestische softrock; droog en subtiel baswerk, shuffelende drums, akoestische gitaren in alle soorten en bovenal de dramatische, vibrerende en duistere stem van unicum Sal Valentino. Unicum, want weinigen bezitten de zeggingskracht en verbeelding die gegenereerd wordt door de hemelse stembanden van de tovenaar uit San Francisco. De strijkers, banjo’s en het klavecimbel van Van Dyke Parks vervolmaken het klankbeeld en zetten kracht bij aan de compacte, maar o zo rijke composities. De elf nummers komen zelden boven de drie minuten – de speelduur van Triangle is nog geen half uur –, maar dat is geen bezwaar want in die beperkte speelruimte ontvouwt zich een volledig universum waarin blinde schilders, zwaar wegende hamers, tijdbewakers en fluwelen wolven figureren. Naast de melodieuze en tegelijk melancholieke composities van Ron Elliott zijn er in de vorm van 'Nine Pound Hammer' en 'Old Kentucky Home' covers opgenomen van respectievelijk Merl Travis (of althans in diens arrangement) en Randy Newman. Maar het zijn vooral Elliotts 'Only Dreaming Now' (met prachtige strijkers), 'Painter Of Women' en 'The Wolf Of Velvet Fortune' die, voorzien van Valentino’s sensitieve en tegelijk macho stemgeluid, Triangle tot een revolutionaire plaat maken. Met Triangle wordt geschiedenis geschreven, folkrock is een feit.
De studioband die The Beau Brummels dan zijn, slinkt verder tot het duo Elliott/Valentino. In die samenstelling wordt het uitstekende countryrock-album Bradley’s Barn gemaakt. Dan scheiden de wegen van Elliott en Valentino zich. Ron Elliott maakt vervolgens een legendarische solo-lp, The Candlestickmaker en richt de groep Pan op die verdienstelijk debuteert met het gelijknamige album. Valentino ondertussen verliest zich in drugs en gaat deel uitmaken van de hippieband Stoneground. En dan, in 1974 komen de wegen weer samen. Na een live optreden besluiten alle oorspronkelijke Beau Brummels een comebackplaat op te nemen. Zo geschiedt. In 1975 verschijnt het gelijknamige en vijfde album van The Beau Brummels. Een uitstekende plaat, opgetrokken uit subtiele countryrock en een meer dan waardig slotakkoord.

Are You Happy? / Only Dreaming Now / Painter Of Women / The Keeper Of Time / It Won’t Get Better / Nine Pound hammer / Magic Hollow / And I’ve Seen Her / Triangle / The Wolf Of Velvet Fortune / Old Kentucky Home



zondag 17 maart 2013

Redwing | Redwing


Al in 1962 vormen de schoolvrienden Ron Floegel en Tom Phillips een bandje. Het duo uit Sacramento, Californië speelt vooral, zoals dat dan de trend is, traditionele covers in het folkidioom. Na ruim een jaar wordt het duo een kwartet door toevoeging van bassist Tim Schmitt en drummer George Hullin, waarmee tevens de rock-‘n-rollbeat in het groepsgeluid verankerd wordt. The Contenders bestaan een jaar, hernoemen zich The New Breed, tekenen bij Diplomacy en brengen in 1965 de debuutsingle ‘Green Eyed Woman’ uit. Door een faillissement van Diplomacy wordt het contract met de band buiten hun medeweten overgenomen door Mercury. Met tegenzin neemt The New Breed nog een aantal psychedelische popsingles uit, en wijzigt dan zijn naam in Never Mind. In 1968 ontfermt Terry Melcher – Byrds-producer en zoon van Doris Day – zich over het viertal, wijzigt hun naam in Glad en verknoeit vervolgens hun debuut-lp met overdadige strijkers en blazers. Voor Tim Schmitt is het dan genoeg; hij vertrekt in 1969 naar Poco. Gitarist Andrew Samuels vervangt hem en als Redwing gaat de band spelen in kleine clubs. 
In de herfst van 1970 wordt Redwing in de New Orleans House, een kleine club in Berkeley, ontdekt door muziekguru Ralph J. Gleason. Hij is laaiend enthousiast over de swingende rocksound, de tegen elkaar opboksende gitaren van Tom Phillips en Andrew Samuels, en de gave samenzang. Gleason zorgt voor een platencontract bij Fantasy – het label van Saul Zaentz –, die Redwing gelijk met Creedence-producer Russ Gary de splinternieuwe Fantasy-studio instuurt. Het resultaat, simpelweg Redwing getiteld, verschijnt in mei 1971 en is een heerlijk rockalbum. Redwing wordt gedomineerd door de stotende ritmegitaar van Ron Floegel, die de sound een stevige rockbeat geeft. De sterke opener ‘The Underground Railway’ zet wat dat betreft gelijk de toon, gevolgd door het al even swingende ‘Please Doctor Please’. Afgezien van de covers van Mickey Newbury en Jimmy Rogers zijn de bandcomposities doortrokken van een zekere rauwheid en bovendien sterk gevarieerd. Zo zijn ‘Sweetwalkin’ Lady’ en ‘Shorty Go Home’ te typeren als klassieke countryrock, met de kenmerkende zangharmonieën en de duellerende gitaren, en excelleert Redwing in de country-slowblues ‘I’m Countin’ On You (To Come Through)’. Het bitterzoete, prachtig countryeske ‘Dark Thursday’, met schitterende bluesy solo’s van Samuels, is de vervolmaking van een sterk debuutalbum. Redwing krijgt in Amerika onder aanvoering van Rolling Stone goede kritieken en kent ook in Nederland, mede door hun concerten, enig succes. De goede verhouding met Fantasy-baas Zaentz – een schril contrast met John Fogerty’s ervaringen – en een zekere mate van populariteit stellen de band in staat nóg drie albums te maken voor Fantasy, en ook nog een onder dezelfde naam: Redwing.

The Underground Railway / Please Doctor Please / Bonnie Bones / Dark Thursday / Sweetwalkin’ Lady / I’m Your Lover Man / Shorty Go Home / Hogtied / I’m Countin’ On You (To Come Through) / Oh Maggie (Don’t Lift The Weight) / (Tell Me Baby) Why You Been Gone So Long / California Blues

zaterdag 10 november 2012

Steve Miller Band | Sailor


Het moment dat Capitol bereid is te investeren in het product Steve Miller worden zijn singles en albums millionsellers. Dat begint in 1973 met de single ‘The Joker’, een nummer 1-hit in de VS, gevolgd door het zeer succesvolle gelijknamige album. Miller vindt zichzelf opnieuw uit en wordt de clevere hitschrijver van gepolijste singles die miljoenen verkopen, evenals de albums waarvan ze worden gelicht: Fly Like An Eagle (vijf miljoen exemplaren) en Book Of Dreams (vier miljoen exemplaren. Maar de Steve Miller van vóór zijn evident commerciële periode is een andere Miller. Steve Miller, geboren in Milwaukee, Wisconsin, groeit op in Texas en leert daar via legendes T-Bone Walker en Les Paul gitaar spelen. Als bluesgitarist trekt Miller naar Chicago, maar als er rond 1966 spannende dingen gebeuren in San Francisco wil Miller daarvan een graantje meepikken. Zijn Steve Miller Band blijkt zich te kunnen meten met de grote bands van de San Francisco-scene, treedt op op het Monterey Festival en sleept een langdurig contract met Capitol in de wacht. Met de blues als basis voegt Miller aan het bandgeluid rock en psychedelica toe, waardoor The Steve Miller Band over een avontuurlijke, opwindende en vernieuwende sound beschikt. Het debuut Childen Of The Future wordt in Londen opgenomen met Glyn Johns als producer, hetgeen ook gepland is voor de opvolger, maar de complete band wordt door de Britse autoriteiten het land uitgezet – Glyn Johns volgt in hun spoor. Met hem neemt The Steve Miller Band in San Francisco Sailor op, een plaat die net als het debuut in 1968 verschijnt. De bezetting van The Steve Miller Band is dan Boz Scaggs (gitaar), Tim Davis (drums), Lonnie Turner (bas) en Jim Peterson (orgel). De laatste is samen met Miller verantwoordelijk voor het atmosferische bandgeluid dat aldus gedomineerd wordt door orgel en elektrische gitaar. Maar als eerste wordt de aandacht op Sailor getrokken door de misthoorns en scheepstoeters in de baai van San Francisco die de fascinerende instrumentale opener ‘Song For Our Ancestors’ een vervreemdend effect geven. Dit wordt gevolgd door de verstilde, smartelijke ballad ‘Dear Mary’ – Steve Miller in optima forma – een kunstje dat hij herhaalt met het geestverruimende, zwevende ‘Quicksilver Girl’. ‘Gangster Of Love’ en You’re So Fine’ zijn twee in elkaar overlopende covers van bluessongs van respectievelijk Johnny Guitar Watson en Jimmy Reed, terwijl het door Jim Peterman geschreven en gezongen ‘Lucky Man’ doet denken aan pastorale soul van Traffic. De meest swingende, groovy tracks zijn ‘Dime-A-Dance Romance’ en ‘Living In The U.S.A’, die het royaal moeten afleggen tegen de pure acidrock van het bezwerende, zuigende en fantastische ‘My Friend’ – een klassieker van de San Francisco-sound. In totaal maakt The Steve Miller Band in de periode 1968-1970 een stuk of vijf uitstekende lp’s, die door Capitol niet gepromoot worden en dus matig verkopen. ‘The Joker’ verandert dit radicaal en maakt van Steve Miller een multimiljonair. Zoals gezegd, Sailor is die andere – avontuurlijke, vernieuwende, psychedelische – Steve Miller.

Song For Our Ancesters / Dear Mary / My Friend / Living In The U.S.A. / Quicksilver Girl / Lucky Man / Gangster Of Love / You’re So Fine / Dime-A-Dance Romance

donderdag 6 september 2012

Quicksilver Messenger Service | Quicksilver Messenger Service

In 1964 richt folkzanger Chester Powers Quicksilver Messenger Service op. Powers heeft dan onder de naam Dino Valenti al jarenlang het koffiehuizencircuit van Greenwich Village afgestroopt. In San Francisco gaat hij een verbond aan met Gary Duncan (gitaar, zang), John Cipollina (gitaar), David Freiberg (bas,zang), Jim Murray (zang) en Greg Elmore (drums). Quicksilver Messenger Service speelt in de talloze clubs in San Francisco en in de Bay Area en ontwikkelt gaandeweg zijn psychedelische sound van uitgesponnen gitaarsolo’s, geestverruimende songstructuren en zweverige songteksten. Met The Grateful Dead en Jefferson Airplane behoort Quicksilver Messenger Service tot de voorhoede van de acid-rock en gezamenlijk vormen zij het uithangbord van de hippiecultuur van Haight-Ashbury. Dino Valenti neemt dit nogal letterlijk, want rond 1965 wordt Valenti gearresteerd wegens drugsbezit. In zijn proeftijd wordt hij opnieuw opgepakt en dus draait hij voor jaren de gevangenis in. Ondertussen tekent zijn band, als laatste van de grote San Francisco-hippiebands, een contract met een platenlabel. Jim Murray is dan uit de band vertrokken, waardoor het viertal Cipollina, Freiberg, Elmore en Duncan overblijft en de laatste de zanger van de band wordt. De debuutplaat van Quicksilver Messenger Service verschijnt in een door de befaamde graficus Rick Griffin getekende hoes. Het kwartet is beïnvloed door jazz, country en de rock-‘n-roll van Bo Diddley. Het meest kenmerkende aan de psychedelische sound zijn echter de gitaar-suites die minutieus worden opgebouwd door de gitaristen Cipollina en Duncan. Op de zelfgetitelde debuut-lp komt dit het best tot uitdrukking in de geïmproviseerde en jazzy instrumentals ‘Gold And Silver’ en het eindeloze ‘The Fool’. De vocale stukken zijn echter zeer sterk, omdat Quicksilver Messenger Service de klassieke invloeden van folk en country aanwenden voor het maken van echte liedjes. De elektrische folkrock van ‘Pride Of Man’ – een cover van folkzanger Hamilton Camp – is fantastisch, evenals de gedegen bandcomposites ‘Light Your Windows’ en de liefdevolle boodschap aan de voorman in de gevangenis: ‘Dino’s Song’. Dat dit geweldige debuut van Quicksilver Messenger Service niet de status heeft die het verdient, komt louter door de opvolger Happy Trails. Deze Diddley-cover, uitgesmeerd over een gehele plaatkant, heeft helaas het zicht ontnomen op de psychedelische, kosmische rock van het prachtige debuut dat Quicksilver Messenger Service absoluut is.


Pride Of Man / Light Your Windows / Dino’s Song / Gold And Silver / Too Long / The Fool

woensdag 16 mei 2012

Moby Grape | 69

Moby Grape heeft in 1968 al heel wat tegenslag te verwerken gekregen – zoals de desastreuze marketing van de debuutelpee en de artistiek mislukte tweede – maar de problemen beginnen pas echt als een totaal giflipte Skip Spence drummer Don Stevenson wil vermoorden met een bijl. De overdaad aan drugs verdringen Spence’s sociale gedrag en muzikale genie. Hij wordt gearresteerd en weggeborgen in een inrichting; exit Alexander ‘Skip’ Spence, al zal hij datzelfde jaar nog een gedementeerd meesterwerk, Oar, opnemen. De resterende vier Moby Grape-leden, Peter Lewis (zang, gitaar), Jerry Miller (zang, gitaar), Bob Mosley (zang, bas) en Don Stevenson (zang, drums), blijven onthutst achter, maar volgens hen blijft de geest van Skip Spence bij de band rondhangen. Mede hierdoor is het kwartet vastbesloten door te gaan; ze worden zelfs echte vrienden als alle vier in elkaars nabijheid in Boulder Creek een huis kopen. Daar beginnen Lewis, Miller, Mosley en Stevenson nieuwe songs te schrijven en bij elkaar thuis te repeteren. In maart ’68 neemt het kwartet de eerste nummers op voor de derde lp, onder leiding van vaste producer Dave Rubinson. In november volgen het merendeel van de opnamen die een plekje krijgen op 69, wat niet geldt voor de wel opgenomen Spence-compositie ‘Skip’s Song’. Moby Grape klinkt op 69 aards en organisch, met veel ruimte voor kristallijnen harmonieën en gedempte elektrische gitaren. De bluesy rockers worden afgewisseld met compacte countryeske folkrockliedjes, die poëtisch, melodieus en melancholiek zijn. De onderscheidende songsschrijverskwaliteiten komen nadrukkelijk aan bod in de weemoedige rockliedjes met Britse inslag van de tandem Miller/Stevenson – ‘Going Nowhere’ en Captain Nemo’ – en in de gevoelige ballads van romanticus Peter Lewis: ‘If You Can’t Learn From My Mistakes’, ‘What’s To Choose’ en, opnieuw een hoogtepunt, ‘I’m Not Willing’. Dit wordt echter overklast door Bob Mosleys klassieke popsong: ‘It’s A Beautiful Day Today’. Spence’s psychedelische rocksong ‘Seeing’ ten slotte, is een waardige afsluiter en een eerbetoon aan Skip. In de liner-notes omschrijft producer Robinson 69 als volgt: “pure, honest and with a most hopeful eye to the future.” Dat laatste is een leugen volgens Jerry Miller, want Moby Grape valt kort na de release uiteen. Als 69 op 30 januari 1969 in de VS wordt uitgebracht toert Moby Grape door Europa en is zelfs te gast in het praatprogramma van Mies Bouwman. Bij terugkomst in Californië verlaat Bob Mosley Moby Grape en blijft het resterende trio vleugellam achter.
Ooh Mama Ooh / Ain’t That A Shame / I Am Not Willing / It’s A Beautiful Day Today / Hoochie / Trucking Man / If You Can’t Learn From My Mistakes / Captain Nemo / What’s To Choose / Going Nowhere / Seeing

maandag 7 mei 2012

The Grateful Dead | American Beauty

In dezelfde week in juni 1970 dat Workingman’s Dead in de winkels ligt, gaat The Grateful Dead met The Band, Janis Joplin en Delaney and Bonnie op tournee door Canada – per trein. Tien dagen van live-optredens op treinstations, high worden en jammen met elkaar, vastgelegd in de film Festival Express. Geïnspireerd door zowel het succes van Workingman’s Dead als de kracht van ouderwetse countryfolksongs stapt The Grateful Dead een krappe zes weken later alweer Wally Heiders studio in San Francisco binnen om te werken aan de opvolger, American Beauty. Onder het genot van geestverruimende paddenstoelen en aldus in een zeer relaxte sfeer nemen Jerry Garcia (zang, gitaar, pedal steel), Bob Weir (gitaar, zang), Phil Lesh (bas, piano, zang), Pigpen (harmonica, zang), de drummers Bill Kreutzmann en Mickey Hart, en tekstschrijver Robert Hunter in minder dan een maand in een live-setting hun nieuwe album op, een logisch vervolg op de verrassende countryrockplaat Workingman’s Dead. Maar in tegenstelling tot dat bonkende en rammelende album is American Beauty een toonbeeld van harmonieuze, zij het psychedelische, schoonheid. Naar het voorbeeld van Crosby, Stills & Nash oefent The Dead grondig op de kenmerkende meerstemmige zang en sijpelen invloeden van de pastorale grandeur van The Bands Music From Big Pink door in de acidrock van Garcia en de zijnen; op American Beauty niet alleen de Dead-leden, maar ook Garcia's kompanen van de New Riders Of The Purple Sage. Ondanks de dominantie van Garcia – als zanger, componist, gitarist en pedal steel-speler – trapt de plaat af met de prachtige Phil Lesh-compositie 'Box Of Rain', voorzien van een van Robert Hunters poëtische teksten. Ook Bob Weirs betoverende 'Sugar Magnolia' valt deze eer ten deel, evenals Jerry Garcia's totaal overrompelende songs 'Friend Of The Devil', 'Ripple' 'Candyman' en 'Attics Of My Life'. Het zijn superieur, vrij zwevende songs, die gedragen worden door akoestische gitaar, pedal steel, Garth Hudson-achtige orgel-accenten en innig verweven, zachte, maar schitterende harmoniezang. De klassieke roadsong 'Truckin'' sluit een album van een onvoorstelbaar grote schoonheid af, gestoken in een door Stanley 'Mouse' Miller en Alton Kelley psychedelisch beletterde hoes, waarin zowel American Beauty als American Reality te lezen valt. American Beauty is niet alleen te beschouwen als de beste Grateful Dead-plaat, maar ook als een ultieme countryrockklassieker, vergelijkbaar met The Bands Music From Big Pink en The Byrds' Sweethearts Of The Rodeo.
Box Of Rain / Friend Of The Devil / Sugar Magnolia / Operator / Candyman / Ripple / Brokedown Palace / Till The Morning Comes / Attics Of My Life

donderdag 29 december 2011

Hot Knives | Hot Knives

Een kleine voetnoot in de zo rijke muzikale geschiedenis van San Francisco: Hot Knives. Hoewel menigeen twijfelde aan het bestaan van het enige album van Hot Knives, wordt dit gerucht zo'n 35 jaar na dato ontzenuwd met de release in 2011 van het gelijknamige debuut op het Australische Grown Up Wrong!-label. Hot Knives wordt in 1972 opgericht in een mist van hasjdampen en verschaald bier. Kern van de band is het broer/zuster-duo Michael en Debra Houpt dat beschikt over fraai samensmeltende zangstemmen en een nostalgische hang naar de sixties-folkrock van The Byrds, Jefferson Airplane en Moby Grape. Flamin' Groovies-leden Tim Lynch (gitaar) en Danny Mihm (drums) sluiten zich bij de Houpts aan, evenals bevriende bassist Ed Wilson. Het vijftal heeft vooral lol in de kleine zaaltjes van downtown Frisco en schopt het niet verder dan twee – fantastische – singletjes. In 1976 nemen de Hot Knives – met de punk op uitbarsten – hun debuutplaat op, maar er is geen label die wat in Hot Knives ziet. 35 jaar later moet er een Australisch label aan te pas komen om de Hot Knives' geweldige mengeling van sixtiespop, folkrock en garagerock wereldkundig te maken. In een onaffe productie toveren de Hot Knives niettemin veertien schitterende liedjes voor het voetlicht, met de nadruk op de zoete harmoniezang, de folkrock-beat en Lynch' scherpe, gemene gitaarsolo's. Puur meeslepend zijn de single 'I Hear The Wind Blow', het venijnige 'Take Me Back', de rammelende folkrocker 'Secrets About Me', de pure popsong 'So Fast' en het geweldige gitaarwerk in het meesterlijke 'Winter's Come'. Vermeldenswaardig is voorts de aanwezigheid van respectvolle covers van Moby Grape's 'Hey Grandma' en The Knickerbockers' 'Lies', waardoor de hypothese dat een release in de jaren zeventig van dit prachtige album een klassieker had kunnen maken alleszins gerechtvaardigd lijkt.
Around The World / Sooner Or Later / I Hear The Wind Blow / Take Me Back / Secrets About Me / Hey Grandma / You Can Get Anything You Want / Lies / Lovin' You / Silver Threads & Golden Needles / Winter's Come / So Fast / Fool For Love / Turning Into

zondag 18 december 2011

Paul Kantner, Grace Slick & David Freiberg | Baron Von Tollbooth & The Chrome Nun

De hippiedroom is voorbij, de idealen van de sixties zijn vervluchtigd: in 1972 is de ultieme San Fran-psychedelische-hippieband Jefferson Airplane geruisloos tot een halt gekomen. Niet met een knal want in afwachting wat de toekomst brengt – een doorstart is een mogelijkheid – lanceren de bandleden diverse soloprojecten. Gitarist Jorma Kaukonen en bassist Jack Casady starten de boogierockband Hot Tuna en zanger/gitarist Paul Kantner maakt in 1970 zijn solodebuut met 'Blows Against The Empire', gevolgd door de duoprojecten met zijn vrouw Grace Slick: eerst hun dochter China, dan het album 'Sunfighter'. In de besluiteloze windstilte die volgt betrekken de Airplane-leden Kantner en Slick zanger-toetsenist David Freiberg afkomstig uit Quicksilver Messenger Service bij hun plannen. In Wally Heiders studio worden in de zomer van 1972 de individuele composities van Kantner, Slick en Freiberg opgenomen met een indrukwekkende lijst van gastmuzikanten. De songs hebben geen verbindende schakel; de voortgebrachte langspeler is geen conceptalbum: Baron Von Tollbooth & The Chrome Nun – vernoemd naar de door David Crosby bedachte bijnamen voor Kantner en Slick – is louter een verzameling songs. Maar wat voor songs. 'Fat' is een gospel-achtige Slick-compositie die opgetrokken is uit Slicks hamerende piano, Jerry Garcia's pedal steel, de achtergrondzang van The Pointer Sisters en de prachtige bombast van Freibergs mellotron. Ook 'Across The Board' en 'Fishman', beide geschreven door Grace Slick, worden gedomineerd door haar snerpende zang en beukende pianospel. Prachtig zijn de Kantner-composities 'White Boy (Transcaucasian Airmachine Blues)' – dreigend en psychedelisch – en het superieure 'Your Mind Has Left Your Body', wat begint met Garcia's pedal steel en gekenmerkt wordt door de bombastische samenzang van Kantner en Slick. Hierop spelen ook mee Grateful Dead-drummer Mickey Hart, Jorma Kaukonen, Jack Casady en Johnny Barbata op drums. De laatste is de vaste drummer op de plaat, evenals ex-Flying Burrito Brothers' Chris Etheridge de vaste bassist is. Cameo's zijn er van David Crosby (ritmegitaar), Papa John Creach (fiddle), Craig Chaquico (elektrische gitaar) en Jack Traylor, de laatste een folkmuzikant die het schitterende 'Flowers Of The Night' componeert, met een wervelende apotheose van jankende gitaar en massieve mellotronklanken. Even fenomenaal is de samenwerking tussen componist Freiberg en Grateful Dead-tekstschrijver Robert Hunter in het melancholieke en sprookjesachtige 'Harp Tree Lament'. Hoewel Baron Von Tollbooth & The Chrome Nun niets anders is dan een verzameling losse songs van drie verschillende persoonlijkheden, uitgevoerd door een verzameling muzikale individualisten, is het album verbluffend coherent. Een amalgaam van psychedelische rock, fantasierijke lyriek, countryrock en mellotron gestuurde progrock; Baron Von Tollbooth & The Chrome Nun behoort tot het beste wat de Jefferson Airplane-familie heeft geproduceerd en zal door Jefferson Starship nimmer worden geëvenaard.





Ballad Of The Chrome Nun / Fat / Flowers Of The Night / Walkin / Your Mind Has Left Your Body / Across The Board / Harp Tree Lament / White Boy (Transcaucasian Airmachine Blues) / Fishman / Sketches Of China