Posts tonen met het label 1973. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1973. Alle posts tonen

zaterdag 30 december 2017

Ten Years After | Recorded Live

‘Und Jetzt, in die Festhalle in Frankfurt: Ten Years After!’ Zo begint Recorded Live, de live-dubbelaar van Alvin Lee’s heavy bluesrockband. Ten Years After bereikte een ongekende populariteit na een zinderende uitvoering van ‘I’m Going Home’ op Woodstock.  Op dat succes bouwt de band voort met eindeloze tournee’s over de hele wereld. Na een aantal sterke lp’s is na Undead uit 1969 de tijd in 1973 opnieuw rijp voor een live-album, dat met de Rolling Stones’ mobiele opname-truck niet alleen is opgenomen in Frankfurt, maar ook in Amsterdam, Rotterdam en Parijs. Het resulteert in een rauwe, levendige en opwindende dubbelelpee, waarop de elektrische blues, uitbundige drumsolo’s en razendsnelle gitaarsolo’s volop gevierd worden. Dat levert in ‘One Of These Days’, ‘You Give Me Loving’ en in de covers ‘Help Me’ (Willie Dixon) en ‘I Can’t Keep From Cryin’ Sometimes’ (Al Kooper) in ieder geval superieur stomende bluesrocksongs op, om natuurlijk niet te spreken van de icoon die ‘I’m Going Home’ is. Machtige dubbelaar.

One Of These Days / You Give Me Loving / Good Morning Little School Girl / Hobbit / Help Me / Classical Thing / Scat Thing / I Can’t Keep From Cryin’ Sometimes / Silly Thing / Slow Blues in ‘C’  / I’m Going Home / Choo Choo Mama

woensdag 13 september 2017

Barnaby Bye | Room to Grow

New Yorker Emil Thielhelm is als oprichter van The Blues Magoos een van de grondleggers van de Eastcoast-psychedelica; in 1966 maken ze hun langspeeldebuut met Psychedelic Lollipop. Thielhelm - die inmiddels Peppy Castro heet - loodst de band met wisselend succes de jaren zeventig binnen, maar dan is de koek op. Castro verhuurt zich als muzikant aan de Hair-musical die op Broadway loopt. In die cast zitten ook de tweelingbroers Bobby en Billy Alessi, afkomstig van Long Island. Met zijn drieën starten ze in 1973 een band: Barnaby Bye. Een drummer wordt gevonden in Mike Ricciardella, die werkeloos is geworden in heavy rockband The Illusion. Grote kracht van de band is de vocale acrobatiek van de broertjes Alessi. Dat ziet ook Ahmet Ertegun, een van de grote bazen van Atlantic Records. Hij tekent Barnaby Bye subiet en produceert eigenhandig de debuut-lp Room to Grow
Verwacht geen heavy rock van Barnaby Bye, nee, de band moet het hebben van verfijnde en uitgekiend gearrangeerde pop die vooral drijft op samenzang in de hoge registers van de Alessi’s. Todd Rundgren is een referentie, of Gino Vanelli. Barnaby Bye’s muziek is - ondanks de clowneske hoesafbeelding - eigenlijk best sexy. De beste momenten van Room to Grow zijn keurige verdeeld tussen Castro en de Alessi-broers: Peppy Castro’s ‘The Day Came On’ en ‘Jessie Girl’ zijn van een gelijk niveau als Bobby Alessi’s ‘Laneya’ en Billy Alessi’s ‘Something Good About Nothing’. Opmerkelijk - en fraai - is de a capella-cover van The Beatles’ ‘She’s Leaving Home’. 
Barnaby Bye gooit er in 1974 nog een album, getiteld Touch tegenaan, maar de broodnodige hit ontbreekt. En dat breekt de band op. De Alessi-tweeling gaat vervolgens zelfstandig door en scoort dan in 1977 die wereldhit: ‘Oh Lori’. Maar er zit nog een staartje aan Barnaby Bye: in 2006 komen de oorspronkelijke bandleden weer bij elkaar, en dat leidt nota bene tot een wereldtoernee - en een derde album: Thrice upon A Time. Van Barnaby Bye zijn we nog zomaar niet af.

‘The Day Came On’ | ‘I Feel for You’ | ‘She Was Pleased’ | ‘I Think I’m Gonna Like It’ | ‘Boopa’ | ‘The Way’ | ‘Laneya’ | ‘Jessie Girl’ | ‘Marsha Mamaillia’ | ‘Dreamer’ | ‘Something Good About Nothing’ | ‘I Won’t Step on Your Shoes’ | ‘She’s Leaving Home’

woensdag 10 mei 2017

Ken Hensley | Proud Words On A Dusty Shelf

Ter illustratie dat Kenneth William David Hensley een druk, bezig en bazig mannetje is, het volgende: In 1965 formeert hij The Gods, die in 1968 en 1969 lp's uitbrengen. Het volgende Hensley-album is in 1970 Head Machine's Orgasm, waarna Hensley doorstoomt naar Toe Fat, wier twee platen geproduceerd worden door John Peel. Nog voor het tweede album is Ken Hensley alweer getransfereerd naar Spice, dat zich – het is dan nog steeds 1970 – Uriah Heep noemt. Met het geweldige Uriah Heep begint Ken Hensley aan een solide carrière, maar o, ongedurigheid, in 1971 – tussen de Heep-albums Salisbury en Look At Yourself – gaat Hensley naar Hamburg, West-Duitsland om daar met de Krautrockers van Virus onder de naam Weed een gelijknamig album uit te brengen. Weed is een soort van mystificatie, maar is wel Ken Hensley in zijn hardrockende Uriah Heep-hoedanigheid all over the place. 
Hoewel het erop lijkt dat de organist, gitarist en componist zijn ei voldoende kwijt kan in Uriah Heep, is Hensleys geldingsdrang allesoverheersend, want nu - in 1972 - moet er een solo-album komen om zijn behoeften optimaal te bevredigen - Uriah Heep is dan op zijn hoogtepunt met de albums Demons and Wizards en The Magician’s Birthday, culminerend in een kokend live-dubbelalbum. Toch moet de eigenwijze Hensley juist dan met een solo-album komen. Het lijkt een zelfmoordmissie, en dat is het ook, want wie kent nu Ken Hensley’s Proud Words On A Dusty Shelf? Niemand, maar deze niemanden doen zichzelf wel tekort. Hensley heeft, verspreid over een jaar, in de Londense Landsdowne Studios een serie songs opgenomen die weliswaar in het Uriah Heep-repertoire zouden passen, maar eigenlijk net even wat pastoraler en meer folky zijn. Ken Hensley gebruikt op zijn eigen album alleen de Heep-ritmesectie, bassist Gary Thain en drummer Lee Kerslake, en doet de rest verder zelf. Zoals lekker venijnig en scherp gitaarwerk in ‘When Evening Comes’, ‘Proud Words’ en ‘Cold Autumn Sunday’, maar verzorgt ook eigenhandig zangpartijen die melodieus, harmonieus en vooral warm zijn (‘From Time to Time’, ‘King Without A Throne’ en ‘Black Hearted Lady’). Gecombineerd, gitaar en zang, levert dat in ‘Fortune’ een werkelijk hoogtepunt op.
Proud Words On A Dusty Shelf is echt een mooi album dat pastorale, ingetogen rock vermengt met hardrock - zoals bijvoorbeeld Alvin Lee dat in hetzelfde jaar ook doet met On the Road to Freedom - maar niettemin valt Ken Hensleys soloplaat tussen wal en schip. Vooral omdat Uriah Heep datzelfde jaar met het ijzersterke Sweet Freedom voor de dag komt. Ken Hensley is - ook al omdat hij het creatieve genie achter Uriah Heep is - ongebroken, want blijkens de hoestekst van Proud Words On A Dusty Shelf gezegend met een gigantisch ego:

Having lived with Ken for 27 years and having worked with him most of that time I find I quite like him really.
- Ken Hensley, November 1972 

‘When Evening Comes’ | ‘From Time to Time’ | ‘King Without A Throne’ | ‘Rain’ | ‘Proud Words’ | ‘Fortune’ | ‘Black Hearted Lady’ | ‘Go Down’ | ‘Cold Autumn Sunday’ | ‘The Last

dinsdag 21 februari 2017

Don Agrati | Home Grown

Don Agrati is een Hollywood-product. Hij is op jonge leeftijd een muzikale kindacteur in The Mickey Mouse Club en speelt als teenager onder de naam Don Grady in populaire westernseries en comedy's. Met de opkomst van de hippiecultuur slaat Agrati/Grady zijn vleugels uit en raakt meer geïnteresseerd in een carrière in de popmuziek. Als 19-jarige tekent hij een contract als songschrijver en als artiest bij Capitol Records, is een korte spanne drummer en zanger in The Palace Guard, maar richt dan The Yellow Balloon op, die met hun barokke pop zelfs hits scoren. Om niet teveel de aandacht op zichzelf te richten treedt Grady met de band op in vermomming – met heuse opgeplakte snor – en gebruikt hij op het album The Yellow Balloon (1967) het pseudoniem Luke R. Yoo. Eind jaren zestig richt Don Agrati zich geheel op een muzikale carrière, hetgeen in 1973 leidt tot de Elektra-release van Home Grown Agrati speelt nagenoeg zelf alle instrumenten, behouden gitaar en banjo, en de blazers en strijkers. De nadruk ligt op melodieuze pop, met hier een daar een uitstapje naar rock. De piano- en strijkers ballads 'Love, Come Way' en 'I Was A Man', en de lekkere Beach Boys-popsong 'Sunny Day' vallen op in positieve zin, maar 'Hollywood Song' is Grady's finest moment. Tekstueel venijn en barrelhouse-piano definiëren deze subliem groovende song: Holy Hollywood, you ought to know / Everybody's honkin' tonkin'. Homegrown is geen succes, en dus stopt Don Grady met zijn actieve muziekcarrière.

Bloodstream / Love, Come My Way / Rocky Mountain Bear Hunt / Heather-Ann / Story / One Man Woman / Hollywood Song / Sunny Day / I Was A Man / Protoplasm Blues / Two-Bit Afternoon 


Elektra Records, 1973

woensdag 29 juni 2016

ZZ Top | Tres Hombres

Helemaal achteraan in de platenkast, daar vind je ZZ Top. Een trio baarden uit Texas: een gitarist en een bassist met flinke kinbegroeiing en een drummer zonder – maar die heet Frank Beard. Droge bluesrock van het beste soort, al liggen de roots van het trio in de Texaanse psychedelica. Zanger-gitarist Billy Gibbons zit in 1969 met zijn band Moving Sidewalks zonder ritmesectie, rekruteert van American Blues, eveneens uit Houston, bassist Dusty Hill en drummer Beard en hernoemt zijn band ZZ Top – de geboorte van hét archetypische powertrio. 
De eerste twee lp's, First Album (1971) en Rio Grande Mud (1972), neemt de band thuis in Texas op, maar het derde album wordt vastgelegd in de fameuze Ardent Studios in Memphis, Tennessee. Dit zorgt er mede voor dat de bluesrockers op Tres Hombres een gevarieerdere, ruimtelijkere sound adopteren waarin naast dirty powerriffs plaats is voor southern rock en zelfs countrysoul, zoals in het sfeervolle 'Hot, Blue And Righteous'. Tres Hombres trapt af met een van de live-favorieten: 'Waitin' For The Bus/Jesus Just Left Chicago', twee rockende tracks die door een fout in de eindmix voor eeuwig aan elkaar vastgeklonken zitten. 'Master Of Sparks', 'Precious And Grace' en 'Shiek' zijn prachtig universele heavy rocksongs met puntige en snijdende gitaarsolo's van Gibbons. Maar het is natuurlijk 'La Grange' dat Tres Hombres in 1973 zijn grote doorbraak bezorgt, een simpele John Lee Hooker-bluessong die een hoerenkeet tussen Houston en San Antonio tot onderwerp heeft en die kurkdroog, swingend en schitterend uitgevoerd wordt. Tres Hombres bereikt al snel de gouden status en stimuleert het trio tot eindeloos toeren. Met een podium in de vorm van Texas op sleeptouw en gehuld in heerlijk kitscherige Nudie-suits, is ZZ Top een band bestaande uit drie droog-humoristische topmuzikanten die voor top-entertainment zorgen. 
Al is Tres Hombres uit 1973 zonder meer ZZ Tops beste album, wereldwijd succes valt het trio ten deel in 1983 als de release van Eliminator samenvalt met de opkomst van MTV. 'Gimme All Your Lovin' is geweldig, maar haalt het niet bij 'La Grange'.

Waitin' For The Bus/Jesus Just Left Chicago / Beer Drinkers & Hell Raisers / Masters Of Sparks / Hot, Blue And Righteous / Move Me On Down The Line / Precious And Grace / La Grange / Shiek / Have You Heard?   

vrijdag 26 september 2014

Lucinda Williams | Where The Spirit Meets The Bone



 


Sinds 1998 – sinds Car Wheels On A Gravel Road – is Lucinda Williams de grande dame van de americana. Keer op keer bevestigde zij haar onbetwiste status met een adembenemende serie albums – van Essence (2001) tot Blessed (2011). Maar wie haar live aan het werk gezien heeft moet ook erkennen dat de jaren beginnen te tellen voor Lucinda (geboren 1953). Alleen al om die reden is het uiterst verheugend dat het dubbelalbum Where The Spirit Meets The Bone een gedreven en gepassioneerde Lucinda Williams laat horen, als was het 1998. Williams heeft inmiddels haar eigen platenlabel en is dus volledig in controle over haar eigen – schitterende – muziek. Voor Where The Spirit Meets The Bone beschikte Williams over een keur aan muzikanten, zoals Greg Leisz (pedal steel en productie), Bill Frisell (gitaar), Tony Joe White (gitaar), Ian McLagan (toetsen), Jakob Dylan (zang) en Elvis Costello's vaste ritmesectie. Het resulteert in een rauw en ongepolijst klankbeeld waarin Williams met haar schuurpapieren stem glorieert. Where The Spirit Meets The Bone bevat 20 nummers en bestrijkt het gehele terrein tussen countryrock en countrysoul; rauwe gitaarliedjes wisselen soulvolle ballads af. Ondertussen spat de urgentie van de groeven ( dan wel het bi-carbonaat van de cd) en geeft La Williams blijk van een huizenhoge ambitie en dito intensiteit. In die zin gelijkt Where The Spirit Meets The Bone nog het meest op Lucinda's fameuze live-dubbelaar Live @ The Fillmore (2005). Where The Spirit Meets The Bone is een ware tour de force – 20 gedreven songs met als slotstuk een cover van J.J. Cale's Magnolia – en een definitief bewijs van Lucinda Williams' importantie voor americana en alt.country.

Compassion / Protection / Burning Bridges / East Side Of Town / West Memphis / Cold Day In Hell / Foolishness / Wrong Number / Stand Right By Each Other / It's Gonna Rain / Something Wicked This Way Comes / Big Mess / When I Looked At The World / Walk On / Temporary Nature (Of Any Precious Thing) / Everything But The Truth / This Old Heartache / Stowaway In Your Heart / One More Day / Magnolia 

donderdag 27 maart 2014

Faces | Ooh La La

De Faces hebben een ongekende reputatie van losbollen, feestbeesten en zuipschuiten. Engelse lads die houden van voetbal, zuipen en vrouwen. De Faces zijn nog meer dan een fantastische rock-'n-rollband – gepokt en gemazeld door coast-to-coast stadionoptredens in Amerika – een club gezworen kameraden. In 1969 bij elkaar gekomen uit de resten van The Small Faces – Ronnie Lane (bas, zang), Ian McLagan (orgel, piano), Kenney Jones (drums) – en de zanger en de bassist/gitarist van de Jeff Beck Group – Rod Stewart en Ron Wood – zijn de Faces de ware working class-band, die live laagdrempelig maar zeer opwindend vertier biedt. Ze komen aangeschoten het podium op, met als blikvangers de hese scheur en de majorette-capriolen met de microfoonstandaard van Stewart, de rauwe, primitieve slidegitaar van de kettingrokende Wood en de soulvolle boogie van drums, bas, Hammond en bonkende piano, en gaan er dronken weer af. En ondertussen maken de Faces ook nog een aantal platen. Maar ook Rod Stewart maakt platen; houdt er een solocarrière op na bij een concurrerend label en ontwikkelt zich tot een superster als hij in oktober 1971 in Engeland en Amerika op nummer 1 staat met zowel een single ('Maggie May') als met een album (Every Picture Tells A Story). De sterrenstatus van Rod Stewart lijdt tot wrevel bij de andere bandleden – in het bijzonder bij Ronnie Lane, de belangrijkste songschrijver in de band nu Stewart ervan verdacht wordt zijn beste nummers voor zijn soloplaten te bewaren en elk moment de band te zullen verlaten. Maar dat doet hij niet en dus nemen de Faces tussen september '72 en april '73 met producer Glyn Johns in de Olympic Studios hun vierde album op: Ooh La La. Ooh La La bestaat uit een substantieel aantal Lane-composities, die vooral rootsy en ingehouden klinken: 'Flags And Banners', 'Just Another Honky' en het prachtig weemoedige 'Glad And Sorry' – ruim twintig jaar later prachtig gecovered door Golden Smog. Hier tegenover staan de losse, rammelende boogierocksongs als 'Borstal Boys', 'My Fault' en de spetterende single 'Cindy Incidentally', waarna het album wordt afgesloten door de prachtige Lane-compositie 'Ooh La La', die gezongen wordt door Ron Wood. Het sterke album – met een fraaie gimmickhoes met bewegende delen en een cancan-danseres – wordt gemengd ontvangen, waardoor Ronnie Lane de eerste is die teleurgesteld de Faces verlaat. Vervolgens wordt Ron Wood door Mick Jagger en Keith Richards losgeweekt van de band en dan verlaat Rod Stewart ook de Faces om het wereldsucces van 'Sailing' te beleven. Wat hebben de Faces in de zes jaar van hun bestaan en lol gehad en een keet geschopt – en opwindende rock-'n-roll gemaakt.

Silicone Grown / Cindy Incidentally / Flags And Banners / My Fault / Borstal Boys / Fly In The Ointment / If I'm On The late Side / Glad And Sorry / Just Another Honky / Ooh La La


donderdag 12 december 2013

Mike Oldfield | Tubular Bells

Jong en tamelijk onervaren is Mike Oldfield als hem op 20-jarige leeftijd het onvoorstelbare succes van Tubular Bells overkomt. In één klap miljonair en een toekomstige legende; Mike Oldfields Tubular Bells ontketent in 1973 een ware muzikale revolutie. De weg naar het succes was echter niet gemakkelijk. Al op zijn vijftiende is Mike Oldfield professioneel muzikant, maar door LSD opgewekte kwade geesten, heftige angstaanvallen en angst voor de bühne hinderen de ontwikkeling van Oldfields talent als gitarist. Begin 1970 komt Mike Oldfield in de band van Kevin Ayers terecht, als bassist, maar een jaar later heft Ayers zijn band alweer op. 
Op een door Ayers geschonken taperecorder begint Oldfield op zijn zolderkamer in Noord Londen als een soort van therapie zijn muzikale ideeën uit te werken. Oldfield is geïnspireerd door de avant-gardist Terry Riley en door Pink Floyds Atom Heart Mother; hij beziet muziek als een samenhangend geheel, laag voor laag opgebouwd. Met behulp van de taperecorder knutselt hij een demo in elkaar waarin hij aan eerder opgenomen toetsen- en baspartijen, mandoline, akoestische en elektrische gitaar toevoegt. Zo ontstaat een instrumentaal muziekstuk van 24 minuten, getiteld Opus One. Aan het eind van 1971 komt Oldfield in contact met Richard Branson, eigenaar van een keten van mailorder platenwinkels, die net een opnamestudio op het platteland heeft geopend. Oldfield wordt daar gevraagd voor sessiewerk, maar bevriend geraakt met stafproducer Tom Newman mag de introverte muzikant met toestemming van Branson zijn schetsmatige demo's uitwerken tot een volwaardig muziekstuk. Nagenoeg alle instrumenten zullen worden bespeeld door de begaafde Oldfield: van grand piano tot basgitaar, van orgel tot elektrische gitaren, van mandoline tot het oorverdovende gedreun van het buisvormige klokkenspel. Hulp krijgt Oldfield van een contrabassist, een dwarsfluitspeler en de welluidende stem van ceremoniemeester Vivian Stanshall, die alle instrumenten introduceert ('too slightly distorted guitars') en tijdens de magistraal opgebouwde climax van het meesterstuk in beschonken toestand uitroept: 'tubular bells!' Omdat iedereen diep onder de indruk is, krijgt Oldfield het groene licht om een tweede deel op te nemen in The Manor; een tweede deel dat gekenmerkt wordt door enerzijds schitterende mandoline- en akoestische gitaarpartijen die een serene, pastorale sfeer oproepen en het animale gegrom anderzijds. In het voorjaar van 1973 is de plaat gereed.
Branson gaat ermee de boer op, maar er is geen enkele belangstelling. En dus richt Branson, die al met het idee rondliep, Virgin Records op om Mike Oldfields Tubular Bells aan de man te brengen. Een geniale move, zo zal blijken, want Virgins eerste release, op 25 mei 1973, slaat in Engeland in als een bom. Datzelfde jaar nog kiest regisseur William Friendkin de onheilspellende eerste piano-akkoorden van Tubular Bells als muzikale thema voor zijn horrorfilm The Exorcist. Het gevolg is dat Mike Oldfields complexe, maar geniale opus ook in Amerika een megasucces wordt. Van 'Part One' wordt een single samengesteld die de albumverkoop over de hele wereld aanjaagt, maar die in Nederland niet verder dan de tipparade komt. Het album wordt niettemin ook in Nederland ontvangen als een revolutionair en magistraal meesterwerk. Maar niet alleen door de rockliefhebbers, ook door het grote publiek, want Tubular Bells zal meermalen gebruikt worden als soundtrack in de films van... Bassie & Adriaan.

Tubular Bells (Part One) / Tubular Bells (Part Two)



donderdag 21 november 2013

Snafu | Snafu

Een absurde naam en een uitblijvende doorbraak maken van Snafu een curiosum: onbekend, onbemind en niet veel meer dan in voetnoot in de Britse rockhistorie. Toch zijn er grote namen betrokken bij de totstandkoming van Snafu's debuutplaat. Zanger/drummer Bobby Harrison verdiende zijn sporen bij Procol Harum en Freedom; gitarist Mick Moody bij Tramline en Juicy Lucy. Eind '72 vormen zij tezamen Snafu, dat zijn naam ontleent aan Captain Beefheart en een afkorting is van situation normal, all fucked up. Met muzikanten uit de begeleidingsbands van Van Morrison en Ginger Baker is Snafu een super-geoliede rockband die zijn geluid baseert op de funky sound van Little Feat en de bluesrock van Free. Met de hulp van Richard Branson (van het latere Virgin) en gestoken in een hoes ontworpen door de fameuze Roger Dean, is Snafu's debuut in 1973 een potentiële seller. Temeer daar Snafu's sound zich beweegt tussen de witte funk van de Average White Band en de groovende hardrock van Deep Purple (Mark III) en Bad Company. Aldus bevindt Snafu zich ergens tussen Burn en Bad Company: soepele hardrock, gebaseerd op soul en blues. Met zeer aantrekkelijke rocksongs – aangejaagd door gitaar, orgel en elektrische piano – als 'Long Gone', 'Goodbye U.S.A.' en 'That's The Song' is Snafu's zelfgetitelde debuutplaat een sfeervol rockalbum dat een doorbraak had verdiend, maar het niet kreeg. Er volgen in 1974 en 1975 nog twee albums, maar Snafu wordt in de boeken van rockgeschiedenis geen naam van betekenis.

Long Gone / Said The Judge / Monday Morning / Drowning In The Sea Of Love / Country Nest / Funky Friend / Goodbye U.S.A. / That's The Song


maandag 4 november 2013

Quicksand | Home Is Where I Belong

In 1969 opgericht in Zuid Wales, is Quicksand weer zo’n typische Britse band die een aantal stijlen door elkaar mengt. Vanzelfsprekend zijn er de progrock-invloeden die de lange nummers op Home Is Where I Belong domineren, maar folk en Westcoast countryrock zijn van even groot belang op het enige album dat Quicksand uitbracht. Begonnen als coverband in het lokale circuit, werkt het kwartet zich langzaam omhoog door steeds meer eigen materiaal in de live-set te incorporeren. Het resulteert in het album Home Is Where I Belong dat in tien nummers het talent van Quicksand laat zien. Orgel en mellotron weerspiegelen het proggy karakter in dynamische songs zoals ‘Season’, terwijl countryrockgitaren en hemelse meerstemmige zang geweldige tracks als ‘Hideway My Song’, ‘Hiding It All’ naar een hoger plan tillen. Scherpe gitaarsolo’s en de twin-lead in het titelnummer maken van dit afwisselende album een zeer sterke plaat, die natuurlijk bij de release nagenoeg niets verkocht.

Hideway My Song / Sunlight Brings Shadows / Empty Street, Empty Heart / Overcome The Pattern / Flying / Time To Live / Home Is Where I Belong / Season / Alpha Omega / Hiding It All


dinsdag 10 september 2013

Painter | Painter

Uit de as van de psychedelische baroquepopband The 49th Parallel – Calgary's populairste band – rijst in 1970 Painter. Gitarist Danny Lowe verzamelt nieuwe muzikanten om zich heen en schakelt over op melodieuze pop vermengd met kristalheldere hardrock. Er is gelijk interesse; London Records laat de Canadezen hun eerste single opnemen in San Francisco. Pas na verhuizing naar Seattle, een contract bij het fameuze folk-label Elektra en de toevoeging van een extra gitarist komt de schwung er definitief in. Het door de jaren opgebouwde repertoire wordt eindelijk opgenomen en in september '73 verschijnt het fantasieloos – evenals de bandnaam – getitelde Painter op Elektra. Fantasieloos is de muziek zeker niet. De band koppelt op Painter meerstemmige zang en catchy refreinen aan een dubbele gitaar line-up. Painter begeeft zich daarmee in het territorium van The Guess Who, James Gang en The Doobie Brothers, maar lijkt ook een blauwdruk voor zowel de southern rock van The Outlaws als de AOR van Boston. Zeer memorabele rockliedjes als 'West Coast Woman', 'Song For Sunshine', 'Space Truck' en 'Kites And Gliders' maken van Painter een ijzersterke plaat, die de Canadezen afsluiten met het opwindende, uitgesponnen 'Going Down The Road'. Goeie liedjes, machtige zang en geweldig gitaarwerk; Painter is een mooie Canadese rockklassieker. De band zal daar allerminst van profiteren want Elektra laat Painter per direct vallen, maar verrijst dan wel weer opnieuw uit de as, nu als Hammersmith.

West Coast Woman / Tell Me Why / Song For Sunshine / Going Home To Rock n Roll / Space Truck / Kites And Gliders / Oh! You / Slave Driver / For You / Crazy Feeling / Going Down The Road

zondag 7 juli 2013

Fantasy | Paint A Picture

Eerst heet de band Chapel Farm, dan Firequeen en, in 1973, uiteindelijk Fantasy. Het vijftal uit Gravesend, Kent, in leeftijd variërend van 19 tot 23 jaar, komt dan onder contract bij Polydor. Het momentum is ideaal; progressive rock en avontuurlijke hardrock regeren in het Engeland van 1973 de albumlijsten; Tolkien-achtige sferen, lyrische gitaarsolo's en sfeervolle mellotron-partijen maken terecht de dienst uit. Het debuutalbum van Fantasy past perfect in dit plaatje en ook Polydor promoot Paint A Picture stevig. 
Het mag echter niet baten: niemand koopt het album. En dat is ronduit onvoorstelbaar want Paint A Picture is een van de beste lp’s in het genre van pastorale symfonische rock. Paint A Picture zit boordevol prachtige, uitgesponnen songs waarin mellotron, hammond en elektrische gitaren hoofdrollen vervullen. Het titel- en openingsnummer, 'Circus', 'Icy River' en 'The Gnome Song' kennen bovendien naast de voortreffelijke muzikale invulling prachtige melodieuze zang. Alle tien tracks van Paint A Picture zijn overigens uitzonderlijk sterk; majesteitelijk zweven de songs de hemel tegemoet, gedragen door ijle en sferische toetsen – en schitterende gitaarsolo’s. Een sprookjesachtig album, maar niet in de ogen van het platenkopende publiek. Als het vijftal in de studio zit voor de opvolger zet Polydor Fantasy rücksichtslos op straat. Vanzelfsprekend is Paint A Picture dus dat zeer bijzondere collector’s item.

Paint A Picture / Circus / The Award / Politely Insane / Widow / Icy River / Thank Christ / Young Man’s Fortune /Gnome Song / Silent Mine 

zondag 19 mei 2013

Blue Ash | No More, No Less


De release van Blue Ash’ debuutalbum is in 1973 geen commercieel succes. De critici daarentegen zijn enthousiast en omdat No More, No Less meer dan eens opduikt tussen de ultieme favorieten van, vooral, Amerikaanse rockcritici mag de plaat als een cultalbum worden beschouwd. Blue Ash bestaat uit vier schoolvrienden uit Youngstown, Ohio die sinds 1969 de bars van het midwesten onveilig maken met hun aanstekelijke set van covers van The Who, The Beatles, The Kinks en The Byrds. Blue Ash blinkt uit in het overenthousiast en overtuigend neerzetten van de drieminuten-popsong, wat de band een contract met Mercury oplevert. Het in mei ’73 uitgebrachte No More, No Less laat zich – in weerwil van de heersende trend van complexe muziek en lange solo’s – kenmerken als catchy gitaarpop met stevige gitaren en meerstemmige zang. Opvallend tussen de hoofdzakelijk eigen composities zijn de Beatles-cover ‘Anytime At All’, de obscure Dylan-song ‘Dusty Old Fairgrounds’, de Byrdsy countryrock van ‘I Remember A Time’, het Buffalo Springfield-achtige ‘What Can I Do For You’ en de single annex culthit ‘Abracadabra (Have You Seen Her?)’. De twaalf liedjes vormen tezamen een uitstekend powerpop-album dat zich verhoudt met het werk van Blue Ash’ tijdgenoten Raspberries en Badfinger. Een doorbraak blijft echter uit, waardoor Blue Ash een jaar later door Mercury op straat wordt gezet. Een opvolger op Playboy Records in 1979 verandert niets aan de cultstatus die Blue Ash bezit en blijft bezitten.

Abracadabra (Have You Seen Her?) / Dusty Old Fairgrounds / Plain To See / Just Another Game / I Remember A Time / Smash My Guitar / Anytime At All / Here We Go Again / What Can I Do For You? / All I Want / Wasting My Time / Let There Be Rock

zondag 12 mei 2013

The Doobie Brothers | The Captain And Me


The Doobie Brothers hebben bij het begin van de jaren zeventig de perfecte Westcoast-sound. Gebaseerd op melodieuze gitaren en schitterende harmoniezang staan The Doobies – slang voor marihuanasigaret – niet alleen garant voor kwaliteit, maar ook voor wereldhits. Opgericht in 1970 in San Jose, Californië, en protegés van Moby Grape's Skip Spence, trekken The Doobies langs de bikersfestivals van Noord Californië. Twee jaar later heeft de band – geleid door Tom Johnston en Pat Simmons – zijn eerste internationale hit: 'Listen To The Music'. Het album Toulouse Street betekent dan ook een grootse doorbraak – evenals de volgende single 'Jesus Is Just Allright'.
Dat succes wordt nog verder uitgebouwd met het derde album, opnieuw geproduceerd door Ted Templeman, dat niet alleen de mooiste en meest gevarieerde plaat van The Doobies is, maar ook wederom grote, grote hits genereert. The Captain And Me is Westcoast-rock pur sang; mengt The Byrds met The Eagles; Crosby, Stills & Nash met The Allman Brothers. The Captain And Me is niet alleen een countryrock-klassieker, maar ook een generator van hits: 'Natural Thing', 'Long Train Runnin'' en 'China Grove' – de beide laatste Nederlandse top 10-hits in 1973. Alle dragen het herkenbare Doobie-stempel van een laidback-groove heldere, dubbele ritmegitaren en fraaie Westcoast-harmonieën. De overige liedjes leunen enerzijds op zuidelijke countrysoul en swamprock, zoals 'Dark Eyed Cajun Woman', 'South City Midnight Lady' – met op pedal steel Jeff Skunk Baxter – en 'Ukiah'. Anderzijds is 'Without You' een stevige, maar melodieuze rocker; 'Clear As The Driven Snow' akoestische en swingend; en brengt de opzwepende afsluiter 'The Captain And Me' alle Doobie-kenmerken nog eens magnifiek samen.
The Captain And Me zal in de loop der jaren miljoenen keren over de toonbank gaan en The Doobie Brothers blijven, hun reputatie bevestigend, gedurende jaren zeventig ferm aan de weg timmeren. Halverwege het decennium wordt zanger Tom Johnston helaas ingeruild voor de gladde Michael McDonald, wat een eind maakt aan de klassieke Doobie-sound.

Natural Thing / Long Train Runnin' / China Grrove / Dark Eyed Cajun Woman / Clear As The Driven Snow / Without You / South City Midnight Lady / Evil Woman / Busted Down Around O'Conolly Corners / Ukiah / The Captain And Me

vrijdag 3 mei 2013

David Blue | Nice Baby And The Angel


David Blue is vaak afgedaan als een Dylan-cloon. Hij bevindt zich daarmee in goed gezelschap van onder anderen Loudon Wainwright III, Steve Goodman, John Prine en Bruce Springsteen. Net zoals de genoemde singer-songwriters bewezen hebben vooral zichzelf te zijn, geldt ook voor David Blue dat hij vooral David Blue is. De Dylan-invloeden ten spijt, is het niet meer dan terecht dat David Blue op zijn merites wordt beoordeeld. Volledig op eigen kracht en alom gerespecteerd door zowel de Greenwich Village-scene in de begin jaren zestig als de Westcoast countryrock-troupe van de jaren zeventig heeft David Blue een interessant oeuvre tot stand gebracht; in elf jaar tijd produceerde Blue zeven albums.
In 1960 vertrekt de dan 18-jarige Stuart David Cohen, geboren in Providence, Rhode Island, naar New York. Hij maakt kennis met Phil Ochs, Tom Paxton en – inderdaad Bob Dylan – en gaat deel uitmaken van de New-Yorkse folkscene. Het is waar dat David Blue een groot bewonderaar is van Dylan en als het ware geobsedeerd is door het fenomeen Dylan, maar ondanks de onvermijdelijke muzikale gelijkenis weet Blue toch een eigen geluid en stem te produceren. Toch lukt het Blue niet om naam te maken in New York. Na Elektra verruild te heben voor Reprise en New York voor Nashville – waar Blue onder de naam S. David Cohen zijn derde lp opneemt – strijkt Blue in 1970 neer in Los Angeles. Al snel gaat hij tot countryrock-elite behoren rondom The Eagles, The Byrds en platenbaas David Geffen. Het megalomane party-leven is de oorzaak van Blue’s flirt met heroïne. Verslaving aan heroïne blijft uit, maar Blue gaat zich wel te buiten – zoals elke zichzelf respecterende Californische rockmuzikant – aan excessief cocaïne-gebruik. Op Stories, Blue’s debuut voor Asylum, is een in zichzelf gekeerde songwriter te horen. Stories is sober en beklemmend en tot dat moment David Blue’s beste plaat, ook al worden er wereldwijd slechts 2.000 exemplaren verkocht.
Na een redelijke succesvolle tournee naar Engeland is David Blue optimistisch gestemd en na het sobere Stories is het een logische stap om de volgende plaat op te nemen met een elektrische band. In de herfst van 1972 vertrekt Blue naar San Francisco om zijn volgende plaat op te nemen in de huisstudio van Graham Nash. Naast Nash, die als producer fungeert, getuigt de aanwezigheid van een sterbezetting van het respect dat Blue in muzikantenkringen geniet: bassist Chris Etheridge, de gitaristen David Lindley en Dave Mason en Eagle Glenn Frey geven acte de présence. Blue’s monotone stem wordt behoorlijk opgepoetst door Nash zodat deze op Nice Baby And The Angel zeer acceptabel klinkt, zeker in de harmoniepartijen waar Blue ondersteund wordt door Nash, Frey en Mason. Het ijzersterke en messcherpe Outlaw Man – door The Eagles gecoverd op Desperado – zet de toon van een geïnspireerde en gevariëerde plaat. De variatie bestaat in de goed gekozen afwisseling tussen de competente country-rock en de meer singer-songwriter georiënteerde liedjes. De composities zijn van meer dan gemiddelde kwaliteit, wat van Blue verwacht mag worden, maar de meerwaarde zit hem in de arrangementen van Blue en Nash. Of het nu de elektrische gitaren in Outlaw Man of de slide gitaren in Train To Anaheim zijn, David Lindleys mandoline of de piano- en strijkersarrangementen van Graham Nash, dit alles draagt bij aan de coherentie van Nice Baby And The Angel. In de aanwezigheid van zoveel creatieve geesten komt Blue’s scheppingsdrang nu wel eens tot zijn volle recht, hetgeen eerder nauwelijks lukte. De teksten zijn noch immer die van de lamentabele troubadour die zijn bekentenissen doet aan de luisteraar: I am the future you crave secretely / Many have loved me so perfectly, klinkt het sarcastisch in Troubadour Song. Ondanks de sterke countryrocksongs, van muzikaal decor voorzien door topmuzikanten, is het toch vooral een stemmige en sombere Blue die in kale songs als het genoemde Troubadour Song, On Sunday Any Sunday en Yesterdays Lady de meeste indruk maakt. Nice Baby And The Angel is daarmee zowel een klassieke countryrock-lp als een zeer fraaie singer-songwritersplaat.
Nice Baby And The Angel verkoopt al in de eerste week na release 15.000 stuks en dit lijkt op de erkenning waarnaar David Blue snakt. Blue wil het kunstje met Graham Nash herhalen, de studio is al geboekt, maar dan wordt hij slachtoffer van een writer’s block. Pas in 1975 komt Blue met een volgende – zeer teleurstellende – plaat. De muziek en Californië de rug toekerend hervindt hij terug in New York zijn passie voor acteren, hetgeen leidt tot rollen in Wim Wenders Der Amerikanische Freund en Bob Dylans Renaldo & Clara. De Dylan-idolaat is ook terug te vinden op de cover van The Basement Tapes van Dylan & The Band. Gerevitaliseerd door filmrollen en rollen in tv-series gaat David Blue een nieuwe fase in. Zich bewust van zijn verleden van drugs en losbandigheid wordt hij een gezondheidsidolaat. Het is dan ook wrang dat hij op 2 december 1982 tijdens het joggen in Washington Square Park overlijdt aan een acute hartstilstand.

Outlaw Man / Lady O’Lady / True To You / On Sunday, Any Sunday / Darlin’ Jenny / Dancing Girl / Yesterdays Lady / Nice Baby And The Angel / Troubadour Song / Train To Anaheim

maandag 11 maart 2013

Alvin Lee & Mylon LeFevre | On The Road To Freedom


Hij staat een tijdlang te boek als de snelste gitarist ter wereld, een reputatie die hij verwerft op het Woodstock-festival. Alvin Lee, Ten Years After en 'I'm Going Home' zijn onverbrekelijk verbonden met het legendarische festival. Vanaf 1969 toeren Alvin Lee en zijn Ten Years After dan ook onafgebroken door de Verenigde Staten, wat de Britse gitarist grote successen brengt, een overvolle agenda en de uitputting nabij. Na talloze hit-albums vol dampende bluesrock vindt Lee het in 1972 welletjes – hij is op zoek naar iets anders. Dat vindt hij in Mylon LeFevre, een gospelzanger uit Gulfport, Mississippi, die in Amerika Ten Years Afters voorprogramma verzorgde. Het is de zuidelijke sfeer en de Amerikaanse plattelands-vibe die Alvin Lee in Lefevre aanspreekt. Vrijwel meteen besluiten ze samen bij Lee thuis een album op te nemen; een album overduidelijk geïnspireerd door The Band, Crosby, Stills & Nash, Delaney & Bonnie en natuurlijk Derek and the Dominos. Alvin Lee laat ook zijn vrienden naar zijn Britse landhuis overkomen, en dat zijn niet de minsten: Stevie Winwood, Jim Capaldi, Ron Wood, Mick Fleetwood en ook Hari Georgeson, die ook de schitterende song 'So Sad (No Love Of His Own)' levert en daarop zijn karakteristieke gitaarsound ten gehore brengt.
De teneur op Lee en LeFevre's On The Road To Freedom is die van een landelijk, rustiek countryrockalbum opgebouwd uit hartverwarmende harmonieën, meeslepende melodieën en voortreffelijk samenspel. Wat vooral aanspreekt op On The Road To Freedom is dat Alvin Lee zijn ego uitschakelt en opgaat in het grote geheel, waardoor deze fascinerende plaat een soort van hippie-achtig groepsalbum is. De liedjes rollen bijzonder aangenaam voort op de golven van meerstemmige zang, een zuigend orgel, warme akoestische gitaren en dienstbare elektrische. Uitzonderlijk fraai zijn dan ook 'We Will Shine', 'Carry My Load', 'Lay Me Back', 'I Can't Take It' en het titelnummer 'On The Road To Freedom'. Omdat Lee met de luide bluesrock van Ten Years After grote successen behaalde, is het bescheiden succes van On The Road To Freedom een behoorlijke stap terug. Het neemt niet weg dat Alvin Lee's zijstap naar het countryrock-genre niet alleen het einde van Ten Years After betekent, maar in de vorm van On The Road To Freedom ook een uitstekend en bijzonder boeiend album heeft opgeleverd.

On The Road To Freedom / The World Is Changing (I Got A Woman Back In Georgia) / So Sad (No Love Of His Own) / Fallen Angel / Funny / We Will Shine / Carry My Load / Lay Me Back / Let 'Em Say What They Will / I Can't Take It / Riffin / Rockin' Til The Sun Goed Down

Op woensdag 6 maart 2013 overleed Alvin Lee in een Spaans ziekenhuis. Hij werd 68 jaar


maandag 18 februari 2013

Rick Derringer | All American Boy


Het mag verbazing wekken dat Rick Derringer pas in 1973 toe is aan het maken van een soloplaat. De dominante zanger/gitarist met de good looks die Derringer is, neemt tot dan toe genoegen met een ondergeschikte rol. En dat voor een muzikant die op 16-jarige leeftijd een nummer-1 hit had in de Amerikaanse top honderd.
In 1965 heeft de op het grensgebied van Ohio en Indiana geboren Rick Zehringer met zijn band The McCoys een wereldhit met 'Hang On Sloopy'. Mede door de jonge leeftijd van de bandleden spreken The McCoys vooral de teenagers aan en levert hen dit een dito imago op. New Yorks rockclub The Scene is de standplaats van The McCoys en het is daar dat Derringer en co in contact komen met albino-gitarist Johnny Winter. Door het gemeenschappelijke management wordt besloten om Winters en Derringers band samen te voegen: Johnny Winter And The McCoys, afgekort tot Johnny Winter And. Hoewel Rick Derringer nauwelijks op de voorgrond treedt is hij wel de producer van de lp’s Johnny Winter And en Johnny Winter And Live die een gouden status bereiken. De band verwerft een uitstekende live-reputatie die gekenmerkt wordt door het vuige en gierende gitaarspel van zowel Winter als Derringer. Tegelijkertijd gaat Rick Derringer een verbond aan met Johnny Winters broer Edgar. Als multi-instrumentalist en producer is Derringer betrokken bij Edgar Winters They Only Come Out At Night en heeft aldus twee monsterhits met 'Frankenstein' en 'Free Ride'.
In 1973 is Johnny Winter afgekickt van heroïne en vraagt hij Rick Derringer als producer voor Still Alive And Well. Broer Edgar kan niet achter blijven en huurt Derringer in als producer voor Shock Treatment. Dan rijst bij Rick Derringer het besef dat het na zeven jaar on the road met de gebroeders Winter en evenzovele jaren in de producersstoel tijd wordt voor de grote uitdaging: een soloplaat. Rick Derringer vat het plan op om voor ieder nummer een andere producer in te schakelen. Hij vindt Paul Samwell-Smith, Jim Quercio, Felix Pappalardi en Bill Szymczyk – allen druk doende met een producersklus – bereid mee te werken. Het idee is bijzonder origineel, maar blijkt onwerkbaar, temeer daar Rick Derringer zelf midden in de opnamen van Shock Treatment zit. Uiteindelijk is Bill Szymczyck volledig beschikbaar zodat hij de producersrol vervult op All American Boy, Rick Derringer solodebuut. Single 'Rock And Roll Hoochie Koo' gaat de release van de lp vooraf en is een instant hit. De lp wordt voornamelijk volgespeeld door Rick Derringer als zanger, gitarist, bassist en toetsenist en meesterdrummer en powerhouse Bobby Caldwell. Zij worden incidenteel bijgestaan door een keur aan muzikanten zoals Joe Walsh, David Bromberg, Joe Vitale en Edgar Winter. De meest opmerkelijke bijdrage – die nog bijzonderder is dan het mondharmonicaspel van Toots Thielemans – is echter die van tekstschrijver Patti Smith, die met 'Hold' debuteert, twee jaar voor haar eigen plaatdebuut. 'Hold' is een suikerzoete ballad, maar is tegelijkertijd een prachtig popwerkje. En dat geldt voor het merendeel van de nummers; Rick Derringer is op All American Boy getransformeerd tot een kwikzilveren popster, een teenage idol, een glamrocker the American way. De lp kent een grote afwisseling tussen stevige rockers met een hoog popgehalte en ballads die voorzien zijn van exuberante arrangementen. De up-tempo nummers, zoals 'Uncomplicated', 'Teenage Love Affair' en het eveneens door Johnny Winter opgenomen 'Cheap Tequila', opgesierd met bottleneck en pedal steel, zijn aanstekelijke powerpop- en glitterrocknummers die uitstekend passen in het tijdsbeeld van de vroege jaren zeventig. Naast de echte kraker – 'Rock And Roll Hoochie Koo' – zijn er op All American Boy nog een aantal prijsnummers te vinden die zijn voorzien van schitterende strijkers-arrangementen. 'Teenage Queen' en afsluiter 'Jump, Jump, Jump', met zijn klaterende toetsen en fantasievol gitaarspel, vervolmaken Rick Derringers klassieke debuut. Waarmee All American Boy Rick Derringer bombardeert tot idool, glamrockster en moderne rock and roller.
Naast sessiemuzikant voor Alice Cooper, Steely Dan en Todd Rundgren verwierf Rick Derringer in de jaren tachtig een reputatie als hardrocker die nog immer voortduurt. Zijn beste jaren liggen echter in het verleden verborgen: 'Hang On Sloopy' is verkozen tot officieel volkslied van de staat Ohio en 'Rock And Roll Hoochie Koo' is meer dan een miljoen keer gedraaid op de Amerikaanse radio. All American Boy is Rick Derringers ultieme statement.

Rock And Roll Hoochie Koo / Joy Ride / Teenage Queen / Cheap Tequila / Uncomplicated / Hold / The Airport Giveth / Teenage Love Affair / It’s Raining / Time Warp / Slide On Over Slinky / Jump, Jump, Jump

dinsdag 11 december 2012

Dan Penn | Nobody’s Fool


Wallace Daniel Pennington is de personificatie van de countrysoul. In het begin van de jaren zestig staat Penn aan de wieg van de muziekstijl die evolueert uit soul, blues, country en rhythm & blues. Al in 1960 heeft de 17-jarige Penn als songschrijver – en Conway Twitty als uitvoerende – zijn eerste countryhit. Penn wordt sessiemuzikant en vindt in Spooner Oldham een gelijkgestemde ziel. Het duo schrijft bovendien hits voor Percy Sledge, Aretha Franklin en James Carr. Gevestigd in Memphis en werkend voor studiobaas Chips Moman schrijven Penn en Oldham Southern Soul-klassiekers als ‘Do Right Woman – Do Right man’ en ‘The Dark End Of The Street’, beide hits voor James Carr. In 1967 heeft Dan Penn als producer een nummer-1-hit met The Box Tops en ‘The Letter’. De blanke soul van The Box Tops levert Penn talloze hits op – die zowel geschreven, geproduceerd en ingespeeld zijn door de tandem Penn/Oldham. In de jaren zeventig pas, besluit Dan Penn een solo-album op te nemen. Penn zet een zeer uitgebreide band in, met uiteraard Spooner Oldham, maar ook de jongens van Cargoe – de eerste band op het Ardent-label. De volop aanwezige blazers en strijkers worden gearrangeerd door maestro Bergen White. Penn neemt op Nobody’s Fool – dat in 1973 verschijnt – een aantal bekende nummers op waaronder ‘Raining In Memphis’ en ‘If Love Was Money’, met de fraaie oneliner If love was money, I could afford you honey. Het titelnummer bevat alle ingrediënten van een klassiek countrysoulnummer: een countrygitaar, subtiele blazers en de machtige bariton van Penn. John Fogerty’s ‘Lodi’ is in Penns versie weergaloos en soulvol, en nestelt zich genoeglijk tussen Penns eigen materiaal. Opvallend zijn de protestsongs tegen de oorlog in Vietnam. Is ‘Prayer For Peace’ nog een opwindende countryslijper – waarin Penn in gesprek gaat met de Heer over de revolutie –, het psychedelische en door Penn van praatzang voorziene ‘Skin’ detoneert tussen de harmonieuze en warmbloedige countrysoul. Het laatste kan niet verhinderen dan Nobody’s Fool als klassieker in het countrysoul-genre beschouwd moet worden – en een collector’s item bovendien. En hoewel de omvang van zijn solowerk bescheiden van aard is – in 1993 verschijnt Do Right Man – Dan Penn is een hele grote in de wereld van de popmuziek.

Nobody’s Fool / Raining In Memphis / Tearjoint / Time / Lodi / Ain’t No Love / I Hate You / Prayer For Peace / If Love Was Money / Skin

vrijdag 21 september 2012

Eric Clapton | Eric Clapton's Rainbow Concert


Is het niet vanwege de kwaliteit an sich, dan is het wel vanwege het historische belang dat Eric Clapton's Rainbow Concert zo'n indrukwekkend album is. Het tekent namelijk de terugkeer van Eric Clapton op het internationale podium, na een langdurige periode van afwezigheid vanwege een heftige heroïneverslaving en een totale identiteitscrisis. Eind jaren zestig was Clapton god, maar begin jaren zeventig is hij een menselijk wrak dat afstevent op zijn ondergang. Een serieus afkickprogramma brengt Clapton weer terug onder de mensen en om deze wederopstanding te vieren organiseert Pete Townsend op 13 januari 1973 een welkomstconcert in het Londense Rainbow Theatre. Gekleed in een smetteloos wit pak en een Gibson Les Paul omgegord, voert Eric Clapton een allstar band aan met daarin Pete Townsend (gitaar), Ronnie Wood (gitaar), Steve Winwood (toetsen), Rick Crech (bas), Jim Capaldi (drums), Jimmy Karstein (drums) en Rebop (percussie). Een compilatie van deze bijzondere avond is vastgelegd op het album Eric Clapton's Rainbow Concert: zes sterke songs waarin Clapton excelleert op zijn elektrische gitaar. Zelf geen uitgesproken componist, passeren fascinerende, heavy uitvoeringen van 'After Midnight' (J.J. Cale), 'Little Wing' (Jimi Hendrix), 'Pearly Queen' (Traffic) de revue. 'Badge' componeerde Clapton samen met George Harrison, 'Roll It Over' met Bobby Whitlock in zijn Derek & The Dominos-periode en het geweldige 'Presence Of The Lord' stamt uit Claptons Blind Faith-periode. Al met al is het een fraaie staalkaart van Claptons verrichtingen in het verleden en tegelijk een historisch startpunt van Eric Clapton in zijn nieuwe gedaante. Eric Clapton's Rainbow Concert is een afscheid van Clapton de gitaar-god, en de geboorte van de rootsy, laidback performer, die al in 1974 uiterst succesvol is met 461 Ocean Boulevard.

Badge / Roll It Over / Presence Of The Lord / Pearly Queen / After Midnight / Little Wing

zaterdag 11 augustus 2012

Raspberries | Side Three

In 1976 heeft Eric Carmen zijn wereldwijde hit met All By Myself. Een toepasselijke titel voor de overambitieuze Carmen die alleen op zichzelf vertrouwt. Gedurende zijn muzikale carrière heeft de gewiekste Carmen meer aandacht voor het zorgvuldig opbouwen van zijn imago dan voor zijn muzikale kwaliteiten. Zijn solo-carrière ontwikkelt zich dan ook in de richting van een bedenkelijk niveau; à la Barry Manilow. In de jaren tachtig en daarna valt rijkdom en succes hem ten deel door zijn bijdragen aan soundtracks van succesvolle films als Dirty Dancing en Footloose en omdat nota bene Celine Dion opnieuw een wereldhit heeft met All By Myself. Maar ooit was het anders. Diezelfde tomeloze ambitie maakte Eric Carmen in de begin jaren zeventig zanger, toetsenist, gitarist, componist en bandleider van een anachronistische powerpopband: Raspberries.
Raspberries werd in 1970 in Cleveland, Ohio opgericht door Eric Carmen (zang, gitaar, bas), Wally Bryson (gitaar), Jim Bonfanti (drums) en John Aleksic, die al snel vervangen zal worden door Dave Smalley (bas, slaggitaar). Met hun korte haar, gladde koppies en identieke witte pakken wijken de Raspberries sterk af van de heersende trend van lang haar en royale gezichtsbeharing. Ook muzikaal is de op de leest van The Beatles, The Beach Boys en The Left Banke geschoeide drie-minutenpop van de Raspberries nogal afwijkend van de norm van ellenlange gitaarsolo’s, keyboard-gefreak en richtingsloze prog-rock. Carmens persoonlijke visie – waarvoor hij de Raspberries als vehikel gebruikt – bezorgt de band een teenybopperstatus en trekt grote hoeveelheden meisjes naar de live-optredens. Begin 1972 komt Raspberries onder de hoede van producer en manipulator Jimmy Ienner, die de band weet onder te brengen bij Capitol Records. In 1973 heeft Raspberries twee lp’s op zijn naam staan en drie mega singlehits, maar de pers en het volwassen en lp-kopende publiek neemt de band niet serieus. Tijdens optredens met Iggy Pop en Kiss worden de bandleden uitgefloten en met eieren bekogeld. De spanningen in de band nemen toe, temeer daar Carmen zich als alleenheerser ontpopt. Hij eist van de bandleden dat ze dezelfde hooggehakte schoenen dragen als hij en verbiedt snorren, baarden en lang haar.
Het imago van op de British Invasion gebaseerde lichtgewicht-pop in combinatie met de uniforme witte kostuums gaat echter in de prullenmand als Raspberries uit het voorprogramma van de Amerikaanse tournee van The Hollies wordt geschrapt. The Hollies vatten de witte pakken en de geadopteerde Merseybeatsound op als een belediging: exit Rasberries.
Na heftige ruzies en bezinning geeft Carmen toe aan de overige bandleden; het roer gaat om. In afzondering werkt Raspberries aan een nieuwe sound die meer in overeenstemming is met de tijdgeest. Ten huize van Jimmy Ienner werkt de band aan een nieuw repertoire dat ruiger, flitsender en geënt is op de frenetieke sound van The Who en The Small Faces. Het eerste resultaat van de opnamen die onder leiding van technicus Shelly Yakus in de Record Plant studio’s in New York plaatsvinden, is de single Tonight. Tonight is een explosief nummer met heftig drumwerk waarin Carmen met soulvolle stem Steve Marriott naar de kroon steekt, en dat bovendien wordt aangedreven door soepele gitaarriffs en een pakkend refrein. Rasberries nieuwe stijl is opwindend en flashy, hetgeen bevestigd wordt door Side Three dat in augustus ’73 in de winkels ligt. De hoes van Side Three is een uiterst origineel ontwerp en heeft de vorm van een openklapbare doos frambozen. De inhoud is al even opmerkelijk want Side Three bevat een dosis hoogst energieke rock ‘n’ roll, gemodelleerd naar The Who – vooral vanwege de Keith Moon-roffels –, Free en Humble Pie. Op Side Three handhaaft Raspberries bovendien de voor de groep kenmerkende pop-sensibility wat leidt tot een aantal drieminutenplus juweeltjes. De composities zijn verdeeld over Carmen, Bryson en Smalley, wiens bijdrage Should I Wait een subtiel folkrock-nummer is met een klassiek en catchy refrein. Wally Brysons composities, waaronder Money Down, zijn verdienstelijk, maar Bryson valt het meest op door zijn vuige en strakke gitaarspel. Eric Carmens nummers vormen echter de talloze hoogtepunten van Side Three. I’m A Rocker is een rock ‘n’ roll stomper met logge gitaarriffs van Bryson, Ecstacy is een bijna perfecte popsingle evenals het machtige Tonight. Het hoogtepunt is niettemin Carmens On The Beach, een dramatisch en majestueus lied dat tegelijk melancholiek en hoopgevend is. On The Beach is niets minder dan een perfecte popsong, dat bovendien naar het eind gebracht wordt met een zeer fraai coda. Side Three is daarmee een klassieker in het powerpopgenre en Raspberries’ zoete wraak op alle criticasters.
Side Three is echter ook de plaat die een schisma teweegbrengt. Openlijke ruzie’s en tegenvallende verkopen doet Raspberries uiteenvallen, alleen Carmen en Bryson blijven over. In een nieuwe samenstelling maakt Raspberries nog het ironisch getitelde en fraaie Starting Over, maar dan, in juni 1975, is de verwijdering tussen Carmen en Bryson definitief. Rasberries maakte vier uitstekende platen en leverde een cruciale bijdrage in het definiëren van het powerpopgenre. Samen met Big Star, Flamin’ Groovies en Badfinger behoort Raspberries tot de canon van de powerpop.

Tonight / Last Dance / Making It Easy / Hard To Get Over A Heartbreak / I’m A Rocker / Should I Wait / Ecstacy / Money Down