woensdag 29 februari 2012

The Electric Light Orchestra | Eldorado

Een ingewikkelde stoelendans gaat vooraf aan de uiteindelijke heerschappij van Jeff Lynne over The Electric Light Orchestra. In 1970 overreedt Roy Wood Jeff Lynne om The Idle Race te verlaten en bij The Move te komen. De bedoeling is dan om van The Move een soort van orkest te maken, muzikaal geïnspireerd door de complexe, orkestrale composities van The Beatles. The Move blijft echter met Lynne gewoon platen maken en optreden, maar als de Lynne-compositie '10538 Overture' door Wood wordt opgetuigd met cello, bassoon en klarinet komt deze als single uit onder de naam The Electric Light Orchestra. Er volgt in 1971 een album, maar dan stapt de eigenzinnige Roy Wood eruit om solo verder te gaan en nog later Wizzard op te richten. Dan is The Electric Light Orchestra louter Lynne's domein. Voortbordurend op het oorspronkelijke concept voegt Lynne strijkers-ensembles toe en sleutelt stevig aan de groepssound die inderdaad gaandeweg steeds meer Beatles-invloeden absorbeert. Dat bereikt in 1974 zijn creatieve hoogtepunt in het magistrale Eldorado, waarvoor kosten noch moeite worden gespaard: een symfonieorkest van dertig personen en een omvangrijk koor luisteren Lynne's fenomenale popsongs op. Jeff Lynne's stem vertoont, bewust, sterke overeenkomsten met die van John Lennon en de band klinkt op zijn Beatles-best. En ondanks het orkestrale geweld schitteren de prachtige liedjes door alles heen. 'Boy Blue' en 'Poor Boy (The Greenwood)' zijn ultra-catchy uptemposongs, en het superbe 'Laredo Tornado' wordt zelfs gedomineerd door een scheurende gitaarrif, maar het is vooral de slepende, smachtende, symfonische weemoed van 'Mister Kingdom' en het fenomenale, meesterlijk georkestreerde titelnummer 'Eldorado' die het album zo briljant maakt. Voeg daar de tranentrekkende melancholie aan toe van de klassieker 'Can't Get It Out My Head', majesteitelijk en soeverein, en ziedaar: het perfecte orkestrale popalbum. Dat is Eldorado, zonder twijfel.
Eldorado Overture / Can't Get It Out Of My Head / Boy Blue / Laredo Tornado / Poor Boy (The Greenwood) / Mister Kingdom / Nobody's Child / Illusions In G Major / Eldorado / Eldorado Finale

zondag 26 februari 2012

Department Of Eagles | In Ear Park



Ze komen niet uit de hippe muziekstad Portland, maar gewoon uit New York. En ze maken de mooiste muziek denkbaar ter rechterzijde van Fleet Foxes. Department Of Eagles creëert namelijk dezelfde betoverende sfeer, alleen is het vertrekpunt niet folky americana, maar uitgekiend georkestreerde pop. Massieve koralengezang, een akoestisch instrumentarium, gesampelde strijkers en ouderwets krakende elektronica maken de dienst uit op dit imposante album, dat zo'n mooi paar vormt met Fleet Foxes. Al in 2000 startten Fred Nicolaus en Daniel Rossen de band, gingen uiteen – Rossen trad toe toe tot Grizzly Bear – en kwamen in 2007 weer bij elkaar over de vloer om aan deze tot op het bot fascinerende plaat te werken. Rossen heeft een warm, melancholisch stemgeluid dat aan Jeff Lynne doet denken. Maar dat niet alleen; een werkelijk schitterende compositie als Phantom Other lijkt rechtstreeks geïnspireerd te zijn door ELO's Can't Get It Out Of My Head. Maar dezelfde betoverende schoonheid vinden we terug in de barok-psychedelische sfeer van dit fantastische album en in het bijzonder in de neo-symfonica van songs als Around The Bay, Waves Of Rye en Floating On The Lehigh. In Ear Park is vol van schoonheid.
In Ear Park / No One Does It / Phantom Other / Teenagers / Around The Bay / Herring Bay / Classical Records / Waves Of Rye / Interlude / Floating On The Lehigh / Balmy Night

Spring | Spring

Een onbekende Britse band die slechts één album produceerde, maar dit wel met Gus Dudgeon mocht opnemen in de Londense Trident Studios en Rockfield Studios in Wales. Onbekend wellicht, maar wel uitermate bijzonder: Spring heeft niet alleen in hun midden toekomstig Dire Straits-drummer Pick Withers, maar ook maar liefst drie mellotron-spelers. Spring is dan ook het walhalla voor de liefhebber van massieve, dramatische en feeërieke toetsenpartijen. Bovendien verenigen de landelijke, organische songs het beste van Britse folkrock in zich, terwijl de lyrische gitaarsolo's – al dan niet door een Leslie-box gestuurd – de beste kant van de Britse melodische progressive rock etaleren. Het debuut van Spring kan zonder meer wedijveren met het beste werk van symfonische rockbands als The Moody Blues en de vroege Yes. Maar succes moet de band ontberen, waardoor ze al in 1972 uiteenvalt, een melodieus progrock-meesterstuk achterlatend.
The Prisoner (Eight By Ten) / Grail / Boats / Shipwrecked Soldier / Golden Fleece / Inside Out / Song To Absent Friends (The Island) / Gazing

zaterdag 25 februari 2012

Sunhouse | Crazy On The Weekend

De enige die Gavin Clark weerhoudt van het bereiken van grote muzikale successen, is Gavin Clark zelf. Clark, een Britse lyricus, lijkt er niet in te geloven dat zijn exceptionele muzikale talenten door een groot publiek kunnen worden gewaardeerd. Na een aantal mislukte pogingen is Gavin Clark dan ook liever pizzabezorger dan muzikant. Zijn hernieuwde poging in 2002 tot het nastreven van een respectabele muzikale carrière met zijn tweede band Clayhill strandt alweer in 2006. Verder terug in de tijd, in 1998, is dezelfde Gavin Clark verantwoordelijk voor een absoluut meesterwerk: Crazy On The Weekend van Sunhouse. In 1997 wordt Sunhouse door Gavin Clark opgericht met gitarist Paul Bacon en bassist Rob Brooks. Sunhouse is niets anders dan een vehikel voor de poëtische teksten en het indringende stemgeluid van de getormenteerde Gavin Clark. Clark bezit die typerende Britse, aardeverschroeiende melancholie, die herinneringen oproept aan zowel Nick Drake, Morrissey, Talk Talks Mark Hollis als The La's' Lee Mavers. Gavin Clark neemt zijn songs mee de studio in om door Bacon en Brooks te worden voorzien van een organisch muzikaal decor, waarvoor mede verantwoordelijk zijn producer John Reynolds – die bovendien drumt – en gastmuzikanten op piano, Hammond, cello en viool. Uit deze vruchtbare samenwerking komt Crazy On The Weekend voort, de feitelijke neerslag van Clarks onvoorstelbaar fraaie songs. Het weergaloze album kent een prelude in het akoestische titelnummer, maar gaat dan de peilloze diepte in met 'Hurricane', dat zacht begint maar halverwege explodeert door toedoen van drums, mondharmonica en slidegitaar. Er volgen dan louter hoogtepunten, aangejaagd door Clarks gedrevenheid en muzikaal spannend ingekleurd door ritmische akoestische gitaren, tinkelend pianospel en een rollende Hammond: 'Chasing The Dream', 'Good day To Die' en 'Loud Crowd' met zijn duistere atmosfeer en schurende elektrische gitaren. Van de schitterende single 'Monkey Dead' die vanzelfsprekend geen hit wordt tot de aangrijpende en met bloedrode strijkers versierde melancholica van 'Hard Sun' en 'Swing Low'. Crazy On The Weekend is een sterk geladen en poëtisch album dat de zieleroerselen van Gavin Clark pijnlijk eerlijk blootlegt. Crazy On The Weekend is een ware tour-de-force en een unicum in de Britse jaren negentig-rock; een unicum des te meer omdat Gavin Clark Sunhouse al in het verschijningsjaar van de debuutplaat opdoekt. Sindsdien is Crazy On The Weekend, mede omdat de cd uit de handel is gehaald, een volbloed cult-klassieker.
Crazy On The Weekend / Hurricane / Chasing The Dream / Spinning Around The Sun / Good Day To Die / Lips / Loud Crowd / Monkey Dead / Hard Sun / Swing Low / Animal / Second Coming

donderdag 23 februari 2012

Tom Waits | Closing Time

Tom Waits komt op 7 december 1949 op de achterbank van een taxi ter wereld in Pomona, Californië. Hij groeit op bij zijn moeder en zusters in National City, het ruige zeeliedenkwartier van San Diego met een overdaad aan eettenten, kroegen, clubs en tattoo-shops. In zijn tienerjaren is de jonge Waits werkzaam in Napoleone's Pizza House, waar hij met ontbloot bovenlijf de bestellingen opneemt omdat het menu van de pizzeria op zijn buik getatoeëerd staat. In de jukebox van Napoleone's ontdekt Waits de muziek van de jaren vijftig, raakt beïnvloed door de zwarte muziek van Ray Charles en Mose Allison en de Broadway-sentimentaliteit van George Gershwin en Irving Berlin. Daarnaast staan jazz, bop en de beatpoets op Waits' dagelijkse menu, evenals de literatuur van Raymond Chandler, Jack Kerouac en Charles Bukowski. Tom Waits zwelgt in het leven van de zwerver-romanticus; de bohemien die het leven ten volle leeft – en zijn bestemming vindt in de bars en striptenten zonder sluitingstijd van Los Angeles. Waits schrijft zijn liedjes op piano en gitaar, leeft op de bonnefooi, heeft baantjes als bordenwasser, nachtportier en chauffeur. Anno 1971 is Waits – nachtbraker, kroegtijger, zware drinker, kettingroker en barpianist – de ware opvolger van de beatpoets, die niets op heeft met de hippiegeneratie, evenmin met de LA-scene van coke snuivende countryrockers en zelfgenoegzame singer-songwriters. Waits rijdt door downtown LA en West-Hollywood in een $100 Ford Thunderbird die even haveloos is als zijn verschijning: vieze pet en morsige kleren. Zappa's manager Herb Cohen ziet wel wat in de beatnik Waits, maar de eerste demo's blijven op de plank liggen, waarna Waits, per slot een singer-songwriter, zijn kans krijgt bij het Asylum-label van David Geffen en Elliott Roberts. Tom Waits krijgt Jerry Yester, ex-Lovin' Spoonful en uit het Cohen-kamp, toegewezen als producer. Yester onderdrukt de jazzy, fifties-sfeer die de songs van Waits kenmerken, en bezorgt Waits' debuut een intieme folky sound. Waits krijgt getuige de staande bas en Tony Terrans gestopte trompet niettemin zijn zin in sfeervolle, filmische liedjes als 'Virginia Avenue' en 'Midnight Lullaby'. Filmisch is ook de ultieme LA-roadsong 'Ol' 55', de opener van Closing Time die opgevolgd wordt door het hartverscheurende gitaarliedje 'I Hope That I Don't Fall In Love With You', prachtig versierd met melodramatische strijkers. Waits' kleine combo, twee gitaristen, bas, drums, trompet en cello, verlenen sublieme schmalzy liedjes als 'Old Shoes (& Picture Postcards)' en 'Rosie' de middernachtelijke sfeer van een cocktailbar. Barok en duister is de in mineur getoonzette pianoballad 'Lonely', terwijl de strijkers nog eens in hun volle glorie terugkeren in 'Grapefruit Moon' en de bij de strot grijpende, schitterende treurnis van 'Martha'. Closing Time is het prachtige resultaat van Waits' eerste schreden op het muzikale pad; Tom Waits zelf diskwalificeert Closing Time als het werk van een beginner. Maar dan wel een zeer begaafde beginner, die al met zijn debuut een Westcoast-klassieker aflevert.
Ol' 55 / I Hope That I Don't Fall In Love With You / Virginia Avenue / Old Shoes (& Picture Postcards) / Midnight Lullaby / Martha / Rosie / Lonely / Ice Cream Man / Little Trip To Heaven (On The Wings Of Your Love) / Grapefruit Moon / Closing Time

woensdag 22 februari 2012

Adam Faucett | More Like A Temple




Hij oogt als een rauwdouwer met zijn imposante verschijning en dito baard, maar hoe ruw Adam Faucett ook oogt, hij is wel een ruwe diamant. Gezegend met een stem die volgens mij ijs kan doen smelten, leidt de troubadour uit Little Rock, Arkansas een reizend bestaan; althans naar aanleiding van zijn schitterende derde plaat More Like A Temple (Space Neck Collective) is hij zo'n beetje een jaar op tournee en treedt hij op voor iedereen die hem hebben wil. Faucett is de klassieke folk-zanger die aan een backporch als podium genoeg heeft, maar toch is More Like A Temple een verrassend rijk album. Hij nam deze plaat op in Austin, Texas en nutte de studio ten volle uit: veel leegte, ruimte en spanning in de instrumentatie die een skelet kent van bas en soms dreunende drums, strijkers, piano, mellotron en gitaar – en Faucetts grandioze zang, bulkend van passie en verlangen. In home state Arkansas is Faucett vanwege zijn stem al vergeleken met Otis Redding en Tim Buckley, maar wat mij betreft snijdt alleen de laatste vergelijking hout. Buckleys Happy Sad is vanwege Faucetts indrukwekkende zang een ankerpunt; maar ook Neil Youngs Tonight's The Night, vanwege de broeierige spanning; Tom Waits' Closing Time, waarvan de weemoedige pianoballad 'My Poor Daughter' zomaar afkomstig zou kunnen zijn; en de duistere intensiteit van Becks Sea Change in troostrijke liedjes als 'Saturday', 'T-Rex T-shirt' en 'Sweet Maureen'. Het is werkelijk allemaal even schitterend, temeer my man Faucett moeiteloos schakelt tussen tranentrekkende akoestica als 'Man's Not The Answer' en 'The Way You See It' enerzijds, en de reverb-rock van 'Blood Is Blood' en 'Gator' anderzijds. Adam Faucett kan uw leven mooier maken.
Saturday / Do What I Say / Morphine / Man's Not The Answer / Love / Blood Is Blood / T-Rex T-shirt / Emerald City Girl / Gator / My Poor Daughter / Sweet Maureen / The Way You See It

dinsdag 21 februari 2012

The 13th Floor Elevators | Psychedelic Sounds Of The 13th Floor Elevators

Als de eerste single van The 13th Floor Elevators in januari 1966 uitkomt, heeft de band al een geduchte live-reputatie in de hoofdstad van Texas, Austin. Die single is 'You're Gonna Miss Me', een compositie van zanger, gitarist en wildeman Roky Erickson, die eind '65 debuteerde met diezelfde single – maar dan als Roky Erickson & The Spades. Als Roky in aanraking komt met Tommy en Clementine Hall, een met filosofie en hallucinogene drugs experimenterend echtpaar, sluit hij zich op aanbeveling van Tommy Hall aan bij The Lingsmen uit Kerrville, Texas, te weten: gitarist Stacy Sutherland, bassist Benny Thurman en drummer John Ike Walton. De nieuw gevormde band is niet alleen muzikaal gretig, maar tript er ook lustig op los. Ze ontdekken nieuwe, bizarre sounds – in het bijzonder de elektrisch versterkte stenen kruik waarin Tommy Hall wezenloos murmelt – opgepookt door buitensporige LSD-trips. The Elevators, bedacht door Clementine Hall, is een te korte naam en dus komt het nummer dertien erbij – de dertiende letter van het alfabet: de M van marihuana. Bovendien, in Amerika hebben de gebouwen geen dertiende verdieping: welkom bij The 13th Floor Elevators.
Hun eerste optreden is op 8 december 1965 in The Jade Room. Een optreden in de New Orleans Club wordt door The Austin Statesmen verslagen en om de maniakale energie van in november 1966 te omschrijven wordt in dat verslag voor het eerst de term psychedelic rock gebruikt. Een adequate omschrijving van de mengeling van de folkrock van Dylan en The Byrds, de rhythm & blues van The Kinks en The Rolling Stones, de in een reverb-bad gedrenkte gitaar van Stacy Sutherland en het kannibalengebrul en wolvengehuil van Roky Erickson. Op een recept van uppers, downers, pillen en paddenstoelen – en niet te vergeten LSD – werkt de band koortsachtig aan een eigen repertoire, wil de vleugels uitslaan naar grote hoogten, maar krijgt huisarrest als in het huis van de drugsdealende filosoof annex manipulator Tommy Hall kilo's marihuana worden aangetroffen. Maar ondanks deze tegenslag – en het vertrek van de geflipte Thurmann – wordt de op het kleine International Artists-label uitgebrachte single 'You're Gonna Miss Me' een flnke hit, niet alleen in Texas, maar ook in Californië. Aanvankelijk mag de band Texas niet uit – en treedt dus veel op in Austin, Dallas, Houston en Corpus Christi, maar als de band wordt vrijgesproken en International Artists-baas Lelan Rogers, de broer van Kenny, de voogdij voor de jongens op zich neemt, vluchten The 13th Floor Elevators in augustus '66 hals over kop naar San Francisco. Daar worden ze, met nieuwe bassist Ronnie Leathermen, een vriend uit Kerrville, met open armen ontvangen door de ontvankelijke hippies.
Maar door excessief drugsgebruik – barbituraten, codeïne, LSD, Listerine en Romilar hoestdrank – raken Erickson, Hall en Sutherland totaal doorgedraaid. Opgejaagd door politie en de rekrutering voor het leger slaat de gekte en paranoïa toe, en geeft de band toe aan het dreigement van International Artists: naar Texas komen en een album opnemen. Dat gebeurt dan ook als de band op 9 oktober arriveert in de Sumet-studios in Dallas en met Lelan Rogers in razend tempo en aangejaagd door LSD de nummers opneemt die live zijn uitgetest, en in de Jones Studio in Houston de nieuwe song 'Don't Fall Down' opneemt. Het resultaat, Psychedelic Sounds Of The 13th Floor Elevators, is een waanzinnige muzikale trip, omgeven door het mystieke waas van Tommy Halls raadselachtige hoestekst en John Clevelands spectaculaire psychedelische graphics op de voorkant. Na de jachtige, maniakale opener 'You're Gonna Miss Me' dendert het voort met het spookachtige 'Roller Coaster' – met de in de kruik drenzende Hall in de hoofdrol – het bonkende ritme en de reverb-gitaar van 'Reverberation (Doubt)' en 'Fire Engine' – over het heerlijke hallucinaties veroorzakende dimethyltriptamine, als de LSD even op is. Tegenover de greasy garagerock – de productie is nogal modderig – staat de geestverruimende lyriek van verknipte ballads als het waanzinnige 'Splash 1', het verraderlijke 'Don't Fall Down' en het gierende, duivelse 'Kingdom Of Heaven'.
Niemand – en zeker International Artists niet – beseft bij de release in november 1966 van Psychedelic Sounds Of The 13th Floor Elevators dat het hier gaat om een historisch fenomeen en een psychedelisch meesterwerk bovendien. Decennia moeten verstrijken voordat het magistrale debuut van The 13th Floor Elevators op de juiste waarde wordt geschat. De doorgetripte en doorgekookte Roky Erickson maakt dat allemaal niet zo mee; in 1969 wordt hij opgepakt en vier jaar lang in het Rusk State Hospital For The Criminally Insane 'verpleegd' met elektroshocks.
You're Gonna Miss Me / Roller Coaster / Splash 1 / Reverberation (Doubt) / Don't Fall Down / Fire Engine / Thru The Rythmn / You Don't Know / Kingdom Of Heaven / Monkey Island / Tried To Hide