Posts tonen met het label countrysoul. Alle posts tonen
Posts tonen met het label countrysoul. Alle posts tonen

maandag 5 augustus 2013

J.J. Cale | Naturally




Hij is de man die niemand kent, ziet eruit als een klusjesman en zingt zo over zijn beroep: I'm makin' rock and roll records / And sell 'em for a dime (op 'Rock And Roll Records' van Okie). Hij beschouwt zingen en songschrijven, in tegenstelling tot gitaarspelen, louter als werk. Gitaarspelen, en dan vooral strak in de maat, leert John Weldon Cale begin jaren zestig in de danstenten van Tulsa, Oklahama. Als Johnny Cale and the Valentines trekt hij in een wijde cirkel rond Tulsa van dancehall naar club, totdat collega Leon Russell hem vraagt zich bij hem in Los Angeles te voegen; daar valt namelijk geld te verdienen.
Bij de tweede poging lukt het Cale in LA voet aan de grond aan de grond te krijgen. Johnny Cale wordt engineer in Russells studio en mag elke zondagavond als J.J. Cale – er is al een John Cale – optreden in de roemruchte Whisky A Go-Go. Na de vreemde instrumentale coversplaat A Trip Down The Sunset Strip onder de nog vreemdere naam The Leathercoated Minds, brengt J.J. Cale een aantal singles uit die alle mislukken. Een van de singles heeft als b-kant 'After Midnight'. Cale is in 1970 volkomen platzak weer teruggekeerd naar Tulsa en hoort dan op de autoradio Eric Claptons versie van 'After Midnight.' Het levert Claptons eerste wereldhit op – en J.J. Cale een klein fortuin. Onmiddellijk wordt Cale in Nashville, Tennessee uitgenodigd om met de uitgelezen muzikanten van Barefoot Jerry een album op te nemen. Maar Cale, Mr. Laid-back, doet het kalm aan, neemt er ruim een jaar de tijd voor om twaalf liedjes vast te leggen.
Naturally komt begin '72 uit op Leon Russells label Shelter en klokt slechts een krappe 33 minuten, binnen welke tijd dan twaalf bedrieglijk eenvoudige liedjes voorbijkomen. Alleen de schitterend traag sjokkende afsluiter 'Crying Eyes' komt de drie minuten te boven. Telkenmale perst J.J. Cale in zo'n twee minuten onberispelijke liedjes die voorzien zijn van een broeierige groove, onderkoeld maar superieur gitaarspel en bijna gemompelde vocalen. 'Call Me The Breeze', 'Don't Go To Strangers', 'Crazy Mama' en 'After Midnight' zijn wat dat betreft treffende voorbeelden van Cale's bescheiden vakmanschap. Nog trager, relaxter en slomer zijn de slow blues 'Call The Doctor' en de onberispelijke ballad 'Magnolia'; toonbeelden van meesterlijk minimalisme. Naturally is zo'n album dat perfect is in zijn compactheid; zuiver van sfeer en een vruchtbare bron voor vele artiesten: de liedjes van Naturally zijn gecoverd door onder meer Lynyrd Skynyrd, Poco en The Band. En voor J.J. Cale zelf geldt dat hij aanbeden wordt door Eric Clapton en bovendien beschouwd mag worden als de geestelijk vader van Mark Knopfler.
En hoe is het hem sindsdien vergaan? Een carrière streefde hij niet na, hij woonde in motorhomes en caravans en lijkt het meest op de man die bij de buren het gras maait. De albums die hij produceerde, bescheiden in aantal, klinken allemaal ongeveer hetzelfde als Naturally; J.J. Cale kan niet anders.

Call Me The Breeze / Call The Doctor / Don't Go To Strangers / Woman I Love / Magnolia / Clyde / Crazy Mama / Nowhere To Run / After Midnight / River Runs Deep / Bringing It Back / Crying Eyes

J.J. Cale overleed op 26 juli 2013 in een ziekenhuis in Californië aan hartaanval.

zondag 6 januari 2013

Jim Ford | Harlan County


Het is een curieuze combinatie, een roodharige, pijprokende architect uit New Orleans en driekwart van de indianenband Redbone die tezamen in Los Angeles een countrysoulalbum opnemen. Curieus misschien, maar wel gebeurd: Harlan County is dat album en Jim Ford is de maker ervan. In 1966 is Jim Ford, zat van studie en verantwoordelijkheid, op weg van New Orleans naar San Francisco. Tijdens een tussenstop in Los Angeles komt Ford in contact met de broers Pat en Lolly Vegas, erkende LA-sessiemuzikanten. Zij brengen Ford in contact met een muziekproducer, waardoor hij in LA voet aan de grond krijgt, een aantal singles mag uitbrengen en songs aan anderen levert – die in tegenstelling tot zijn eigen singles bescheiden hits opleveren. In 1969 krijgt Jim Ford de gelegenheid om in eigen productie een album op te nemen met Redbone-mannen Pat en Lolly Vegas en Tony Bellamy, een gospelkoortje, een gebutste blazerssectie en suikerzoete strijkers. Het resulteert in krap een half uur rammelende countrysoul en zwierige, fondanten ballads: Harlan County.
De titelsong wordt als single uitgebracht, maar is tegenwoordig een obscure klassieker. Hoewel weinig van Ford bekend is, passeert in deze meesterlijke rhythm & bluesstomper zijn jeugd de revue: In the black hills of Kentucky I was raised / In a shack on big Bold Mountain / Born into poverty, bathed in misery. Bitterzoete en van weemoed druipende songs – gebed in Gene Page’s weelderige arrangementen – als ‘Love On My Brain’, Alex Harveys ‘To Make My Life Beautiful’ en Suzanne Jordans ‘Changin’ Colors’ wisselen Ford en de Redbone-boys af met funky en opwindende songs. Zo is de Willy Dixon-klassieker ‘Spoonful’ voorzien van de elastieken gitaar van Lolly Vegas, en rammelen zowel ‘Working My Way To LA’ als het fabelachtige ‘I’m Gonna Make Her Love Me’ van puur plezier en genot. Harlan Country is een klassieke countrysoulplaat – vergelijkbaar met het werk van Dan Penn en Joe South – en zowel een mix van covers en Ford-songs als van droevige ballads en zweterige countrysoul. Maar Harlan County maakt van Jim Ford geen bekende popmuzikant, net zo min als de beoogde opvolger die in 1971 in Londen wordt opgenomen met pubrockers Brinsley Schwarz. Hoewel Brinsley Schwarz-zanger Nick Lowe voor altijd Jim Ford-fan is – hij covert Fords ’36 Inches High’ op zijn debuut Jesus Of Cool – mislukken de opnamen volledig en raken de tapes ook nog eens zoek. Van Jim Ford wordt sindsdien weinig tot niets vernomen, totdat het reissuelabel Bear Family in 2007 The Sounds Of Our Time uitbrengt, een verzameling Ford-songs waaronder diens debuutalbum. Het is een moedige poging de geweldige countrysoul van Jim Ford een tweede leven te bezorgen. Voor Jim Ford zelf komt het te laat: kort na de release, op 18 november 2007, wordt hij dood aangetroffen in zijn camper.

Harlan County / I’m Gonna Make Her Love Me / Changin’ Colors / Dr. Handy’s Dandy Candy / Love On My Brain / Long Road Ahead / Under Construction / Working My Way To LA / Spoonful / To Make My Life Beautiful

zaterdag 5 januari 2013

Jason Isbell and The 400 Unit | Here We Rest


Op grond van het materiaal op Here We Rest ben ik de mening toegedaan dat Jason Isbell beter en beter wordt. Isbells debuut in 2007 stelde mij behoorlijk teleur, al revancheerde hij zich daarna met het sterke groepsalbum Jason Isbell and The 400 Unit. Op Here We Rest zet Isbell de opgaande lijn door, want soulvol, warmbloedig en grofkorrelig tegelijk. Als veelbelovende gitarist en songschrijver werd Isbell – tevens toentertijd het liefje van Shonna Tucker – Drive-By Truckers binnengehaald. Hoewel een zinvolle toevoeging, drie albums later stond hij weer buiten. Inmiddels is Isbell beter gaan zingen en heeft hij zijn stiel gevonden in soulvolle countryrock, of rockende countrysoul. Afkomstig uit Greenhill, Alabama moet Jason Isbell welhaast de straling van het nabije Muscle Shoals gevoeld hebben, want Here We Rest is vooral volbloed countrysoul. Tussen zwabberend en walsend, tussen gevoelig melancholiek en potent countryrockend, daar ergens bevindt zich Here We Rest. Begeleid door Hammond, pedal steel en diens eigen elektrische gitaar, en geëquipeerd met voortreffelijke liedjes als 'Alabama Pines', 'Go It Alone', 'We've Met' en 'Save It For Sunday' promoveert Jason Isbell wat mij betreft naar de hoogste divisie.

Alabama Pines / Go It Alone / We've Met / Codeine / Stopping By / Daisy Mae / The Balllad Of Nobeard / Never Could Believe / Heart On A String / Tour Of Duty

dinsdag 11 december 2012

Dan Penn | Nobody’s Fool


Wallace Daniel Pennington is de personificatie van de countrysoul. In het begin van de jaren zestig staat Penn aan de wieg van de muziekstijl die evolueert uit soul, blues, country en rhythm & blues. Al in 1960 heeft de 17-jarige Penn als songschrijver – en Conway Twitty als uitvoerende – zijn eerste countryhit. Penn wordt sessiemuzikant en vindt in Spooner Oldham een gelijkgestemde ziel. Het duo schrijft bovendien hits voor Percy Sledge, Aretha Franklin en James Carr. Gevestigd in Memphis en werkend voor studiobaas Chips Moman schrijven Penn en Oldham Southern Soul-klassiekers als ‘Do Right Woman – Do Right man’ en ‘The Dark End Of The Street’, beide hits voor James Carr. In 1967 heeft Dan Penn als producer een nummer-1-hit met The Box Tops en ‘The Letter’. De blanke soul van The Box Tops levert Penn talloze hits op – die zowel geschreven, geproduceerd en ingespeeld zijn door de tandem Penn/Oldham. In de jaren zeventig pas, besluit Dan Penn een solo-album op te nemen. Penn zet een zeer uitgebreide band in, met uiteraard Spooner Oldham, maar ook de jongens van Cargoe – de eerste band op het Ardent-label. De volop aanwezige blazers en strijkers worden gearrangeerd door maestro Bergen White. Penn neemt op Nobody’s Fool – dat in 1973 verschijnt – een aantal bekende nummers op waaronder ‘Raining In Memphis’ en ‘If Love Was Money’, met de fraaie oneliner If love was money, I could afford you honey. Het titelnummer bevat alle ingrediënten van een klassiek countrysoulnummer: een countrygitaar, subtiele blazers en de machtige bariton van Penn. John Fogerty’s ‘Lodi’ is in Penns versie weergaloos en soulvol, en nestelt zich genoeglijk tussen Penns eigen materiaal. Opvallend zijn de protestsongs tegen de oorlog in Vietnam. Is ‘Prayer For Peace’ nog een opwindende countryslijper – waarin Penn in gesprek gaat met de Heer over de revolutie –, het psychedelische en door Penn van praatzang voorziene ‘Skin’ detoneert tussen de harmonieuze en warmbloedige countrysoul. Het laatste kan niet verhinderen dan Nobody’s Fool als klassieker in het countrysoul-genre beschouwd moet worden – en een collector’s item bovendien. En hoewel de omvang van zijn solowerk bescheiden van aard is – in 1993 verschijnt Do Right Man – Dan Penn is een hele grote in de wereld van de popmuziek.

Nobody’s Fool / Raining In Memphis / Tearjoint / Time / Lodi / Ain’t No Love / I Hate You / Prayer For Peace / If Love Was Money / Skin

dinsdag 25 september 2012

Joe South | Introspect


Joe South was in zijn tijd een alleskunner. Op 12-jarige leeftijd had hij al een wekelijks radioprogramma bij een lokaal muziekstation. Hij speelde als sessiegitarist mee op platen van Aretha Franklin, Fats Domino en Simon & Garfunkel en was bovendien te horen op Dylans Blonde On Blonde. Hij produceerde en arrangeerde hits voor The Tams en schreef ook nog eens de wereldhit ‘Down In The Boondocks’ voor Billy Joe Royal, en dat alles voor hij zelf debuteerde in 1968.
Geboren in 1940 in Atlanta, Georgia, was Joe South al op jonge leeftijd verslingerd aan muziek. Hij was discjockey bij WGST, en zong en speelde countryliedjes en soms zelfs een eigen compositie. South trad daarbij op in de honky tonks in en om Atlanta en na zijn middelbare schooltijd ruilde hij in 1962 Atlanta in voor Nashville. Nadat de British Invasion in 1964 op gang kwam en South deze invloed samenvoegde met zijn voorliefde voor soul en countrypop, keerde hij terug naar Atlanta – Nashville had hem, in tegenstelling tot vele anderen, weinig goeds gedaan. South had echter wel in Nashville het kunstje leren beheersen: in Atlanta richtte hij zijn eigen productiemaatschappij op en stelde zichzelf ter beschikking als songschrijver, gitarist, arrangeur en producer. In al deze hoedanigheden was Joe South dan ook verantwoordelijk voor Billy Joe Royals wereldhits, ‘Down In The Boondocks’ en ‘Hush’. Hij reisde heen en weer tussen de Muscle Shoals-studio’s en Nashville en werd een veel gevraagd arrangeur en sessiegitarist. Hij ontwikkelde een karakteristieke gitaarsound die leunde op het dan hippe sitargeluid in combinatie met een Zuidelijk soulgevoel.
Als gevolg van de sessies met Bob Dylan voor Blonde On Blonde en de opkomst van de flower-power wordt South zich bewust van het belang van zelfexpressie en – minstens zo belangrijk – ontdekt hij marihuana en acid. De drive om radiohits te schrijven verdwijnt dientengevolge naar de achtergrond en nieuwe ambities dringen zich op. Via een bevriende lokale platenbons weet Joe South een solo-deal af te sluiten met het machtige Capitol Records. Zelfverzekerd en vol elan vat South het ambitieuze plan op een plaat te schrijven en op te nemen die de vergelijking aankan met instituten als Pet Sounds en Sgt. Pepper. Natuurlijk gaat dit South niet lukken, maar hij krijgt van Capitol steun en een ruim budget om een poging te wagen. In de studio van Postice Record Productions in Atlanta neemt South elf nummers op met zijn begeleidingsband The Believers, bestaande uit broer Tommy South (drums), zus Barbara South (toetsen) en vriend John Mulkey (bas). Naast deze band wordt een strijkkwartet ingezet, waarvoor South uiteraard de arrangementen schrijft.
Introspect – de kijk naar binnen – verschijnt in 1968 en is nauwelijks vergelijkbaar met enig ander werk. De verzameling popsongs, want catchy popsongs blijven het, hebben een traditionele Zuidelijke inslag, maar zijn tegelijk experimenteel van aard. Het experiment zit hem in de sound, die nog het best te omschrijven is als countrysoul, en die een kaleidoscoop is van stijlen als rock-‘n-roll, gospel, rhythm & blues en uiteraard country en soul. Het is een dan unieke en progressieve mix, maar is bovendien stevig geworteld in de tradities van het Zuiden. Niet alleen de vermenging van diverse stijlen – en Souths arrangeertechnieken – zijn bijzonder; ook zijn psychedelische gitaarsound, met gebruikmaking van tapevertraging, is uniek en uit duizenden te herkennen. Het beste voorbeeld hiervan is ‘Games People Play’, een klassiek popnummer met een evenzeer klassiek intro. ‘Games People Play’ is bovendien een soort van protest tegen leugenachtig gedrag: Games people play / Every night and every day now / Never meaning what they say. Het introspectieve van de plaattitel komt terug in ‘Mirror Of Your Mind’ waarin South met een diepe en donkere stem – als een ware singer-songwriter – croont: Who’s that fool looking back at you in the mirror of your mind. South keert zich in zichzelf en reflecteert zijn amoureuze leven in juweeltjes van beeldspraak als we are birds of a feather en I never promised you a rose garden. De invloeden van het Diepe Zuiden komen terug in het bijbelse ‘Gabriel’, dat uitgesmeerd over ruim zeven minuten een meesterlijke afsluiter is van Introspect.
In eerste instantie weet Introspect nauwelijks aandacht te trekken, maar als een jaar later ‘Games People Play’ als single wordt uitgebracht, rijst Souths ster tot ongekende hoogten: ‘Games People Play’ wordt in 1969 zeer terecht uitgeroepen tot Song of the Year. De daaropvolgende jaren werkt South in de studio aan een oeuvre van vier lp’s en dompelt zich onder in drugs. Uiteenlopende artiesten als The Osmonds, Elvis Presley en Deep Purple scoren in de begin jaren zeventig grote hits met nummers van South, met als grootste de miljoenenhit van Lynn Anderson, ‘Rose Garden’. Joe Souths drugsgebruik weerhoudt hem echter van een definitieve doorbraak en in 1971 stort hij volledig in. Hij verdwijnt naar de jungle van Hawaii en zal in 1975 terugkeren naar de Atlanta om zijn laatste plaat op te nemen, Midnight Rainbows. En dan, dan verdwijnt Joe South voorgoed van het podium.
Op 5 september 2012 overlijdt hij, 72 jaar oud.

All My Hard Times / Rose Garden / Mirror Of Your Mind / Redneck / Don’t Throw Your Love To The Wind / The Greatest Love / Games People Play / These Are Not My People / Don’t Be Ashamed / Birds Of A Feather / Gabriel

maandag 2 juli 2012

Hans Chew | Tennessee & Other Stories




Eerlijk gezegd roept zijn naam bij mij het beeld op van een schlagerzanger uit het Zwarte Woud, maar de heerlijke werkelijkheid is dat Hans Chew een fantastisch zingende pianist is uit Brooklyn, New York. Het lijkt erop dat hij met een paar goeie vrienden naar de Catskills is afgereisd om in Woodstock de tijden van Music From Big Pink te doen herleven. Dit geweldige Tennessee & Other Stories klinkt namelijk als een totaal vergeten countryrock-klassieker uit de vroege jaren zeventig. Chew heeft bovendien het lumineuze idee gehad om de hele zwik op dik vinyl te laten persen, en zie hier: een retro-klassiek meesterwerkje. Hans Chew speelt bijna alles zelf: drums, gitaar, orgel en fenomenaal barrelhouse-piano, af en toe komt er hulp van elektrische gitaar, pedal steel, banjo of saxofoon. Samen reizen ze van Woodstock door naar de rhythm & blues en countrysoul van het Diepe Zuiden, denk Delaney & Bonnie. Rammelend en losjes gespeeld, songs als Old Monteagle & Muscadine (Tennessee Part One), I Would There Was A Train (Tennessee Part Three) en Queen Of The Damned Blues zijn kleine wondertjes van spelplezier en muzikaliteit. Onheilspellend kan het ook, getuige de duistere broei van Magnet Moon en de tergend dreigende cover van Tim Rose's Long Time Man. Met de ouderwetse klaphoes op schoot en de dansende naald in het zicht is het een verdomd genoegen te luisteren naar dit Tennessee & Other Stories, een toekomstige countryrock-klassieker, wat ik je brom. De langspeler is geperst in een gelimiteerde oplage van 500 en ook als download verkrijgbaar.


Old Monteagle & Muscadine (Tennessee Part One) / Carry Me, Bury Me (Tennessee Part Two) / I Would There Was A Train (Tennessee Part Three) / New Cypress Grove Boogie / Long Time Man / Forever Again / Queen Of The Damned Blues / Magnet Moon / Words & Music / Only Son

donderdag 31 mei 2012

Cat Power | The Greatest




Een moeilijk mens, die Charlyn Marie Marshall. Highschool-dropout, opgegroeid in Atlanta, Georgia op een explosieve cocktail van punkrock, alcohol en depressiviteit. Jarenlang veelbelovend, maar angstig en met een getormenteerde, Nico-achtige uitstraling – koel maar psychotisch. Op 23-jarige leeftijd debuteert Marshall in 1995 onder de schuilnaam – een daadwerkelijke verstop-poging – Cat Power. Na zes platen en talloze pijnlijke incidenten op het podium, gooit zij, naarstig op zoek naar een spoor van zelfvertrouwen, het roer om. Instrumenteel in deze ommekeer is de keuze die Cat Power maakt voor de begeleidingsband voor haar nieuwe album: The Memphis Rhythm Band, soulveteranen uit de sixties. Met deze Al Green-begeleiders, de broers Mabon 'Teenie' en Leroy 'Flick' Hodges, en andere oudgedienden op orgel, pedal steel en saxofoon gaat Marshall in 2005 de befaamde Ardent-studio's in en neemt daar het ronduit uitmuntende The Greatest op. The Greatest, uitgebracht begin 2006, is een warm bad van openhartige, zij het cryptische liedjes in een setting van zuidelijke countrysoul. Cat Power wisselt broeierige, swampy rocksongs als 'Could We',' Willie' en 'Love & Communication' af met traag voortkruipende treurzangen als 'Lived In Bars', 'The Moon' en 'Where Is My Love', dat een opvallende overeenkomst vertoont met Alex Chiltons 'Holocaust' – ook opgenomen in Ardent. Chan Marshall is geheel opgebloeid in de weldadige warmte van de Memphis-countrysoul; The Greatest is inderdaad die grootse plaat die zij altijd al in zich had – voor Marshall zelf voelt het aan als een debuut. The Greatest wordt groots ontvangen, maar dan aan de vooravond van een tournee stort Chan Marshall – na jaren van martelende depressiviteit en alcoholisme – compleet in. Gelukkig brengt een rehabilitatieprogramma en psychiatrische behandeling haar weer op het goede spoor. Cat Power is opeens een gewild handelsmerk: actrice in een film van Wong Kar Wei; een videoclip geregisseerd door Harmony Korine; en model voor Chanel. Opeens is de herboren Chan Marshall een media-personality en een koele schoonheid bovendien. Bovenal is zij een fenomenale indie-singer-songwriter en maker van The Greatest, een onderkoeld meesterwerkje.
The Greatest / Living Proof / Lived In Bars / Could We / Empty Shell / Willie / Where Is My Love /The Moon / Islands / After It All / Hate / Love & Communication