Posts tonen met het label progressive rock. Alle posts tonen
Posts tonen met het label progressive rock. Alle posts tonen

woensdag 14 februari 2018

Wigwam | Nuclear Nightclub

Wigwam is international gezien de beste rockband die Finland heeft voortgebracht. Onder aanvoering van de Britse expatriate Jim Pembroke krijgt Wigwam begin jaren zeventig zelfs in Engeland een voet aan de grond. Na een viertal typische progrock-lp’s met klassieke en jazzinvloeden gaat het het roer om. Wigwam komt onder contract bij Virgin en wijzigt zijn koers drastisch richting pop en melodieuze rock. Op een eiland voor de kust van Helsinki treffen de bandleden voorbereidingen voor het nieuwe album dat in Stockholm opgenomen gaat worden. Het levert met Nuclear Nightclub een pastoraal en organisch werkstuk op, waarop bliepende synthesizers en snorrende moogs op natuurlijke wijze verweven worden in het transparante rockgeluid van Wigwam. Deze spacey synths verlenen tezamen met de sterke harmoniezang, fraaie melodieën en rustieke gitaarriffs en -solo’s de acht tracks een subtiele klasse. Niets voor niets is Nuclear Nightclub Wigwams meest succesvolle album.

Nuclear Nightclub / Freddie Are You Ready / Bless You Lucky Stars / Kite / Do Or Die / Simple Human Kindness / Save My Money & Name / Pigstorm

woensdag 10 januari 2018

Hawkwind | Hall Of The Mountain Grill

In 1968 opgericht door straatmuzikanten, daklozen en lsd-slikkers, is Hawkwind de belichaming van de jaren zestig tegencultuur en het totaal doorgetripte hippiedom. Een losgeslagen bende die zich in de Londense hippiewijk Notting Hill Gate, een pendant van Haight-Ashbury in San Francisco, te buiten gaat aan marihuana, lsd, cocaïne, mescaline, dexedrine en mandrax. Het enige doel van Hawkwind is volgens oprichter Dave Brock om het visuele en muzikale equivalent van een acid trip te creëren. Met behulp van tape-loops, echokamers en geluidsgeneratoren brouwt de band – zes langharige weirdo's – een geluid van ellenlange solo's, pulserende elektronica en uitputtende, zich steeds herhalende ritmische patronen: de spacerock van Hawkwind is heftig, chaotisch en meedogenloos. 
Live is de band al snel een sensatie, want een multimedia-spektakel vanwege de rondtollende stroboscopen, de idiote uitdossingen, de medewerking van kunstenaars als science-fictionschrijver Michael Moorcock en de verknipte dichter Robert Calvert – en in het bijzonder de naakt-act van danseres Stacia. Grafisch kunstenaar Barney Bubbles tekent voor de schitterende hoezen, zo ook voor Hall Of The Mountain Grill, met een fascinerende hoes die het science fiction-karakter van de muziek benadrukt. Het is Hawkwinds vijfde album, live-trip Space Ritual meegerekend, en inmiddels is Ian 'Lemmy' Kilminster aan boord als zanger en bassist en heeft de band in 1972 een onverwachte hit gehad met 'Silver Machine'. 
De heavy riffs zijn teruggebracht naar een bescheidener niveau en akoestische gitaar, viool en mellotron doen hun intrede. Het Hawkwind-geluid is nog even spacey, maar zweeft nu majesteitelijk; melodie en harmonie zetten de toon. Hawkwind klinkt nu symfonisch vanwege de machtige mellotron-tapijten, de elektrische viool en de verrassend sterke zangharmonieën, dit alles superieur samengebald in het Pink Floyd-achtige 'D-Rider'. In het verlengde hiervan liggen atmosferische stukken als 'Web Weaver' en de prachtige instrumental 'Wind Of Change', op hun beurt ingeklemd tussen opener 'The Psychedelic Warriors (Disappear In Smoke)' en afsluiter 'Paradox', Beide zijn gefundeerd op een geslaagde combinatie van gekende riffs en geestverruimende mellotrons en synthesizers. Het vernieuwde Hawkwind, losgezongen van de totale gekte, levert in 1974 met Hall Of The Mountain Grill een onverwacht coherent werk af, dat mag gelden als een meesterwerk van psychedelische, symfonische spacerock.
Personele trubbels, psychoses, drugs-incidenten en wat al niet meer weerhouden kapitein Dave Brock er niet van Hawkwind decennialang in de vaart te houden. Een respectvol, maar niettemin marginaal bestaan voor dé pioniers van de spacerock. Hawkwind: psychedelische sci-fi-rockers in extremis, in ultimo extremis.

The Psychedelic Warriors (Disappear In Smoke) / Wind Of Change / D-Rider / Web Weaver / You'd Better Believe It / Hall Of The Mountain Grill / Lost Johnny / Goat Willow / Paradox

United Artists, 1974

zondag 9 juli 2017

Man | Maximum Darkness

Ingeklemd tussen Britse progrock en Amerikaanse westcoast-psychedelica is Man - afkomstig uit Wales - een meer dan bijzondere band. Hits heeft Man niet, maar hun opzienbarende live-optredens, gekenmerkt als ‘spunk-rock’, maken de band legendarisch. Afgezien van een beperkt uitgebrachte live-plaat in 1972, duurt het zeven jaar en maar liefst negen lp’s voordat het schitterende Maximum Darkness op de markt komt. Zeer speciaal zijn de bijdragen van Quicksilver Messenger Service-gitarist John Cipollina, die Mans sound een extra psychedelische laag geven. Opgenomen op 26 mei 1975 in de Londense Round House is Maximum Darkness - met een schitterende cover van Buffy St. Marie’s ‘Codine’, een ronduit voortreffelijke live-plaat.

7171-551 / Codine / Babe I’m Gonna Leave You / Many Are Called, But Few Get Up / Bananas  

zondag 25 januari 2015

The Moody Blues | In Search Of The Lost Chord

Platenlabel Decca is halverwege de jaren zestig op zoek naar iets nieuws. De muzikale revolutie heeft, zeker in Londen, de popmuziek volledig in zijn greep. Drugs, vrijheid, psychedelische muziek, het verleidt Decca tot het oprichten van het Deram-label. En met dit nieuwe label – een broedplaats van talent – introduceert Decca tevens voor een beter stereo-effect een nieuwe wijze van opnemen: Deramic Sound System. Decca/Deram vraagt daarom, als een showcase voor DSS, een rhythm & blues-band om Dvoraks 9e Symfonie met een orkest op te nemen. Die band bestaat uit Ray Thomas (zang, fluit), Mike Pinder (toetsen, zang), Graeme Edge (drums), John Lodge (bas, zang) en Justin Hayward (zang, gitaar) en heet The Moody Blues. Die band gaat met orkest de studio in, maar in plaats van Dvoraks symfonie op te nemen, nemen The Moody Blues hun eigen composities op, met als resultaat het orkestrale Days Of Future Passed. De lp is in 1967een flink succes, maar een nog groter – wereldwijd – succes is de single ‘Nights In White Satin’. Vanzelfsprekend krijgen The Moody Blues voor hun volgende lp van Decca volledige artistieke vrijheid. Hoewel de band wil voortborduren op de orkestrale sound, besluit ze toch om geen gebruik te maken van een orkest. The Moody Blues willen zelf alle instrumenten bespelen en een orkest laat zich gemakkelijk vervangen – door een mellotron. Het karakteristieke geluid van het toetseninstrument met tapelussen is voor altijd verbonden met het barokke geluid van The Moody Blues. Op In Search Of The Last Chord zijn The Moody Blues hun eigen symfonie-orkest, want het vijftal gebruikt maar liefst 33 verschillende instrumenten, van sitar tot cello, van tablas tot klavecimbel. En hoewel de tekstbijdragen van Graeme Edge beperkt blijven tot twee op muziek gezette poems, leveren alle bandleden compositorische bijdragen. Een sleutelnummer op de plaat, met hippiegoeroe Timothy Leary als onderwerp, is Ray Thomas’ ‘Legend Of A Mind’. Dit ligt overigens ingeklemd tussen ‘House Of Four Doors (Part 1)’ en ‘House Of Four Doors (Part 2)’, al even meesterlijke composities van John Lodge. Zanger Justin Hayward levert de fraaie melodramatische songs ‘Voices In The Sky’, ‘Visions Of Paradise’ en ‘The Actor’, en Mike Pinder ‘The Best Ways To Travel’ John Lodge is bovendien nog eens verantwoordelijk voor het prachtige ‘Ride My See-Saw’, een top 20-hit in Nederland. The Moody Blues ondernemen op In Search Of The Last Chord zonder meer een pretentieuze muzikale zoektocht; In Search Of The Last Chord is een bombastisch bouwwerk, een barokke kathedraal. En ondanks dat typeringen als pseudo-prog en quasi-symfo The Moody Blues altijd zijn blijven aankleven, In Search Of The Last Chord staat nog altijd fier overeind, inderdaad, als een barokke kathedraal.

Departure / Ride My See-Saw / Dr. Livingstone, I Presume / House Of Four Doors (Part 1) / Legend Of A Mind / House Of Four Doors (Part 2) / Voices In The Sky / The Best Way To Travel / Visions Of Paradise / The Actor / The Word / Om

zaterdag 29 november 2014

Dancer | Tales Of The River Bank

The Isle Of Wight is in de popcultuur, als de Britse tegenhanger van Woodstock, beroemd geworden vanwege het gelijknamige popfestival. Het eiland heeft in The English Patient-regisseur Anthony Minghella, die in 2008 overleed, zijn beroemdste inwoner. Minghella voerde ook samen met zanger/gitarist Mike Jolliffe in 1971 Isle Of Wights enige rockband aan: Dancer. Gefinancierd door de lokale maffia en per witte Rolls Royce naar de Londense Olympia Studios vervoerd, neemt het vijftal in vier sessies, verdeeld over een maand in de zomer van 1972 een album op met als producer Tony McPhee van The Groundhogs. Tot een release van Dancers debuutplaat komt het echter niet, omdat de bandleden kort na de opnamen ieders hun weegs gaan. Maar liefst 29 jaar later worden deze opnamen onder de titel Tales Of The River Bank voor het eerst uitgebracht door het reissue-label Kissing Spell. Mellotron, Hammond, harmoniezang en breed neergepenseelde composities – en niet te vergeten de incidentele bijtende gitaarsolo – maken van Tales Of The River Bank een landelijke, sfeervolle progressive rockplaat. Welgeteld zeven tracks, waaronder voortreffelijke rural prog-songs als 'America Wood', 'Morning' en 'Fairhill Affair' vormen Dancers – en Oscar-winnaar Minghella's – muzikale erfgoed.

Tales Of The Riverbank / America Wood / Morning / Mac's Cafe / This Change In Me / Fairhill Affair / Mind The Houses



woensdag 22 oktober 2014

Fuzzy Duck | Fuzzy Duck

Bijeengebracht in 1970, vormen zanger/gitarist Graham White (ex-Andromeda), organist/pianist Roy Sharland (ex-Crazy World of Arthur Brown), zanger/bassist Mick Hawksworth (ex-Five Day Week Stray People) en Paul Francis (ex-Tucky Buzzard) Fuzzy Duck. Hun manager – die ook manager is van Tom Jones en Engelbert Humperdinck – zorgt voor een deal met Decca-offshoot MAM, met als resultaat dat Fuzzy Duck zijn debuutplaat kan opnemen in de Londense Olympic Studios. Het zelfgetitelde Fuzzy Duck – met een spuuglelijke hoesafbeelding van een cartoon-eend met een afrokapsel – ligt in augustus 1971 in een beperkte oplage in de winkels, maar blijft daar ook liggen. En dat is zonde want Fuzzy Duck is een prachtig album op het snijvlak van progrock, hardrock en acidrock. Sterke songs, een strakke ritmesectie, een rollend, scheurend Hammond-orgel en opwindende gitaarsolo's: 'Mrs. Prout', 'Just Look Around You', 'More Than I Am' en het sterk psychedelische 'Afternoon Out' kunnen zich eenvoudig meten met het werk van Atomic Rooster, Uriah Heep en Deep Purple. Maar het mag niet zo zijn voor Fuzzy Duck: mismanagement verhindert live-optredens en interne strubbelingen leiden al in augustus '71 – nog voor Fuzzy Duck is uitgebracht – tot het vertrek van Graham White. Zonder White produceert Fuzzy Duck nog twee singles, maar aan het eind van 1971, binnen twee jaar na de oprichting, houdt de band op te bestaan. Het residu: één geweldig heavy progrock-album.

Time Will Be Your Doctor / Mrs. Prout / Just Look Around You / Afternoon Out / More Than I Am / Country Boy / In Our Time / A Word From Big D

zaterdag 16 augustus 2014

Pan | Pan

Pan: een Deense rockband met een Franse voorman en van internationale klasse. Slechts een album, het gelijknamige Pan uit 1970, maar wel een bijzonder overtuigend album op het snijvlak van elektrische blues, Westcoast-psychedelica en hardrock. In de zomer van 1969 richt de Fransman Robert Lelievre Pan op uit de resten van diverse Kopenhaagse bands. Het allereerste optreden van de prille band is een opname voor de Deense televisie; pas daarna volgen live-optredens. Het vijftal wordt snel opgepikt en neemt in januari 1970 de debuutsingle 'Right Across My Bed' op, de maanden daarop gevolgd door de de opnamen voor de debuut-lp. Alleen worden bij een inbraak in de auto van de producer alle tapes gestolen, zodat Pan de debuutplaat voor een tweede keer opneemt. In mei 1970 komt Pan, versie II, op de markt in slechts een persing van 1.000 stuks. Een indrukwekkende plaat met een fantastisch helder geluid, uitstekend spel en dynamische songs die moeiteloos schakelen tussen heavy en lichtvoetig. Akoestische gitaren, orgel, cello en de meanderende, warmbloedige elektrische gitaar van Thomas Puggaard-Müller geven kleur aan de tien veelal schitterende songs, die in de lyrische passages Westcoast-invloeden als Moby Grape en C,S.N&Y oproepen. Opmerkelijk zijn de twee Franstalige tracks, waaronder het prachtige 'Il N'y A Pas Si Longtemps De Ça', maar nog opmerkelijker de subtiel en slepend voorbijtrekkende hoogtepunten van een imponerend rockalbum: 'They Make Money With The Stars','To Get Along Alone' en de zinderende afsluiter 'Lady Of The Sand'. De Deense critici geven Pan terecht een warm onthaal; het album genereert vele optredens op festivals, maar het album verkoopt desondanks weinig. Nog in 1970 valt Pan gedesillusioneerd uiteen – overigens wel met een bonafide Deense klassieker op het conto.

My Time / If / Song To France / They Make Money With The Stars / Il N'y A Pas Si Longtemps De Ça / Many Songs Have Been Lost / Tristesse / To Get Along Alone / We Must Do Something Before The End Of The Day / Lady Of The Sand



woensdag 28 mei 2014

Supertramp | Crime Of The Century

Stanley August Miesegaes, Sam, was een in Zwitserland wonende Nederlandse miljonair met een bijzondere hobby: hij sponsorde op persoonlijke titel een band, The Joint – of eigenlijk diens zanger en componist, Richard Davies. Want ondanks de op Miesegaes' kosten aangeschafte instrumenten en apparatuur zijn de talenten van The Joint teleurstellend en dus verlangt Sam van Davies dat hij de overige bandleden de laan uitstuurt, waarna in augustus ’69 via de Melody Maker nieuwe bandleden aangezocht worden: Wanted: lead guitarist plus vocals, bass guitarist plus vocals, drummer
Gerekruteerd wordt, naast een gitarist en een drummer, de 19-jarige bassist en toetsenist Roger Hodgson. De bandnaam ontleent het net gevormde kwartet aan een roman van R.H. Davies: Supertramp. Miesegaes blijft flink investeren in de band; vertrouwen ontlenend aan de vruchtbare samenwerking tussen Davies en Hodgsen. Dit levert een tweetal albums op, maar geen grote successen – zodat Miesegaes in 1972 de banden met Supertramp verbreekt; hen het geïnvesteerde instrumentarium schenkt en hen zo’n 60.000 pond kwijtscheldt. Het lijkt het einde van Supertramp, maar Davies en Hodgsen formeren een nieuwe band met bassist Dougie Thomson, saxofonist John Helliwell en Bees Make Honey-drummer Bob Benberg. Ze krijgen bovendien van A&M Records de gelegenheid om met producer Ken Scott op het platteland van Somerset te werken aan nieuw materiaal, dat vervolgens gedurende februari tot en met juni 1974 vastgelegd wordt in de Trident-studio, Rampant Studios en Scorpio Sound-studio; alle in Londen. 
Het resultaat van de samenwerking met Ken Scott is een album dat de kwaliteit heeft die Miesegaes voor ogen stond – en meer nog: Crime Of The Century is een mijlpaal van de jaren zeventig-rock; een lichtend baken in de oceaan van muzikale diversiteit; een klassieker van de middelbare school-jongeren – dit laatste misschien wel veroorzaakt door de klassieke opener ‘School’. Het zet de toon voor de kenmerkende lichtvoetige, atmosferische symfonische rock, die vooral aangedreven lijkt door de hypnotiserende elektrische piano, het handelsmerk van Supertramp – naar het lichtende voorbeeld van Procol Harum. Het gewicht van Crime Of The Century wordt mede bepaald door gedragen, dynamische Davies/Hodgson-songs als 'Hide In Your Shell', 'Asylum', 'Rudy' en 'Crime Of The Century' – alle opgetrokken uit meeslepende melodieën, feeërieke toetsen, barokke strijkers, venijnige gitaren en Ken Scotts verfijnde productie. Gepaard aan de single 'Dreamer' wordt Crime Of The Century Supertramps doorbraakalbum en de voorbode van nog grotere successen, die de groep in feite dankt aan diens mecenas – respectvol geëerd op de achterkant van de hoes van Crime Of The Century: To Sam.

School / Bloody Well Right / Hide In Your Shell / Asylum / Dreamer / Rudy / If Everyone Was Listening / Crime Of The Century




dinsdag 8 april 2014

Gravy Train | (A Ballad Of) A Peaceful Man

Een kwartet uit Manchester dat niet alleen pure progressive rock bedrijft, maar ook het christelijke geloof uitdraagt. Samen met groepen als Cressida en Beggars Opera komen ze onder contract bij Vertigo, hetgeen gerechtvaardigd wordt door Gravy Trains sound: dynamische composities met een hoofdrol voor priemende gitaarsolo’s, zweverige fluitsolo’s, mellotrongordijnen en opvallend sterke zang. Het tweede album, (A Ballad Of) A Peacuful Man, is nogal heavy en doet mede door de zang denken aan Uriah Heep. Schitterende melodieuze songs als ‘Alone In Georgia’ en ‘Home Again’ vallen op door de gecompliceerde harmoniezang, terwijl titelnummer ‘(A Ballad Of) A Peacuful Man’ zeven minutenlang meeslepende progrock in optima forma is. Gravy Train brengt het verder dan dat ene album: tussen 1970 en 1974 brengt de band vier lp’s op de markt. Maar halverwege de jaren zeventig is de belangstelling voor progrock weggeëbd en dus ook voor Gravy Train.

Alone In Georgia / (A Ballad Of) A Peaceful Man / Jule’s Delight / Messenger / Can Anybody Hear Me? / Old Tin Box / Won’t Talk About It / Home Again

woensdag 15 januari 2014

Procol Harum | Live In Concert With The Edmonton Symphony Orchestra

1966 is een overgangsjaar voor de Londense Paramounts. De soul, rock-'n-roll en rhythm & blues maakt plaats voor een nieuwe sound van veelkleurigheid, avontuur en experiment. The Paramounts evolueren in dat jaar in Procol Harum als zanger, pianist en componist Gary Brooker kennis maakt met tekstschrijver Keith Reid. Eén van de eerste composities die zij samen schrijven is 'Conquistador'; een proeve van bekwaamheid en een symbool van de creatieve samenwerking tussen voorman Brooker en schrijver Reid, die overigens niet deel uitmaakt van de band. Wél deel uitmaken van Procol Harum zijn bassist Chris Copping, gitarist Robin Trower, en drummer B.J. Wilson. De bezetting is compleet als begin '68 organist Matthew Fisher tot de band toetreedt.
Procol Harum wordt in 1967 wereldberoemd als hun eerste single, 'A Whiter Shade A Pale' zo'n beetje overal de eerste plaats van de hitlijsten bereikt. Het enorme succes van de single werpt een grote schaduw over de band – en over de waardering van hun fascinerende albums. Dat wordt in 1972 doorbroken als de band – Fisher en Trower hebben zich op een solocarrière gestort en zijn vervangen door gitarist Dave Ball en bassist Alan Cartwright – een onwaarschijnlijk symfonisch avontuur aangaan door in een live-setting rockmuziek te mixen met de grandeur van klassieke muziek. Alleen Deep Purple met hun Concerto For Group And Orchestra is Brooker en consorten voor, maar Procol Harums Live In Concert With The Edmonton Symphony Orchestra is een document op zich; een voortreffelijke exponent van de samengebalde kracht van een rockband met een symfonieorkest. Het project komt niet tot stand onder een gelukkig gesternte, want Procol Harum ondervindt niet alleen problemen om hun apparatuur langs de Canadese douane te krijgen, nauw samenwerken met een symfonieorkest van 52 muzikanten en een koor van 24 zangers en zangeressen blijkt geen sinecure. Wonderwel is het resultaat indrukwekkend. In slechts vijf composities imponeren rockband, orkest en koor in een staalkaart van Procol Harems niet misselijke oeuvre: 'All This And More' en 'A Salty Dog' van het A Salty Dog-album; 'Whaling Stories' van Home; en de tour-de-force 'In Held Twas In I' van Shine On Brightly. Het live-album opent echter met een van de vroegste Brooker/Reid-composities, dat de onwaarschijnlijke single wordt van het even onwaarschijnlijke doorbraak-album.
'Conquistador' bereikt in de zomer van 1972 de achtste plaats van de top 40. Het zal een van Procol Harems klassieke singles blijken, dat een soortgelijke status bezit als 'Homburg' en 'A Whiter Shade Of Pale', al is het wel uniek dat 'Conquistador' het in de orkestrale live-uitvoering, getrokken van Live In Concert With The Edmonton Symphony Orchestra, in 1972 tot een internationale hit schopt.

Conquistador / Whaling Stories / A Salty Dog / All This And More / In Held Twas In I

maandag 6 januari 2014

Pavlov’s Dog | At The Sound Of The Bell

De sound van Pavlov’s Dog omschrijven als apart is een understatement. Het doet geen recht aan het bandgeluid dat werkelijk uniek genoemd kan worden: zoals Pavlov’s Dog klinkt, klinkt niets of niemand. Een mix van feeërieke folk, symfonische rock en melodieuze pop, met als slagroom op de taart het vreemde stemgeluid van David Surkamp. Hij is het die in St. Louis, Missouri in 1972 Pavlov’s Dog opricht. Het collectief bestaat dan uit zeven muzikanten en weet door de groeiende populariteit in het clubcircuit de aandacht te trekken van ABC Dunhill. Met de van Blue Öyster Cult bekende producers Sandy Pearlman en Murray Krugman neemt Pavlov’s Dog hun debuut-lp op in New York, maar nog voor dit debuut, Pampered Menial, uitkomt heeft ABC Pavlov’s Dog met CBS geruild voor Poco. Het gevolg is dat Pampered Menial door beide labels wordt gereleast, op dezelfde dag, met verschillende hoezen. De verkoopresultaten zijn desastreus, maar dat weerhoudt Surkamp en de zijnen niet van doorgaan. 
Pavlov’s Dog bestaat voor de opnamen in de New Yorkse Record Plant-studio’s van At The Sound Of The Bell naast Surkamp uit Doug Rayburn (mellotron, bas), David Hamilton (toetsen), Stephen Scorfina (sologitaar), Thomas Nickeson (akoestische gitaar, harmoniezang) en Richard Stockton (bas). En alsof dat niet genoeg is zijn de saxofonisten Michael Brecker en Andy Mackay (Roxy Music) ingehuurd, evenals Yes-drummer Bill Bruford, Steely Dan-gitarist Elliott Randall en het Mountain Fjord Orchestra De meest bizarre gasten zijn echter de jongens van het High Wycombe Boys Choir, die overigens wel ‘Valkerie en ‘Early Morning On’ naar grote hoogten stuwen. Deze vervreemdende songs worden echter in bombast overtroffen door het symfonische ‘Do You See Him Cry’. Daar tegenover staan kristalheldere songs die op sprookjesachtige wijze worden vertolkt door de vocale tovenaar Surkamp. Een tikje pompeus wellicht, en bezwangerd met de mellotron-sound, maar niettemin prachtig zijn melodramatische liedjes als ‘She Came Shining’, ‘Mersey’ en ‘Gold Nuggets’. At The Sound Of The Bell verschijnt in 1976, maar doet hoegenaamd niets in de Verenigde Staten. Pavlov’s Dog neemt nog wel een derde album op, maar CBS laat deze gewoon op de plank liggen en trekt de stekker eruit. Zonde, maar uniek blijft de sound van Pavlov’s Dog.

She Came Shining / Standing Here With You (Megan’s Song) / Mersey / Valkerie / Try To Hang On / Gold Nuggets / She Breaks Like A Morning Sky / Early Morning On / Did You See Him Cry

donderdag 12 december 2013

Mike Oldfield | Tubular Bells

Jong en tamelijk onervaren is Mike Oldfield als hem op 20-jarige leeftijd het onvoorstelbare succes van Tubular Bells overkomt. In één klap miljonair en een toekomstige legende; Mike Oldfields Tubular Bells ontketent in 1973 een ware muzikale revolutie. De weg naar het succes was echter niet gemakkelijk. Al op zijn vijftiende is Mike Oldfield professioneel muzikant, maar door LSD opgewekte kwade geesten, heftige angstaanvallen en angst voor de bühne hinderen de ontwikkeling van Oldfields talent als gitarist. Begin 1970 komt Mike Oldfield in de band van Kevin Ayers terecht, als bassist, maar een jaar later heft Ayers zijn band alweer op. 
Op een door Ayers geschonken taperecorder begint Oldfield op zijn zolderkamer in Noord Londen als een soort van therapie zijn muzikale ideeën uit te werken. Oldfield is geïnspireerd door de avant-gardist Terry Riley en door Pink Floyds Atom Heart Mother; hij beziet muziek als een samenhangend geheel, laag voor laag opgebouwd. Met behulp van de taperecorder knutselt hij een demo in elkaar waarin hij aan eerder opgenomen toetsen- en baspartijen, mandoline, akoestische en elektrische gitaar toevoegt. Zo ontstaat een instrumentaal muziekstuk van 24 minuten, getiteld Opus One. Aan het eind van 1971 komt Oldfield in contact met Richard Branson, eigenaar van een keten van mailorder platenwinkels, die net een opnamestudio op het platteland heeft geopend. Oldfield wordt daar gevraagd voor sessiewerk, maar bevriend geraakt met stafproducer Tom Newman mag de introverte muzikant met toestemming van Branson zijn schetsmatige demo's uitwerken tot een volwaardig muziekstuk. Nagenoeg alle instrumenten zullen worden bespeeld door de begaafde Oldfield: van grand piano tot basgitaar, van orgel tot elektrische gitaren, van mandoline tot het oorverdovende gedreun van het buisvormige klokkenspel. Hulp krijgt Oldfield van een contrabassist, een dwarsfluitspeler en de welluidende stem van ceremoniemeester Vivian Stanshall, die alle instrumenten introduceert ('too slightly distorted guitars') en tijdens de magistraal opgebouwde climax van het meesterstuk in beschonken toestand uitroept: 'tubular bells!' Omdat iedereen diep onder de indruk is, krijgt Oldfield het groene licht om een tweede deel op te nemen in The Manor; een tweede deel dat gekenmerkt wordt door enerzijds schitterende mandoline- en akoestische gitaarpartijen die een serene, pastorale sfeer oproepen en het animale gegrom anderzijds. In het voorjaar van 1973 is de plaat gereed.
Branson gaat ermee de boer op, maar er is geen enkele belangstelling. En dus richt Branson, die al met het idee rondliep, Virgin Records op om Mike Oldfields Tubular Bells aan de man te brengen. Een geniale move, zo zal blijken, want Virgins eerste release, op 25 mei 1973, slaat in Engeland in als een bom. Datzelfde jaar nog kiest regisseur William Friendkin de onheilspellende eerste piano-akkoorden van Tubular Bells als muzikale thema voor zijn horrorfilm The Exorcist. Het gevolg is dat Mike Oldfields complexe, maar geniale opus ook in Amerika een megasucces wordt. Van 'Part One' wordt een single samengesteld die de albumverkoop over de hele wereld aanjaagt, maar die in Nederland niet verder dan de tipparade komt. Het album wordt niettemin ook in Nederland ontvangen als een revolutionair en magistraal meesterwerk. Maar niet alleen door de rockliefhebbers, ook door het grote publiek, want Tubular Bells zal meermalen gebruikt worden als soundtrack in de films van... Bassie & Adriaan.

Tubular Bells (Part One) / Tubular Bells (Part Two)



zaterdag 30 november 2013

Svanfridur | What's Hidden There?

Weinig succes en een korte levensduur – van begin '72 tot medio '73 – kunnen niet verhullen dat Svanfridur met What's Hidden There? de beste IJslandse progrock-lp op hun naam hebben staan. Zelfs naar internationale maatstaven gemeten is het enige Svanfridur-album een klassieker in het genre, maar wel een heel obscure klassieker. Het kwartet vernoemt zich naar een serveerster van een populaire rockclub en heeft onmiddellijk succes in het IJslandse live-circuit met vooral covers van Britse bands. Voor hun debuutalbum gebruiken ze echter originele songs, die ze in nog geen veertig uur opnemen in de Londense Majestic Studios. Maar er is geen platenlabel, IJslands noch Brits, dat Svanfridurs plaat wil uitbrengen en dus komt What's Hidden There? in september 1972 uit op het eigen Swan-label. Er worden slechts een paar honderd exemplaren verkocht van dit schitterende album, dat het midden houdt tussen de pastorale psychedelica van Traffic, de rustieke progrock van Fantasy, de sprookjesachtige schoonheid van Genesis en de folky hardrock van Uriah Heep. Zweverige, bijzonder melodieuze rocksongs worden opgetuigd met fraaie arrangementen en lyrisch gitaarspel, voortreffelijk in 'Please Bend' en 'What Now You People Standing By'. Toch verkoopt What's Hidden There? bitter weinig zodat Svanfridur zichzelf in juli '73 opheft en een obscuur maar prachtig progrockalbum nalaat.

The Woman Of Our Day / The Mug / Please Bend / What's Hidden There? / Did You Find It? / What Now You People Standing By / Give Me Some Gas / My Dummy / Finido



woensdag 13 november 2013

Life | Life

Voor de Europese markt is Life een obscuriteit, want afkomstig uit het tegen wil en dank hermetische Zweden. Toch doet dit trio, afkomstig uit Stockholm, in 1971 een dappere poging de Britse markt te penetreren door hun debuut-lp ook in een Engelstalige versie op te nemen. Life wordt in 1970 opgericht door drie jonge, maar ervaren muzikanten: zanger/bassist Paul Sundlin, gitarist/toetsenist Anders Nordh en drummer Thomas Rydberg. Zo'n 20 jaar zijn ze als ze in de zomer van 1970 optreden tijdens het Mantorp Festival, het Zweedse equivalent van Woodstock ,en in dat najaar voorprogramma's verzorgen voor Procol Harum en Deep Purple. Nog datzelfde jaar neemt Life zijn debuutalbum op in de EMI-studio in Stockholm; de teksten zijn dan nog in de moedertaal, maar Life neemt ook een Engelstalige versie op.
Die versie verschijnt in het voorjaar van 1971 op Columbia – en wat een schitterend versie is dit. Life onderzoekt de grenzen van de rock – zoals die in 1970 bestaan – en absorbeert vele muziekstijlen: van psychedelische Westcoast-rock tot Canterbury-progrock; van Beatles-harmonieën tot elektrificerende hardrock. De veertien majesteitelijke songs roepen vergelijkingen op met velen: zoals Cream in 'Many Years Ago'; Uriah Heep in 'She Walks Across The Room'; The Pretty Things van Parachute in 'Living Is Loving'; Caravan in 'Nobody Was There To Love Me'; en Moby Grape van 69 in 'Every Man'. Life heeft een fascinerende eclectische stijl die, anno 1971, de schitterendst denkbare muziek in zich verenigt. De Zweden hebben niet alleen een uitstekende radar voor wat de rockmuziek interessant maakt, maar bezitten ook de technische vaardigheden dit in de studio vast te leggen. Life kent niet alleen een uitstekend geluid, maar kenmerkt zich bovendien door fraaie orkestrale arrangementen – in het ronduit prachtige, Spooky Tooth-achtige 'Once Upon A Time' – en het werkelijk superieure gitaarspel van Anders Nordh, getuige de splijtende gitaarsolo in het meeslepende 'Yes, I Am'.
De Zweden hebben met Life een band van wereldklasse in huis, maar de Engelstalige versie van hun debuutplaat ten spijt, een internationale doorbraak zit er niet in. Eén van de beste album ooit in Zweden opgenomen, aldus de pers, verdwijnt al snel in de obscuriteit, temeer omdat het trio na een tour met de Hair-musical, zich niet meer op Life kun focussen. Al in het voorjaar van 1972 is dus het Life-avontuur voorbij, rest een tamelijk briljant rockalbum.

Quo Vadis (I) / Nobody Was There To Love Me / Many Years Ago / Experience Of Love / She Walks Across The Room / Sailing In The Sunshine / Quo Vadis (II) / Living Is Loving / Every Man / Experience Or Die / One Of Us / Yes, I Am / Once Upon A Time / Quo Vadis (III)


vrijdag 6 september 2013

Man | Slow Motion

De band uit Wales ploetert jarenlang voor zijn bestaansrecht, maar echt groot succes zal Man niet bereiken, ondanks hard werken en een oeuvre van fantasierijke en gedurfde albums. Als Man in 1974 terugkeert van hun eerste Amerikaanse tournee is de studio voor de follow-up alweer geboekt. Door het plotse vertrek van de toetsenist is Man weer een viertal, maar dat verhindert de hippieband niet om met veel enthousiasme en nieuw hoofdstuk toe te voegen aan een bestaan van geïmproviseerde progrock, spunkrock, spacerock en mellow Westcoastrock. Slow Motion is Mans tiende lp en is vanwege de frisheid en compactheid een van de beste. Gestoken in een door graphic artist Rick Griffin ontworpen hoes met daarop afgebeeld het Mad-karakter Alfred E. Neuman, is Slow Motion met geweldige tracks als ‘Grasshopper’, het Rundgreniaanse ‘One More Change’, de Westcoastballad ‘Rainbow Eyes’ en het fenomenale ‘Bedtime Bone’ een atmosferisch en gevarieerd gitaaralbum. Dit wordt het jaar daarop nog eens bevestigd door de fraaie liveplaat Maximum Darkness, maar Man is dan aan het eind van zijn latijn. Desondanks is het ‘nadagenalbum’ Slow Motion een creatief hoogtepunt van de cultgroep die Man was en nog steeds is.

Hard Way To Die / Grasshopper / Rock And Roll You Out / You Don’t Like Us / Bedtime Bone / One More Change / Rainbow Eyes / Day And Night 

zondag 7 juli 2013

Fantasy | Paint A Picture

Eerst heet de band Chapel Farm, dan Firequeen en, in 1973, uiteindelijk Fantasy. Het vijftal uit Gravesend, Kent, in leeftijd variërend van 19 tot 23 jaar, komt dan onder contract bij Polydor. Het momentum is ideaal; progressive rock en avontuurlijke hardrock regeren in het Engeland van 1973 de albumlijsten; Tolkien-achtige sferen, lyrische gitaarsolo's en sfeervolle mellotron-partijen maken terecht de dienst uit. Het debuutalbum van Fantasy past perfect in dit plaatje en ook Polydor promoot Paint A Picture stevig. 
Het mag echter niet baten: niemand koopt het album. En dat is ronduit onvoorstelbaar want Paint A Picture is een van de beste lp’s in het genre van pastorale symfonische rock. Paint A Picture zit boordevol prachtige, uitgesponnen songs waarin mellotron, hammond en elektrische gitaren hoofdrollen vervullen. Het titel- en openingsnummer, 'Circus', 'Icy River' en 'The Gnome Song' kennen bovendien naast de voortreffelijke muzikale invulling prachtige melodieuze zang. Alle tien tracks van Paint A Picture zijn overigens uitzonderlijk sterk; majesteitelijk zweven de songs de hemel tegemoet, gedragen door ijle en sferische toetsen – en schitterende gitaarsolo’s. Een sprookjesachtig album, maar niet in de ogen van het platenkopende publiek. Als het vijftal in de studio zit voor de opvolger zet Polydor Fantasy rücksichtslos op straat. Vanzelfsprekend is Paint A Picture dus dat zeer bijzondere collector’s item.

Paint A Picture / Circus / The Award / Politely Insane / Widow / Icy River / Thank Christ / Young Man’s Fortune /Gnome Song / Silent Mine 

zondag 16 juni 2013

Rare Bird | Epic Forest

Oorspronkelijk is het Londense Rare Bird een pure progressive rockband, want de eerste band die een album uitbrengt op het fameuze Charisma-label. Bovendien wordt Rare Bird gedomineerd door twee toetsenisten. Zowel het debuut uit 1969 als de opvolger van een jaar later bevatten uitgesponnen en atmosferische rocknummers opgetrokken rond orgel en synthesizers. Dat is anders op het derde album, Epic Forest. Rare Bird is dan eerst opgeheven, maar vervolgens uit de as herrezen. Een nieuwe drummer, een gitarist en zanger Steve Gould die eveneens de elektrische gitaar heeft opgepakt, zorgen voor een folky, pastoraal geluid. Naast de subtiele gitaarpartijen en de groovy ritmes valllen de fraaie zangharmonieën op, waardoor Epic Forest een dromerige Westcoast-sfeer kent. Compacte, harmonieuze en doordachte songs verlenen Epic Forest een subtiele schoonheid. Maar het nieuwe geluid levert Rare Bird geen nieuw publiek op, evenmin als de vele personeelswisselingen. In 1976 valt dan ook het doek voor het nogal ondergewaardeerde Rare Bird.

Baby Listen / Hey Man / House In The City / Epic Forest / Turning The Lights Out / Her Darkest Hour / Fears Of The Night / Turn it All Around / Title No.1 Again (Birdman)

vrijdag 8 maart 2013

Cressida | Cressida


Cressida is een typische exponent van de rural progressive. Het is de melodieuze, melancholieke kant van de progrock, hergeen zich uit in compacte, prachtige liedjes en de warme sound van het Hammond-orgel. De zwierige en zwiepende orgelpartijen roepen een vergelijking met Caravan op. Het is de pastorale sound van de hippies die zich terugtrekken op het platteland. Naast de rollende toetsen is er een bescheiden rol voor de mellotron en een iets minder bescheiden rol voor de elektrische gitaar. In het hoogtepunt ‘Depression’ vloeien gitaar en toetsen organisch samen. Geen complexe structuren bij Cressida, nee, soepele, vloeiende songs die van Cressida een wonderschoon album maken. Opvolger Asylum (1971) doet daar overigens weinig voor onder.

To Play Your Little Game / Winter is Coming Again / Time For Bed / Cressida / Home And Where I Long To Be / Depression / One Of A Group / Light In My Mind / The Only Earthman In Town / Spring ’69 /Down Down / Tomorrow Is A Whole New Day 

donderdag 7 maart 2013

Steel Mill | Green Eyed God


Als het debuutalbum van Steel Mill, Green Eyed God, in 1975 een binnenlandse release krijgt, is de band al zo'n drie jaar passé. Een commerciële mislukking, maar welbeschouwd een creatief succes want Green Eyed God is een heavy progressive monster. En dat is nogal wonderlijk voor een band waarvan de leden beïnvloed zijn door traditionele folk, geïmproviseerde jazz en zwarte blues. Begin '69 opgericht in Zuid Londen, begint Steel Mill te experimenteren met progressive elementen en heavy riffs. Belangrijke details tegenover de vete gitaarriffs en venijnige solo's zijn de zweverige dwarsfluitsolo's en de spaarzaam ingezette saxofoon. Dan wordt Steel Mill ontdekt door de Dj's van Radio Luxemburg, sluiten een platencontract met het Penny Farthing-label, treden op op het Reading-festival en brengen in augustus '71 de debuutsingle 'Green Eyed God' uit. 
Eind 1971 neemt de band in een korte tijdsspanne hun debuutplaat op, die Penny Farthing echter weigert uit te brengen en op de plank laat liggen. Gelukkig brengt het Duitse Bellaphon in 1972 wel Steel Mills schitterende debuut uit. Enerzijds rockt de band op de acht tracks hard door de ijzeren gitaarriffs en de ronkende Hammond, maar anderzijds maken luchtige jazzy ritmes en lyrische folky passages, hoewel nog steeds heavy, Green Eyed God opvallend gevarieerd. In het spoor van de gelijknamige single volgens prachtige donkergetinte tracks als 'Blood Runs Deep', 'Summer's Child', Turn The Page Over' en 'Black Jewels Of The Forest'. In Engeland echter, zien de bandleden hun momentum vervliegen en besluiten eind '72 Steel Mill op te heffen. Als mosterd na de maaltijd brengt Penny Farthing drie jaar later het meesterlijke progressive hardrockalbum tevergeefs op de markt. Green Eyed God is gedoemd, obscuur en een klassieker in het genre.

Blood Runs Deep / Summer's Child / Mijo And The Laying Of The Witch / Treadmill / Green Eyed God / Turn The Page Over / Black Jewel Of The Forest / Har Fleur

maandag 31 december 2012

Sweet Smoke | Just A Poke


Just A Poke is in het begin van de jaren zeventig immens populair in Nederland. De onnadrukkelijk aanwezige hippiemuziek van Sweet Smoke doet het bijzonder goed op feestjes. Sweet Smoke is een beetje Nederlands, en nog meer Duits, want woonachtig in Emmerich, aan de Rijn, net over de grens. Het hippiecollectief is echter afkomstig uit New York, maar na omzwervingen over de hele wereld vestigt de band zich in 1969 in Duitsland. Met engineer Conny Plank neemt het vijftal een jaar later zijn debuutalbum op, die gestoken is in een magnifieke, psychedelische hoes van de Nederlandse kunstenaar Jan Fijnheer. Jazz, blues en progrock zijn de ingrediënten van Just A Poke, dat verdeeld is over twee geïmproviseerde stukken elk met een duur van 16 minuut 34. ‘Baby Night’, voor een groot deel bij elkaar gejat, is een intensieve en fantasierijke suite waarin dwarsfluit, tenorsax en elektrische gitaar figureren, wat net zo makkelijk gezegd kan worden voor ‘Silly Sally’ waaraan ook nog eens een lange en elegante drumsolo is toegevoegd. De swingende rock van Sweet Smoke is bijzonder populair in Nederland en Duitsland, al neemt de band gedecideerd afstand van zijn publiek door voor een jaar naar India te vertrekken. Niettemin blijft Just A Poke zijn rondjes in Nederlandse slaap- en huiskamers draaien.

Baby Night / Silly Sally