Posts tonen met het label countryrock. Alle posts tonen
Posts tonen met het label countryrock. Alle posts tonen

maandag 15 oktober 2018

Israel Nash | Lifted

De neo-hippie en singer-songwriter uit de Ozark Mountains is voorgoed neergestreken in Dripping Springs, Texas. Israel Nash bouwde op zijn ranch een eigen studio, Plum Creek Sound. Met Lifted, zijn vijfde album, speelt Nash dus een thuiswedstrijd, wat hem kennelijk stimuleerde om flink uit te pakken met strijkers, blazers, gospelzang en een heuse spectoriaanse sound. Nash verlaat daarmee een beetje het Neil Young and Crazy Horse-geluid van de magnifieke albums Rain Plains (2013) en Silver Season (2015). De sound is nu atmosferischer, etherischer, zeker door de toevoeging van field recordings - in regentanks opgenomen instrumenten en kikker- en krekelgeluiden. Qua productie en sound is Lifted dan ook Israel Nash’ meest ambitieuze plaat tot zover. Daarbij heeft Nash ook zijn best gedaan goed in het gehoor liggende liedjes te componeren. En daar is hij met even meeslepende als weemoedige songs als ‘Rolling On’, ‘Looking Glass’, ‘Sweet Springs’, ‘Spirit Falls’, ‘The Widow’ en ‘Golden Fleeces’ uitstekend in geslaagd. Lifted is met zijn sterke songs en aanstekelijke melodieën, getoonzet in een majestueus klankbeeld voor Israel Nash een volgende stap in de richting van ja, wereldwijde erkenning.

‘Rolling On’ | ‘Looking Glass’ | ‘Lucky Ones’ | ‘Sweet Springs’ | ‘Spirit Falls’ | ‘Northwest Stars (Out of Tacoma)’ | ‘Hillsides’ | ‘The Widow’ | ‘Strong Was the Night’ | ‘Golden Fleeces’ 

zaterdag 17 juni 2017

The Beau Brummels | The Beau Brummels

Bij het verschijnen van The Beau Brummels wordt geschreven dat het een van de allerbeste reünie-albums is. Tamelijk vanuit het niets brengt Warner Bros. in april 1975 namelijk het zesde album uit van The Beau Brummels – in de originele bezetting. Na de laatste, erg fraaie plaat in 1968, Bradley's Barn, lossen de Westcoast-Beatlesklonen na drie jaar nationwide hits op het niets. Zanger Sal Valentino richt het uitzinnige hippiecollectief Stoneground op, gitarist en componist Ron Elliott maakt de soloplaat The Candlestick Maker en duikt op in countryrockband Pan, maar vanaf 1974 zijn ze weer samen op het oude nest met bassist Declan Mulligan en drummer John Petersen. De verrassende opener van The Beau Brummels, 'You Tell Me Why', is een herbewerking van de hit uit 1965, waarna zich een panorama ontrolt van twinkelende akoestische gitaren, superieure zang en parelende countrypopsongs als de geweldige folkrocker 'Wolf', gevoelige ballads als 'Tennessee Walker' en 'Goldrush', en de kristalheldere countryrockers 'Singing Cowboy' en 'Down To The Bottom', de laatste een staaltje sublieme melancholica, vervolmaakt door een gitaarsolo van Ronnie Montrose. Al met al is The Beau Brummels een bijzonder verfrissend en organisch album dat niettemin het onderspit delft ten opzichte van de midden jaren zeventig rock-extravaganza. En opnieuw vallen The Beau Brummels in splinters uiteen.

You Tell Me Why / First In Line / Wolf / Down To The Bottom / Tennessee Walker / Singing Cowboy / Goldrush / The Lonely Side / Gate Of Hearts / Today By Day

woensdag 10 september 2014

Shiloh | Shiloh

The Battle of Shiloh was een van de bloedigste veldslagen uit de Amerikaanse Burgeroorlog. Op 6 en 7 april van 1862 bevochten 110.000 Amerikaanse soldaten elkaar aan de oevers van de Tennessee, ter hoogte van een houten kerkje; de Shiloh Church. Shiloh is ook de naam van een countryrockband uit het noordoosten van Texas. In 1970 haalt Kenny Rogers de Texanen naar Los Angeles, waar ze met Rogers als producer hun enige lp opnemen. Het zelfgetitelde album is een fascinerende plaat waarop het vijftal countryrock, swampblues en rootsrock combineert tot een broeierige en samenhangend geheel. Shiloh wisselt de zompige rock van 'Simple Little Down Home Rock & Roll Love Song For Rosie' en 'Swamp River Country' af met de puurst denkbare countryrock van 'Same Old Story' en 'I'm Gone'. In beide gevallen excelleert Al Perkins op slidegitaar, respectievelijk pedal steel. Het hoogtepunt van dit enige album van Shiloh is de hartverscheurend fraaie afsluiter 'God Is Where You Find Him'. Maar het is tegen dovemansoren gezegd; eenmaal in L.A. Is de band met daarin gitarist Perkins, toetsenist Jim Ed Norman en de neven Mike en Richard Bowden geen lang leven beschoren. De drummer, zanger en songschrijver vertrekt naar de band van Linda Ronstadt, ontmoet daar de helft van het countryrockduo Longbranch Pennywhistle en richt met hem samen een band op: The Eagles.

Simple Little Down Home Rock & Roll Love Song For Rosie / I'm Gone / Left My Gal In The Mountains / It's About Time / Swamp River Country / Railroad Song / Same Old Story / Du Raison / Down On The Farm / God Is Where You Find Him


dinsdag 19 augustus 2014

Formerly Fat Harry | Formerly Fat Harry


Een onmiskenbaar hippie-collectief; vele bezettingswisselingen en naamswijzigingen leiden in 1969 tot Fat Harry. Fat Harry zijn Westcoast-hippies die in Londen gestrand zijn; althans Bruce Barthol, bassist van Country Joe and The Fish, heeft wat oude vrienden uit San Francisco opgetrommeld en naar Engeland gehaald. De Amerikanen hebben invloeden van The Band en Little Feat meegenomen naar Londen en in 1970 noopt een zoveelste wisseling in de bezetting tot een nieuwe naam: Formerly Fat Harry. En Formerly Fat Harry speelt sfeervolle countryrock – en sluit daarbij feilloos aan bij Brinsley Schwarz en Eggs Over Easy (ook al Amerikaanse expats in Londen). Formerly Fat Harry komt via het management van Pink Floyd onder contract bij het progressieve Harvest-label en brengt in 1971 het titelloze debuutalbum op de Britse markt, waarvoor overigens geen enkele belangstelling is. Jammer, want Formerly Fat Harry is welbeschouwd een schitterend album dat is samengesteld uit wonderschone countryrock-liedjes. Piano, orgel, een incidentele sax, vloeiende gitaarsolo's en ronduit prachtige zang stuwen liedjes als 'My Friend Was A Pusher', 'About My life', 'I Saw The Ringing Of The Bell', 'Tell Me All About It' naar eenzame hoogten. In 1971 afgeschreven als saai en onbetekenend gaat Formerly Fat Harry's album – en de band zelf ook – groots ten onder. Achteraf weten wij beter: een sfeervol, warmbloedig en voortreffelijk klassiek countryrock-album.

Passing The River / My Friend Was A Pusher / About My Life / Please Go Away / I Saw The Ringing Of The Bell / Tell Me All About It / Captain Heart / Goodbye For Good

zondag 4 mei 2014

Country Funk | Country Funk

Aanvankelijk kan Country Funk zijn draai niet vinden; de bandleden reizen heen en weer tussen de thuisbasis van de Amerikaanse Oostkust en het beloofde land van de Westkust. Ook is de bezetting weinig stabiel, al zijn de vaste waarden het componistenduo Harold Paris (zang, piano, gitaar) en Adam Taylor (zang, leadgitaar), en dekt de naam maar een deel van de lading, want onvervalste countryrock. Dat blijkt wel uit het enige album dat Country Funk – aangevuld met bas, drums en pedal steel – eind 1969 opneemt in Hollywood, Californië. Het zelfgetitelde Country Funk is een over de hele linie uitstekend album dat landelijke countryrock mengt met Westcoast-harmonieën. Superieur zijn de meerstemmige zang en de vloeiende gitaarsolo's van waarachtig sterke songs als 'Apart Of Me', 'Really My Friend' en 'Want'. Country Funks album lijkt daardoor de missing link tussen Buffalo Springfield en The Eagles. Dat mag zo zijn, succes brengt het de band niet. Het blijft bij dat ene, bijzonder fraaie album.

Apart Of Me / Phoebe (Mourning Pink) / Really My Friend / Not This Time / For Me / Poor Boy / A Way To Settle Down / When I'm Without You / Comin' In / If I Find A Way (Song Of Love) / Another Miss / Want

maandag 17 maart 2014

Maxfield Parrish | It's A Cinch To Give Legs To Old Hard-boiled Eggs

Als jonge broekies krijgen ze in 1963 gitaar- en banjoles van Jerry Garcia; vijf jaar later richten David Biasotti en Randy Groenke in Los Angeles, Californië met Perrin Muir en David McClellan Maxfield Parrish op. De band wordt ontdekt door Chris Darrow van de psychedelische folkband Kaleidoscope, die hun debuutalbum produceert en muzikanten meebrengt als David Lindley, Bernie Leadon, John Ware en John London – de laatste drie uit Linda Ronstadts begeleidingsband. Het enige album van Maxfield Parrish, It's A Cinch To Give Legs To Old Hard-boiled Eggs, bevat gruizig klinkende, psychedelische countryrock met een folky inslag. Opgenomen in 1969 etaleert Maxfield Parrish in acht songs – afsluiter 'The Widow (Lennie Porrue)' een murder song uitgesmeerd over ruim acht minuten – zijn opmerkelijk western-gothic-sound. Maar op onverklaarbare wijze verschijnt It's A Cinch To Give Legs To Old Hard-boiled Eggs pas in 1972 en dan ook nog op een minuscuul label. Dan is de countryrock inmiddels in volle vlucht en kijkt niemand meer om naar Maxfield Parrish.

The Lighthouse Is Falling / It's Alright (I Love Her) / Ellie McCall / Cruel Deception / Bottle Of Reds Blues / Julie Columbus / Cross Over The World / The Widow (Lennie Porrue)

woensdag 5 maart 2014

Wildweeds | Wildweeds

22 jaar is Al Anderson zanger/gitarist in NRBQ, maar als hij eind 1971 tot die boogieband toetreedt heeft hij al een flink muzikaal verleden. De eerste opnamen van de 10-jarige Little Al dateren zelfs van 1957. Na een aantal schoolbands richt Anderson – dan al ‘Big Al’ – in 1966 in woonplaats Winsor, Connectitcut Wildweeds op. Wildweeds scoren lokale hits met hun populaire popsoul. In 1969 keert Anderson terug naar zijn oude liefde: country. Na een flinke bezettingswijzing nemen Wildweeds hun debuutalbum op in New York met behulp van gelouterde Nashville-muzikanten als Charlie McCoy en Weldon Myrick. Het resultaat is een uitstekend in het gehoor liggende mengeling van elektrische folk en laidback countryrock. Anderson is de schrijver van fraaie liedjes als ‘Baby Please Don’t Leave Me Today’, ‘Mare, Take Me Home’ en het prachtig droeve ‘An Overnight Guest’, die alle genoeglijk tegen de mellow Westcoast-countryrock aanschurken. Wildweeds, het enige album, is echter helaas nogal ondergesneeuwd door Andersons focus op NRBQ en diens imposante verdere muzikale carrière.

Baby Please Don’t Leave Me Today / Can’t Sit And Watch Little Susie Laugh / John King’s Fair / Belle / An Overnight Guest / Nobody’s Here To Help Me Cry / And When She Smiles / Paint And Powder Ladies No 2 / Fantasy Child / My Baby left Me / Don’t Ask Me How Or Why / Mare, Take Me Home 

zondag 24 november 2013

Mason Proffit | Wanted

In 1969 maakt Sounds Unlimited de overstap van garagerock naar countryrock. Ook de naam wordt veranderd: Mason Proffit is de nieuwe naam van de band uit Chicago, Illinois die geleid wordt door de broertjes Talbot. Ze zijn relatieve voorlopers in de nieuwe muziekscene waarin folk, country en twang samengaan met geestverruimende middelen. Het debuutalbum Wanted, gekarakteriseerd door de fluwelen samenzang van de Talbots, kent zowel geëngageerde teksten als outlaw-thematiek. De hippiecowboys mengen honkytonkpiano, banjo en snerpende pedal steel met jengelende gitaren, psychedelische effecten en ook strijkers zoals in ‘Till The Sun’s Gone’. In combinatie met de Westcoast-harmoniezang levert dit uit een onverwachte hoek – Chicago – een boeiende kosmische countryrockplaat op, die met gave songs als ‘Voice Of Change’, ‘Sweet Lady Love’, It’s All Right’ en het zoet-psychedelische ‘You Finally Found Your Love’ talloze hoogtepunten kent. Vijf albums laten de countryrockers op het niet-ontvankelijke publiek los, tot in 1973 het doek voor Mason Proffit valt.

Voice Of Change / A Rectangle Picture / You Finally Found Your Love / Sweet Lady Love / Stewball / Two Hangmen / Buffalo / Walk On Down The Road / It’s All Right / Till The Sun’s Gone / Johnny’s Tune



donderdag 31 oktober 2013

Longbranch Pennywhistle | Longbranch Pennywhistle

The Troubadour, aan Santa Monica Boulevard in West Hollywood, is aan het eind van de jaren zestig dé ontmoetingsplaats voor singer-songwriters, folkrockers en countryliefhebbers. Zowel arrivés, would be-artiesten als nieuwkomers frequenteren de club, maar ook platenbazen op zoek naar talent. Twee van die nieuwkomers zijn een singer-songwriter uit Amarillo, Texas en een zanger-gitarist uit Detroit, Michigan, die elkaar begin ’69 in Los Angeles ontmoeten omdat de vriendin van de ene de zus is van de echtgenote van de ander. Ze sluiten direct vriendschap en betrekken met z’n tweeën een appartement in Echo Park. Hun voornaamste bezigheid is muziek maken en marihuana roken, en avond aan avond is het duo in The Troubadour te vinden om sterren als David Crosby en Gram Parsons te aanschouwen. Ze besluiten dan een zang-duo op te richten, een soort moderne Everly Brothers: John David Souther en Glenn Frey noemen zich Longbranch Pennywhistle. Van ademloze aanschouwers in The Troubadour transformeren Souther en Frey tot voorprogramma van bands als Poco en The Flying Burrito Brothers. Ze trekken dan de aandacht van labelbaas Jimmy Bowen, die op zijn label Amos de Texaan Kenny Rogers onder contract heeft en ook de Texaanse band Shiloh – met in de gelederen ene Don Henley. Bowen sluit een contract met Longbranch Pennywhistle en regelt een studio en een begeleidingsband voor het duo. In de TTG Studios nemen Souther en Frey live hun zelfgecomponeerde liedjes, daarbij ondersteund door de crème de la crème van de L.A.-muzikanten: Larry Knechtel (piano), Joe Osborn (bas), Buddy Emmons (pedal steel), James Burton (gitaar), Ry Cooder (gitaar,slide) en ‘Louisiana Man’ Doug kershaw (gitaar). De laatste is onmiskenbaar aanwezig op het countrysoulliedje ‘Jubilee Anne’, dat het gelijknamige album opent met: One, two, rippetah… De tien liedjes op Longbranch Pennywhistle zijn gelijkelijk verdeeld over de beide songschrijvers Frey en Souther. ‘Run Boy Run’, ‘Bring Back Funky Women’ – beide met fuzz-gitaar van Cooder – en ‘Never Have Enough’ vormen de rocksongs van de lp, terwijl Southers ‘Kite Woman’ en ‘Star Spangled Bus’ typische Westcoast countryrocksongs zijn. De afwisseling wordt gecompleteerd door de van gave harmoniezang voorziene ballad ‘Mister, Mister’, het klassiek klinkende ‘Kite Woman’ en de schitterende uitvoering van de James Taylor-compositie ‘Don’t Talk Now’. Longbranch Pennywhistle is bij verschijning in 1969 een van de eerste platen in het later gepopulariseerde mellow countryrock-genre, een eer die Glenn Frey en J.D. Souther zonder meer toekomt. Zelf gaf het duo er al halverwege 1970 de brui aan, al bleven ze vrienden voor het leven. Daarmee is de geschiedenis van Frey en ook Souther natuurlijk niet geheel geschreven; die neemt namelijk een revolutionaire wending als Glenn Frey ene Don Henley ontmoet.

Jubilee Anne / Run Boy Run / Rebecca / Lucky Love / Kite Woman / Bring Back Funky Women / Star-Spangled Bus / Mister, Mister / Don’t Talk Now / Never Have Enough


zondag 20 oktober 2013

Plain Jane | Plain Jane

De enige plaat van Plain Jane is een sfeervolle mengeling van San Francisco-hippierock en Los Angeles-countryrock. Een typische Westcoast-plaat dit zelfgetitelde Plain Jane; een plaat die het nodige gemeen heeft met het werk van Jefferson Airplane, Buffalo Springfield en Crosby, Stills & Nash. Niettemin komt het kwartet oorspronkelijk uit Albequerque, New Mexico, maar de trek naar Californië is onweerstaanbaar. Plain Jane wordt dan ook in Los Angeles opgenomen en wordt in 1969 uitgebracht, zonder enig spoor van succes. Toch bevat Plain Jane veelal dromerige laidback-liedjes met hemelse harmoniezang, lekkere countrylicks en soms psychedelische gitaren en een zoemende Hammond. Relaxed, mellow en beslist prachtig zijn dan ook liedjes als 'Who's Driving This Train?', 'You Can't Make It Alone' en 'Not The Same'. Plain Jane is een charmante obscuriteit.

Who's Driving This Train? / 'You Can't Make It Alone / That's How Much / Short Fairy Tale / Not The Same / Num-Bird / What Can You Do? / Fire Hydrant / Silence / Mrs. Que





donderdag 26 september 2013

Louie And The Lovers | Rise

Vier Chicano's uit de Salinas Valley, een dagreis bezuiden San Francisco, beleven in 1970 hun droom als zij voor Epic en met Doug Sahm als producer een langspeler mogen opnemen. Louis Ortega (zang, gitaar), Frank Parades (gitaar), Steve Vargas (bas) en Albert Parra (drums): geen van vieren heeft nog de 20-jarige leeftijd bereikt. Aanvankelijk heten ze Country Fresh, maar Doug Sahm hernoemt ze Louie And The Lovers, bezorgt de teenagers een platencontract en neemt ze mee naar San Francisco, de studio in. In minder dan een etmaal staat Rise op de band. Elf songs in een ruwe, rammelende roots-stijl, die het midden houdt tussen de harmonieën van Moby Grape, de swampsound van Creedence Clearwater Revival en Sahms eigen Sir Douglas Quintet. Zo is 'I Know You Know' een regelrechte texmex-kraker, maar sterker zijn de pure psychedelische Westcoast-songs als het dromerige 'Driver Go Slow', 'I Don't Want To Be Seen With You', de Kaleidoscope-cover 'If The Night' en 'Sitting' By The River' met zijn acid-gitaar. Rise is een sterke plaat met uitzonderlijke kenmerken – de Chicano-afkomst draagt hieraan bij – maar delft in 1970 het onderspit tegen het overweldigende succes van de gekende Westcoast-acts. Louie And The Lovers produceren nog wel een tweede album, maar dat blijft op de plank liggen. Bandleider Louis Ortega vindt later onderdak bij Doug Sahms Texas Tornadoes.

Rise / I've Always Got You On Mind / Sittin' By The River / Driver Go Slow / I Know You Know / Royal Oakie / I Don't Want To Be Seen With You / I Just Met You / Rock Me baby / If The Night / It's The Morning


zaterdag 10 augustus 2013

Thomas Jefferson Kaye | First Grade

My name is Thomas Jefferson Kaye, I was born in North Dakota / I went to New York one day, where I learned myself to get loaded. Zo introduceert Thomas Jefferson Kaye zichzelf In het openingsnummer van First Grade en gaat dan verder met: And we learn to fly in Northern California. Pas in Californië begint Tommy Kaye in 1972 aan een solocarrière, terwijl hij dan al jarenlang een drukbezet producer en tekstschrijver is. Als producer was Thomas Jefferson Kaye namelijk betrokken bij beroemde singles als ‘Denise’ van Randy and the Rainbows en ’96 Tears’ van Question Mark & the Mysterians, bij albums van Judy Garland, Captain Beefheart, Loudon Wainwright III, Link Wray, Dr. John en waar hijzelf het meest trots op is: Gene Clarke’s No Other. In totaal produceerde Kaye zo’n honderd albums en vijhonderd singles. Maar Thomas Jefferson Kaye maakte zelf ook drie lp’s. In 1972 verhuist hij in navolging van zijn vriend Gary Katz van New York naar Los Angeles. Katz, producer van Steely Dan, brengt Kaye onder bij ABC/Dunhill en produceert Kaye’s zelfgetitelde debuutalbum. Dat debuut is gevuld met louter eigen composities van Tommy Kaye, maar dat is anders op de opvolger First Grade. 
Wederom in een productie van Gary Katz neemt Kaye in de Village Recorders-studio in Los Angeles ook nummers op van degenen die hij geproduceerd heeft, zoals Link Wrays ‘Shine The Light’, Loudon Wainwrights ‘Say That You Love’ en Dr. Johns ‘Sho-Bout’. Maar Katz en Kaye nodigen ook befaamde muzikanten uit. Zo is als achtergrondzangeres Dusty Springfield te horen, terwijl andere achtergrondvocalen verzorgd worden door de Poco-tandem Ritchie Furay en Timothy Schmitt. Kaye’s vaste studioband bestaat uit Michael Omartian (toetsen), Dean Parks (gitaar), Joe Osborne (bas) en Jim Gordon (drums), met daarbij gastrollen voor de gitaristen Rick Derringer en Jeff ‘Skunk’ Baxter, Steely Danners Donald Fagen en Walter Becker. Van de laatste twee neemt Kaye ‘Jones’ en ‘American Lovers’, de laatste een weergaloos Westcoast countryrocknummer in de sfeer van Stephen Stills’ Manassas. Prachtig zijn ook de Kaye-composities ‘All Cried Out’, met Baxters pedal steel, en ‘Easy Kind Of Feeling’, mede vanwege de prachtige meerstemmige zang van de Poco’s. Samen met ‘American Lovers’ zijn het songs en uitvoeringen die absoluut kunnen wedijveren met de Westcoast-rock van Crosby, Stills, Nash & Young en The Eagles. De afsluiter is een opwindende uitvoering van Three Dog’s Night miljoenenhit ‘One Man Band’, een compositie van Kaye zelf. First Grade is een bij vlagen schitterende album, maar op de dag dat de lp verschijnt wordt de directeur ontslagen die Kaye getekend heeft, waardoor First Grade op geen enkele promotie kan rekenen. Het lukt Thomas Jefferson Kaye de uitvoerend artiest dan niet meer de obscuriteit te ontstijgen. Slechts één lp verschijnt er nog, maar weinigen hebben hiervoor belangstelling. Veel bekendheid is dan ook niet gegeven aan de dood van Thomas Jefferson Kaye, in 1993 overleden aan de gevolgen van suikerziekte. Het prachtige First Grade houdt niettemin de herinnering aan Thomas Jefferson Kaye levend.

Northern California / Easy Kind Of Feeling / Sho-Bout / Say That You Love Me / American Lovers / Jones / Shine The Light / All Cried Out / L.A. / One Man Band

woensdag 17 juli 2013

American Flyer | American Flyer

Als muzikanten die hun sporen reeds verdiend hebben gaan samenwerken of een band oprichten, heet dat een supergroep. American Flyer is zo’n supergroep, althans werd tot supergroep gebombardeerd. Op basis van de credentials van vorige bands – Velvet Underground, Blood, Sweat & Tears, Pure Prairie League, Linda Ronstadt – is dat wellicht zo, maar de American Flyer-leden hebben niet echt een grote reputatie. Ze zijn bovendien bij elkaar gebracht door de gewiekste managers Dennis Katz en Bob Renge en kennen elkaar in het geheel niet als de band start; American Flyer – vernoemd naar treinlocomotief – is een geconstrueerd muzikaal project. Zang, gitaar en toetsen worden verdeeld onder de vier American Flyer-leden: Doug Yule, Steve Katz, Craig Fuller en Eric Kaz. Dennis Katz is de manager van Lou Reed en brengt Doug Yule – dan in Lou Reeds begeleidingsband – in contact met zijn broer Steve Katz. De laatste kent Eric Kaz nog van hun gezamelijke tijd bij Blood, Sweat & Tears, terwijl nieuwbakken American Flyer-manager Bob Renge, producer van Pure Prairie League, zanger Craig Fuller aantrekt. Bovendien wordt niemand minder dan George Martin bereid gevonden als producer te fungeren. American Flyer gaat – met toevoeging van bassist en drummer – opnemen in Los Angeles, maar George Martin is ontevreden over elke studio die het gezelschap bezoekt: Indigo Ranch, Sounds Lab, Cherokee Sound en Sound Factory. Naast het viertal en de ritmesectie doen vele sessiemuzikanten de diverse studio’s aan, zoals gitarist Larry Carlton, fiddler Byron Berline, bassist Leland Sklar en Rusty Young, pedal steel-speler bij Poco. En niet onbelangrijk in de American Flyer-sound zijn de orkestrale arrangementen van producer Martin. 
In het najaar van 1976 verschijnt American Flyer, begeleid door een uitgebreide reclamecampagne. Duidelijk is dat American Flyer beschikt over een sophisticated countryrock-geluid, typerend voor de Westcoast-rock van de midden jaren zeventig. Liedjes als ‘The Woman In Your Heart’, ‘Love Has No Pride’, ‘Drive Away’ en het broeierige ‘Lady Blue Eyes’ ontstijgen de middelmaat echter verre. De bandleden bezitten allen de gave om pakkende composities te schrijven; de zangharmonieën zijn hemels en steken Poco en The Eagles naar de kroon, en het spel van de studiomuzikanten is onberispelijk en clean. Maar ondanks de ondersteunende promotiecampagne wordt American Flyer geen groot succes, dit omdat Katz, Yule, Kaz en Fuller geen zin hebben om live-optredens te doen. Bovendien wonen Katz en Yule aan de Oostkust en Kaz en Fuller in Californië. En zo splijt de band die geen band was; de supergroep die geen supergroep was.

Light Of Your Love / Such A Beautiful Feeling / Back In ’57 / Lady Blue Eyes / Let Me Down Easy / M / The Woman In Your heart / Love Has No Pride / Queen Of All My Days / Drive Away / Call Me, Tell Me / End Of Love Song

maandag 17 juni 2013

Jericho | Jericho

Ze vernoemen zich weliswaar naar de Hebreeuwse stad Jericho, maar de vier komen toch echt uit Toronto, Canada. In 1970 komen de reeds ervaren musici bij elkaar – Fred Keeler (zang, gitaar), Denny Gerrard (bas), Gord Fleming (orgel, piano) en Frank De Felice (drums) – en worden al snel in de gelegenheid gesteld om met Todd Rudgren als producer een album op te nemen in de New Yorkse Bearsville Sound Studio. Toevallig is Rundgren op dat moment ook het derde Band-album Stage Fright aan het produceren, waardoor The Band een sterke invloed uitoefent op Jericho, het enige album van de Canadese band. Rundgren legt op het sterk rootsy album bovendien een aantal soulvolle gitaarlicks neer, maar het zwierige orgel – geleend van Garth Hudson – en de hamerende piano van Fleming voeren de boventoon in de swingende, groovende, stompende countrysongs. Geweldig is de countrysoul van 'Lonely As Me' en 'Make It Better', de bonkende rhythm & blues van 'S.S. # 4' en 'Can't Seem To Make It Happen', en de luie countryrock van 'The Road I Never Took'. Zoals gezegd komt het geluid van Jericho sterk overeen met de landelijke rootsrock van The Band, maar Jericho kan ook uitstekend uit de voeten met uptemporock, getuige het geweldige 'Cheater Man'. Als de release van Jericho in de zomer van 1971 echter geen noemenswaardig succes is, is het aanvankelijke enthousiasme van een aantal bandleden snel verdwenen; nog in 1971 wordt de handdoek in de ring geworpen.

True Fine Girl / The Road I Never Took / Lonely As Me / Cheater Man / Baby's Gone Again / Goin' To The Country / Fool Killer / Intro: My Blue Heaven / Backtrack / Make It Better / S.S. # 4 / Do You Want Me / Can't Seem To make It Happen

maandag 10 juni 2013

Country | Country

Tom Snow zat midden jaren zestig in een band met Gram Parsons. Vanaf halverwege de jaren zeventig schreef hij hitsongs voor onder meer Linda Ronstadt, Dolly Parton, Bonnie Raitt en Cher. Daartussenin had hij samen met Michael Fondiler een countryrockband. Aanvankelijk een folkduo – Fondiler & Snow – wordt het duo in 1970 een vijfkoppige band met de weinig fantasierijke, maar daarentegen wel overduidelijke naam: Country. Country is dan ook een typische exponent van de Westcoast countryrock zoals zich die ontwikkelt vanaf het begin van de zeventiger jaren: zonovergoten sfeer, perfecte harmoniezang, mooie liedjes. Dat geldt dan ook voor de gelijknamige debuutplaat, die in 1971 uitkomt op een sublabel van het grote Atlantic. De relaxte sfeer doet Country hangen tussen de softrock van Bread en de countryrock van Poco. Echt schitterende en tegelijk weemoedige liedjes als 'Beverly Glen', 'Love Quite Like Her Kind', 'Fine And Easy' en 'Killer', alle ook met vloeiend gitaarspel, vormen het hart van het fijne maar onopgemerkte Country. Band en album hadden beslist meer verdiend, maar al snel verbreekt het label het contract en is Country geschiedenis.

Beverly Glen / Love Quite Like Her Kind / Give My Best To Everyone / Traveling Salesman / Janie / Going Away / Fine And Easy / It's All The Same / Man From Alabama / Aragon Ballroom / Killer / Rock And Roll Heaven


dinsdag 28 mei 2013

Morning | Morning

Na het uiteenvallen van de band die Forever Changes heeft voortgebracht, formeert Arthur Lee in augustus 1968 een nieuwe Love. Jay Donnellan is de gitarist in deze Love-versie en is met zijn psychedelische spel zeer prominent aanwezig op Four Sail en Out There. Als Arthur Lee zijn bandleden opnieuw ontslaat trekt Jay Donnellan zich vanuit Los Angeles terug naar de heuvels van de San Fernado Valley, neemt de naam Jay Lewis aan en richt met twee vrienden The Morning And The Evening op. Het drietal – Lewis (gitaar, banjo), Jim Hobson (piano, orgel) en Barry Brown (gitaar, drums) – richt een provisorische studio in met de nogal pretentieuze naam The Recording Studio Inc. en houdt zich als een ware hippiefamilie de hele dag bezig met muziek maken. Vrienden komen erop af en omgekeerd evenredig met de verkorting van de bandnaam in het eenvoudige Morning, dijt de band uit tot een collectief van zes personen. Lewis, Hobson en Brown vormen echter de kern van Morning; zijn verantwoordelijk voor teksten, muziek en productie – en de prachtige harmonieuze samenzang. Hoewel het trio hun artistieke vrijheid wil behouden, tekenen ze toch bij grote platenmaatschappij Vault. 
Op de zelfgetitelde debuut-lp, die in Engeland op Liberty verschijnt, bestaat Morning naast het trio uit Terry Johnson (gitaar), Jim Kehn (zang, gitaar, drums) en Bruce Wallace (bas). Er is bovendien een gastrol voor pedal steelspeler Al Perkins. Dit collectief heeft met Morning een prachtige, zweverige countryrockplaat gemaakt. De band heeft alle typische Westcoast-sounds in zich verenigd: Byrdsy folkrock, Moby Grape-achtige psychedelica en Crosby, Stills & Nash-harmoniën. Zodoende koppelt het organische countryrock aan slaperige, meerstemmige folkrock. ‘Angelena’ is zo’n folky liedje, met prachtige zang en tinkelend pianospel, evenals ‘Easy Keeper’ en ‘As It Was’. ‘Roll ‘Em Down’ en ‘It’ll Take Time’ zijn klassieke countryrocksongs van het soort waar The Eagles later furore mee zullen maken, terwijl de pychedelische pop van ‘Early Morning’ en het barokke ‘And I’m Gone’ voor een nog rijker klankbeeld zorgen. Maar er is nog meer. De plaatkanten sluiten namelijk beide af met adembenemende miniatuurtjes. Kant 2 met het schitterende countryliedje ‘Dirty Roads’ en kant 1 met het hoogtepunt van dit album; de pure magie van bitterzoete samenzang en het welhaast vloeibare elektrische gitaarspel van Jay Lewis in ‘Sleepy Eyes’. Morning heeft echter geen enkel succes, net zo min als de fraaie opvolger Struck Like Silver (1972), met als gevolg dat Morning voor altijd tot de obscuriteit gedoemd lijkt te zijn.


Angelena / Early Morning / Tell Me A Story / Easy Keeper / Roll ‘Em Down / Sleepy Eyes / New Day / As It Was / Time / It’ll Take Time / And I’m Gone / Dirt Roads

zondag 17 maart 2013

Redwing | Redwing


Al in 1962 vormen de schoolvrienden Ron Floegel en Tom Phillips een bandje. Het duo uit Sacramento, Californië speelt vooral, zoals dat dan de trend is, traditionele covers in het folkidioom. Na ruim een jaar wordt het duo een kwartet door toevoeging van bassist Tim Schmitt en drummer George Hullin, waarmee tevens de rock-‘n-rollbeat in het groepsgeluid verankerd wordt. The Contenders bestaan een jaar, hernoemen zich The New Breed, tekenen bij Diplomacy en brengen in 1965 de debuutsingle ‘Green Eyed Woman’ uit. Door een faillissement van Diplomacy wordt het contract met de band buiten hun medeweten overgenomen door Mercury. Met tegenzin neemt The New Breed nog een aantal psychedelische popsingles uit, en wijzigt dan zijn naam in Never Mind. In 1968 ontfermt Terry Melcher – Byrds-producer en zoon van Doris Day – zich over het viertal, wijzigt hun naam in Glad en verknoeit vervolgens hun debuut-lp met overdadige strijkers en blazers. Voor Tim Schmitt is het dan genoeg; hij vertrekt in 1969 naar Poco. Gitarist Andrew Samuels vervangt hem en als Redwing gaat de band spelen in kleine clubs. 
In de herfst van 1970 wordt Redwing in de New Orleans House, een kleine club in Berkeley, ontdekt door muziekguru Ralph J. Gleason. Hij is laaiend enthousiast over de swingende rocksound, de tegen elkaar opboksende gitaren van Tom Phillips en Andrew Samuels, en de gave samenzang. Gleason zorgt voor een platencontract bij Fantasy – het label van Saul Zaentz –, die Redwing gelijk met Creedence-producer Russ Gary de splinternieuwe Fantasy-studio instuurt. Het resultaat, simpelweg Redwing getiteld, verschijnt in mei 1971 en is een heerlijk rockalbum. Redwing wordt gedomineerd door de stotende ritmegitaar van Ron Floegel, die de sound een stevige rockbeat geeft. De sterke opener ‘The Underground Railway’ zet wat dat betreft gelijk de toon, gevolgd door het al even swingende ‘Please Doctor Please’. Afgezien van de covers van Mickey Newbury en Jimmy Rogers zijn de bandcomposities doortrokken van een zekere rauwheid en bovendien sterk gevarieerd. Zo zijn ‘Sweetwalkin’ Lady’ en ‘Shorty Go Home’ te typeren als klassieke countryrock, met de kenmerkende zangharmonieën en de duellerende gitaren, en excelleert Redwing in de country-slowblues ‘I’m Countin’ On You (To Come Through)’. Het bitterzoete, prachtig countryeske ‘Dark Thursday’, met schitterende bluesy solo’s van Samuels, is de vervolmaking van een sterk debuutalbum. Redwing krijgt in Amerika onder aanvoering van Rolling Stone goede kritieken en kent ook in Nederland, mede door hun concerten, enig succes. De goede verhouding met Fantasy-baas Zaentz – een schril contrast met John Fogerty’s ervaringen – en een zekere mate van populariteit stellen de band in staat nóg drie albums te maken voor Fantasy, en ook nog een onder dezelfde naam: Redwing.

The Underground Railway / Please Doctor Please / Bonnie Bones / Dark Thursday / Sweetwalkin’ Lady / I’m Your Lover Man / Shorty Go Home / Hogtied / I’m Countin’ On You (To Come Through) / Oh Maggie (Don’t Lift The Weight) / (Tell Me Baby) Why You Been Gone So Long / California Blues

maandag 11 maart 2013

Alvin Lee & Mylon LeFevre | On The Road To Freedom


Hij staat een tijdlang te boek als de snelste gitarist ter wereld, een reputatie die hij verwerft op het Woodstock-festival. Alvin Lee, Ten Years After en 'I'm Going Home' zijn onverbrekelijk verbonden met het legendarische festival. Vanaf 1969 toeren Alvin Lee en zijn Ten Years After dan ook onafgebroken door de Verenigde Staten, wat de Britse gitarist grote successen brengt, een overvolle agenda en de uitputting nabij. Na talloze hit-albums vol dampende bluesrock vindt Lee het in 1972 welletjes – hij is op zoek naar iets anders. Dat vindt hij in Mylon LeFevre, een gospelzanger uit Gulfport, Mississippi, die in Amerika Ten Years Afters voorprogramma verzorgde. Het is de zuidelijke sfeer en de Amerikaanse plattelands-vibe die Alvin Lee in Lefevre aanspreekt. Vrijwel meteen besluiten ze samen bij Lee thuis een album op te nemen; een album overduidelijk geïnspireerd door The Band, Crosby, Stills & Nash, Delaney & Bonnie en natuurlijk Derek and the Dominos. Alvin Lee laat ook zijn vrienden naar zijn Britse landhuis overkomen, en dat zijn niet de minsten: Stevie Winwood, Jim Capaldi, Ron Wood, Mick Fleetwood en ook Hari Georgeson, die ook de schitterende song 'So Sad (No Love Of His Own)' levert en daarop zijn karakteristieke gitaarsound ten gehore brengt.
De teneur op Lee en LeFevre's On The Road To Freedom is die van een landelijk, rustiek countryrockalbum opgebouwd uit hartverwarmende harmonieën, meeslepende melodieën en voortreffelijk samenspel. Wat vooral aanspreekt op On The Road To Freedom is dat Alvin Lee zijn ego uitschakelt en opgaat in het grote geheel, waardoor deze fascinerende plaat een soort van hippie-achtig groepsalbum is. De liedjes rollen bijzonder aangenaam voort op de golven van meerstemmige zang, een zuigend orgel, warme akoestische gitaren en dienstbare elektrische. Uitzonderlijk fraai zijn dan ook 'We Will Shine', 'Carry My Load', 'Lay Me Back', 'I Can't Take It' en het titelnummer 'On The Road To Freedom'. Omdat Lee met de luide bluesrock van Ten Years After grote successen behaalde, is het bescheiden succes van On The Road To Freedom een behoorlijke stap terug. Het neemt niet weg dat Alvin Lee's zijstap naar het countryrock-genre niet alleen het einde van Ten Years After betekent, maar in de vorm van On The Road To Freedom ook een uitstekend en bijzonder boeiend album heeft opgeleverd.

On The Road To Freedom / The World Is Changing (I Got A Woman Back In Georgia) / So Sad (No Love Of His Own) / Fallen Angel / Funny / We Will Shine / Carry My Load / Lay Me Back / Let 'Em Say What They Will / I Can't Take It / Riffin / Rockin' Til The Sun Goed Down

Op woensdag 6 maart 2013 overleed Alvin Lee in een Spaans ziekenhuis. Hij werd 68 jaar


donderdag 14 februari 2013

Poco | Poco


De titel Poco doet vermoeden dat dit de eerste lp is van Poco. Niets is minder waar; Poco is de opvolger van de debuutplaat Pickin’ Up The Pieces en is beduidend complexer en minder monochroom. De archetypische countryrockband die Poco is – omarmd door de liefhebbers van het eerste uur, verfoeid door de meer progressieven – is in 1969 feitelijk de laatste incarnatie van Buffalo Springfield. Young en Stills zijn ieder huns weegs gegaan, waardoor Richie Furay versterking heeft gezocht in de persoon van studiotechnicus Jim Messina. Met incidentele hulp van pedal steel-speler Rusty Young voltooien ze Last Time Around, het laatste Buffalo Springfield-album. Versterkt door bassist Randy Meissner en drummer George Grantham transformeren Furay en Messina de geavanceerde folkrock van Buffalo Springfield naar de countryrock van Poco, of beter, Pogo, zoals de band aanvankelijk heet. Poco tekent een contract met Epic, maar Richie Furay blijkt nog het exclusieve eigendom te zijn van Buffalo Springfields label, Atlantic. Er vindt een ordinaire ruil plaats tussen Atlantic en Epic: Richie Furay tegen Graham Nash, waardoor de laatste een monsterverbond aan kan gaan met Stephen Stills en David Crosby. Poco loopt overigens gelijk al averij op als Randy Meisner tijdens de opnamen van Pickin’ Up The Pieces vertrekt. De debuutplaat wordt goed ontvangen maar gaat enigszins gebukt onder traditionalisme en een ouderwets country-idioom: “Too country for rock and too rock for country”, aldus Furay. Opvolger Poco, uitgebracht in augustus 1970 en met nieuwe bassist Timothy B. Schmit, is steviger, groovier en rijker aan details. De nieuwe Poco-sound is warm, robuust en wordt gedomineerd door Hammond, pedal steel en vanzelfsprekend de prachtige samenzang van Furay, Messina, Grantham, Young en Schmit. Opener ‘Hurry Up’ is een kippenvel veroorzakend countryrocknummer, dat bovendien voorzien is van een climax van jankende elektrische gitaren. Het wordt opgevolgd door de Amerikaanse hitsingle ‘You Better Think Twice’ en ‘Honky Tonk Downstairs’, verfrissende good-time countryrock van soort en kwaliteit waar The Eagles een hele carrière op zullen bouwen. Het rollende orgel en de jazzy gitaar maken van het uitgesponnen ‘Anyway Bye Bye’ een fascinerend nummer dat het countryrock-genre overstijgt. Dit geldt overigens in overtreffende trap voor het achttien minuten durende ‘Nobody’s Fool/El Tonto De Nadie, Regresa’, dat nagenoeg geheel kant 2 in beslag neemt. Het is een ware showcase voor de improvisaties van de vijf bandleden, waarmee ze willen laten zien dat ook Poco kan rocken. Het prachtige Poco is de aanzet tot een zeer succesvolle periode, waarin Jim Messina vervangen wordt door Paul Cotton en Poco talloze platen uitstort over het gewillige Amerikaanse publiek.

Hurry Up / You Better Think Twice / Honky Tonk Downstairs / Keep On Believin’ / Anyway Bye Bye / Don’t Let It Pass By / Nobody’s Fool/El Tonto De Nadie, Regresa

maandag 4 februari 2013

The Sir Douglas Quintet | Mendocino


Doug Sahm, geboren in San Antonio, Texas, is als jongetje van acht al een veelgevraagd pedal steelspeler; Little Doug treedt zelfs in 1952 op met Hank Williams. Onder invloed van de nabije Mexicaanse grens voelt Sahm zich aangetrokken tot de chicano-muziek, maar evenzogoed is hij thuis in rhythm & blues, country en western swing. In 1965, als hij met Augie Meyers (orgel), Frank Marin (saxofoon), John Perez (drums) en Jack Barber (bas) een band opricht, komt daar zelfs de invloed van de British Invasion bij. Na onophoudelijk zeuren van Sahm aan het adres van producer Huey P. Meaux – The Crazy Cajun – neemt deze met het kwintet een Brits getinte single op, ‘She’s About A Mover’ en doopt om een Engelse afkomst te suggereren de band The Sir Douglas Quintet. Het succes voert Sahm en de zijnen door zowel de VS als door Europa. In Texas botst de vrijzinnige, dope-rokende Sahm met de bekrompen rednecks en verbant zichzelf en zijn band, met nu Harvey Regan op bas, naar San Francisco, het centrum van de hippie-cultuur. In 1969 schrijft Doug Sahm in zijn dagboek: ”A big year for us. ‘Mendocino’ really took off in Europe, no. 1 in Germany, Switzerland, Holland.” De goedlachse, relaxte Sahm heeft het mis: ‘Mendocino’ heeft in het voorjaar van 1969 met de vijfde plaats zijn hoogste notering in de Nederlandse Top 40. ‘Mendocino’, loflied op een Californisch kustplaatsje, staat op de gelijknamige en derde lp van The Sir Douglas Quintet. Het zeurende Vox Jaguar-orgel van Meyers neemt een prominente plaats in in de sound van The Quintet, maar de Britse pop-invloeden en de Westcoast-psychedelica drukken evenzeer een stempel op het bandgeluid. ‘I Don’t Want’ is een zwierig psych-poplied met rollend orgel en reverb-gitaar; ‘At The Crossroads’ een schitterende ballad en een hoogtepunt op de plaat. Mendocino is verder een smetlkroes van soul, rhythm & blues, country en Tex-Mex, overdekt met een luchtig hippie-sausje. Met de tongue-in-cheek zingt Sahm over het vrije leven en de bijbehorende marihuana in het liberale San Francisco, maar toch klinkt de heimwee naar Texas door in de soulstomper ‘Lawd, I’m Just A Country Boy In This Great Big Freaky City’ en de countrysong ‘Texas Me’. Ook heeft het drie jaar oude ‘She’s About A Mover’ een plaats gekregen op Mendocino, waardoor het album moet worden gezien als de meest karakteristieke, zoniet de beste Sir Douglas Quintet-plaat. Twee jaar later al heft Doug Sahm The Sir Douglas Quintet op en keert de ex-banneling terug naar zijn zo geliefde Texas.

Mendocino / I Don’t Want / I Wanna Be Your Mama Again / At The Crossroads / If You Really Want Me To I’ll Go / And It Didn’t Even Bring Me Down / Lawd, I’m Just A Country Boy In This Great Big Freaky City / She’s About A Mover / Texas Me / Oh, Baby, It Just Don’t Matter