Posts tonen met het label indie-americana. Alle posts tonen
Posts tonen met het label indie-americana. Alle posts tonen

maandag 12 maart 2018

Jonathan Wilson | Rare Birds

Wellicht kan Jonathan Wilson beschouwd worden als een indie-superster. Met Gentle Spirit in 2012 en Fanfare in 2013 maakte hij namelijk schitterende albums. Aanvankelijk liet Wilson zich zien als een Westcoast-troubadour à la Neil Young of Jackson Browne, maar op Fanfare sloeg hij zijn vleugels ten volle uit. Wat zou Wilsons vierde album ons brengen? Jonathan Wilson is een drukbezet man. Hij produceerde albums van Dawes en Father John Misty en ging op wereldtournee met Pink Floyds Roger Waters, als gitarist in zijn begeleidingsband. En dat is te horen op het grootse Rare Birds. De epische opener ‘Trafalgar Square’ (what’s in a name) had namelijk zomaar afkomstig kunnen zijn van The Pros And Cons Of Hitch Hiking. En zo breidt Wilson zijn muzikale speelveld uit naar Britse seventies en eighties rock. Sound en productie van Rare Birds zijn ronduit voortreffelijk - laat dat maar aan Wilson over - een transparant jaren zeventig geluid, waarin de retro-artiest die Wilson is uitstekend gedijt. Met de gastbijdragen zit het ook goed, onder wie Lana Del Rey, Josh Tillman, Greg Leisz (pedalsteel) en Joey Waronker (drums). Opvallend zijn de songs ‘Over the Midnight’ en ‘Loving You’ die een soort van War On Drugs-drive bezitten, maar voor het overige is Jonathan Wilson zijn geniale zelf, die uitblinkt in machtige composities als ‘Me’, ‘Sunset Blvd’, ’49 Hair Flips’, titelsong ‘Rare Birds’ en het Peter Gabriel-achtige ‘Living With Myself’. Het derde spannende, voortreffelijke album op rij, dit Rare Birds - en prachtig uitgevoerd als dubbelaar op goudkleurig vinyl.

‘Trafalgar Square’ | ‘Me’ | ‘Over the Midnight’ | ‘There’s A Light’ | ‘Sunset Blvd’ | ‘Rare Birds’ | ’49 Hair Flips’ | ‘Miriam Montague’ | ‘Loving You’ | ‘Living With Myself’ | ‘Hard To Get Over’ | ‘Hi-Ho the Righteous’ | ‘Mulholland Queen’

In gewijzigde vorm gepubliceerd in Mania nr. 345.

dinsdag 26 september 2017

Hiss Golden Messenger | Hallelujah Anyhow

M.C. Taylor is in de hoedanigheid van Hiss Golden Messenger bewonderenswaardig productief. Sinds 2011 maakte hij al vijf merendeels voortreffelijke albums vol contemporaine elektrische countryfolk. Na Heart Like A Levee in 2016 is daar nu alweer Hallelujah Anyhow, waarop Taylor voortbouwt op zijn nu al imposante oeuvre. M.C. Taylor put uit het beste van wat de rootsmuziek te bieden heeft, to name a few: Dylan, The Band, Neil Young, Jesse Winchester en nu ook Van Morrison met zijn Caledonische soul. Hiss Golden Messenger zet aldus zo hier en daar warmbloedige blazers in, zoals in Domino (Time Will Tell) en John The Gun. Taylor heeft in de loop der jaren een vaste band om zich heen verzameld, waarin vooral Phil Cook excelleert op elektrische piano en slide-gitaar. Het is echt allemaal prachtig, zoals de schitterende Morrison-pastiche Caledonia My Love en het onbetwiste albumhoogtepunt, de meeslepende ballad Harder Rain. Hallelujah Anyhow is na Poor Moon, Haw, Lateness of Dancers en Heart Like A Levee een volgende parel in de kroon van Hiss Golden Messengers oeuvre.

‘Jenny of the Roses’ | ‘Lost Out in the Darkness’ | ‘Jaw’ | ‘I Am the Song’ | ‘Gulfport You’ve Been On My Mind’ | ‘John the Gun’ | ‘Domino (Time Will Tell)’ | ‘Caledonia, My Love’ | ‘When the Wall Comes Down’

Gepubliceerd op Platomania.nl.

vrijdag 17 oktober 2014

Greylag | Greylag


Het is een toepasselijk beeld: een vlucht wilde ganzen in een bewolkt zwerk boven herfstige moerassen en bossen. De wilde Amerikaanse natuur treffend verbeeld in de americana van Greylag, een trio uit Portland, Oregon dat zich vernoemde naar de Noordamerikaanse wilde gans. Aanvankelijk een duo bestaande uit Andrew Stonestreet (zang, gitaar) en Daniel Dixon (leadgitaar, bas, toetsen), maar in 2014 uitgebreid met drummer Brady Swan voor meer vlees op de botten. Aldus ontwikkelde Greylag een dynamische sound die op het titelloze debuutalbum nog eens versterkt is door producer Phil Ek. Ek drukt zijn stempel ferm op de sound van Greylag, zodat het trio ingedeeld kan worden in de indie-americana-categorie van succesvolle Ek-producties (Built To Spill, Band Of Horses, The Shins, Fleet Foxes). Stonestreet heeft dan ook die typerende zangstem en ook beschikt de band over de vervormde reverb-gitaren waar Ek patent op heeft. Het levert een uiterst boeiend album op, temeer daar de liedjes van een heel behoorlijk niveau zijn met flinke uitschieters naar boven. Opzwepend en bezwerend is opener 'Another', gevolgd door het dynamische – zacht/hard – 'Yours To Shake', hetwelk in de broeierige gitaarsongs 'Burn On' en 'One Foot' nog eens stevig benadrukt wordt. Het sterke 'Kicking' leunt qua zang op de betreurde stadgenoot Elliott Smith, terwijl anderszins zowel Jeff Buckley als Robert Plant regelmatig voor het geestesoog opdoemen. De laatste in het schitterende 'Black Sky' dat een folky, Led Zeppelin III-sfeer schept. Greylag sluit af met het mooi breekbare – zang, akoestische gitaar – 'Walk The Night'. Per saldo: een geweldige debuutplaat en een welkome toevoeging aan het beste werk van Fleet Foxes en Midlake.

Another / Yours To Shake / Arms Unknown / Mama / Kicking / Burn On / Black Sky / One Foot / Walk The Night

maandag 31 maart 2014

Ghoststory | Before The Night's Around Me

Wie zit te wachten op countryrock met een psychedelische inslag is bij Ghoststory aan het goede adres. Helaas is Before The Night's Around Me, uitgebracht in 2004, de enige release van Ghoststory gebleken. Niettemin is de grote man achter de schermen – Chad Ross – een bijzonder actief baasje. De Canadees uit Toronto maakte eerst deel uit van de populaire garagerockers The Deadly Snakes, startte vervolgens zijn eigen Ghoststory-project en trad daarna toe tot Quest For Fire, een psychedelische rockband. In de tussentijd, Ross kan het niet laten, begint hij het fascinerende avontuur met het progressive-psychedelische Nordic Nomandic. Terug naar Ghoststory. In iets meer dan een week in juli 2003 neemt Ross met vrienden uit bands als Blue Rodeo en The Weakerthans elf psychedelische countryrocknummers op, waarin vooral Bob Egans (Blue Rodeo) pedal steel centraal staat. Ross grijpt terug op de gouden dagen van Neil Young, Pure Prairie League en The New Riders Of The Purple Sage. Traag slepende songs waarin elektrische gitaar en pedal steel elkaar najagen, en heerlijk lethargische zang van Ross die daar tamelijk onbewogen onder is. Een heerlijk mengsel van kosmische countryrock dat monotoon rammelt in 'Oh! My Captain', zich hobbelend voortsleept in 'A Handful Of Lightning' en een gierende gitaarsolo voortbrengt in 'Lead Me To The Pasture'. In een klein uur laat Chad Ross de luisteraar alle hoeken van de psychedelische country-kamer zien; Before The Night's Around Me is een waar avontuur van zalige retrorock, waarin Westcoast-psychedelica en onvervalste countryrock elkaar ontmoeten. Herkend als zodanig wordt dit pareltje allerminst; Before The Night's Around Me lijdt een jammerlijk obscuur bestaan.

Tied To A Mountain / Oh! My Captain / From Sin To Sin / Somewhere On The Moon / A Handful Of Lightning / My Silent Night / Damn Good Friends / A Sparkle From The Distant Clouds / Lead Me To The Pasture / Sitting In The Smoke / George Burton Blues

vrijdag 7 maart 2014

Red House Painters | Red House Painter (Rollercoaster)

In theorie is het debuutalbum van Red House Painters uit 1993 een zelfgetitelde dubbelaar met daarop 22 tracks en een speelduur van ruim twee uur. De werkelijkheid zit iets anders in elkaar. In 1989 richt de oorspronkelijk uit Ohio afkomstige singer-songwriter Mark Kozelek in San Francisco met kompaan Anthony Koutsos (drums) Red House Painters op. Aangevuld met gitarist Gorden Mack en bassist Jerry Vessel gaat Red House Painters optreden in de kleinere clubs van San Francisco en neemt talloze demo's op in de hoop een label te kunnen interesseren. Die wens wordt vervuld als Mark Eitzel van American Music Club – een grote invloed – het contact legt met een Britse journalist die op zijn beurt 4AD-baas Ivo Watts-Russell inseint.
Het eerste internationale teken van leven is het, zeg maar, debuut Down Colourful Hill, in augustus 1992 wereldwijd uitgebracht. Het zijn zes betoverende demo's, die de aandacht op Red House Painters moeten vestigen, een strategie die 4AD ook toegepast heeft op bijvoorbeeld The Pixies. Na deze introductie gaat Red House Painters in verschillende San Francisco-studio's gedurende negen maanden werken aan het werkelijke debuut. De regie en productie is volledig in handen van Mark Kozelek; hij werkt dag en nacht aan de enorme hoeveelheid songs die de band produceert. Uiteindelijk zijn er maar liefst 22 songs gereed voor release, maar er wordt besloten – vermoedelijk door Watts-Russell – dat dat in twee porties zal geschieden: op 24 mei 1993 verschijnt Red House Painters; op 18 oktober 1993 Red House Painters. Om de albums van elkaar te onderscheiden zijn de beide Red House Painters-platen op basis van hun hoezen inmiddels voorzien van de subtitels Rollercoaster en Bridge.
Rollercoaster – zo genoemd vanwege de afbeelding van de achtbaan van Coney Island – is van de twee met zijn 76 minuten speelduur het meest bijzonder, want een overdadig, van rijpheid lekkend album. Kozelek stuurt zijn muzikanten op avontuur; leidt ze langs afgronden en spelonken; gidst ze naar muzikale vergezichten. De muziek is traag, intens en van een diepgevoelde weemoed doortrokken. Red House Painters leunt sterk op de romantische, beklemmende rock van stadgenoten American Music Club, maar is evenzeer schatplichtig aan The Cure, The Smiths en de Britse shoegazers. Tergend langzaam trekt Kozelek – ontwapenende zang, meesterlijk akoestisch gitaarspel – de luisteraar mee het moeras in van verdriet, verlangen, liefde en pijn. 'Down Through' is een akoestisch pareltje, evenals 'Take Me Out', een gitaarballad met fraaie koorzang tegen een achtergrond van stadsgeruis. Een hoogtepunt is voorts het trieste 'Katy Song', dat sterk leunt sterk op de gitaarsound van The Smiths en een gelijksoortige mistroostigheid kent. De bloedrode tristesse van Red House Painters is uniek, betoverend en immer trager dan de menselijke hartenklop. De talloze hoogtepunten – ''Funhouse', 'Rollercoaster', 'New Jersey', 'Mother' – zijn even barok als verstild; even cerebraal als diep-emotioneel. Red House Painters (Rollercoaster) is een sadcore-meesterwerk; een knarsende katharsis. Zelf omschrijft Mark Kozelek het album en het scheppingsproces zo: 'If records were movies I guess this one would be my Apocalypse Now'

Grace Cathedral Park / Down Through / Katy Song / Mistress / Things Mean A Lot / Funhouse / Take Me Out / Rollercoaster / New Jersey / Dragonflies / Mistress (piano version) / Mother / Strawberry Hill / Brown Eyes

zondag 17 november 2013

White Denim | Corsicana Lemonade



D was in 2011 een lichte doorbraak voor White Denim. De hoekige, knoestige indierock van het kwartet uit Austin, Texas verwees zowel naar Talking Heads als naar Blitzen Trapper en Wilco. Opvolger Corsicana Lemonade borduurt daar op voort, maar de sound – transparanter, logger – van deze vijfde White Denim-langspeler is een ferme stap vooruit, waarmee alles op zijn plaats lijkt te vallen. Voor het eerst is James Petralli's zang soulvol; blinken de elektrische gitaren uit in helderheid; en zijn ook de songs van een hoog kaliber. De medewerking van Wilco's Jeff Tweedy (mix en productie) is hier ongetwijfeld debet aan, zodat Corsicana Lemonade met sterke songs als het titelnummer, 'Distant Relative Salute' en 'Pretty Green' White Denims beste en meest swingende plaat tot zover is.

At Night In Dreams / Corsicana lemonade / Limited By Stature / New Blue Feeling / Come Back / Distant Relative Salute / Let It Feel Good (My Eagles) / Pretty Green / Cheer Up/Blues Ending / A Place To Start


donderdag 16 mei 2013

The Growlers | Hung At Heart


Welkom in de psychedelische speeltuin van het hedendaagse Californië. Na het eclatante succes van The Allah-Las is het nu de beurt aan de kosmische cowboys van The Growlers. The Growlers, gevestigd te Costa Mesa, bezuiden Los Angeles, staan onder leiding van de aimabele, stonede Brooks Nielson. Hij is gezegend met een geweldig, neusverkouden stemgeluid dat op het derde album Hung At Heart volledig ondergedompeld is in reverb. In combinatie met de psychedelische gitaren, loom, spacy orgel en relaxte country-ritmes levert dat een waanzinnig sterk album op. Hoewel de dank volgens de hoesinformatie uitgaat naar Dan Auerbach, bleek de Black Keys-man geen tijd te kunnen vrijmaken voor het produceren van Hung At Heart. En dus produceerden Neilson c.s. het monster zelf – met superbe resultaat. De fantastische sound komt in prachtige liedjes als 'Naked Kids', 'One Million Lovers', 'In Between' en 'Burden Of The Captain' ten volle tot uiting. Een kruising tussen The Grateful Dead (ten tijde van Workingman's Dead), Blitzen Trapper, The Allah-Las en My Morning Jacket (ten tijde van The Tennessee Fire), is Hung At Heart ook op zijn eigen merites beschouwd een voortreffelijk indie-americana-album en sluipenderwijs een van de top-albums van het nog jonge jaar 2013.

Someday / Naked Kids / Salt On A Slug / One Million Lovers / No Need For Eyes / Living In A Memory / Pet Shop Eyes / In Between / Burden Of The Captain / Row / It's No Use / Use Me For Your Eggs / Derka Blues / Beach Rats / The Fruit Is For Everyone  

maandag 10 december 2012

Field Report | Field Report


Field Report transcendeert de metaforische bossen en de zich voor het geestesoog ontrollende vlaktes van Wisconsin. Het is het eponieme debuutalbum van Field Report, een post-roots eenmansorkest; het vehikel van Chris Porterfield uit Eau Claire, Wisconsin. Porterfield – waarvan Field Report een anagram is – is godsgruwelijk getalenteerd en maakte met Bon Iver en leden van Megafaun deel uit van het legendarische maar gemankeerde DeYarmond Edison. In zekere kringen werd er – nadat Porterfield listig enkele tracks liet lekken – reikhalzend uitgekeken naar het debuutalbum. Terecht? Ja terecht, want een magnifieke plaat die schitterende liedjes bevat die elkaar zoeken en vinden op het snijvlak van alt.country, folk en indie. Field Reports sound is samengesteld uit piano, cello, gitaar, pedal steel, analoge synths en de multi-track vocalen van Porterfield – en tezamen klinkt dat melancholiek, smachtend, louterend. Porterfield weet de sfeer van de desolate uitgestrektheid van Wisconsin – daar waar de Great Plains beginnen – voortreffelijk in muziek te vangen. Bon Iver is nooit ver weg, getuige prachtsongs als 'Fergus Falls' en 'Taking Alcatraz', maar ook de sfeer van Bruce Springsteens Nebraska ('Route 18') en die van Joe Henry's Trampoline ('Chico The American') loert om de hoek. Nog meer prachtigs – in de zin van puur overrompelende schoonheid – zoals 'The Year Of The Get You Alone', 'I Am Not Waiting Anymore' en 'Incommunicado' maken van Field Report een plaat die landschap en atmosfeer van de Badlands en de Great Plains evoceert. Dit is dan ook, losgezongen van traditionalisme, ultieme americana.

Fergus Falls / The Year Of The Get You Alone / I Am Not Waiting Anymore / Taking Alcatraz / Incommunicado / Circle Drive / Chico The American / Evergreen / Captain Video / Route 18

donderdag 28 juni 2012

Radar Bros. | Radar Bros.

Wat Radar Bros. uniek maakt is de vreemde combinatie van americana en psychedelica; van western sferen en jaren zeventig Pink Floyd; van alt.country en Mercury Rev. Beeldend en cinematografisch ontrolt zich via de muziek van Radar Bros. een soundtrack die lijkt toegesneden op aanrollende oceaangolven of zinderende woestijnvlakten. Zo bezien is het niet toevallig dat Radar Bros. afkomstig is uit Los Angeles. De band bestaat sinds de oprichting in 1995 uit Jim Putnam (zang, gitaar, toetsen), Senon Williams (bas) en Steve Goodfriend (drums). Radar Bros. is vooral een studioband en gebruikt voor zijn platen steevast dezelfde studio en hetzelfde procédé: in zijn eigen Skylab-studio legt Jim Putnam – zoon van de beroemde jaren vijftig producer Bill Putnam – alles tot in de kleinste details vast, waarna hij zijn vrienden Williams en Goodfriend opdraagt bas en drums in te vullen. Putnam is de studio-wizzard die zijn muzikale dromen in Skylab omtovert tot waarlijk betoverende popmuziek. Na een ep in 1995 verschijnt een jaar later het zelfgetitelde debuutalbum op Restless Records. Het heeft slechts een bescheiden impact op pers en publiek – en in feite is dat geheel in lijn met de vloeiende, zachtaardige muziek op Radar Bros. De composities van Putnam zijn bedrieglijk eenvoudig en uitzonderlijk transparant; diens stem is louterend en fluweelzacht. In een serene tred bewegen superieure liedjes als 'Lose Your Face Again', 'Wise Mistake Of You' en 'We're Over Here' zich voort op het ritme van een trage hartenklop. Datzelfde luie tempo domineert ook de andere songs op dit uiterst consistente debuut, waarbij op 'Capital Gain', 'Supermarket Pharmacy' en 'Distant Mine' bovendien ijle gitaarsolo's worden gelanceerd. Maar altijd blijven de liedjes spaarzaam uitgevoerd en van een feeërieke pracht, wat zelfs in bijzondere mate geldt voor het fantastische 'Stay', dat ondanks de zonder meer subtiele climax volledig in harmonie blijft met de structuur van het liedje. De overtreffende trap van Putnams intense maar tegelijk ontspannen muzikale trip is de zinderende afsluiter 'Goddess', die niet had misstaan op Pink Floyds Meddle, maar toch ook weer pure zongebleekte Westcoast-americana is. Razendknap is dit zelfgetitelde debuut van Radar Bros., een oordeel dat zijn bevestiging ziet in de ijzersterke opvolgers The Singing Hatchet (1990) en And The Surrounding Mountains (2002). Tezamen een sublieme trilogie; ondergewaardeerd maar ook onweerstaanbaar.

Lose Your Face Again / Capital Gain / Wise Mistake Of You / Stay / Supermarket Pharmacy / On The Floor / We're Over Here / Distant Mine / Underwater Culprits / This Drive / Take Stuff / Goddess

vrijdag 20 april 2012

Buxton | Nothing Here Seems Strange



De grote sprong voorwaarts: na twee cd's in obscuriteit (Red Follows Red in 2005 en A Family Light in 2008) lijkt Nothing Here Seems Strange de onvermijdelijke doorbraak naar het zonlicht. Buxton, uit Houston, Texas biedt op hun debuut voor New West Records een fantastische combinatie van de hippie-folkpop van Fleet Foxes, de neo-countryrock van Dawes en de indie-americana van Blitzen Trapper. Binnen deze driehoek blijkt ruimte voor de intrigerende sound van Sergio Trevino (zang, gitaar), Jason Willis (leadgitaar, mandoline, banjo, pedal steel), Austin Sepulvado (gitaar, orgel, zang), Chris Wise (bas) en Justin Terrell (drums).
Nothing Here Seems Strange werd gemixt door de fameuze Jim Scott (Wilco, Whiskeytown), die dan ook garant staat voor een klassieke alt.countrysound – americana met een punk-attitude. Dat laatste uit zich in de gruizige reverb-gitaren die rammelend hun werk doen in opwindende folkpunk-liedjes als 'Blown A Fuse', 'Broke From Bread' en 'Down In The Valley'. Aan de andere kant laten banjo en zacht ruisende psychedelische gitaren zich beslist niet onbetuigd in geweldige, met zangharmonieën overladen liedjes als 'Wolves And Owls', 'Fingertips' en het meeslepend melancholieke 'Riverbed' Het machtige 'Oh My Boy' is pure sturm und drang, terwijl rustieke americana aan bod komt in de atmosferische afsluiter 'Body Count' waarin strijkers en akoestische gitaren voor een broeierige sfeer zorgen. Met dit geweldige Nothing Here Seems Strange nestelen de Texanen van Buxton zich comfortabel tussen de huidige generatie indiefolk en alt.country bands.
Wolves And Owls / Fingertips / Blown A Fuse / Broke From Bread / Riverbed / Boy Of Nine / Down In The Valley / Lynchburg Ferry / Oh My Boy / Body Count

zondag 4 maart 2012

The Low Anthem | Oh My God, Charlie Darwin




Oh My God, Charlie Darwin, in eigen beheer uitgebracht, is een sprekend voorbeeld van hoe de indie-americana-vlag er ultimo 2008 bij staat. Hier zijn vrije radicalen aan het werk die hun liefde voor oorspronkelijke popmuziek leven. The Low Anthem, afkomstig uit Block Island, Rhode Island, is op de hun derde cd Oh My God, Charlie Darwin een trio (inmiddels een kwartet) bestaande uit Ben Knox Miller, Jeffrey Prystowsky en Jocie Adams, dat gezamenlijk meer dan twee dozijn verschillende instrumenten inzet. En dat loont, omdat deze cd van een werkelijk grote schoonheid is. Ruwweg valt de plaat in twee delen uiteen; de rauwere, banjo-aangedreven songs in de trant van Eliott Brood, en de trage, soms hartverscheurend mooie liedjes, waarin het dreigende pomporgel en de schitterende zangharmonieën een voorname rol spelen. Hier klinkt The Low Anthem als een mengeling van The Felice Brothers en Fleet Foxes – fenomenaal in 'Charlie Darwin' en 'Cage The Songbird'. The Low Anthem zou dan ook, zo schreef ik in 2008, beslist groot kunnen worden als ze zou worden opgepikt door een americana-label; vooralsnog knippen, plakken en verven de bandleden hun kartonnen hoesjes zelf en komen ze in Nederland onder de aandacht door particulier plugwerk. Dat laat echter onverlet dat deze ruwe diamant, opgenomen in de witte stilte van een Rhode Island-winter, een aanschaf tijdens de donkere dagen voor de kerst van 2008 ten volle verdient.
Dat The Low Anthem ook daadwerkelijk voorbestemd is voor grotere dingen blijkt wel uit het feit de band in het voorjaar van 2009 wordt opgepikt door het fameuze Bella Union-label, dat Oh My God, Charlie Darwin geremasterd en met een aangepast hoesje op het Europese publiek loslaat. Met succes. The Low Anthem toert meermalen door Europa en levert met Smart Flesh in 2011 een geweldige opvolger af.
Charlie Darwin / To Ohio / The Horizon Is A Beltway / Home I'll Never Be / Ticket Taker / To The Ghosts Who Write History Books / (Don't) Tremble / Music Box / Champion Angel / Cage The Songbird / OMGCD / To Ohio (Reprise)