vrijdag 27 juni 2014

Johnny Thunders | So Alone

Op 23 april 1991 wordt in kamer 37 van het St. Peter House in New Orleans het levenloze lichaam aangetroffen van de 38-jarige John Anthony Genzale. De hotelkamer is volledig overhoop gehaald, alle persoonlijke eigendommen gestolen en er zijn sporen van geweld. In het lichaam van de overledene worden sporen aangetroffen van cocaïne- en methadongebruik, zodat Genzale aangemerkt wordt als een drugsdode en niet als slachtoffer van misdrijf. Het is een dood die, hoewel ontluisterend, volledig past bij de mythe die Genzale in zijn tijd van leven was: de beruchte punkrocker Johnny Thunders, rock and roll gypsy, aartsvader van punkers en glamrockers, junkie, rioolrat en vuig gitarist.
Thunders’ korte leven kenmerkt zich door een dwangmatige hang naar drugs en rock and roll. Het heilige triumviraat bestaande uit heroine, rioolrock en Johnny Thunders zelf, komt tezamen in de legendarische New York Dolls. The Dolls zijn voorbestemd ten onder ten gaan aan een tamelijk ongezonde levensstijl waarin injectiespuiten en acidtrips centraal staan. Slechts twee platen brengt deze archetypische glam-punk-rock-band op haar naam. Als The Dolls op het punt staan een mega-contract te sluiten valt de band in scherven uiteen. Razendsnel vormt Thunders samen met Dolls-drummer Jerry Nolan en Television-bassist Richard Hell The Heartbreakers. Het onbetrouwbare lawaai-trio vindt naadloos aansluiting bij de zowel in New York als London heersende punktrend. Op het Britse Track label (van The Who) verschijnt in 1977 het debuut L.A.M.F., oftewel Like A Mother Fucker. The Heartbreakers, zonder Hell maar met Walter Lure en Billy Rath, kiest vanwege het succes domicilie in London. De band betrekt gezamenlijk een huis, alwaar chaos en destructie zal regeren. Thunders onderhoudt een nauw contact met de Britse punkscene, waaronder The Sex Pistols en Siouxsie & The Banshees. Eind 1977 echter, is Johnny nog de enige Heartbreaker in London, is Track failliet en blijken Thunders’ teksten een voorspellende waarde te hebben: Born To Loose.
De neurotische Thunders zit niet bij de pakken neer, verhuist naar Soho en timmert de The Living Dead in elkaar. In deze gelegenheidsformatie nemen de ritmesectie van Eddie & The Hot Rods, Only Ones Mike Perry en Peter Perrett en chanteuse Patti Palladin plaats. The Living Dead vormt de opmaat voor de band die Thunders – nu in het bezit van een solocontract met Real Records voor één plaat – zal begeleiden op de opnamen van So Alone. Thunders is in het bijzonder gecharmeerd van nachtvlinder, poët en junkie Peter Perrett en wil samen een band beginnen. Perrett weigert, maar zal wel een spilfunctie innemen op So Alone.
De vrije rol van solo-artiest bevalt Thunders bijzonder goed; hij laat zich graag omringen door gereputeerde muzikanten. Thunders vindt in Steve Lilywhite bovendien een competent co-producer. De opnamen vinden verspreid over twee studio’s plaats; op elke locatie heeft Thunders zijn all-star band. In de ene studio wordt de kern gevormd door Sex Pistols Cook en Jones – aangevuld met Phil Lynott –, in de andere wordt Johnny ondersteund door Only Ones Perrett en Kellie. De complete set is een gevarieerde portie ultieme rock and roll, rhythm and blues en punkrock. So Alone flitst uit de startblokken met een energieke cover van The Chantays’ surf-instrumental 'Pipe Line' en raast dan nog langs negen nummers. 'London Boys' is een parodie op Johnny Rottens Sex Pistols, waarop Thunders ironisch genoeg begeleid wordt door Cook en Jones. 'Great Big Kiss' daarentegen, een cover van The Shangri-Las, is een eerbetoon aan de girl-groups van de begin jaren zestig. 'Ask Me No Questions', 'Subway Train' – met in het koortje Chrissie Hynde – en 'You Can’t Put Your Arms Around A Memory' zijn mede door de inbreng van Peter Perrett evenzovele hoogtepunten op dit fantastische solodebuut. 'Downtown' is een logge stadsblues met gemeen gitaarwerk van Thunders himself en het eveneens bluesy 'Daddy Rollin’ Stone' is evenzeer een hoogtepunt. Al was het maar dat op deze cover van Otis Blackwell wel erg veel dode zangers een prominente rol vervullen: naast Thunders neemt zowel Phil Lynott als Steve Marriott een couplet voor zijn rekening. De mix van old school rockers en New Yorkse en Britse Punkers geeft So Alone een absolute meerwaarde. Johnny Thunders, zelf in bloedvorm op So Alone, weet dan toch het beste uit zichzelf en anderen te halen. So Alone is daarmee tegelijk een staalkaart van relevante rockmuziek anno 1978 als een muzikaal dagboek van een getormenteerde ziel. Kortom, een meesterwerk.
Thunders heeft nauwelijks mogen genieten van hetgeen hij in London aan de band toevertrouwde. Kort na de opnamen – die slechts twee weken in beslag namen – werd hij door de Britse Immigratiedienst het land uitgeschopt. Een band, om de release van So Alone te ondersteunen, kreeg Thunders daarom niet van de grond. De Britse all-stars hadden hun eigen beslommeringen en terug in New York weigerden The Heartbreakers om met Johnny op te treden. Het is de tragiek van de rock and roller – annex junkie – in hart in nieren: zoveel kracht, zoveel talent en so much fuck ups. Het junkieleven van Johnny Thunders eindigde 13 jaar later in een louche hotel in New Orleans. Uiteindelijk So Alone.

Pipeline / You Can’t Put Your Arms Around A Memory / Great Big Kiss / Ask Me No Questions / Leave Me Alone / Daddy Rollin’ Stone / London Boys / Untouchable / Subway Train / Downtown



Geen opmerkingen:

Een reactie posten