maandag 22 mei 2017

Eggs Over Easy | Good ’N’ Cheap: Eggs Over Easy

Voor liefhebbers van seventies rock is dit een bijzonder interessante release; om niet te zeggen een verplichte aanschaf. Eggs Over Easy is, dat moet gezegd, een tamelijk onbekende, obscure band. Het allerbelangrijkste wapenfeit lijkt echter wel het feit dat deze Amerikaanse band de grondleggers zijn van de Britse pubrock. Opgericht in Amerika door Austin de Lone (toetsen, gitaar, zang), Jack O’Hara (gitaar, bas, zang) en Brien Hopkins (gitaar, piano, bas, zang) in 1969 - en heen en weer reizend tussen New York en San Francisco - krijgt het trio in 1970 de kans een plaat op te nemen met Animals-bassist en Jimi Hendrix-manager Chas Chandler - maar dan wel in Londen. De band vliegt naar de UK, neemt zijn debuutalbum op, maar dan stokt alles. Eggs Over Easy blijft berooid in Londen achter. Dan komt het lumineuze idee op om (gratis) te gaan spelen in jazzcafé The Tally Ho. En dat wordt heel langzaam een succes, maar wel zo’n succes dat een stroming geboren wordt als ook bands als Brinsley Schwartz, Dr. Feelgood, Help Yourself en Bees Making Honey de Londense pubs bespelen: pubrock - de voorloper van punk - is geboren. Terug in Amerika kan Eggs Over Easy gelukkig hun eerste plaat Good ’N’ Cheap (1972) - geproduceerd door Link Wray - op het thuispubliek loslaten. Het is een fraai album, maar krijgt geen aandacht. Datzelfde lot is Fear Of Frying (1980) beschoren. Exit Eggs Over Easy. 
In 2016 is er dan eindelijk - voor zoiets is het nooit te laat - Good ’N’ Cheap: Eggs Over Easy, dat alles bevat wat de mannen hebben opgenomen. Het is een uitstekende gelegenheid om opnieuw kennis te maken met de  voortreffelijke rootsrock - gebaseerd op The Band - van Eggs Over Easy. Maar wat dit Eggs Over Easy-totaaloverzicht zo bijzonder maakt is de toevoeging van de Londense sessies met Chas Chandler: London ’71 is een overrompelend americana-album dat inderdaad de brille van Eggs Over Easy ten volle etaleert. Een geweldig overzicht deze dubbel-cd, maar likkebaardend kijk ik wel met een schuin oog naar de schitterend uitgevoerde vinyl-versie: een box met drie lp’s.

‘Party Party’ | ‘Arkansas’ | ‘Henry Morgan’ | ‘The Factory’ | ‘Face Down in the Meadow’ | ‘Home to You’ | ‘Song Is Born of Riff and Tongue’ | ‘Don’t Let Nobody’ | ‘Runnin’ Down to Memphis’ | ‘Pistol on A Shelf’ | ‘Night Flight’ | ‘I’m Gonna Put A Bar in the Back of My Car (& Drive Myself to Drink’ | ‘Horny Old Lady’ | ‘Fire’ | ‘Scene of the Crime’ | ‘Forget About It’ | ‘Louise’ | ‘Lizard Love’ | ‘You Lied’ | ‘Driftin’’ | ‘She Loves Me’ | ‘Action’ | ‘Mover’s Lament’ | ‘Nonnie Nookie No’ | ‘Goin’ to Canada’ | ‘I Can Call You’ | ‘Right On Roger’ | ‘Country Waltz’ | ‘Give Me What’s Mine’ | ‘Across from Me’ | ‘Waiting for My Ship’ | ‘January’ | ‘Give and Take’ | ‘Funky But Clean’ | ‘I’m Still the Same’ | ‘111 Avenue C’ 

Eerder gepubliceerd in popmagazine Heaven.

donderdag 18 mei 2017

Soundgarden | Superunknown

De opkomst van de grunge – de hardrock van de jaren negentig – is onverbrekelijk verbonden met de stad Seattle en het platenlabel Sub Pop. De eerste bands die eind jaren tachtig hun lawaaiige metalpunk op het label uitbrengen zijn Green River, Mudhoney en Soundgarden. De laatste zal, al loopt hun ontwikkeling niet parallel, met Nirvana uitgroeien tot dé exponenten van Sub Pop-Seattle. Soundgarden breekt dan ook niet door met een explosie, maar geleidelijk. Op de debuut-ep Screaming Life klinkt Soundgarden – Chris Cornell (zang), Kim Thayil (gitaar), Matt Cameron (drums) en Hiro Yamamoto (bas) – als een jeugdige, schreeuwerige variant van Led Zeppelin-bravado en Black Sabbath-riffs. 
Het eerste album, Ultramega OK, verschijnt in 1988 op het SST-label, waarna de band als eerste grungeband bij een major tekent. Na Louder Than Love in 1989 verschijnt in 1991 Badmotorfinger bij het A&M-label, Yamamoto is dan vervangen door Nirvana-roadie Ben Shepherd. De grote katalysator in de ontwikkeling van Soundgarden – of althans in die van componist en songschrijver Cornell – is de release van het Temple Of The Dog-album, een eerbetoon aan Cornells vriend, de overleden zanger van Mother Love Bone, Andrew Wood. Chris Cornells compositorische bijdragen zijn slepend en bluesy; diens zang is fenomenaal. 
Voor het volgende album van Soundgarden zal Cornell gebruikmaken van deze nieuwe verworvenheden. Met producer Michael Beinhorn (Herbie Hancock, Red Hot Chilli Peppers) neemt de band zijn nieuwe album op in de Bad Animals-studio in Seatlle, eigendom van de Heart-zusjes Ann en Nancy Wilson. Superunknown, uitgebracht op 8 maart 1994, is een definitieve afrekening met het grungetijdperk, want Soundgarden combineert de melodieuze kant van Zeppelin en Sabbath met de heavy kant van The Beatles. Transparant, slepend en soms bijna pastoraal zijn de midtempo-songs die op Superunknown de dienst uitmaken: 'Fell On Black Days', 'Limo Wreck', 'The Day I Tried To Live', '4th Of July'  en 'Like Suicide'. Ze zijn alle opgetrokken uit Thayils dromerige gitaarmuren en Cornells verbluffende zang. In overtreffende zin blijkt dat ook wel uit het fantastische 'Black Hole Sun', een wereldwijde hit – mede door fascinerende, vervreemdende videoclip – die ook in Nederland in de top 40 staat. Superunknown is in feite geconcipieerd als een mijlpaal in de rockhistorie; alle ingrediënten – sterke composities, fenomenale zang, gitaren en rockpower – zijn inderdaad aanwezig om daarvan te kunnen spreken. Superunknown is dan ook een puur meesterwerk. 
Dat vinden de platenkopers ook: al aan het eind van '94 is Superunknown wereldwijd meer dan vier miljoen maal over de toonbank gegaan. Soundgarden wordt er aldus verantwoordelijk voor gehouden de grunge definitief ten grave te dragen. Dat mag zo zijn, maar als een feniks uit de as herrijst er een nieuwe rockhiërarchie van helderheid, logheid, ruimtelijke gitaren en Chris Cornells geweldige zang – die overigens in 2006 verantwoordelijk is voor de themasong van de James Bond-film Casino Royale.  

Let Me Drown / My Wave / Fell On Black Days / Mailman / Superunknown / Head Down / Black Hole Sun / Spoonman / Limo Wreck / The Day I Tried To Live / Kickstand / Fresh Tendrils / 4th Of July / Half / Like Suicide / She Likes Surprises 

Op 17 mei 2017 benam Chris Cornell zich het leven.

maandag 15 mei 2017

Citizen K | Second Thoughts

Acht jaar geleden debuteerde Citizen K met een verrassende retro-plaat, de sfeer in beeld en geluid ademend van de vroege jaren zeventig. Meet Citizen K - gestoken in een een vet naar Jackson Browne’s Saturate Before Using knipogende hoes was een heerlijke kennismaking met de Zweed Klas Qvist. Nu in 2017 komt Citizen K met een klassiek dubbelalbum, wat volgens de liner notes in 1968 een major rock music statement was. En misschien is Second Thoughts dat ook wel, want rijkelijk gevuld met prachtige rocksongs, gevoelige pianoliedjes en schitterende gearrangeerde Beatles- en Beach Boys-pop. De 23 tracks bieden enorm veel variatie, maar zijn steeds voorzien van geraffineerde instrumentatie en dito arrangementen. Second Thoughts is een waar smorgasbord van klassieke seventies rock.

‘Mindexpander Parts 1 & 2’ | ‘Songs of Adjustment’ | ‘Siamese Twinkle Stars’ | ‘Train of No Forgiveness’ | ‘She Will probably Tell You’ | ‘And Now, Let’s Turn the Page, Said the King’ | ‘King of Second Thoughts’ | ‘Hang On to Your Sanity’ | ‘Remembering Helena’ | ‘Floor Thirteen’ | ‘Empty Chair’ | ‘Just Once More (Second Hand Opinion)’ | ‘In Holland’ | ‘Wasps & Cars’ | ‘Dutch Coffee’ | ‘So This Is Life (I Didn’t Know)’ | ‘When Birds Fly South’ | ‘Something Truly Magic’ | ‘I Think You’ve Been Cheated Too’ | ‘Rest Your Head’ | ‘(This Is) Our Town’ | ‘The Band in the Attic’ | ‘Citizen K’s Dream’  

woensdag 10 mei 2017

Ken Hensley | Proud Words On A Dusty Shelf

Ter illustratie dat Kenneth William David Hensley een druk, bezig en bazig mannetje is, het volgende: In 1965 formeert hij The Gods, die in 1968 en 1969 lp's uitbrengen. Het volgende Hensley-album is in 1970 Head Machine's Orgasm, waarna Hensley doorstoomt naar Toe Fat, wier twee platen geproduceerd worden door John Peel. Nog voor het tweede album is Ken Hensley alweer getransfereerd naar Spice, dat zich – het is dan nog steeds 1970 – Uriah Heep noemt. Met het geweldige Uriah Heep begint Ken Hensley aan een solide carrière, maar o, ongedurigheid, in 1971 – tussen de Heep-albums Salisbury en Look At Yourself – gaat Hensley naar Hamburg, West-Duitsland om daar met de Krautrockers van Virus onder de naam Weed een gelijknamig album uit te brengen. Weed is een soort van mystificatie, maar is wel Ken Hensley in zijn hardrockende Uriah Heep-hoedanigheid all over the place. 
Hoewel het erop lijkt dat de organist, gitarist en componist zijn ei voldoende kwijt kan in Uriah Heep, is Hensleys geldingsdrang allesoverheersend, want nu - in 1972 - moet er een solo-album komen om zijn behoeften optimaal te bevredigen - Uriah Heep is dan op zijn hoogtepunt met de albums Demons and Wizards en The Magician’s Birthday, culminerend in een kokend live-dubbelalbum. Toch moet de eigenwijze Hensley juist dan met een solo-album komen. Het lijkt een zelfmoordmissie, en dat is het ook, want wie kent nu Ken Hensley’s Proud Words On A Dusty Shelf? Niemand, maar deze niemanden doen zichzelf wel tekort. Hensley heeft, verspreid over een jaar, in de Londense Landsdowne Studios een serie songs opgenomen die weliswaar in het Uriah Heep-repertoire zouden passen, maar eigenlijk net even wat pastoraler en meer folky zijn. Ken Hensley gebruikt op zijn eigen album alleen de Heep-ritmesectie, bassist Gary Thain en drummer Lee Kerslake, en doet de rest verder zelf. Zoals lekker venijnig en scherp gitaarwerk in ‘When Evening Comes’, ‘Proud Words’ en ‘Cold Autumn Sunday’, maar verzorgt ook eigenhandig zangpartijen die melodieus, harmonieus en vooral warm zijn (‘From Time to Time’, ‘King Without A Throne’ en ‘Black Hearted Lady’). Gecombineerd, gitaar en zang, levert dat in ‘Fortune’ een werkelijk hoogtepunt op.
Proud Words On A Dusty Shelf is echt een mooi album dat pastorale, ingetogen rock vermengt met hardrock - zoals bijvoorbeeld Alvin Lee dat in hetzelfde jaar ook doet met On the Road to Freedom - maar niettemin valt Ken Hensleys soloplaat tussen wal en schip. Vooral omdat Uriah Heep datzelfde jaar met het ijzersterke Sweet Freedom voor de dag komt. Ken Hensley is - ook al omdat hij het creatieve genie achter Uriah Heep is - ongebroken, want blijkens de hoestekst van Proud Words On A Dusty Shelf gezegend met een gigantisch ego:

Having lived with Ken for 27 years and having worked with him most of that time I find I quite like him really.
- Ken Hensley, November 1972 

‘When Evening Comes’ | ‘From Time to Time’ | ‘King Without A Throne’ | ‘Rain’ | ‘Proud Words’ | ‘Fortune’ | ‘Black Hearted Lady’ | ‘Go Down’ | ‘Cold Autumn Sunday’ | ‘The Last

vrijdag 5 mei 2017

John Moreland | Big Bad Luv

In zijn jeugd speelde hij in talloze hardcorebands, maar in 2013 zag John Moreland het licht - net als de vele americana-liefhebbers die hem opmerkten: In The Throes was een prachtige plaat. De opvolger in 2014 was nog even een slagje beter. Op High On Tulsa Heat was een singer-songwriter aan het woord die het beste van Steve Earle en Guy Clark in zich verenigde. Het betekende voor de geboren Texaan, maar in Tulsa, Oklahoma woonachtige lijvige en zwaar bebaarde bard een bescheiden doorbraak. Moreland is nu moving into a bigger arena; heeft getekend bij het Britse 4AD, een adequate band in dienst genomen en laat nu in 2017 het ijzersterke Big Bad Luv verschijnen. Wat gelijk opvalt is dat Moreland beduidend vrolijker gestemd lijkt dan eerder en dat de instrumentatie nu rijker en voller is - en dat is een gouden combinatie. Drums zijn nadrukkelijker aanwezig en vaak up-tempo; akoestische gitaren jengelen en jubelen en er is royale versiering van piano, Hammond en twang-gitaar. Love Is Not An Answer is hiervan een o zo fraai voorbeeld, waar Moreland overigens doet denken aan Chris Stapletons Traveller (2015). Een andere vergelijking die opdoemt is dat Morelands stem gelijkt op die van Springsteen ten tijde van The River (Lies I Chose To Believe, No Glory in Regret). Denk overigens niet dat Moreland een vrolijke frans is geworden; hij zingt nog steeds over zijn persoonlijke angsten en duivels. Het indringendst in de afsluiter Latchkey Kid - hijzelf was inderdaad zo’n sleutelkind. Big Bad Luv is een ambitieus album, waarmee Moreland tot een grote groep van luisteraars kan doordringen. Dat moet lukken met zo’n ronduit schitterend america-album.

‘Sallisaw Blue’ | ‘Old Wounds’ | ‘Every Kind of Wrong’ | ‘Love Is Not An Answer’ | ‘Lies I Chose To Believe’ | ‘Amen, So Be It’ | ‘No Glory in Regret’ | ‘Ain’t We Gold’ | ‘Slow Down Easy’ | ‘It Don’t Suit Me (Like Before)’ | ‘Latchkey Kid’ 

Gepubliceerd in PlatoMania nr. 337.

dinsdag 2 mei 2017

Robert Johnson | Close Personal Friend

Als jong broekie speelt Robert Johnson eind jaren zestig al mee op albums van het Stax-label. Johnson zit als inwoner van Memphis, Tennessee bovenop de scene en kan bovendien een lekker poepie gitaar spelen. Dat doet hij dus op platen van Isaac Hayes, Solomon Burke en Ann Peebles. Het moge duidelijk zijn dat de bebrilde and nerdy knul een funky gitarist is. Robert Johnson is zelfs in 1975 kandidaat om Mick Taylor te vervangen in The Rolling Stones. Maar dat gaat zoals we weten niet door. Dan formeert Johnson maar zijn eigen band: hij rekruteert een drummer en bassist uit de Stax-studio, regelt een contract met Mercury en gaat in de Ardent Studios in Memphis en The Record Plant in New York zijn debuutplaat opnemen. Close Personal Friend is in 1978 een hippe new wave-plaat, boordevol 18-karaats liedjes die gedomineerd worden door Johnsons nerveuze, drukke gitaar. En dat levert memorabele, ja zelfs klassieke powerpopliedjes op als ‘I’ll Be Waiting’, ‘Wish Upon A Star’, ’Responsibility’ en ‘Wreck My Mind’. 
Met zijn lullige kapsel, dito bril, belachelijke oversized broek en deze messcherpe plaat op zak, bevindt Robert Johnson zich eind jaren zeventig in goed gezelschap van lui als Moon Martin, The Knack, The Dwight Twilley Band en Tom Petty and the Heartbreakers. Close Personal Friend kan de concurrentie met hun beste werk makkelijk aan. O, en ‘Responsbility’ is zo’n heerlijk enerverend new wave-liedje.

‘I’ll Be Waiting’ | ‘Wish Upon A Star’ | ‘Guide My Energy (Parts 1 & 2)’ | ‘Say Girl’ | ‘Responsibility’ | ‘Kerri’ | ‘Leslie’ | ‘Wreck My Mind’ | ‘Debbie’s Theme’ | ‘Tell Me About It, Slim’

zaterdag 22 april 2017

Love | Forever Changes


Ondanks de lieflijke bandnaam blijken de leden van Love een groep agressieve en intimiderende muzikanten te zijn. In het bijzonder is voorman Arthur Lee een real pain in the ass. Het staat in schril contrast met de über-romantische en bijna van ultieme schoonheid barstende popmuziek die wordt gevormd door Forever Changes. Begin 1967 zijn Arhur Lee (zang, gitaar), Bryan Maclean (zang, ritmegitaar), John Echols (leadgitaar), Ken Forssi (bas) en Michael Stuart (drums) dé popkids van Sunset Boulevard. De psychedelische sound van Love is de jingle-jangle-pop van The Byrds voorbij, evenals de rauwe rhythm & blues van de garagebands. Een nieuwe dageraad breekt aan, waarin de orkestrale pop van Phil Spector, Burt Bacharach en Pet Sounds een duivels verbond aangaat met garagepunk. En waarin de gelukzaligheid van de flowerpower plaats maakt voor weirde en duistere rock die de onschuld voorbij is. 
De architect van dit nieuwe Los Angeles, van deze nieuwe era is Arthur Lee, tovenaar Arthur Lee. Maar voordat het zover is, ontstaan er scheuren binnen de Love-gelederen. Lee, egocentrisch, maniakaal weigert op tournee te gaan en heeft zich teruggetrokken bovenop Mulholland Drive, met zicht op de stad beneden zich, en consumeert veel drugs, te veel drugs. Daar, in die afzondering, schrijft Lee nieuwe songs, voornamelijk op zijn akoestische gitaar. Aangezien de groep op dat moment geen hechte unit is, laat producer Bruce Botnick Lee in de Sunset Sound-studio bijstaan door leden van The Wrecking Crew: Carol Kaye (bas), Billy Strange (gitaar) en Hal Blaine (drums). Lee neemt met hen, overigens in de aanwezigheid van de overige Love-muzikanten, ‘Andmoreagain’ en ‘The Red Telephone’ op – met die alleszeggende beginzin: Sitting on the hillside / Watching all the people die. Een maand later is Love weer bijeen om verder te werken aan Forever Changes. Zonder studiomuzikanten zet de band een organisch en akoestisch klankbeeld neer van subtiele drums en akoestische gitaren, slechts twee keer doorsneden door een priemende gitaarsolo van Echols: in ‘A House Is Not A Motel’ en ‘Live And Let Live’. 
De perfecte opener van Forever Changes, ‘Alone Again Or’, is een van de twee door Maclean geschreven songs en valt direct op door de flamenco-gitaar en de mariachi-trompet. Wat volgt is een ongenaakbare serie complexe liedjes met veel akkoordenwisselingen en gedurfde muzikale arrangementen. De cynische teksten van Lee contrasteren sterk met het warme, zachte akoestische gitaarspel en de incidentele klavecimbel. Dit wordt nog versterkt door de overrompelde orkestrale arrangementen die worden ingespeeld door strijkers- en blazerssectie van het Los Angeles Philharmonic. Deze perfecte samensmelting krijgt zijn apotheose in het symfonische slotakkoord van Forever Changes: ‘You Set The Scene’. 
Forever Changes wordt geen hitalbum, maar met het verstrijken van de jaren – en de legendevorming van die waanzinnige sixties – is algemeen aanvaard dat Arthur Lee’s meesterwerk behoort tot de beste platen ooit gemaakt. 

Alone Again Or / A House Is Not A Motel / Andmoreagain / The Daily Planet / Old Man / The Red Telephone / Maybe The People Would Be The Times Or Between Clark And Hilldale / Live And Let Live / The Good Humor Man He Sees Everything Like This / Bummer In The Summer / You Set The Scene