Posts tonen met het label Westcoast. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Westcoast. Alle posts tonen

maandag 12 maart 2018

Jonathan Wilson | Rare Birds

Wellicht kan Jonathan Wilson beschouwd worden als een indie-superster. Met Gentle Spirit in 2012 en Fanfare in 2013 maakte hij namelijk schitterende albums. Aanvankelijk liet Wilson zich zien als een Westcoast-troubadour à la Neil Young of Jackson Browne, maar op Fanfare sloeg hij zijn vleugels ten volle uit. Wat zou Wilsons vierde album ons brengen? Jonathan Wilson is een drukbezet man. Hij produceerde albums van Dawes en Father John Misty en ging op wereldtournee met Pink Floyds Roger Waters, als gitarist in zijn begeleidingsband. En dat is te horen op het grootse Rare Birds. De epische opener ‘Trafalgar Square’ (what’s in a name) had namelijk zomaar afkomstig kunnen zijn van The Pros And Cons Of Hitch Hiking. En zo breidt Wilson zijn muzikale speelveld uit naar Britse seventies en eighties rock. Sound en productie van Rare Birds zijn ronduit voortreffelijk - laat dat maar aan Wilson over - een transparant jaren zeventig geluid, waarin de retro-artiest die Wilson is uitstekend gedijt. Met de gastbijdragen zit het ook goed, onder wie Lana Del Rey, Josh Tillman, Greg Leisz (pedalsteel) en Joey Waronker (drums). Opvallend zijn de songs ‘Over the Midnight’ en ‘Loving You’ die een soort van War On Drugs-drive bezitten, maar voor het overige is Jonathan Wilson zijn geniale zelf, die uitblinkt in machtige composities als ‘Me’, ‘Sunset Blvd’, ’49 Hair Flips’, titelsong ‘Rare Birds’ en het Peter Gabriel-achtige ‘Living With Myself’. Het derde spannende, voortreffelijke album op rij, dit Rare Birds - en prachtig uitgevoerd als dubbelaar op goudkleurig vinyl.

‘Trafalgar Square’ | ‘Me’ | ‘Over the Midnight’ | ‘There’s A Light’ | ‘Sunset Blvd’ | ‘Rare Birds’ | ’49 Hair Flips’ | ‘Miriam Montague’ | ‘Loving You’ | ‘Living With Myself’ | ‘Hard To Get Over’ | ‘Hi-Ho the Righteous’ | ‘Mulholland Queen’

In gewijzigde vorm gepubliceerd in Mania nr. 345.

zaterdag 27 januari 2018

Once & Future Band | Once & Future Band

Once & Future Band van de gelijknamige band klinkt als een verloren gegaan album uit de tijd van de jarenzeventig progrockbombast: fraaie zangharmonieën, spacy synths, tinkelende Fender Rhodes en superieur gitaarwerk. Alleen: Once & Future Band is helemaal 2017. De band komt uit Oakland, Californië en brengt in januari 2017 zijn machtige debuutplaat uit op Castle Face Records, het indielabel van John Dwyer van Thee Oh Sees. Once & Future Band is echter met herkenbare invloeden van Yes, Pink Floyd, Queen, Steely Dan en The Beatles - in de meerstemmige zang - eerder symfonisch dan psychedelisch.
Once & Future Band is gegroepeerd rondom mastermind Joel Robinow (zang, toetsen, gitaar, bas), met daar omheen Eli Eckert (bas, gitaar, zang), Raze Regal (gitaar) en Raj Ojha (drums). Zij trappen hun debuutalbum af met ‘How Does It Make You Feel?’, een zinderend popmeesterwerkje dat zowel The Beatles als Electric Light Orchestra in herinnering roept. Een volgend hoogtepunt is ‘I’ll Be Fine’; majestueuze progpop, met voortreffelijke zang en priemende en vloeiende Brian May-gitaren. Er zijn ook uitstapjes naar meer jazzy, Steely Dan-terrein; ‘Rolanda’ is zelfs zo jazzy, funky en sexy als Gino Vanelli dat was. Mooi, sfeervol gitaarwerk van Regal en Robinows swingende, dwarrelende, spacy synthesizersolo’s tillen ‘Hide and Seek’, Magnetic Memory’ en ‘Standing in the Wake of Violence’ hoog op naar het retro-progrock-walhalla. Het is daarom ronduit fantastisch dat Once & Future Band heeft besloten de midden jaren zeventig rock-extravagenza te doen herleven. Once & Future Band is aldus een toekomstige retro-klassieker.

‘How Does It Make You Feel?’ | ‘I’ll Be Fine’ | ‘Hide and Seek’ | ‘Rolando’ | ‘Tell Me Those Are Tears of Joy’ | ‘Magnetic Memory’ | ‘Standing in the Wake of Violence’



donderdag 7 september 2017

Steely Dan | Can’t Buy A Thrill

Met het in Los Angeles opgenomen Can’t Buy A Thrill debuteren Walter Becker en Donald Fagen in 1972 met de perfecte popplaat. Nogal bijzonder voor twee uitgesproken jazzliefhebbers die elkaar eind jaren ontmoeten op het Brad College in New York. In New York komen Becker en Fagen eind jaren aan de slag als songschrijver; delen een kantoortje in het befaamde Brill Building. Dan contracteert ABC-Dunhill het duo, waarna ze materiaal aanleveren voor sterren als Barbra Streisand. Producer Gary Katz ziet wel in het tweetal als uitvoerende artiesten en neemt ze mee naar het popwalhalla Los Angeles. Becker en Fagen vestigen zich in het woestijnstadje Encino, van waaruit ze elke dag naar Hollywood liften, waar ze in het Dunhill-kantoor kunnen beschikken over een bureau en een piano. Als Becker en Fagen genoeg nummers gecomponeerd hebben realiseren ze zich dat ze een band nodig hebben – en een bandnaam. 
Van de oostkust worden een complete band naar LA geïmporteerd: gitarist Jeff ‘Skunk’ Baxter, drummer Jim Hodder en van Hicksville, Long Island jazzgitarist Denny Dias. Steely Dan wordt de bandnaam, vernoemd naar een in Williams Burroughs’ Naked Lunch figurerende mechanische dildo. Gary Katz produceert de opnamen die in de zomer van 1972 plaatsvinden in The Village Recorder en die het ABC-debuut Can’t Buy A Thrill vormen. Omdat zanger Donald Fagen angst heeft om live te moeten zingen wordt zanger David Palmer vanuit New Jersey ingevlogen, en voor nog meer gitaarpower sessiegitarist Eliott Randall uit New York City. De opener ‘Do It Again’ is een absolute klassieker; met zijn elektrische piano-intro, groovy percussie en Denny Dias’ hemelbestormende elektrische sitar-solo. Op zijn beurt verfraait Randall het complexe en barokke ‘Kings’ met een blaartrekkende gitaarsolo. Steely Dan vermengt latin, funk en soul met soepele en subtiele Westcoastrock; ‘Midnight Cruiser’, ‘Turn That Heartbeat Over Again’, ‘Brooklyn (Owes The Charmer Under Me)’ en ‘Fire In The Hole’ zijn slimme rocknummers met ‘Skunk’ Baxters elektrische gitaar en steelgitaar all over the place. David Palmer zingt met zijn zoete falset ‘Dirty Work’ naar grote hoogten en Dias en Baxter leven zich uit in die andere klassieke song: ‘Reelin’ In The Years’, een opwindende mix van Westcoastpop en pseudo-southern rock. En dat alles is voorzien van een intellectueel sausje en cryptische teksten, die het leven in Los Angeles – dat Becker en Fagen Planet Stupid noemen – op de hak nemen. Het duo voelt zich niet thuis in LA en evenmin thuis in het bandconcept; Becker en Fagen zijn ware anti-helden. Toch gaat Steely Dan op tournee, die overigens desastreus verloopt, en maakt hierdoor – en met de hulp van muziekpers en radiostations – van Can’t Buy A Thrill een groot succes. 
Een succes dat voortduurt, want Walter Becker en Donald Fagen behoren tot de meest gerespecteerde muzikanten van de popgeschiedenis. Vele, vele schitterende albums volgen maar Can’t Buy A Thrill is en blijft classic album no. 1. 

Do It Again / Dirty Work / Kings / Midnight Cruiser / Only A Fool Would Say That / Reelin’ In The Years / Fire In The Hole / Brooklyn (Owes The Charmer Under Me) / Change Of The Guard / Turn That Heartbeat Over Again 


Op 3 september 2017 overleed Walter Becker op Maui, Hawaii.

zaterdag 17 juni 2017

The Beau Brummels | The Beau Brummels

Bij het verschijnen van The Beau Brummels wordt geschreven dat het een van de allerbeste reünie-albums is. Tamelijk vanuit het niets brengt Warner Bros. in april 1975 namelijk het zesde album uit van The Beau Brummels – in de originele bezetting. Na de laatste, erg fraaie plaat in 1968, Bradley's Barn, lossen de Westcoast-Beatlesklonen na drie jaar nationwide hits op het niets. Zanger Sal Valentino richt het uitzinnige hippiecollectief Stoneground op, gitarist en componist Ron Elliott maakt de soloplaat The Candlestick Maker en duikt op in countryrockband Pan, maar vanaf 1974 zijn ze weer samen op het oude nest met bassist Declan Mulligan en drummer John Petersen. De verrassende opener van The Beau Brummels, 'You Tell Me Why', is een herbewerking van de hit uit 1965, waarna zich een panorama ontrolt van twinkelende akoestische gitaren, superieure zang en parelende countrypopsongs als de geweldige folkrocker 'Wolf', gevoelige ballads als 'Tennessee Walker' en 'Goldrush', en de kristalheldere countryrockers 'Singing Cowboy' en 'Down To The Bottom', de laatste een staaltje sublieme melancholica, vervolmaakt door een gitaarsolo van Ronnie Montrose. Al met al is The Beau Brummels een bijzonder verfrissend en organisch album dat niettemin het onderspit delft ten opzichte van de midden jaren zeventig rock-extravaganza. En opnieuw vallen The Beau Brummels in splinters uiteen.

You Tell Me Why / First In Line / Wolf / Down To The Bottom / Tennessee Walker / Singing Cowboy / Goldrush / The Lonely Side / Gate Of Hearts / Today By Day

donderdag 6 april 2017

Father John Misty | Pure Comedy

Josh Tillman heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een van de grote indie-rocksterren. In zijn hoedanigheid van Father John Misty maakte hij al schitterende platen; zijn derde, Pure Comedy, is misschien wel briljant. Al in 2003 debuteerde Tillman, toen hij zich, geboren in Rockville, Maryland, eenmaal in Seatlle gevestigd had. Zijn platen werden steeds beter, met als voorlopig hoogtepunt Vacilando Territory Blues in 2009, maar toen was Tillman al als drummer ingelijfd bij Fleet Foxes. Gepokt en gemazeld door het wereldsucces van Fleet Foxes ontpopte Tillman zich vervolgens als een enigmatische, ja priester-achtige verschijning: Father John Misty. Tillman graaft diep in zijn ziel op Pure Comedy, een puur persoonlijke album. Hij zingt over zijn innerlijk leven in de moderne metropool Los Angeles en ziet alles langzaam afbrokkelen. Opener en titelsong 'Pure Comedy' heeft in die zin net zo’n dwingende intensiteit als Rufus Wainwrights 'Going To A Town' (2007) en voort gaat Tillman, zingend vanuit zijn hart en spaarzaam begeleid door piano, gitaar, bas en gestopte drums, maar uitbundig door zwaarmoedige en onheilszwangere strijkers. Het levert, in een co-productie met Jonathan Wilson, een schitterend geluidsbeeld op, modern maar ook verwijzend naar klassieke jaren zeventigplaten van Jackson Browne, Elton John en The Beach Boys. Tillman rijgt het ene hoogtepunt aan het andere, het zou dwaas zijn er een uit te tillen - of het moet het dertien minuten klokkende 'Leaving LA' zijn. De dertien soul-searching songs tezamen - op vinyl een dubbelaar - zijn een zinderende luisterervaring. Pure Comedy kan niet anders dan een van de beste platen van 2017 zijn.

Pure Comedy | Total Entertainment Forever | Things That Would Have Been Helpful To Know Before | Ballad Of The Dying Man | Birdie | Leaving LA | A Bigger Paper Bag | When The God Of Love Returns There’ll Be Hell To Pay | Smoochie | Two Wildly Different Perspectives | The Memo | So I’m Growing Old On Magic Mountain | In Twenty Years Or So

Bella Union, 2017

Gepubliceerd in Platomania

dinsdag 21 februari 2017

Don Agrati | Home Grown

Don Agrati is een Hollywood-product. Hij is op jonge leeftijd een muzikale kindacteur in The Mickey Mouse Club en speelt als teenager onder de naam Don Grady in populaire westernseries en comedy's. Met de opkomst van de hippiecultuur slaat Agrati/Grady zijn vleugels uit en raakt meer geïnteresseerd in een carrière in de popmuziek. Als 19-jarige tekent hij een contract als songschrijver en als artiest bij Capitol Records, is een korte spanne drummer en zanger in The Palace Guard, maar richt dan The Yellow Balloon op, die met hun barokke pop zelfs hits scoren. Om niet teveel de aandacht op zichzelf te richten treedt Grady met de band op in vermomming – met heuse opgeplakte snor – en gebruikt hij op het album The Yellow Balloon (1967) het pseudoniem Luke R. Yoo. Eind jaren zestig richt Don Agrati zich geheel op een muzikale carrière, hetgeen in 1973 leidt tot de Elektra-release van Home Grown Agrati speelt nagenoeg zelf alle instrumenten, behouden gitaar en banjo, en de blazers en strijkers. De nadruk ligt op melodieuze pop, met hier een daar een uitstapje naar rock. De piano- en strijkers ballads 'Love, Come Way' en 'I Was A Man', en de lekkere Beach Boys-popsong 'Sunny Day' vallen op in positieve zin, maar 'Hollywood Song' is Grady's finest moment. Tekstueel venijn en barrelhouse-piano definiëren deze subliem groovende song: Holy Hollywood, you ought to know / Everybody's honkin' tonkin'. Homegrown is geen succes, en dus stopt Don Grady met zijn actieve muziekcarrière.

Bloodstream / Love, Come My Way / Rocky Mountain Bear Hunt / Heather-Ann / Story / One Man Woman / Hollywood Song / Sunny Day / I Was A Man / Protoplasm Blues / Two-Bit Afternoon 


Elektra Records, 1973

zaterdag 3 januari 2015

Paul Williams | Just An Old fashioned Love Song

Paul Williams is acteur, tekstschrijver en zanger. Maar de tragiek van Williams is dat hij vanwege zijn geringe lengte en onvolgroeide uiterlijk waarschijnlijk het best herinnerd is door zijn optredens in The Muppet Show. Veel relevanter zijn echter zijn creatieve talenten. Na rollen in Hollywood-rolprenten, ontwikkelt Williams zich halverwege de jaren zestig als tekstschrijver voor de televisie, en later als songschrijver. Hij komt dan onder contract bij Warner Brothers, maakt een lp met Holy Mackerel in 1968 en gaat een samenwerkingsverband aan met componist Roger Nichols. Samen maken ze een demo-lp die platenlabels moet bewegen hun liedjes te transformeren tot hits – hetgeen geschiedt. Een aantal van die liedjes komen ook voor op Williams' debuut-lp uit 1970 voor Warner Someday Man, een jaar later gevolgd door zijn debuut voor A&M: Just An Old Fashioned Love Song. Ook hier zijn een aantal – schitterende – liedjes verzameld die wereldhits voor anderen betekenen, zoals 'Just An Old Fashioned Love Song' voor Three Dog Night en 'We've Only Just Begun' voor The Carpenters, oorspronkelijk geschreven als bankcommercial en bedoeld voor pasgetrouwden. Hoewel Williams zijn liedjes aan de piano schrijft, speelt hij zelf geen noot op Just An Old Fashioned Love Song. Pianist is Craig Doerge, vergezeld van LA-sessiemusici David Spinozza (gitaar), Leland Sklar (bas) en Russ Kunkel (drums) – en barokke orkestrale arrangementen. Muzikaal en compositorisch vakmanschap, getoonzet in herfstbruine romantiek, druipt af van wonderschone liedjes als 'I Never Had It So Good', 'That's Enough For Me' en 'Let Me Be The One'. De toon op Just An Old Fashioned Love Song is uitgesproken romantisch, maar altijd met een onderstroom van verdriet en onvervuld verlangen. Daar waar baroque pop en middle of the road elkaar kruisen, staat Just An Old Fashioned Love Song als een fier, lichtend baken; een hoogtepunt van de seventies songwriters-pop.

Waking Up Alone / I Never Had It So Good / We've Only Just Begun / That's Enough For Me / A Perfect Love / An Old Fashioned Love Song / Let Me Be The One / Simple Man / When I Was All Alone / My Love And I / Gone Forever



zondag 31 augustus 2014

The Family Tree | Miss Butters

Bob Segarini wil dolgraag in een band, maar de eerste wordt hij uitgezet wegens te lang haar, de tweede vanwege het roken van marihuana. Dus richt hij in 1966, in Stockton, Californië zijn eigen band op: The Family Tree, dat net als Harry Nilsson bij RCA onder contract komt. Heftig beïnvloed door de psychedelica van Sgt. Pepper en de harmonieën van Pet Sounds creëert Segarina zijn eigen droomwereld met Miss Butters. Na een jaar schrijven op zijn kamertje in Stockton – afgewisseld door rondhangen met Nilsson – heeft Segarini, geïnspireerd door diens vroegere kleuterjuf, tekst en muziek gereed. De bandleden zingen zelf de teksten in, maar spelen geen noot. RCA kiest veilig voor de ervaren studiomusici van The Wrecking Crew. Zeer bijzonder zijn de zware orkestrale arrangementen en het vroege gebruik van de moog. Maar de uitgekiende melodieën en de fabuleus gearrangeerde zangharmonieën zijn de ware smaakmakers van dit barokke popalbum. Miss Butters – het enige album van The Family Tree – is een genegeerd hoogtepunt van de psychedelische pop, waarvoor de visionaire Bob Segarini ten volle de credits verdient.

Birthday/Dirgeday / Melancholy Vaudeville Man / Any Other Baby / Sideshow / Mrs. McPheeney (Has Flu In Her Chest And Has Needed A Rest For so Long) / Butters lament / Simple Life / Slippin' Thru My Fingers / Nine To Three / Lesson Book Life / Nickelodeon Music / Miss Butters / The

zaterdag 7 juni 2014

Blue Mountain Eagle | Blue Mountain Eagle

Na het uiteenvallen van Buffalo Springfield gaat drummer Dewey Martin met een nieuwe band verder als New Buffalo. Neil Young en Stephen Stills weerhouden Martin om die bandnaam te gebruiken zodat New Buffalo al snel ter ziele is. Als Martin een solodeal krijgt aangeboden, gaat zijn band zelfstandig opereren als Blue Mountain Eagle. Het oorspronkelijke kwartet, aangevuld met een andere drummer, heeft zijn sporen reeds verdiend in andere bands, zodat het predikaat supergroep als snel op de Californiërs wordt geplakt. Dat maakt Blue Mountain Eagle beslist niet waar, maar het met engineer Bill Halveson (Grateful Dead, Crosby, Stills & Nash) in Wally Heider’s Studio in LA opgenomen album is niettemin zeer sterk. Melodieuze heavy rock en psychedelische gitaren, zoals in de fantastische opener ‘Love Is Here’, maken de dienst uit op Blue Mountain Eagle, terwijl de Westcoast-harmoniezang en de vloeiende melodieën het fraaie album verder op smaak brengen. Een Moby Grape-sfeer in ‘Yellow’s Dream’ en ‘Promise Of Love’, laten dit album enigszins in de buurt komen van de Westcoast-klassiekers, maar dit is een status die Blue Mountain Eagle nimmer zal bereiken. Binnen een half jaar na de release in begin 1970 gaat Blue Mountain Eagle al uit elkaar, en kunnen de bandleden bogen op een helaas sterk ondergewaardeerd maar wel geweldig album.

Love Is Here / Yellow’s Dream / Feel Like A Bandit / Troubles / Loveless Lives / No Regrets / Winding Your String / Sweet Mama / Promise Of Love / Trivial Sum

zondag 9 maart 2014

Emitt Rhodes | Emitt Rhodes

Als Emitt Rhodes in 1970 toe is aan zijn eerste soloplaat heeft hij er al een muzikantenleven op L.A.’s Sunset Boulevard opzitten. Zat van het rondzeulen met een drumkit stapte Rhodes uit The Palace Guard en richtte The Merry-Go-Round op. Als zanger, gitarist en componist was Rhodes de bepalende factor in één van de hipste bands van The Strip. The Merry-Go-Round had landelijke hits met het Beatleske 'Live' en het prachtige psychedelische 'You’re A Lovely Woman', maar kon zich uiteindelijk niet ontworstelen aan de greep van platenmaatschappij A&M, die met de groep hun eerste rockband binnenhaalde. Na de opnamen voor wat de tweede lp had moeten worden werd The Merry-Go-Round bij het grof vuil gezet. De teleurstelling was groot, Rhodes trok zich gedesillisioneerd terug in zijn huisstudio – uitgerust met een viersporen bandrecorder – in Hawthorne, een buitenwijk van Los Angeles. Emitt Rhodes sloot de deur achter zich en ging experimenteren.
Tegen de tijd dat hij een hele plaatkant had opgenomen tekende hij een contract voor meerdere lp’s – sterker nog; voor twee platen per jaar – met ABC/Dunhill, een thuishaven voor singer-songwriters en folkrockbands. Na de voltooide thuisopnamen werden de tapes gemixt door Keith Olsen en Curt Boettcher, bekend van Sagitarius en The Millennium. Het spreekt voor zich dat Olsen en Boettcher de nadruk legden op de complexe vocale harmonieën die Rhodes soms vijf tot zes maal dubbelde. En net als de zangpartijen zijn de instrumenten, alle bespeeld door Rhodes, laag voor laag opgebouwd.
Emitt Rhodes is een muzikant van het breekbare soort. Snel uit het lood geslagen, levend zonder illusies en een zwak voor drugs. Geïsoleerd in zijn garage en huisstudio sloot hij vriendschap met zijn instrumenten en bandrecorder. Het resultaat van deze vrijage is het gelijknamige Emitt Rhodes dat bevolkt wordt door ongepolijste, fragiele en wonderschone liedjes. Emitt Rhodes bewijst alle aspecten van het songschrijven én arrangeren onder de knie te hebben. Kale liedjes, slechts versierd met piano en gitaar, georkestreerde en van fuzz-gitaar voorziene pareltjes, Rhodes etaleert zijn muzikale talenten en voegt daar zijn meermalen gedubbelde zijden stem aan toe. 'Long Time No See' is een van de voorbeelden van de complexe simpelheid die op Emitt Rhodes breed wordt uitgemeten – inclusief het psychedelische gitaarwerk. 'Live Till You' Die is een catchy popsong met een gratuite filosofische tekst die in het muziekgeheugen wordt gebrand. En dat geldt voor het merendeel van de hoogwaardige composities die voortkomen uit eerlijke en nijvere huisvlijt. Die do-it-yourself houding plaatst Emitt Rhodes naast een studiowizzard als Todd Rundgren en levert hem de bijnaam The American McCartney op. Op basis van de schoonheid en zeggingskracht van de piano-aangedreven ballads en de melodieuze powerpopsongs is die reputatie – ook al is dat slechts in kleine kring bekend – zeer verdiend. Met zijn solodebuut leverde Emitt Rhodes een, wellicht marginaal, kunstwerk af; Emmitt Rhodes, met zijn twaalf breekbare en harmonieuze popsongs, is daarmee een klassiek debuut.
De langlopende platendeal met Dunhill kreeg Emitt Rhodes in een knellende greep. De snelheid waarmee de volgende plaat moest worden geproduceerd had een negatief effect op Rhodes. Mirror is een waardige opvolger van het debuut, maar het daarop volgende Farewell To Paradise is een mediocre en incoherente plaat. De druk van Dunhill en Rhodes’ heftige drugsgebruik veroorzaken een mentale inzinking en een diepgewortelde haat jegens platenmaatschappijen. Tegen beter weten in aanvaardt Rhodes een baan als studiotechnicus en later als A&R manager bij Elektra Records. Maar als hij door het aantreden van een nieuwe directie wordt weggesaneerd is Emitt Rhodes voorgoed verloren voor de popmuziek. Verbitterd en teleurgesteld trekt hij zich terug in Hawthorne.
Er is echter een naschrift. Begin ’97 treedt Rhodes voor het eerst sinds meer dan 25 jaar op. Hij speelt met een gelegenheidsband, bestaande uit fans, op het prestigueuze Poptopia! festival in Los Angeles. Daarnaast doet het verhaal de ronde dat Emitt Rhodes aan een come-back werkt. Het lijkt onwaarschijnlijk en dat is het ook. Zeventien jaar later is nog steeds niets van hem vernomen. Het doet ook niets terzake; Emitt Rhodes’ debuut is een tijdloze klassieker, vast verankerd in de muziekhistorie.

With My Face On The Floor / Promises I’ve Made / She’s Such A Beauty / You Must Have / Lullaby / Fresh As A Daisy / You Should Be Ashamed / Somebody Made For Me / You Take The Dark Out Of The Night / Ever Find Yourself Running? / Live Till You Die / Long Time No See



maandag 24 februari 2014

Jim Sullivan | U.F.O.

Jim Sullivan speelde nooit voor een publiek van meer dan zo'n vijftig man, maakte twee lp's die nagenoeg niemand wilde hebben en verdween in 1975 spoorloos van de aardbodem. Dat is voer voor een culthelden-status en die status verkrijgt de singer-songwriter uit San Diego, Californië dan ook, en dat is op grond van diens debuutplaat U.F.O. beslist terecht. Getrouwd en verhuisd naar noord Los Angeles in 1968 is Jim Sullivan vaste gast in de koffiehuizen aan het strand van Malibu, Avond aan avond speelt hij voor een handjevol vaste klanten in The Raft, maar er is nauwelijks interesse voor de stemmige liedjes gezongen met een imponerende bariton. Vrienden van Sullivan krijgen toch geld bij elkaar om hem in een studio te laten opnemen met een strijkkwartet en de fameuze Wrecking Crew. Hoewel fysiek een robuuste verschijning is Jim Sullivan op U.F.O. vooral een gevoelige, hartveroverende singer-songwriter die op dit geweldige album enorm veel baat heeft bij de warme sound van gitaar, bas, drums en de prachtige gearrangeerde strijkers. Tussen illustere helden als Fred Neil, Tim Hardin, Hoyt Axton en Joe South bevindt zich ook Jim Sullivan, want oorstrelende countryfolk-liedjes als 'Jerome', 'Plain As Your Eyes Can See', 'Whistle Stop', 'Rosey', 'Hghways' en 'U.F.O.' en 'So Natural' maken van U.F.O. een ronduit schitterend album. In 1969 vindt niemand dat, wat ook geldt voor de eponieme opvolger op Hugh Heffners Playboy-label in 1972.
Jim Sullivans carrière loopt op niets uit en dat beseft hij zelf ook. Op 5 maart 1975 vertrekt hij in zijn Volkswagen naar Nashville, Tennessee om daar wat geld te verdienen, maar hij komt op de Interstate 40 tot Santa Rosa, New Mexico en niet verder. Daar haalt de Highway Patrol hem van de weg wegens slingerend rijgedrag. Sullivan koopt een fles vodka en checkt in in het La Mesa Motel. De volgende dag wordt zijn VW gevonden in de woestijn met daarin zijn gitaar en portemonnee. Jim Sullivan is voor altijd verdwenen; weggevaagd van de snelweg. Een reden temeer om het schitterende U.F.O. te koesteren en vooral deze woorden te absorberen: There's a highway / Telling me to go where I can / Such a long way / I don't know where I am. En daar, op de highway, is het voor Jim Sullivan op welke manier dan ook geëindigd.

Jerome / Plain As Your Eyes Can See / Roll Back The Time / WhistleStop / Rosey / Highways / U.F.O. / So Natural / Johnny / Sandman 

zondag 9 februari 2014

Happy End | Kazemachi Roman

Haaks op Japanse trends in de popmuziek – het in de Engelse taal zingen van voornamelijk westerse covers – kiest Happy End in 1969 onverschrokken voor het avontuur. Van het viertal Haruomi Hosono (zang, bas, toetsen), Takashi Matsumoto (drums), Shigeru Suzuki (leadgitaar) en Eiichi Ohtaki (gitaar, zang) schrijven Hosono en Matsumoto de eigentijdse composities voor Happy End, die de band bovendien in de Japanse taal uit zal voeren. Het tweede album van Happy End, Kazamachi Roman, is royaal gemodelleerd naar Westcoast folkrock en countryrock – een Japanse versie van Buffalo Springfield staat de band voor ogen – maar is uiteraard puur Japans vanwege de inheemse teksten. Kazamachi Roman, wat zoveel betekent als 'winderige straat-romance', kent slepende Westcoastrock in 'Dakishimetai', folkrock in 'Natsu Nandesu' en groovy swamprock in 'Hanaichimonme' en 'Taifuu', de laatste met een rauwe bluesgitaar. Het schitterende 'Sorairo No Crayon' – mellow countryrock met de jengelende pedal steel van Komazawa Hiroki – houdt het midden tussen Brinsley Schwarz en Moby Grape. Zeer bijzonder is bovendien het pakkende folkliedje met rollende Hammond 'Kazo Wo Atsumete', dat in 2003 een prominent eerbetoon krijgt in Sofia's Coppola's succesvolle speelfilm Lost In Translation. In 2007 wordt Happy End nog meer geëerd als Rolling Stone Japan de 100 Greatest Japanese Rock Albums of All Time kiest: op nummer 1 staat het onvolprezen Kazemachi Roman.

Dakishimetai / Sorairo No Crayon / Kaze Wo Atsumete / Kurayamizaka Musasabi Henge / Haikara Hakuchi / Haikara Beautiful / Natsu Nandesu / Hanaichimonme / Ashita Tenki Ni Naare / Taifuu / Haru Ranman / Aiueo


woensdag 8 januari 2014

Tim Buckley | Goodbye And Hello


Wankel balancerend op de dunne scheidslijn tussen folkrock en jazzrock, tussen faam en falen, tussen avontuur en roekeloosheid, is Tim Buckley een tragische figuur die op veel te jonge leeftijd zijn lot bezegelde met een overdosis. In zijn te korte leven maakte hij een indrukwekkende ontwikkeling door; van traditionele folksinger tot avant-jazzmusicus – met zijn zuivere tenor en een bereik van maar liefst drie en een halve octaven als voornaamste instrument. Buckley is de singer-songwriter van de improvisatie en experimenteerdrift, maar daarvoor, voor het transitie-album Happy Sad uit 1969, is de singer-songwriter van de koffiehuizen aan het woord. Tim Buckley wordt in 1966 getekend door Elektra's Jac Holzman als hij nog deel uitmaakt van The Bohemians, een folkrockband uit Orange County, Californië. Datzelfde jaar nog komt Buckleys zelfgetitelde debuutplaat uit, een album vol plezierige folkrock.
Maar met het volgende album graaft Tim Buckley dieper en dieper. In Bohemians-drummer Larry Beckett heeft Buckley een creatieve partner gevonden die hem voor teksten voorziet, in Jerry Yester, ex-Lovin' Spoonful en ex-Modern Folk Quartet, een producer die hem de vrije hand laat in zijn improvisaties en verbeelding. Buckley speelt zelf op de 12-snarige akoestische gitaar, maar de sound wordt verrijkt door Don Randi op klavecimbel, Yester op orgel en harmonium, de gitaristen Brian Hartzier en John Forsha en vooral de jazzy gitaarimprovisaties van Lee Underwood. Deze verzorgt prachtige, vloeiende tegenmelodieën, in innige verstrengeling met Buckleys engelachtige stem, die meestal in een take op de band is vastgelegd. Buckley klinkt op Goodbye And Hello, uitgebracht in oktober 1967, dan ook betoverend en als in trance in indrukwekkende songs als 'Pleasant Street' en 'Morning Glory', Schitterend is 'Hallucianations', een folk-baroque ballad met inderdaad een hallucinerend effect; gejaagd en opgewonden 'I Never Asked To Be Your Mountain', gericht aan het adres van zijn ex-vrouw Mary Guibert en zijn nog geen jaar oude zoon Jeff. Titelnummer 'Goodbye And Hello' is een mini-opera, geëxalteerd en gedragen door blazers en strijkers. Centraal op Goodbye And Hello staat het magistrale 'Once I Was', in feite een blauwdruk van 'Dolphins' van de door Buckley bewonderde Fred Neil: Something I wonder just for awhile / Will you ever remember me. En: I find myself searching / Through the ashes of our ruins / For the days when we smiled. Maar de zoektocht is veel te snel voorbij, na negen albums – waaronder Starsailor en Greetings From L.A. – overlijdt Tim Buckley op 29 juni 1975 in zijn huis in Santa Monica, Californië, 28 jaar oud.

No Man Can Find The War / Carnival Song / Pleasant Street / Hallucinations / I Never Asked To Be Your Mountain / Once I Was / Phantasmagoria In Two / Knight-Errant / Goodbye And Hello / Morning Glory 

dinsdag 24 december 2013

Alexander Spence | Oar

Voor een muzikant met zo een status – de cult hero der cult heroes – heeft Alexander Spence de wereld een zeer bescheiden oeuvre geschonken. Hoewel van origine gitarist, was Skip Spence de eerste drummer van Jefferson Airplane en maakte met deze hippieband in 1966 Jefferson Airplane Takes Off. Als gitarist en componist speelde Spence een belangrijke rol in één van de meest getalenteerde bands van het San Francisco van de jaren zestig, Moby Grape. Slechts twee lp’s – Moby Grape en Wow (met de gratis meegeleverde live-lp Grape Jam) – houdt Skip Spence het te knellende samenwerkingsverband vol. Spence’s gewelddadige en psychotische gedrag, opgestookt door heftig drugsgebruik, doen hem in 1968 in een psychiatrische kliniek in New York belanden. Spence verblijft maar liefst een half jaar in de kliniek en ondergaat heftige aanvallen van dementie en paranoia, maar weet toch zijn hoofd vrij te maken om in de schaarse momenten van luciditeit liedjes voor een soloplaat te schrijven. Als Alexander Spence in december 1968 uit het hospitaal ontslagen wordt, haast hij zich op een motorfiets naar Nashville. In CBS’s Nashville Studios neemt Spence in vier dagen – de hoestekst van Oar spreekt zelfs van één dag, namelijk 16 december – in z’n eentje 17 liedjes op waarvan de 12 meest uitgewerkte een plekje krijgen op Oar. Stoned, maar tegelijk euforisch en on top of it, speelt Skip Spence alle instrumenten zelf, doet de productie en laat de banden in één dag mixen in New York. Oar is dan áf en klaar om aan het publiek geopenbaard te worden. In februari 1969 verschijnt Oar dan, Alexander Spence’s tijdloze meesterwerk.
Oar is als een kaleidoscoop; er ontrolt zich een afwisselend en kleurrijk landschap. Het stonede Little Hands zet de toon met zijn mix van Moby Grape-psychedelica en folkblues. Cripple Creek vervolgens, is een weergaloos countrylied waar Spence met zijn donkere bariton Kris Kristofferson naar de kroon steekt. Spence’s losse psychedelica raakt aan de blues, de country, de folkrock en laat zien dat hij een geestverwant is van Syd Barrett. Oar heeft daarmee raakvlakken met The Madcap Laughs maar ook met Terry Reids River. Oar bevindt zich daarmee in uniek gezelschap. Spence bewijst zich keer op keer als psychedelische space-blues cowboy. Diana, Dixie Peach Promenade, het slepende War In Peace en het geniale Weighted Down (The Prison Song) zijn fenomenale composities. Broken Heart is een gevoelige kampvuursong, het oudtestamentische Books Of Moses beklemt tot op het bot en de afsluiter Grey/Afro is negen minuten samengebalde experimenteerdrift met een hoofdrol voor Spence’s elektrische gitaarspel.
Oar klinkt als een compleet orkest, maar het zijn slechts Skip Spence’s drums, basgitaar, akoestische en elektrische gitaar, die geraffineerd in laagjes gestapeld zijn. De shuffelende drums zijn onnadrukkelijk aanwezig en lijken nauwelijks als begeleiding te fungeren; de nerveuze ritmiek stuitert alle kanten op zonder de aandacht op zich te vestigen. Spence’s elementaire en funky baswerk knort en bromt en leidt net als de drums een eigen leven. Dit alles dient als ondersteuning van het magische en uiterst gedoseerde gitaarspel van Alexander Spence. De gitaarakkoorden laten zich niet in een keurslijf dwingen en waaieren alle kanten op. Er ontstaat als het ware een nieuwe hybride, een extra dimensie tot dan toe zelden vertoond. Instrumentatie en productie zijn in één persoon verenigd en dat geeft Oar de gebalde kracht en subtiliteit die het bandconcept en de solo-artiest met begeleidingsband ten enenmale ontbeert. Het is de kracht van de unieke entiteit die alles in zich verenigt; de kracht van de singer-songwriter als scheppende mens. Dit experiment, het experiment van de muzikale doe-het-zelver en ontdekkingsreiziger, is anno 1968 – het tijdperk van muzikale creativiteit en psychedelica –, dan ook volledig geslaagd. Oar is een universum op zich, een speeltuin van experimentele dadendrang, een grensoverschrijdend kunstwerk dat nieuwe terreinen verkent. Alexander Spence is de pionier die de luisteraar aan de hand neemt naar de onontdekte verten van een stromenlandschap waar alles vloeit: panta rhei.
Natuurlijk behaalde Oar slechte verkoopcijfers en natuurlijk ging het niet goed met Alexander Spence. Alcoholisme en schizofrenie eisten zijn tol. Toch bleef Spence songs bijdragen aan Moby Grape en wist hij het zelfs op te brengen om acte de présence te geven op het in 1978 gereleasde Live Grape. Hoewel er in de loop der jaren steeds meer aandacht kwam voor Oar, ging Spence’s fysieke en mentale toestand hard achteruit. Skip Spence leefde jarenlang in een trailerpark, totdat zijn gesteldheid verregaand verslechterde en hij moest worden opgenomen in een hospitaal. In 1999 onstond het initiatief voor een eerbetoon aan Alexander Spence. Platenbaas Bill Bentley stelt een tribute-plaat samen: More Oar: A Tribute To The Skip Spence Album en het lukt hem om Spence te laten luisteren naar dit eerbetoon. Slechts enkele uren voor zijn dood neemt Skip Spence kennis van het tribute-album. Op 16 april 1999, twee dagen voor zijn 53ste verjaardag, overlijdt Alexander Spence aan longkanker. Skip Spence’s laatste op vinyl gematerialiseerde woorden zijn te vinden op Moby Grape’s reünieplaat uit 1983: My hopes and dreams will soon begin to fade / When thoughts of men and dreams have all been weighed / Darks shadows hide my destined fate they cannot wait / For I shall see a better day, uh uh.

Little Hands / Cripple Creek / Diana / Margaret-Tiger Rug / Weighted Down (The Prison Song) / War In Peace / Broken Heart / All Come Together / Books Of Moses / Dixie Peach Promenade / Lawrence Of Euphoria / Grey/Afro



donderdag 19 december 2013

Mothers Tuckers Yellow Duck | Starting A New Day

Ook Canada heeft zijn Westcoast – Montreal, British Columbia – en zijn Westcoast-scene: Mother Tuckers Yellow Duck, geformeerd in 1967, is zo'n psychedelische band die comfortabel op de San Francisco-sound leunt. Het debuut Home Grown Stuff (1969) komt uit op Capitol en klinkt psychedelisch zoals acid-rock betaamt; daarentegen is opvolger Starting A New Day in 1970 folkier, melancholieker en meer laid back. Hier doen de invloeden van Moby Grape's 69 en Grateful Deads American Beauty zich nadrukkelijk gelden. Opgetuigd met schitterende harmoniezang, zweverige passages en een magnifieke gitaarsound is Starting A New Day een bijzonder avontuurlijk album dat met geweldige liedjes als 'Love's Been A Long Time Coming', 'Middlefield Country', 'Wood U Call It' en 'A Play On Children' in San Francisco niet over het hoofd zou zijn gezien. Ten overvloede: 'Did You Ever' had niet misstaan op Steve Millers Sailor. Mother Tuckers Yellow Duck komt echter uit Canada; gebrek aan succes leidt al in 1971 tot het jammerlijk uiteenvallen van de band.

Starting A New Day / Love's Been A Long Time Coming / Middlefield County / True Blue / Natchez Theme (For Natchez) / Wood U Call It / Nightowl / Did You Ever / Collin's Breakdown / A Play On Children



woensdag 27 november 2013

Jo Jo Gunne | Jo Jo Gunne

Product DetailsIn 1967 verruilen Jay Ferguson en Mark Andes hun band Western Union voor Randy California's Spirit, vier jaar later, in het voorjaar van 1971, zijn zij Spirit en het gebrek aan een commerciële richting zat. Dat moet beter kunnen en dus richt het duo een boogie-rockband op en vernoemen zich naar Chuck Berry's 'Joe Joe Gun', alleen net even anders: Jo Jo Gunne. Ferguson is de zanger en toetsenist, Andes de bassist – diens broertje Matthew de gitarist en de drummer Curley Smith. Een contract bij het ultieme Westcoast-label Asylum bezorgt Jo Jo Gunne een vliegende start, die in april 1972 vervolgd wordt met een ronduit geweldig debuutalbum en een klassieke – commerciële – single: 'Run Run Run'. In het kielzog van de single – die ook vier weken in de Nederlandse top 40 bivakkeert; hoogste notering de 26e plaats – heeft ook Jo Jo Gunne volop impact, althans in Amerika. 
Jo Jo Gunne heeft een aansprekende sound waarin Westcoast-rock, bar-boogie en southern rock elkaar vinden in aanstekelijke rockliedjes. Jo Jo Gunne past dan ook perfect op David Geffens Asylum-label. Verpakt in een schitterende klaphoes zijn de negen rockende liedjes van het album ronduit iconische Westcoast-songs in de trant van The Doobie Brothers, Steely Dan en The Eagles – allen net iets heavier. 'Shake That Fat', 'I Make Love'. '99 Days' en 'Academy Award' zijn sterke songs; 'Take It Easy', met zijn fraaie harmonie-vocalen en prachtig gitaarwerk, is het meeslepende hoogtepunt van een sterk album. Jo Jo Gunne is een hardwerkende band die zich suf toert en in het verlengde daarvan albums op de markt brengt. Dat stagneert als in 1974 Jumpin' The Gun met een smakeloze hoes op de markt gebracht wordt en deze door de platenwinkels geboycot wordt. En dat overleeft Jo Jo Gunne niet.

Run Run Run / Shake That Fat / Babylon / I Make Love / Barstow Blue Eyes / 99 Days / Academy Award / Take It Easy / Flying Home 

vrijdag 15 november 2013

Warren Zevon | Excitable Boy

Hoewel beschermeling nummer één van zonnekind Jackson Browne, komt Warren Zevon van een andere planeet dan de troubadour van het bespiegelende lied. Niks zonneschijn en blauwe golven voor Zevon, nee, de noir van de zelfkant is de plaats waar hij zich het beste thuisvoelt; gewapend met een Thompson gun en vergezeld door sterke drank. Natuurlijk is Warren Zevon het product van Westcoast singer-songwriters generatie, maar een feit is dat hij zich eind jaren zeventig ontpopt als een bad-ass boy. Beïnvloed door de New-York-punk en de bijtende stijl van Elvis Costello kan Zevon evenzeer gerekend worden tot de Angry Young Men van de toenmalige new wave.
Op Excitable Boy laat Zevon de luisteraar proeven van het glitzy nachtleven dat hij verre prefereert boven het zonlicht. Net zoals de Excitable Boy in de gelijknamige song: And he raped her and killed her, then took her home / Excitable boy, they all said / Well, he’s just an excitable boy. Het is de wereld van de ontspoorden, van de mentally deranged die de boeken van Raymond Chandler en Dashiel Hammett bevolken. Ook is de persoon van de buitenstaander en de vluchteling een favoriet Zevon-thema. Roland The Headless Thompson Gunner vertelt het verhaal van de huurling vechtend voor de idealen van een ander:They killed to earn a living and to help out the Congolese. En in Lawyers, Guns And Money is de protagonist ondergedoken in Honduras. Dat Zevon zich een buitenstaander voelt maakt hij de luisteraar niet alleen via zijn teksten duidelijk, ook is zijn voordracht er één van een ironische vertolker, om niet te zeggen een cynicus die zich afzijdig houdt en zich niet laat raken. Should have done, should have done, we all sigh, verzucht Zevon in Accidentally Like A Martyr. Een belangrijk plusplunt van Excitable Boy – en dat deze daarmee doet uitstijgen boven voorganger Warren Zevon en Bad Luck Streak At Dancing School – is dat de plaat de onwaarschijnlijke hit Werewolves Of London bevat. Een aanstekelijk rocknummer waarvan de ironie afdruipt en dat tegelijk uniek en zonderling is.
De donkere bariton van Zevon wordt op Excitable Boy adequaat ondersteund door een begeleiding die rockt en swingt en die de lp definitief ontdoet van enige zonnige Californië-connectie. Nu gaven Zevons teksten daar al geen enkele aanleiding toe, maar zoals gezegd, Warren Zevon rekende de Westcoast-elite zoals Fleetwood Mac en The Eagles tot zijn vrienden. Soms, als de elektrische gitaren een rustpauze nemen en de piano het initiatief overneemt, zoals in het epische Veracruz, valt een glimp waar te nemen van Zevons jonge jaren temidden van Jackson Browne, J.D. Souther en Carl Wilson. Een gezelschap dat de singer-songwriter Warren Zevon minimaal tot zijn gelijken mag rekenen.
De hoes van Excitable Boy toont een bebrilde jongeman met een glad en fris uiterlijk, maar achter de brillenglazen gloeit de onzekerheid en de wanhoop. Dat Excitable Boy niet Warren Zevons carrière lanceerde lag niet aan de kwaliteit van het album, doch aan Zevons strijd tegen alcoholisme en zijn neiging tot zelfdestructie. Niettemin is Excitable Boy een mijlpaal die anno 1978 een perfecte versmelting was van klassieke Westcoast-rock en thinking man’s new wave.
Vierentwintig jaar en een achttal platen later is er inoperabele longkanker bij Warren Zevon geconstateerd. In september 2002 kreeg de zanger te horen dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft. Op 30 oktober 2002 was Zevon te gast bij David Letterman. Op de vraag of zijn levensstijl van invloed geweest is op zijn ziekte, antwoordde Warren Zevon: “You make choices and you live with the consequences.” Toen nog steeds een excitable boy. Met de duivel op de hielen lukt het Zevon – met de hulp van ontelbare muzikale vrienden – zijn daadwerkelijke laatste plaat af te leveren. The Wind is een indrukwekkend slotakkoord en Zevons publieke testament. Op 6 september 2003 overlijdt Warren Zevon, 56 jaar oud. Mr. Bad Example is niet meer. Hij zal gemist worden, zoveel is zeker.

Johnny Strikes Up The Band / Roland The Headless Thompson Gunner / Excitable Boy / Werewolves Of London / Accidentally Like A Martyr / Nighttime In The Switching Board / Veracruz / Tenderness On The Block / Lawyers, Guns And Money

donderdag 31 oktober 2013

Longbranch Pennywhistle | Longbranch Pennywhistle

The Troubadour, aan Santa Monica Boulevard in West Hollywood, is aan het eind van de jaren zestig dé ontmoetingsplaats voor singer-songwriters, folkrockers en countryliefhebbers. Zowel arrivés, would be-artiesten als nieuwkomers frequenteren de club, maar ook platenbazen op zoek naar talent. Twee van die nieuwkomers zijn een singer-songwriter uit Amarillo, Texas en een zanger-gitarist uit Detroit, Michigan, die elkaar begin ’69 in Los Angeles ontmoeten omdat de vriendin van de ene de zus is van de echtgenote van de ander. Ze sluiten direct vriendschap en betrekken met z’n tweeën een appartement in Echo Park. Hun voornaamste bezigheid is muziek maken en marihuana roken, en avond aan avond is het duo in The Troubadour te vinden om sterren als David Crosby en Gram Parsons te aanschouwen. Ze besluiten dan een zang-duo op te richten, een soort moderne Everly Brothers: John David Souther en Glenn Frey noemen zich Longbranch Pennywhistle. Van ademloze aanschouwers in The Troubadour transformeren Souther en Frey tot voorprogramma van bands als Poco en The Flying Burrito Brothers. Ze trekken dan de aandacht van labelbaas Jimmy Bowen, die op zijn label Amos de Texaan Kenny Rogers onder contract heeft en ook de Texaanse band Shiloh – met in de gelederen ene Don Henley. Bowen sluit een contract met Longbranch Pennywhistle en regelt een studio en een begeleidingsband voor het duo. In de TTG Studios nemen Souther en Frey live hun zelfgecomponeerde liedjes, daarbij ondersteund door de crème de la crème van de L.A.-muzikanten: Larry Knechtel (piano), Joe Osborn (bas), Buddy Emmons (pedal steel), James Burton (gitaar), Ry Cooder (gitaar,slide) en ‘Louisiana Man’ Doug kershaw (gitaar). De laatste is onmiskenbaar aanwezig op het countrysoulliedje ‘Jubilee Anne’, dat het gelijknamige album opent met: One, two, rippetah… De tien liedjes op Longbranch Pennywhistle zijn gelijkelijk verdeeld over de beide songschrijvers Frey en Souther. ‘Run Boy Run’, ‘Bring Back Funky Women’ – beide met fuzz-gitaar van Cooder – en ‘Never Have Enough’ vormen de rocksongs van de lp, terwijl Southers ‘Kite Woman’ en ‘Star Spangled Bus’ typische Westcoast countryrocksongs zijn. De afwisseling wordt gecompleteerd door de van gave harmoniezang voorziene ballad ‘Mister, Mister’, het klassiek klinkende ‘Kite Woman’ en de schitterende uitvoering van de James Taylor-compositie ‘Don’t Talk Now’. Longbranch Pennywhistle is bij verschijning in 1969 een van de eerste platen in het later gepopulariseerde mellow countryrock-genre, een eer die Glenn Frey en J.D. Souther zonder meer toekomt. Zelf gaf het duo er al halverwege 1970 de brui aan, al bleven ze vrienden voor het leven. Daarmee is de geschiedenis van Frey en ook Souther natuurlijk niet geheel geschreven; die neemt namelijk een revolutionaire wending als Glenn Frey ene Don Henley ontmoet.

Jubilee Anne / Run Boy Run / Rebecca / Lucky Love / Kite Woman / Bring Back Funky Women / Star-Spangled Bus / Mister, Mister / Don’t Talk Now / Never Have Enough


zaterdag 26 oktober 2013

James Griffin | Breakin’ Up Is Easy

James Griffin is al een ervaren muzikant en songschrijver als hij in 1968 met David Gates Bread opricht – al in 1963 brengt hij zijn eerste album uit. Met de Westcoast-softrock van Bread worden enorme successen behaald, maar hoewel Griffin een geprofileerd componist is, zijn het de Gates-songs die de hits opleveren. En dat wringt bij Jimmy Griffin – en dus breekt hij in 1972, na de release van de fenomenale single 'Guitar Man' opgelucht uit het keurslijf van Bread. Zijn tweede solo-album uit 1974 heet dan ook niet voor niets Breakin' Up Is Easy. Met medewerking van Bread-leden Larry Knechtel en Mike Botts en LA-musici als Lee Sklar, Russ Kunkel en Steely Dan-gitarist Jeff 'Skunk' Baxter maakt Griffin een veelzijdig album dat van alles bevat: Westcoast-harmonieën, folky dwarsfluiten, klassiek klinkende strijkers en CCR-achtige soulvolle rock. Het dramatische, orkestrale titelnummer 'Breakin' Up Is Easy' is niettemin het hoogtepunt van een overigens gevarieerd mainstream-album. Een groot succes is het niet, evenmin als Jimmy Griffins solo-carrière. Een samenwerking met Billy Swan en Randy Meisner als Black Tie in de jaren tachtig en een Bread-reünie in de jaren negentig zijn beide weinig succesvol. Op 11 januari 2005 bezwijkt James Griffin aan de gevolgen van kanker. Hij is dan 61 jaar.

Breakin' Up Is Easy / Someday / Love You Till The Cows Come Home / She Knows / Father And Son / You'll Get Along / Lifeline / Goin' Back To Boston / Only Now / Love To Light The Way


zondag 20 oktober 2013

Plain Jane | Plain Jane

De enige plaat van Plain Jane is een sfeervolle mengeling van San Francisco-hippierock en Los Angeles-countryrock. Een typische Westcoast-plaat dit zelfgetitelde Plain Jane; een plaat die het nodige gemeen heeft met het werk van Jefferson Airplane, Buffalo Springfield en Crosby, Stills & Nash. Niettemin komt het kwartet oorspronkelijk uit Albequerque, New Mexico, maar de trek naar Californië is onweerstaanbaar. Plain Jane wordt dan ook in Los Angeles opgenomen en wordt in 1969 uitgebracht, zonder enig spoor van succes. Toch bevat Plain Jane veelal dromerige laidback-liedjes met hemelse harmoniezang, lekkere countrylicks en soms psychedelische gitaren en een zoemende Hammond. Relaxed, mellow en beslist prachtig zijn dan ook liedjes als 'Who's Driving This Train?', 'You Can't Make It Alone' en 'Not The Same'. Plain Jane is een charmante obscuriteit.

Who's Driving This Train? / 'You Can't Make It Alone / That's How Much / Short Fairy Tale / Not The Same / Num-Bird / What Can You Do? / Fire Hydrant / Silence / Mrs. Que