woensdag 18 oktober 2017

Charlie | No Second Chance

Opgericht in Londen in 1971 door niet bepaald kleurrijke muzikanten, is Charlie een passende - kleurloze - naam voor de band. Charlie rommelt wat aan in het clubcircuit en mag in 1973 een single opnemen voor Decca. Het wordt niets. Twee jaar later ziet Queen-producer Roy Thomas Baker wel wat in de band; in 1976 verschijnt het debuutalbum Fantasy Girls op Polydor. De sound van Charlie is licht-symfonisch en wordt gedragen door fraai gitaarwerk en messcherpe, C,S&N-achtige samenzang. In voorprogramma’s van The Who, Bad Company, Focus en Fleetwood Mac mag Charlie zijn kunstje laten zien en dat leidt weer tot een tweede album in 1977: No Second Chance, feitelijk een prachtige, melodieuze plaat. Maar punk blaast - zeker in Londen - al het oude en vertrouwde weg. Bands als Charlie zijn op slag overbodig, en dus heft de band zichzelf op.
Een klein Amerikaans label heeft echter No Second Chance - met nu op de hoes een pin-upgirl - aldaar uitgebracht en de van het album getrokken single ‘Johnny Hold Back’ wordt een radiohit. In feite is No Second Chance - onbewust - een door-en-door Amerikaans FM-radioalbum; gepolijst-melodieus, gave zang, dynamische rockliedjes. Opener ‘No Second Chance’ is direct al zo’n fijn, meezingbaar rockliedje, gevolgd door het schitterende, melancholieke ‘Don’t Look Back’. Na ‘Johnny Hold Back’ is het catchy, lichtvoetige ‘Turning To You’ de volgende Amerikaanse hit, maar de epische songs ‘Thirteen’ en ‘Guitar Hero (False Messiah)’ spannen toch echt de kroon met hun voortreffelijke samenzang en spannende gitaarsolo’s. Al met al is No Second Chance een mooi album van de tweededivisieband die Charlie in het pre-punktijdperk uiteindelijk toch is. 

‘No Second Change’ | ‘Don’t Look Back’ | ‘Pressure Point’ | ‘Turning To You’ | ‘Thirteen’ | ‘Lovers’ | ‘Johnny Hold Back’ | ‘Love Is Alright’ | ‘Guitar Hero (False Messiah)’

zaterdag 14 oktober 2017

CRB | Barefoot In The Head

CRB staat natuurlijk voor Chris Robinson Brotherhood, een broederschap die hij niet meer heeft met zijn broer Rich, maar sinds 2011 alweer met meestergitarist - en fameus singer-songwriter - Neal Casal. Als de Brotherhood bereizen zij het land en spelen ellenlange jam-shows, eer betonend aan klassieke bands als The Grateful Dead en The Allman Brothers Band, maar ook aan de eigen legacy van The Black Crowes. Ook de albums vanaf het debuut Big Moon Ritual ademen in een bijzonder losse sfeer bluesy psychedelica. 
Chris Robinson is een onvervalste hippie, een kosmische hippie, en op het vijfde CRB-album ontpopt hij zich ook nog eens als een eigentijdse Neil Young - dat hij overigens in 2002 eerder beproefde met zijn solodebuut New Earth Mud. Tezamen zijn dat nogal wat vergelijkingen en aanbevelingen, maar Barefoot In The Head is dan ook echt dat schitterende album dat de vergelijkingen kan doorstaan, want sfeervol, lyrisch en tijdloos. Robinson en Casal kiezen op Barefoot In The Head voor een lichtere toets, een meer akoestische benadering, een meer song-gerichte aanpak. Dat resulteert in het beste Brotherhood-album tot zover. Barefoot In The Head start met ‘Behold The Seer’ vertrouwd en funky, maar de hartverwarmende, pastorale songs die volgen genereren een extra dimensie die de band nog niet bezat: ‘She Shares My Blanket’, ‘If You Had A Heart To Break’, ‘Glow’. En werkelijk nog fraaier is ‘Blonde Light Of Morning’. Afwisseling is er met het geinige bluegrassliedje ‘High Is Not The Top’, het funky ‘Blue Star Woman’ en het intieme ‘Dog Eat Sun’, dat verfraaid wordt door meerstemmige zang, een zoemende Taurus Moog en Casals elektrische gitaarscheuten. 
Resumerend is Barefoot In The Head een avontuurlijk en coherent rootsrockalbum met een meer dan gemiddeld aantal sublieme liedjes. Zoals gezegd, Chris Robinson Brotherhoods beste, allerbeste. 

‘Behold The Seer’ | ‘She Shares My Blanket’ | ‘Hark, The Herald Hermit Speaks’ | ‘Blonde Light Of Morning’ | ‘Dog Eat Sun’ | ‘Blue Star Woman’ | ‘High Is Not The Top’ | ‘If You Had A Heart To Break’ | ‘Glow’ | ‘Good To Know’

Gepubliceerd in Heaven #6 2017

woensdag 4 oktober 2017

Johnny Winter And | Live


John Dawson Winter III uit Beaumont, Texas behoort zonder meer tot dat selecte groepje Amerikaanse gitaristen dat eind jaren zestig/begin jaren zeventig de bluesrock gepopulariseerd heeft. Winter is daarbij ook nog eens een bijzondere verschijning met zijn pierige witte haar en loensende albino-ogen; niet moeders mooiste maar wel een van de beste blanke bluesgitaristen. Samen met zijn albinobroertje Edgar zet Johnny zijn eerste schreden op het muzikale pad, wat in 1968 - Johnny is dan 24 - tot de debuutplaat The Progressive Blues Experiment leidt. Vervolgens is Johnny van de partij bij The Live Adventures of Mike Bloomfield and Al Kooper en ook op Woodstock. Inmiddels heeft hij zijn eigen band geformeerd vanuit de resten van The McCoys: Johnny Winter and The McCoys, al snel afgekort tot Johnny Winter And, met daarin Rick Derringer (gitaar), Randy Joe Hobbs (bas) en superdrummer Bobby Caldwell.
Na vier niet al te bijzonder succesvolle albums is het in 1970 tijd voor een liveplaat; tijd om te laten zien en horen hoe energiek, opwindend en rauw een Johnny Winter-concert is. Hiervoor dienen opnamen in The Fillmore East in New York en in Pirate’s World in Dania, Florida. Maar hoe opwindend ook, een groot deel van Winters repertoire bestaat uit covers. Het live-album trapt dan ook af met Sonny Boy Williamsons ‘Good Morning Little School Girl’, opgevolgd door de Winter-kraker ‘It’s My Own Fault’; een voortreffelijke slowblues. Live bevat welgeteld één eigen compositie: de stompende countryblues ‘Mean Town Blues’. Verder bedient Johnny Winter zijn publiek met een rock-’n-rollmedley en met covers van The Rolling Stones, Little Richard en Chuck Berry.
Live is in 1971 een groot succes onder jeugdige bluesliefhebbers en een bewijs that white men can sing the blues; Johnny Winter en de blues zijn één.

‘Good Morning Little School Girl’ | ‘It’s My Own Fault’ | ‘Jumpin’ Jack Flash’ | ‘Rock and Roll Medley: Great Balls of Fire; Long Tall Sally; Whole Lotta Shakin’ Goin’ On’ | ‘Mean Town Blues’ | ‘Johnny B. Goode’

dinsdag 26 september 2017

Hiss Golden Messenger | Hallelujah Anyhow

M.C. Taylor is in de hoedanigheid van Hiss Golden Messenger bewonderenswaardig productief. Sinds 2011 maakte hij al vijf merendeels voortreffelijke albums vol contemporaine elektrische countryfolk. Na Heart Like A Levee in 2016 is daar nu alweer Hallelujah Anyhow, waarop Taylor voortbouwt op zijn nu al imposante oeuvre. M.C. Taylor put uit het beste van wat de rootsmuziek te bieden heeft, to name a few: Dylan, The Band, Neil Young, Jesse Winchester en nu ook Van Morrison met zijn Caledonische soul. Hiss Golden Messenger zet aldus zo hier en daar warmbloedige blazers in, zoals in Domino (Time Will Tell) en John The Gun. Taylor heeft in de loop der jaren een vaste band om zich heen verzameld, waarin vooral Phil Cook excelleert op elektrische piano en slide-gitaar. Het is echt allemaal prachtig, zoals de schitterende Morrison-pastiche Caledonia My Love en het onbetwiste albumhoogtepunt, de meeslepende ballad Harder Rain. Hallelujah Anyhow is na Poor Moon, Haw, Lateness of Dancers en Heart Like A Levee een volgende parel in de kroon van Hiss Golden Messengers oeuvre.

‘Jenny of the Roses’ | ‘Lost Out in the Darkness’ | ‘Jaw’ | ‘I Am the Song’ | ‘Gulfport You’ve Been On My Mind’ | ‘John the Gun’ | ‘Domino (Time Will Tell)’ | ‘Caledonia, My Love’ | ‘When the Wall Comes Down’

Gepubliceerd op Platomania.nl.

zondag 17 september 2017

The Stems | At First Sight... Violets Are Blue

Eind 2007 verschijnt Head Up, het tweede album van The Stems. Merkwaardig, omdat de eerste plaat van The Stems van twintig jaar eerder dateert en dat de bezetting van de band exact dezelfde is. In 1987, als het debuutalbum At First Sight… Violets Are Blue verschijnt, bestaan The Stems al drie jaar, gedurende welke tijd het kwartet uit Perth, Australië een aantal fenomenale singles uitbrengt. Begin 1985 maken Dom Mariani (zang, leadgitaar), Richard Lane (zang, toetsen, gitaar), Julian Matthews (bas, zang) en Gary Chambers (drums) de oversteek van West Australië naar Oost Australië. Hét garagerocklabel Citadel Records neemt The Stems op in hun stal en releasen kort na elkaar de fantastische singles ‘Make You Mine’ en ‘Tears Me In Two’. Het zijn perfecte neo-garagerocksongs die de sixtiessfeer ademen van bands als The Yardbirds, The Standells, The Electric Prunes en The Monkees. 
De zinderende, over het gehele continent verspreide liveshows bevestigen de reputatie van The Stems als een opwindende rock-‘n-rollband. De band vestigt zich definitief in Sydney en maakt de EP ‘Love Will Grow’ met Radio Birdman-zanger Rob Younger als producer, die de band een meer poppy en modernere sound geeft. Landelijke tournees in 1986 met The Hoodoo Gurus en de Amerikaanse Flamin’ Groovies leveren The Stems veel erkenning op, maar Citadel-baas John Needham is te druk met Died Pretty om The Stems voldoende aandacht te geven. Met nieuwe drummer Dave Shaw – Chambers gaat aardappelen telen – tekenen The Stems een contract bij EMI-sublabel White Label Records. Met producer Rob Younger en sessiemuzikant Steve Harris op Wurlitzer-piano nemen The Stems dan hun debuut-lp op in de Planet Studios in thuishaven Perth. 
At First Sight… Violets Are Blue laat horen dat The Stems het primitieve geluid van de begintijd ontstegen zijn. Toegevoegd is een duidelijke powerpop-invloed van bands als Raspberries en The Plimsouls. Het geluid is diverser, kleurrijker, maar de spirit van de garagerock is nog volop aanwezig, zoals in de melodieuze rockers als ‘For Always’ en ‘Mr Misery’, niet toevallig vroege bandcomposities. ‘Can’t Forget That Girl’ speelt wel erg nadrukkelijk leentjebuur bij The Monkees’ ‘Day Dream Believer’, maar dat maakt het aanstekelijke liedje niet minder goed. ‘At First Sight’, ‘Sad Girl’, ‘Running Around’ en ‘Move Me’ zijn voorzien van orgeltjes, riffende gitaren en een heerlijke bubblegumbeat. Maar het zijn bovenal uitstekende liedjes met doordachte structuren. Wat in extreme mate geldt voor het prijsnummer van het album: ‘You Can’t Turn The Clock Back’, met zijn overvloed aan ruimtelijke gitaren, bongobeat en het prachtige jazzy coda. At First Sight… Violets Are Blue is een klassiek powerpopalbum, met een vette knipoog naar zowel de jaren zeventig powerpop als naar de garagerock van de midden jaren zestig. Met At First Sight… Violets Are Blue verbinden The Stems beide werelden op voorbeeldige wijze. Het album ontvangt dan ook goede kritieken en is een prima opstap naar een tournee door Europa. Maar daar komt het niet van; om mysterieuze redenen houdt The Stems al eind 1987 op te bestaan. De nieuwe start – twintig jaar later – biedt wat dat betreft nieuwe perspectieven.

At First Sight / Sad Girl / Rosebud / Man With The Golden Heart / Running Around / For Always / You Can’t Turn The Clock Back / Move Me / Mr Misery / Can’t Forget That Girl / Never Be Friends / The Otherside


Gepubliceerd in Platenblad 230, sept/okt 2017

woensdag 13 september 2017

Barnaby Bye | Room to Grow

New Yorker Emil Thielhelm is als oprichter van The Blues Magoos een van de grondleggers van de Eastcoast-psychedelica; in 1966 maken ze hun langspeeldebuut met Psychedelic Lollipop. Thielhelm - die inmiddels Peppy Castro heet - loodst de band met wisselend succes de jaren zeventig binnen, maar dan is de koek op. Castro verhuurt zich als muzikant aan de Hair-musical die op Broadway loopt. In die cast zitten ook de tweelingbroers Bobby en Billy Alessi, afkomstig van Long Island. Met zijn drieën starten ze in 1973 een band: Barnaby Bye. Een drummer wordt gevonden in Mike Ricciardella, die werkeloos is geworden in heavy rockband The Illusion. Grote kracht van de band is de vocale acrobatiek van de broertjes Alessi. Dat ziet ook Ahmet Ertegun, een van de grote bazen van Atlantic Records. Hij tekent Barnaby Bye subiet en produceert eigenhandig de debuut-lp Room to Grow
Verwacht geen heavy rock van Barnaby Bye, nee, de band moet het hebben van verfijnde en uitgekiend gearrangeerde pop die vooral drijft op samenzang in de hoge registers van de Alessi’s. Todd Rundgren is een referentie, of Gino Vanelli. Barnaby Bye’s muziek is - ondanks de clowneske hoesafbeelding - eigenlijk best sexy. De beste momenten van Room to Grow zijn keurige verdeeld tussen Castro en de Alessi-broers: Peppy Castro’s ‘The Day Came On’ en ‘Jessie Girl’ zijn van een gelijk niveau als Bobby Alessi’s ‘Laneya’ en Billy Alessi’s ‘Something Good About Nothing’. Opmerkelijk - en fraai - is de a capella-cover van The Beatles’ ‘She’s Leaving Home’. 
Barnaby Bye gooit er in 1974 nog een album, getiteld Touch tegenaan, maar de broodnodige hit ontbreekt. En dat breekt de band op. De Alessi-tweeling gaat vervolgens zelfstandig door en scoort dan in 1977 die wereldhit: ‘Oh Lori’. Maar er zit nog een staartje aan Barnaby Bye: in 2006 komen de oorspronkelijke bandleden weer bij elkaar, en dat leidt nota bene tot een wereldtoernee - en een derde album: Thrice upon A Time. Van Barnaby Bye zijn we nog zomaar niet af.

‘The Day Came On’ | ‘I Feel for You’ | ‘She Was Pleased’ | ‘I Think I’m Gonna Like It’ | ‘Boopa’ | ‘The Way’ | ‘Laneya’ | ‘Jessie Girl’ | ‘Marsha Mamaillia’ | ‘Dreamer’ | ‘Something Good About Nothing’ | ‘I Won’t Step on Your Shoes’ | ‘She’s Leaving Home’

donderdag 7 september 2017

Steely Dan | Can’t Buy A Thrill

Met het in Los Angeles opgenomen Can’t Buy A Thrill debuteren Walter Becker en Donald Fagen in 1972 met de perfecte popplaat. Nogal bijzonder voor twee uitgesproken jazzliefhebbers die elkaar eind jaren ontmoeten op het Brad College in New York. In New York komen Becker en Fagen eind jaren aan de slag als songschrijver; delen een kantoortje in het befaamde Brill Building. Dan contracteert ABC-Dunhill het duo, waarna ze materiaal aanleveren voor sterren als Barbra Streisand. Producer Gary Katz ziet wel in het tweetal als uitvoerende artiesten en neemt ze mee naar het popwalhalla Los Angeles. Becker en Fagen vestigen zich in het woestijnstadje Encino, van waaruit ze elke dag naar Hollywood liften, waar ze in het Dunhill-kantoor kunnen beschikken over een bureau en een piano. Als Becker en Fagen genoeg nummers gecomponeerd hebben realiseren ze zich dat ze een band nodig hebben – en een bandnaam. 
Van de oostkust worden een complete band naar LA geïmporteerd: gitarist Jeff ‘Skunk’ Baxter, drummer Jim Hodder en van Hicksville, Long Island jazzgitarist Denny Dias. Steely Dan wordt de bandnaam, vernoemd naar een in Williams Burroughs’ Naked Lunch figurerende mechanische dildo. Gary Katz produceert de opnamen die in de zomer van 1972 plaatsvinden in The Village Recorder en die het ABC-debuut Can’t Buy A Thrill vormen. Omdat zanger Donald Fagen angst heeft om live te moeten zingen wordt zanger David Palmer vanuit New Jersey ingevlogen, en voor nog meer gitaarpower sessiegitarist Eliott Randall uit New York City. De opener ‘Do It Again’ is een absolute klassieker; met zijn elektrische piano-intro, groovy percussie en Denny Dias’ hemelbestormende elektrische sitar-solo. Op zijn beurt verfraait Randall het complexe en barokke ‘Kings’ met een blaartrekkende gitaarsolo. Steely Dan vermengt latin, funk en soul met soepele en subtiele Westcoastrock; ‘Midnight Cruiser’, ‘Turn That Heartbeat Over Again’, ‘Brooklyn (Owes The Charmer Under Me)’ en ‘Fire In The Hole’ zijn slimme rocknummers met ‘Skunk’ Baxters elektrische gitaar en steelgitaar all over the place. David Palmer zingt met zijn zoete falset ‘Dirty Work’ naar grote hoogten en Dias en Baxter leven zich uit in die andere klassieke song: ‘Reelin’ In The Years’, een opwindende mix van Westcoastpop en pseudo-southern rock. En dat alles is voorzien van een intellectueel sausje en cryptische teksten, die het leven in Los Angeles – dat Becker en Fagen Planet Stupid noemen – op de hak nemen. Het duo voelt zich niet thuis in LA en evenmin thuis in het bandconcept; Becker en Fagen zijn ware anti-helden. Toch gaat Steely Dan op tournee, die overigens desastreus verloopt, en maakt hierdoor – en met de hulp van muziekpers en radiostations – van Can’t Buy A Thrill een groot succes. 
Een succes dat voortduurt, want Walter Becker en Donald Fagen behoren tot de meest gerespecteerde muzikanten van de popgeschiedenis. Vele, vele schitterende albums volgen maar Can’t Buy A Thrill is en blijft classic album no. 1

Do It Again / Dirty Work / Kings / Midnight Cruiser / Only A Fool Would Say That / Reelin’ In The Years / Fire In The Hole / Brooklyn (Owes The Charmer Under Me) / Change Of The Guard / Turn That Heartbeat Over Again 


Op 3 september 2017 overleed Walter Becker op Maui, Hawaii.