Posts tonen met het label 2004. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 2004. Alle posts tonen

maandag 12 februari 2018

RockFour | Nationwide

Hoes en inlay van RockFours Nationwide stralen een puur Amerikaanse sfeer uit van uitgestrekte prairies en in weidsheid verdwijnende interstates en spoorlijnen. Maar schijn bedriegt: niks Amerika; RockFour is een kwartet uit Tel Aviv en wordt beschouwd als Israels beste rockband ooit. RockFour werd opgericht door vier militairen en produceerde in de vorige eeuw vier cd’s, alle voorzien van Hebreeuwse teksten. Toen RockFour, aangevoerd  door Eli Ulai en Baruch Ben Izhak, in 2000 overschakelde op Engelstalige teksten, kende ze een bescheiden internationale doorbraak en tekende bij het in neo-sixties gespecialiseerde Rainbow Quartz. 
Nationwide is RockFours derde internationale album - opgenomen in Chicago, Illinois, en borduurt voort op Another Beginning, waarbij de Posies-invloeden zijn toegenomen. The Posies zijn dan ook de beste referentie voor RockFours aanstekelijke mix van powerpop en sixtiespop. In de meerstemmige zang scoort RockFour uitstekend, maar het is Ben Izhaks gitaarwerk dat de show steelt; het jengelt, het streelt en het rammelt. Izhak brengt hiermee een extra dimensie aan in de energieke rockers – waaronder ‘Fuzzy White’, ‘Mad Routine’ en ‘You Said’, die legenden als The Who, The Electric Prunes en Nazz in herinnering brengen. Samen met de zweverige harmoniezang geven de galmende en echoënde gitaareffecten Nationwide een heerlijk psychedelisch tintje. En met ‘I Can Read You Know’ heeft RockFour een absoluut prijsnummer opgenomen; hét bewijs dat Rockfour tot de internationale powerpop-top gerekend moet worden.

‘Honey’ | ‘Nationwide’ | ‘Next Monroe’ | ‘Candlelight’ | ‘To The End’ | ‘Mad Routine’ | ‘Have A Good One’ | ‘You Said’ | ‘Fuzzy White’ | ‘I Can Read You Now’ | ‘Crush On Subtitles’ | ‘Moving Fast’ | ‘Much More To Offer’ 

maandag 27 oktober 2014

Grant-Lee Phillips | Virginia Creeper

De Virginia Creeper is een klimplant die in de herfst, wanneer de natuur zijn levenscyclus afsluit, schitterend rood gekleurd is. Grant-Lee Phillips’ derde solo-cd bezit net als zijn naamgever fraaie kaleidoscopische kleuren in een van weemoed doortrokken omgeving, want Phillips is op Virginia Creeper melancholieker en berustender dan ooit. Virginia Creeper is Phillips’ terugkeer naar oude waarden en tradities en valt dan ook het best te typeren als een ouderwetse country-folkplaat. Phillips heeft vanaf het eind van de jaren tachtig respect opgebouwd met zijn bands Shiva Burlesque en Grant Lee Buffalo, dat een commerciële doorbraak nabij was. Ook solo speelde hij zich in de kijker met Ladies’ Love Oracle en Mobilize. Maar waar Mobilize rijkelijk voorzien was van elektronica en drummachines, daar heeft Phillips op Virginia Creeper gekozen voor een traditioneler en organischer klankbeeld, en een royale bezetting met namen als Jon Brion en pedal steelspeler Greg Leisz. Virginia Creeper wordt echter gedomineerd door Phillips’ akoestische gitaar, de dobro, de viool en de zachte tweede stem van zangeres Cindy Wasserman. In dit countryrock-decor maakt Phillips veel indruk met meer dan fraaie liedjes als 'Dirty Secret', 'Josephina Of The Swamps' en de anti-Bushsong 'Calamity Jane'. Maar ook de overige composities, met als bitterzoet hoogtepunt 'Far End Of The Night', doen hier in geen geval voor onder. Zij dragen eerder bij aan de serene homogeniteit die Virginia Creeper uitstraalt. Reden waarom deze prachtige songcyclus een rustieke en doorleefde plaat is geworden die in klassieke americanastijl – met als toegift 'Hickory Wind'de mythologie van het Amerikaanse land bezingt. Grant-Lee Phillips verbreedt aldus op indrukwekkende wijze zijn horizon en vindt zijn definitieve vorm: die van klassiek singer-songwriter.
Virginia Creeper is dan ook in 2004 een carrière-hoogtepunt van de geboren Californiër, temeer daar de daarop volgende albums niet dezelfde artistieke kwaliteit bezitten. Een doorbraak ligt in feite verder weg dan ooit; Grant-Lee Phillips' solocarrière hapert, maar hoe dan ook is Virginia Creeper een americana-album om steeds weer naar terug te keren.

Mona Lisa / Waking memory / Lily-A-Passion / Dirty Secret / Always Friends / Calamity Jane / Josephine Of The Swamps / Far End Of The Night / Susanna Little / Wish I Knew / Hickory Wind




maandag 31 maart 2014

Ghoststory | Before The Night's Around Me

Wie zit te wachten op countryrock met een psychedelische inslag is bij Ghoststory aan het goede adres. Helaas is Before The Night's Around Me, uitgebracht in 2004, de enige release van Ghoststory gebleken. Niettemin is de grote man achter de schermen – Chad Ross – een bijzonder actief baasje. De Canadees uit Toronto maakte eerst deel uit van de populaire garagerockers The Deadly Snakes, startte vervolgens zijn eigen Ghoststory-project en trad daarna toe tot Quest For Fire, een psychedelische rockband. In de tussentijd, Ross kan het niet laten, begint hij het fascinerende avontuur met het progressive-psychedelische Nordic Nomandic. Terug naar Ghoststory. In iets meer dan een week in juli 2003 neemt Ross met vrienden uit bands als Blue Rodeo en The Weakerthans elf psychedelische countryrocknummers op, waarin vooral Bob Egans (Blue Rodeo) pedal steel centraal staat. Ross grijpt terug op de gouden dagen van Neil Young, Pure Prairie League en The New Riders Of The Purple Sage. Traag slepende songs waarin elektrische gitaar en pedal steel elkaar najagen, en heerlijk lethargische zang van Ross die daar tamelijk onbewogen onder is. Een heerlijk mengsel van kosmische countryrock dat monotoon rammelt in 'Oh! My Captain', zich hobbelend voortsleept in 'A Handful Of Lightning' en een gierende gitaarsolo voortbrengt in 'Lead Me To The Pasture'. In een klein uur laat Chad Ross de luisteraar alle hoeken van de psychedelische country-kamer zien; Before The Night's Around Me is een waar avontuur van zalige retrorock, waarin Westcoast-psychedelica en onvervalste countryrock elkaar ontmoeten. Herkend als zodanig wordt dit pareltje allerminst; Before The Night's Around Me lijdt een jammerlijk obscuur bestaan.

Tied To A Mountain / Oh! My Captain / From Sin To Sin / Somewhere On The Moon / A Handful Of Lightning / My Silent Night / Damn Good Friends / A Sparkle From The Distant Clouds / Lead Me To The Pasture / Sitting In The Smoke / George Burton Blues

donderdag 16 januari 2014

Blanche | If We Can't Trust The Doctors...


Dan John Miller is een oude kompaan van Jack White. Voordat White The White Stripes lanceert, maakt hij in Detroit, Michigan samen met Miller deel uit van Goober & The Peas en Two Star Tabernacle. Dan scheiden zich hun wegen; White gaat op weg naar wereldroem en Miller richt met zijn vrouw Tracee een countryfolkband op die diep geworteld is in depressieperiode van de jaren dertig van de 20e eeuw. Kort geschoren hoofden, armoedige kleding en een antieke Appalachen-sound: Blanche is de naam van de band.
Blanche is zo rond de eeuwwisseling een puur anachronisme vanwege de ouderwetse, vooroorlogse sound en de sepia-getinte sfeer. Aan de andere kant kent Blanche een punk-attitude die overigens paradoxaal genoeg wordt vormgegeven door banjo, pedal steel, en de countryeske samenzang van Dan John en Tracee. Blanche bevindt zich daardoor in het territorium van The Gun Club en 16 Horsepower, wat moge blijken uit de ronduit fantastische debuutsingle 'Who's To Say' uit 2003. Daarop volgt een jaar later het magnifieke debuutalbum If We Can't Trust The Doctors... Het handelsmerk van Blanche – ratelende banjo, kermende pedal steel en man/vrouw-samenzang – wordt ten volle uitgebuit in opzwepende, jagende liedjes als ''Bluebird', 'So Long Cruel World', 'Garbage Picker' en 'Someday'. 'Jack On Fire' is voorts een geniale Gun Club-cover, terwijl tergend slepende ballads als 'Do You Trust Me', 'The Hopeless Walz' en de traditional 'Wayfaring Stranger' simpelweg overrompelen.
Met cameos van Jack White en Brendan Benson, de ronduit voortreffelijke Miller-composities en de raak neergezette depressie-sfeer, is If We Can't Trust The Doctors... eenvoudigweg een fantastisch album – een van de beste van het zalige muziekjaar 2004.

(Preamble) / Who's To Say / Do You Trust Me? / Superstition / Bluebird / So Long Cruel World / Another Lost Summer / Jack On Fire / Garbage Picker / The Hopeless Waltz / Wayfaring Stranger / Someday


zondag 9 juni 2013

Maplewood | Maplewood



In januari 2007 verschijnt de verrassende comebackplaat van America. Verrassend, omdat Here And Now geproduceerd is door James Iha (Smashing Pumpkins) en Adam Schlesinger (Fountains Of Wayne) en bijdragen kent van Jim James (My Morning Jacket) en Ryan Adams. Maar dat niet alleen; een van de hoogtepunten op de cd is ‘Indian Summer’, een cover van een door een volslagen onbekende band geschreven nummer. Die band is Maplewood, uit Brooklyn, New York. Opgericht in de verwarrende maanden na 11 september door muzikanten uit Maki & The Comas, Champale, Koester en Nada Surf, keert Maplewood muzikaal terug naar de onschuldige tijden van laidback-rock en Westcoast-countryrock. Het begint als een grap als de songschrijvers Mark Rozzo (zang, toetsen, akoestische en elektrische gitaar) en Steve Koester (zang, toetsen, akoestische en elektrische gitaar) songtitels als ‘Indian Summer’ en ‘Morning Star’ bedenken, terwijl de liedjes nog niet geschreven zijn. Samen met Craig Schoen (zang, akoestische en elektrische gitaar), Ira Elliot (drums) en Jude Webre (bas, Wurlitzer) en met een voorliefde voor de muziek van Flying Burrito Brothers, The Byrds, Poco en America worden die liedjes werkelijkheid. In de huisstudio in Brooklyn, de Rustysoundshack, neemt het zestal gedurende de periode van 2001 tot halverwege 2003 meer dan een dozijn in klassieke countryrock ondergedompelde songs op, zeer royaal voorzien van superieure meerstemmige zang. Als het publiek tijdens de spaarzame concerten Maplewoods feelgood-muziek enorm blijkt te waarderen, is de logische volgende stap een release van het uit een grap ontstane materiaal. 
Maplewoods gelijknamige debuut, uitgebracht op 7 september 2004, vangt aan met de heerlijkheid van ‘Indian Summer’, een en al driestemmige zang, rinkelende twaalfsnarige akoestische gitaren en zachte, rondzoemende elektrische. Hoewel opgenomen in New York tovert Maplewood moeiteloos gouden stranden, schaduwrijke canyons en verlaten woestijnwegen voor het geestesoog. Dit is de retro-variant van de pure Zuid-Californische countryrock. Maar er komt meer voorbij; ‘Darlene’ klinkt als R.E.M. ten tijde van Chronic Town, ‘Bright Eyes’ trapt af als een soulvolle Lambchop en het fenomenale ‘Morning Star’ klinkt met zijn dubbelloops elektrische gitaren als Teenage Fanclub in zijn hoogtijdagen. ‘Sea Horse’ en ‘Little Dreamer Girl’ drijven volledig op zijdezachte harmoniezang en de America-associatie, terwijl in ‘Santa Fe’ en ‘Desert Queen’ het woestijnzand denkbeeldig schuurt. Het meest psychedelisch – in de zin van cosmische cowboys – is Maplewood in ‘Think It Through’, dat klinkt als Moby Grape’s ‘8:05’, en in ‘Be My Friend’, dat genoeglijk aanschuurt tegen The Byrds’ ‘Wasn’t Born To Follow’. Hoewel Maplewood zich enerzijds volledig op de mellow countryrock van weleer richt, is het anderzijds de veelzijdigheid, de akelige perfecte uitvoering en de fantasie om volledig op te gaan in een gedateerd genre dat respect afdwingt. Waarmee Maplewood als een obscure retro-klassieker kan worden gecatalogiseerd.

Indian Summer / Darlene / Gemini On The Way / Little Dreamer Girl / Santa Fe / Be My Friend / Bright Eyes / Morning Star / Sea Horse / Poconos / Carolina Jasmine / Desert Queen


maandag 14 januari 2013

Ray LaMontagne | Trouble


Ray LaMontagne groeit op in een hut in de bossen van New Hampshire. Met arme ouders en een gewelddadige vader heeft LaMontagne een beroerde jeugd, een levenservaring die hem nog lang zal achtervolgen, want op 26-jarige leeftijd woont de schuwe en timide LaMontagne met vrouw en twee kinderen in een blokkenhut in Maine en werkt hij aan de lopende band van een schoenenfabriek. Een liedje op de radio van Stephen Stills verandert echter zijn leven. Deze openbaring overtuigt hem ervan dat hij zijn in de loop der jaren geschreven liedjes voor het voetlicht moet brengen. Het duurt dan nog vier jaar voordat hij in 2003 in staat gesteld wordt zijn liedjes op te nemen in de Sunset Sound-studio in Los Angeles met producer Ethan Johns (Ryan Adams, Kings Of Leon). Bij release van LaMontagne's debuutalbum Trouble in september 2004 blijkt inderdaad dat Stephen Stills een zeer belangrijke invloed is geweest – Ray LaMontagne laat niet na in interviews te verklaren dat de Manassas-dubbel-lp zijn heilige graal is.
Trouble heeft een opvallend rijk geluid, dat gegenereerd wordt door een opmerkelijke begeleidingsband: een cellist, vier violisten en producer Ethan Johns die bas, drums, piano en elektrische gitaar voor zijn rekening neemt. LaMontagne, zelf ook op akoestische gitaar, heeft een doorleefde stem die soulvol en vertrouwd klinkt. Deze stem speelt een dominerende rol in de schitterende songs op Trouble, zoals het titelnummer dat – in retrospect wellicht– een klassieker is. LaMontagne, de schuwheid afgeworpen, is superieur in fraai uitgevoerde songs als 'Shelter', 'Narrow Escape' en 'Jolene'. Niettemin is 'Hannah' het stralende middelpunt, een schitterende ballad gelijk Bob Dylans 'Sarah' opgetuigd met vrouwelijke achtergrondzang en een jengelende fiddle.
Achterna gejaagd door het verleden van Stephen Stills, The Band en Van Morrison creëert Ray LaMontagne 30 jaar later met zijn debuut gelijk al een klassiek americana-album. Trouble verkoopt aanvankelijk maar matig, maar door een slimme marketingtruc gaat LaMontagne's debuut twee jaar later in de herkansing en worden de verkopen vertienvoudigd. En zo groeit een onzekere hutbewoner uit de bossen van Maine uit tot een overtuigende singer-songwriter die wereldwijd grote successen boekt en in 2010 terecht een Grammy Award wint voor zijn vierde – schitterende – album: God Willin' & The Creek Don't Rise.

Trouble / Shelter / Hold You In My Arms / Narrow Escape / Burn / Forever My Friend / Hannah / How Come / Jolene / All The Wild Horses 

woensdag 8 augustus 2012

Motorpsycho | The International Tussler Society

Tien jaar na het debuut The Tussler – Original Motion Picture Soundtrack, de soundtrack van een fictionele spaghetti western, verschijnt in 2004 The Internattional Tussler Society. Een waanzinnig sterke kruising tussen Westcoast-, country- en southern rock, gemaakt door een illuster trio: Charlie Bob Bent, Duellin' Flint Gebhardt en Snakebite Ryan. Zij weten zich gesteund door Barrie 'Space' Hillen op piano en orgel, K.K. Karlsen op pedal steel en de drummers Ringo 'Fire' Karlsen en Chickenshakin' Lolly Hanks Jr. En hoewel het gezelschap onversneden, rammelende, zwalkende americana brengt, verschuilen zich achter de alter ego's de Noren van Motorpsycho. Een verrassende en meesterlijke zet.
Motorpsycho wordt in 1989 opgericht in Trondheim en ontleent, net als bijvoorbeeld Mudhoney, zijn naam aan een Russ Meyer-speelfilm. Aanvankelijk richt Motorpsycho zich op grunge, noiserock, metal en jazz. Hiermee brengen de drie grillige Noren, waaraan toegevoegd noise-specialist Deathprod, hun publiek danig in verwarring. Het maakt ze overigens ook tot de culthelden van de indierock en bezorgt ze een stevige following in Nederland. Vanaf Let Them Eat Cake (2000) zet Motorpsycho, dan weer een trio met Bent Saether, Hans Magnus Ryan en Gebhardt Haakon, de volgers opnieuw op het verkeerde been door strijkers, Westcoast en southern rock in hun indiesound te incorporeren. Het levert vervolgens met Phanerothyme (2001) en It's A Love Cult (2002) nog meer prachtige albums op – en leidt uiteindelijk tot de Cosmic American Music van The International Tussler Society. Hierop draagt Motorpsycho aanwijsbaar zijn liefde uit voor seventies bands als The Byrds, Crosby, Stills & Nash, Quicksilver Messenger Service, The Grateful Dead, New Riders Of The Purple Sage, The Outlaws en The Allman Brothers. 'That Ol' White Line' is dan ook pure, onversneden C,S&N; 'Laila Lou' herinnert sterk aan de country van The Byrds; 'Shitbox Ford' knipoogt naar de bluegrass van The Nitty Gritty Dirt Band; 'The West Ain't What It Used To Be' en 'The Skies Are Full Of ...Wine' klinken als vintage Allman Brothers Band compleet met hemelse gitaarsolo en de kenmerkende dubbele drums. The Internattional Tussler Society sluit af met het prachtige 'Cassie (Call On Me)' dat is opgedragen aan Cassie Gaines, de achtergrondzangeres van Lynyrd Skynyrd die bij de vliegramp in 1977 omkwam.
Motorpsycho verrast velen met dit verbluffende staaltje neo-countryrock uit onverwachte hoek, dat niet alleen ouderwetse genres eer betoont maar ook nog eens van niet geringe kwaliteit is. The Internattional Tussler Society is in 2004 vooralsnog Motorpsycho's laatste rootsplaat; met een enorme toewijding en productiviteit storten de Noren zich weer op jazz, metal en indierock.

Highway Zen / That Ol' White Line / The West Ain't What It Used To Be / September / Satan's Favorite Son / Laila Lou / Back In Your Bed / When We Were One / Shitbox Ford / Morning Rain / The Skies Are Full Of ...Wine? / Cassie (Call On Me)

zaterdag 7 april 2012

The Stands | All Years Leaving

Geboren in Liverpool en opgegroeid in New York, is Howie Payne een muzikale reageerbuis waarin Britse en Amerikaanse invloeden samenkomen. Waarop er een bruisend mengsel ontstaat dat Beatles, Byrds en Dylan samenbrengt en als resultaat All Years Leaving oplevert. Rond de millenniumwissel ontstaat er een scene in Liverpool van jongehondenbands als The Zutons en The Coral. Payne, terug in Engeland en in alles in Liverpudlian, is eerst roadie bij The Coral, maar richt dan een band op om zijn eigen songs te kunnen spelen. Aanvankelijk wordt hij tijdens optredens begeleid door Zutons- en Coral-bandleden, maar gaandeweg heeft hij zijn eigen ploeg bij elkaar: gitarist Luke Thompson, bassist Dean Ravera en drummer Steve Pilgrim. The Stands worden een veelgevraagde live-act in het Liverpoolse circuit en hebben fans in Paul Weller en Noel Gallagher. De laatste leent zijn Wheeler End-studio uit aan Payne en zijn band die nog geen platendeal hebben – Gallagher wil er wel bij zijn. Als The Stands een contract tekenen bij Echo worden de opnamen voor het debuutalbum vlot afgerond in de Londense Olympic Studios en ligt All Years Leaving in februari 2004 in de winkels. All Years Leaving knipoogt in twaalf eenvoudige, rammelende popsongs schaamteloos naar het verleden van folkrock, country en harmoniepop. De op akoestische gitaren en onnadrukkelijke begeleiding geschraagde liedjes klinken bedrieglijk eenvoudig, maar verraden een flinke dosis vakmanschap en een verering van andere Liverpoolbands als The La’s en The Beatles. Snerende zang en lekker zeurende koortjes klinken door in de verrukkelijke jingle-jangle van ‘I’ve Waited So Long’, ‘When This River Rolls Over You’ en ‘The Love You Give’. ‘Aways Is The Same- Shine On’, dreint à la Green On Red, maar heeft een introspectief tweede deel, en het refrein van ‘Here She Comes Again’ leunt sterk op The Cars’ ‘My Best Friend’s Girl’. Payne heeft zijn meest melancholieke moment in ‘The Big Parade’, versterkt door mellotron en strijkers; de scheurende gitaar in ‘Some Weekend Night’ is van Noel Gallagher en het galopperende ‘The Way She Does’ met zijn feedbackende gitaren is de zinderende climax van All Years Leaving. Veel op All Years Leaving mag dan gejat zijn, er moet wel een meesterhand aan te pas komen om er een aantrekkelijke en meeslepende plaat van te maken. Howie Payne heeft die meesterhand, met als resultaat een dozijn jubelende rock-’n-rollliedjes met een gouden retro-chique randje.
I’ve Waited So Long / All Years Leaving / Outside Your Door / When This River Rolls Over You / It’s Only Everything / Always Is The Same-Shine On / Here She Comes Again / The Big Parade / The Love You Give / I Need You / Some Weekend Night / The Way She Does