Posts tonen met het label 1993. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1993. Alle posts tonen

dinsdag 12 augustus 2014

Urge Overkill | Saturation

Met Urge Overkill denkt Geffen de opvolger van Nirvana binnen te halen. Vergeet het maar, daar zijn National ‘Nash’ Kato (zang, gitaar, toetsen), ‘Eddie’ King Roeser (zang, bas, gitaar) en Blackie Onassis veel te bijzonder voor. Het punkrocktrio uit Chicago, Illinois, speelt jarenlang voor anderhalve man en een paardenkop, brengt zijn eerste platen uit op het bulldozerpunk-label Touch & Go en covert en passant liedjes van Neil Diamond, Jimmy Webb en Hot Chocolate’s ‘Emma’. Maar met de komst van een kitscherige kledinglijn en op effectbejag gerichte glitterpop gaat het roer om: hier zijn de nieuwe helden, met een knipoog, dat wel. Het drietal neemt zijn derde plaat op in Philadelphia, in het hart van de seventies philly-soul, met hiphopproducers The Butcher Brothers. In drie weken staan de twaalf songs op tape, met minimale overdub en een directe, frontale sound. Het drietal houdt bij de release van Saturation een nieuwe kledinglijn ten doop van kitscherige glimmende pakken en slicke bordeelsluipers. Kato, Roeser en Onassis dragen bovendien medaillons om de nek zo groot als onderzetters. Kitsch onder een vergrootglas, Amerikaans ten voeten uit. Saturation, voorzien van een nepperig hoesje en met bijgeleverde UO-sticker, sluit hier naadloos op aan, maar bevat wel urgente en aanstekelijke gitaarpop met zowel evidente glamrock-invloeden als een schatplichtigheid aan radiovriendelijke hardrock. Zo is ‘Bottle Of Fur’ gezegend met een lekker Mud-intro en ‘Erica Kane’ – vernoemd naar een soapsterretje – een stevige rocker. Maar meer classic style-hardrock – in de beste Blue Öyster Cult-traditie – is de knallende openingstrits ‘Sister Havana’, ‘Tequila Sundae’ en ‘Positive Bleeding’, waarin de gitaren riffen en schuren. Het ultieme popgevoel komt naar boven in ‘Back On Me’ dat voortdrijft op een cadans van akoestische gitaren en kartonnen drums, en het afsluitende ‘Heaven 90210’ dat maatschappijkritiek combineert met een bitterzoete gevoeligheid. Zoals gezegd, de nieuwe Nirvana zijn ze niet, worden ze niet. Maar dan komt het succes uit onverwachte hoek: Urge Overkills cover van Neil Diamonds ‘Girl, You’ll Be A Woman Soon’ wordt een hit doordat deze op de soundtrack van Tarantino’s Pulp Fiction is opgenomen. Om bij dit succes aan te haken laat Geffen Urge Overkill nog een plaat maken, maar Exit The Dragon brengt niet wat werd gehoopt. Exit Urge Overkill, voorlopig.

Sister Havana / Tequila Sundae / Positive Bleeding / Back On Me / Woman 2 Woman / Bottle Of Fun / Crackbabies / The Stalker / Dropout / Erica Kane / Nite And Grey / Heaven 90210

zondag 22 juni 2014

Gigolo Aunts | Flippin' Out

Hoewel hun melancholieke, met stevige gitaren aangezette powerpop zeer tot de verbeelding spreekt, is mainstream succes Gigolo Aunts niet gegund. De band uit Boston, Massachusetts wordt in 1989 geformeerd en vernoemt zich naar een compositie van Syd Barrett. Energieke powerpop is hun idioom. Na twee albums en een mini-cd maken de Gigolo Aunts in 1993 voor het Britse Fire Records Flippin' Out. Op de hoes staat supermodel Chloé Sevigny; op de schijf tien hemelse gitaarpopsongs. Beschaafde gitaarriffs, puntige solo's en een flinke dosis briljante melodieën zijn de troeven van het kwartet. Ze spelen deze uit in prachtsongs als 'Where I Find My Heaven', 'Lullaby', 'Easy Reader', 'Gun' en het superieure 'Figurine'. In Engeland halen de singles van Gigolo Aunts de radio, maar de fraaie gitaarpop van de band laat de rest van Europa en ook thuisland Amerika onberoerd. Perikelen met hun platenmaatschappij maken de Gigolo Aunts vervolgens jarenlang vleugellam; pas in '99 verschijnt het volgende album, welk latere werk niet kan tippen aan de obscure powerpop-klassieker die Flippin' Out werkelijk is.

Cope / Where I Find My Heaven / Lullaby / Easy Reader / Figurine / Mrs. Washington / Bloom / Gun / Pin Cushion / Flippin' Out

zondag 6 april 2014

Widespread Panic | Everyday

De stijl van The Allman Brothers Band en The Grateful Dead samensmedend, is Widespread Panic een typische jamband. Terwijl het populaire Amerikaanse genre vooral oude hippies trekt, is daar begin jaren negentig een jamband voor Generation X. Als kwartet opgericht in Athens, Georgia, toert de band onuitputtelijk door de zuidelijke staten en het midwesten en trekt zo een eigen publiek van neo-hippies die zijn opgegroeid met punk en gitaarmuziek. Als beloning voor de succesvolle marathonshows wordt Widespread Panic getekend door hét southern rock-label: Capricorn. Net als het titelloze tweede album van de band wordt Everyday geproduceerd door legende Johnny Sandlin. Widespread Panic is ondertussen uitgebreid met een vaste organist en percussionist; het zestal staat nu garant voor een groovende, tussen southern rock, blues en jazz hangende sound die volop ruimte biedt voor gitaar-geïmproviseer. Opgenomen in de al even befaamde Muscle Shoals-studio's in Alabama, is Everyday een broeierig album met veertien uitgesponnen southern rock-songs, die zonder uitzondering een langzame opbouw kennen en dan exploderen in lyrisch gitaarwerk. Everyday grossiert in live-favorieten als 'Hatfield', 'Papa's Home', 'Diner' en het albumhoogtepunt 'Pilgrims'. Zoals het een jamband betaamt gaat Widespread Panic, weliswaar in wisselende bezettingen, maar door en door en geniet ze in het Amerikaanse heartland de reputatie een van de grootste neo-hippie jambands te zijn.

Pleas / Hatfield / Wondering / Papa's Home / Diner / Better Off / Pickin' Up The Pieces / Henry Parsons Died / Pilgrims / Postcard / Dream Song

vrijdag 7 maart 2014

Red House Painters | Red House Painter (Rollercoaster)

In theorie is het debuutalbum van Red House Painters uit 1993 een zelfgetitelde dubbelaar met daarop 22 tracks en een speelduur van ruim twee uur. De werkelijkheid zit iets anders in elkaar. In 1989 richt de oorspronkelijk uit Ohio afkomstige singer-songwriter Mark Kozelek in San Francisco met kompaan Anthony Koutsos (drums) Red House Painters op. Aangevuld met gitarist Gorden Mack en bassist Jerry Vessel gaat Red House Painters optreden in de kleinere clubs van San Francisco en neemt talloze demo's op in de hoop een label te kunnen interesseren. Die wens wordt vervuld als Mark Eitzel van American Music Club – een grote invloed – het contact legt met een Britse journalist die op zijn beurt 4AD-baas Ivo Watts-Russell inseint.
Het eerste internationale teken van leven is het, zeg maar, debuut Down Colourful Hill, in augustus 1992 wereldwijd uitgebracht. Het zijn zes betoverende demo's, die de aandacht op Red House Painters moeten vestigen, een strategie die 4AD ook toegepast heeft op bijvoorbeeld The Pixies. Na deze introductie gaat Red House Painters in verschillende San Francisco-studio's gedurende negen maanden werken aan het werkelijke debuut. De regie en productie is volledig in handen van Mark Kozelek; hij werkt dag en nacht aan de enorme hoeveelheid songs die de band produceert. Uiteindelijk zijn er maar liefst 22 songs gereed voor release, maar er wordt besloten – vermoedelijk door Watts-Russell – dat dat in twee porties zal geschieden: op 24 mei 1993 verschijnt Red House Painters; op 18 oktober 1993 Red House Painters. Om de albums van elkaar te onderscheiden zijn de beide Red House Painters-platen op basis van hun hoezen inmiddels voorzien van de subtitels Rollercoaster en Bridge.
Rollercoaster – zo genoemd vanwege de afbeelding van de achtbaan van Coney Island – is van de twee met zijn 76 minuten speelduur het meest bijzonder, want een overdadig, van rijpheid lekkend album. Kozelek stuurt zijn muzikanten op avontuur; leidt ze langs afgronden en spelonken; gidst ze naar muzikale vergezichten. De muziek is traag, intens en van een diepgevoelde weemoed doortrokken. Red House Painters leunt sterk op de romantische, beklemmende rock van stadgenoten American Music Club, maar is evenzeer schatplichtig aan The Cure, The Smiths en de Britse shoegazers. Tergend langzaam trekt Kozelek – ontwapenende zang, meesterlijk akoestisch gitaarspel – de luisteraar mee het moeras in van verdriet, verlangen, liefde en pijn. 'Down Through' is een akoestisch pareltje, evenals 'Take Me Out', een gitaarballad met fraaie koorzang tegen een achtergrond van stadsgeruis. Een hoogtepunt is voorts het trieste 'Katy Song', dat sterk leunt sterk op de gitaarsound van The Smiths en een gelijksoortige mistroostigheid kent. De bloedrode tristesse van Red House Painters is uniek, betoverend en immer trager dan de menselijke hartenklop. De talloze hoogtepunten – ''Funhouse', 'Rollercoaster', 'New Jersey', 'Mother' – zijn even barok als verstild; even cerebraal als diep-emotioneel. Red House Painters (Rollercoaster) is een sadcore-meesterwerk; een knarsende katharsis. Zelf omschrijft Mark Kozelek het album en het scheppingsproces zo: 'If records were movies I guess this one would be my Apocalypse Now'

Grace Cathedral Park / Down Through / Katy Song / Mistress / Things Mean A Lot / Funhouse / Take Me Out / Rollercoaster / New Jersey / Dragonflies / Mistress (piano version) / Mother / Strawberry Hill / Brown Eyes

dinsdag 3 december 2013

Uncle Tupelo | Anodyne

In 1987 opgericht in Belleville, Illinois door Jay Farrar, Jeff Tweedy en Mike Heidorn, is Uncle Tupelo een van de wegbereiders van de alt.country, een stroming waarin country, folk, punk en pop gebroederlijk een rol vervullen. Een stroming, ferm geworteld in de muziekgeschiedenis, gepositioneerd in de actualiteit van de 21e eeuw. Farrar en Tweedy zijn jeugdvrienden met een voorliefde voor dezelfde muziek. De punkinvloeden zijn evident en vanuit die invalshoek begint het trio te experimenteren met country en folk. Het rustieke leven van de front-porch klinkt door in de rammelende countrypunk, die evenveel delen Meat Puppets als Carter Family bevat. Na drie platen voor het onafhankelijke Rockville tekent Uncle Tupelo in 1992 bij Sire Records, onderdeel van major Warners. In datzelfde jaar gaat Uncle Tupelo op tournee met zowel The Band, Taj Mahal en Michelle Shocked, in het kader van de Arkansas Traveller Review, als met Bob Moulds Sugar, met wie ze toert door Europa. De groep wordt uitgebreid met Ken Coomer en John Stiratt en in mei 1993 vertrekt Uncle Tupelo naar Austin, Texas om met producer Brian Paulson haar vierde cd en major debuut op te nemen. 
Anodyne is net als zijn voorganger live en zonder overdubs aan de band toevertrouwd. Het grotere budget verchaft Anodyne een helder en afgewogen klankbeeld. De plaat is een sprong voorwaarts en combineert de oorspronkelijke punkrockhouding met de akoestische aangedreven folk-country van March 16-20, 1992. De sound is logger, dieper en afgewogener geworden. De akoestische kant van Uncle Tupelo’s geluid heeft bovendien aan variatie gewonnen door het doeltreffende gebruik van pedal steels, violen, mandolines en banjo’s. Het maakt Anodyne tot een boeiende mix van traditie en moderniteit. Zowel Farrar als Tweedy – vooral de laatste – zijn beter gaan zingen waardoor de leadvocalen keurig zijn verdeeld over de twee. Er is voorts een gastrol van Doug Sahm op diens ‘Give Back the Key to My Heart’, wat daarmee een passend eerbetoon is aan de Tex-Mex aartsvader. Nummers als ‘Slate’ en Anodyne zorgen voor een juiste afwisseling met rocknummers als ‘The Long Cut’, ‘We’ve Been Had’ en de schitterende countryrock van ‘Fifteen Keys’. Samen maken ze van Anodyne een zeer fraaie en afwisselende countryrockplaat. Zonder meer Uncle Tupelo’s beste plaat, maar ook de laatste. Na een intensieve tournee door Amerika en Europa gooit Jay Farrar het bijltje erbij neer en zegt er dit van: ‘It just kind of ran out of gas.’ Tweedy’s commentaat is bondig: ‘Jay quit.’ De twee schoolvrienden laten een belangwekkende erfenis achter.

Slate / Acuff-Rose / The Long Cut / Give Back The Key To My Heart / Chickamauga / New Madrid / Anodyne / We’ve Been Had / Fifteen Keys / High Water / No Sense In Lovin’ / Steal The Crumbs 

woensdag 21 augustus 2013

The Serenes | Back To Wonder

Pretenties heeft Theo de Jong niet, al vindt hij zichzelf wel de grootste ouwehoer van Joure. De zanger/gitarist van The Serenes is een sympathieke zonderling, die het van grote woorden noch grote gebaren moet hebben. Aards, eigenzinnig en kwetsbaar; een muzikale poët van de koude grond. Eind jaren tachtig voegt parttime fabrieksarbeider De Jong zich bij zanger/gitarist Paul Dokter in The Toylets. Gezamenlijk starten ze met drummer Joan Hooghiemstra en bassist Ale Bosma The Serenes. Het componistenduo De Jong/Dokter blijkt een eigen stijl gevonden te hebben waarin folk, rock en new wave vermengd worden. Ver van de Randstad, vanaf het Friese platteland, lanceren The Serenes in 1990 hun grandioze debuutplaat Barefoot And Pregnant die in Nederland goed wordt ontvangen. Maar de grootse verwachtingen en het toeren langs ’s lands jeugdhonken, versterkt door het stevige blowen en drinken leveren spanningen op binnen The Serenes. Eerst vertrekt bassist Bosma, dan Paul Dokter en tot overmaat van ramp krijgt de onzekere De Jong een writer’s block. Na anderhalf jaar komt De Jongs zelfvertrouwen terug door nieuwe bassist Pyter Kuipers en de gunstige reacties op zijn nieuwe composities, die vooral tijdens depressies tot stand komen. Met het sluiten van een deal met major BMG/Ariola en het aantrekken van gitaarrockproducer Lou Giordano komt De Jongs grote doorbraak naar betere tijden. De Amerikaan schenkt de Fries zijn volste vertrouwen. Bovendien blijkt dat Giordano een voorliefde voor de natuur en voor vogels gemeen heeft met De Jong. Alvorens de nieuwe Serenes-plaat in Studio Zeezicht in Spaarndam op te nemen, trekken de twee naar Terschelling om door de natuur te zwalken en vogels te observeren. Het resultaat van de activiteiten binnen en buiten de studio is Back To Wonder, een verbluffend sterk gitaarpopalbum. De Angelsaksische sfeer van het lichtvoetige Barefoot And Pregnant is op Back To Wonder ingeruild voor een Amerikaanse, zwaarder aangezette sound. Dit is herkenbaar aan de logge bassound van Kuipers, maar vooral aan de grofkorrelige, overstuurde gitaar van De Jong in magische en meeslepende rocksongs als ‘Spirit (Let Me Walk With You)’, ‘Millbank Wood’ en ‘Wider Green’. Het stemmige en herfstige ‘Here’ is met zijn strijkers een rustpunt en ook de folky akoestische gitaren en het orgel van Rob van Zandvoort in ‘Love Under Will’ zorgen voor een fraai verstild moment. Hoewel Back To Wonder nadrukkelijk de landelijke, organische sfeer van het platteland ademt, klinken vooral de gitaarrock van Hüsker Dü en de koele romantiek van Joy Division door. Voortgejaagd door de krassende, roterende gitaarsound van De Jong en voorzien van diens van weemoed druipende composities zijn de Sturm und Drang van ‘Dreamscape’ en ‘Back To Wonder’ eenvoudigweg overrompelend. Een letterlijke verwijzing naar Joy Division is terug te vinden in ‘Every Sunday’, een fraaie popsingle die inderdaad een radiohit wordt. Aangestoken door het Nederlandse succes van single en cd, wordt Theo de Jong overmoedig: ‘Ik wil wereldberoemd worden.’ 
Dat lukt hem niet met The Serenes en ook niet met Slide en Simmer. Op 6 juni 1998 neemt Theo de Jong op het Frozenland-festival afscheid van zijn publiek met de woorden: ‘Tot niet meer ziens’, hopelijk in het besef dat zijn Back To Wonder een puur meesterwerk is. Wat het inderdaad is.

Spirit (Let Me Walk With You) / Feel Me / Every Sunday / Millbank Wood / Here / Dreamscape / All Of These Days / Wider Green / Love Under Will / Back to Wonder / The Gathering Of Eighteen Years Of Silence

dinsdag 11 juni 2013

Counting Crows | August And Everything After

Gezien het onmiddellijke succes van August And Everything After lijkt het of het alsof het allemaal van een leien dakje ging voor Adam Duritz en zijn band, Counting Crows. Niets is minder waar. Barstensvol zelfkwelling en ziekelijke twijfel lijkt Duritz nauwelijks opgetogen als Counting Crows – waarvan de leden allen de dertig al naderen – in het voorjaar van 1992 getekend worden door Geffen Records. Opnemen in een grote studio zit er niet in wat Duritz betreft. Op advies van Duritz’ held Robbie Robertson kiest de band voor de opnamen van hun debuut voor een ‘big house on the hill' in Los Angeles. Onbetwist bandleider Duritz eist in samenspraak met producer T-Bone Burnett van de bandleden dat ze afstand doen van hun moderne instrumenten. In plaats daarvan spelen ze de debuutplaat in met een simpele drumkit, tweedehands gitaren, een oude Vox-bas, een Hammond en een accordeon. Voor de hypochondrische Adam Duritz wordt het een lijdensweg, maar moeizaam komt het debuutalbum tot leven en vlak voor kerstmis ’92 is het album gereed als Maria McKee en Jayhawks Mark Olson en Gary Louris de achtergrondvocalen hebben ingezongen. 
Negen maanden later, in september 1993, verschijnt August And Everything After en blijkt het album, in weerwil van de moeizame totstandkoming, zeer evenwichtig en organisch. August And Everything After wordt direct vergeleken met het werk van Bob Dylan & The Band, Bruce Springsteen en Van Morrison. In navolging van tijdgenoten als The Jayhawks en The Wallflowers herinterpreteert Counting Crows de traditionale Amerikaanse rootsrock. Het album, begeleid door de single ‘Mr. Jones’, wordt een instant succes, de single een monsterhit. Mr. Jones and me, we’re gonna be big stars, zingt Adam Duritz over een begeleiding van ruimtelijke gitaren en hij zal gelijk krijgen. De ingetogen up-temposongs als ‘Mr. Jones’ en ‘Rain King’ zijn de blikvangers van August And Everything After, maar de kwaliteit zit verstopt in de herfstige zwaarmoedigheid en desolaatheid van traag trekkende songs als ‘Anna Begins’, ‘Time And Time Again’ en ‘Ghost Train’. Maar nog beklemmender is Duritz’ afrekening met zijn verleden, ‘Raining In Baltimore’, en ‘Perfect Blue Buildings’ dat de lethargie van de city slacker perfect tot uitdrukking brengt. De intense Adam Duritz weet zijn gedachten en gevoelens op overtuigende wijze over te brengen in tekst en compositie, welke zijn band op ingetogen en sfeervolle wijze inkleurt. August And Everything After spreekt verschillende generaties aan – zowel de traditionele rockliefhebber als de alternatieveling – waardoor de cd binnen een jaar meer dan drie miljoen keer verkocht wordt. 
Big stars, dat worden de Counting Crows inderdaad, mede door de uitstekende opvolger Recovering The Satellites. Maar de daarop volgende cd’s stellen ronduit teleur en erger nog: Duritz’ ziekelijke pathos groeit uit tot megalomane proporties. De puurheid en organische intimiteit van het imponerende debuut is echter nog steeds verfrissend.

Round Here / Omaha / Mr Jones / Perfect Blue Buildings / Anna Begins / Time And Time Again / Rain King / Sullivan Street / Ghost Train / Raining In Baltimore / Murder Of One  

maandag 1 april 2013

The Screamin' Cheetah Wheelies | The Screamin' Cheetah Wheelies


Ze worden in 1993 gespot door Atlantic-stafproducer Paul Ebersold in Nashville, Tennessee in nota bene een bluesclub. Hetzelfde jaar nog ligt het majordebuut in de winkel. The Screamin' Cheetah Wheelies rijden gretig mee op de dan heersende golf van grunge en stevige rock, maar het vijftal is meer een groovende jamband die live graag improviseert. Dat is getuige de soms uitgesponnen gitaarsongs op het zelfgetitelde album duidelijk te merken. The Wheelies gaan flink tekeer met hun opzwepende mix van blues, soul en southern rock. Funky en swingend is 'Somethin' Else', soulvol en met een zuigend orgel is 'This Is The Time', dito het broeierige 'Sister Mercy'. 'Majestic' ademt classic rock, terwijl 'Let It Flow' de magnifieke afsluiter is van een dampende plaat, ergens tussen Burning Tree, Blind Melon en Widespread Panic.

Shakin' The Blues / Ride The Tide / Somethin' Else / This Is The Time / Slow Burn / Leave Your pride (At The Front Door) / Jami / Sister Mercy / Majestic / Moses Brown / Let It Flow

zaterdag 22 december 2012

Masters Of Reality | Sunrise On The Sufferbus


Er kan geen enkele discussie over bestaan dat Masters Of Reality het vehikel, het persoonlijke eigendom is van Chris Goss, brombeer uit Syracuse, New York, United States. In eerste instantie zijn Masters Of Reality een traditionele rockband in een traditionele bezetting: naast zanger/gitarist Goss, bestaat de band uit gitarist Tim Harrington, bassist Googe en drummer Vinnie Ludivico, maar al na een lp valt de groep uiteen en is het Goss die het trademark (™) Masters Of Reality bezit. Goss zal uitgroeien tot een zeer gerespecteerd muzikant en topproducer in het stonerrock-genre, maar dat is pas in de jaren negentig van de vorige eeuw.
Masters Of Reality – vernoemd naar de derde lp van Black Sabbath – repeteren jarenlang in een duistere kelder alvorens zij aan het daglicht treden. Slechts een enkele keer treedt de band op in hun thuishaven Syracuse, maar dan plukt befaamd Def Jam-producer Rick Rubin de band uit de kelder om ze te tekenen voor zijn nieuwe label Def American. Masters Of Reality passen uitstekend in het plaatje dat Rubin met zijn label voor ogen heeft; Rubin is de rapmuziek zat en wil alleen nog maar loodzware en harde rockplaten produceren. En daar blijken Chris Goss en kompanen uitermate geschikt voor. Masters Of Reality zijn bij hun verschijning op het internationale rockpodium dan ook niets meer en minder dan een sensatie. Een anachronisme ook, trouwens. Hun heavy bluesrock is gebaseerd op jaren zeventig hardrock-iconen als Cream en Led Zeppelin, maar er zijn ook invloeden waarneembaar van de Texaanse rockers ZZ Top en de southern-rock van Lynyrd Skynyrd. De gelijknamige debuutplaat, verschijnend in 1989, is ondanks de hang naar het verleden van zo’n 20 jaar daarvoor, een verademing en wordt door publiek en pers ervaren als een frisse wind. Masters Of Reality weten wereldwijd te imponeren – niet in de laatste plaats door de support van Rick Rubin. Maar al snel begint zowel het groepsverband als Rick Rubins bemoeienis hevig te knellen. Goss heft de Masters Of Reality simpelweg op, waarna gitarist Harrington en drummer Ludivico hun bluesrockmissie voortzetten met The Bogeymen.
Rond 1992 herformeert Chris Goss Masters Of Reality. Terug is bassist Googe, maar dé verrassing is de drummer die Goss heeft weten te strikken: ex-drumbeest en inmiddels heer op leeftijd, de legendarische Cream-drummer Ginger Baker. In deze sensationele triobezetting nemen de nieuwe Masters Of Reality hun tweede plaat op in Los Angeles. Het drietal Goss, Googe en Baker houdt de productie in eigen handen en laat zich muzikaal ondersteunen door een pianist en een cellist. Het tekent de natuurlijke en organische benadering die het trio – uiteraard onder leiding van Chris Goss – kiest voor Sunrise On The Sufferbus. Ginger Baker zet gelijk de toon met een majestueuze drumroffel in de knallende opener ‘She Got Me (When She Got Her Dress On)’ en vanwege diezelfde Baker valt nu de vocale gelijkenis op tussen Chris Goss en Cream-zanger Jack Bruce. Goss perst er een stuwende riff uit en laat dit volgen door kristalheldere en puntige licks, waardoor deze vlammende rocker al gelijk nauwelijks te overtreffen lijkt. Maar dit is slechts schijn, want de volgende song, ‘J.B. Witchdance’ – een heksendans op een maanverlicht kerkhof – is al even transparant en pakkend. De stevige popsongs en heldere rockers zijn ingebed in een warmbloedig gitaargeluid dat afwijkt van wat gangbaar is in de metal van de jaren negentig. Sunrise On The Sufferbus heeft dan ook nauwelijks wat te maken met metal. Hoewel Goss’ gitaar krijst en jankt in de beste jaren 70 rock-traditie, spelen de ijzersterke songs zich af in een popidioom – getuige de verwijzing naar The Beatles’ ‘Ticket To Ride’ in het fraaie ‘Ants In The Kitchen’. Zelfs een niemendalletje als ‘T.U.S.A.’, waarin Ginger Baker in parlandostijl de kwaliteit van Amerikaanse thee(!) bekritiseert, weet Goss met vloeiend gitaarspel te tranformeren tot een aantrekkelijk liedje. Het ruimtelijke gitaargeluid – nimmer volgeplamuurd; altijd transparant – is dan ook de grootste kwaliteit van deze superbe rock-cd. De perfect doorgevoerde samenhang in de sound, de ultraheldere productie en de zeer gevariëerde songstructuren verlenen Sunrise On The Sufferbus een absolute meerwaarde. Het levert een fikse hoeveelheid zeer memorabele songs op: naast de genoemde liedjes vormen ‘V.H.V.’, ‘100 Years (Of Tears On The Wind)’, ‘Rabbit One’ en ‘Gimme Water’ evenzovele hoogtepunten van een van de beste ouderwetse rockplaten van de jaren negentig van de vorige eeuw.
Hoewel Goss platen blijft maken met Masters Of Reality – in 2004 verrassend sterk met Give Us Barabbas – en een veelgevraagde producer is, ligt zijn hoogtepunt in de begintijd, want tegelijk visionair en respectvol naar het verleden. Met Sunrise On The Sufferbus hebben Masters Of Reality dan ook rockgeschiedenis geschreven.

She Got Me (When She Got Her Dress On) / J.B. Witchdance / Jody Sings / Rolling Green / Ants In The Kitchen / V.H.V. / Bicycle / 100 Years (Of Tears On The Wind) / T.U.S.A. / Tilt-A-Whirl / Rabbit One / Madonna / Gimme Water / The Moon In Your Pocket

zaterdag 17 maart 2012

The Prodigal Sons | Wine Of Life

Ze halen in 1991 de finale van de De Grote Prijs Van Nederland, maar de ogen zijn vooral gericht op het solo-optreden van Erwin Nijhoff in Haenen Voor De Nacht, waarna de platenmaatschappijen toesnellen. Maar Nijfhoff en zijn band, The Prodigal Sons, zijn al onder dak en komen in september 1993 zeer verrassend voor de dag met hun debuut Wine Of Life. The Prodigal Sons, afkomstig uit Zwolle en omstreken , bestaan dan naast grote man Nijhoff – zanger, gitarist, songschrijver en slechts 20 jaar – uit bassist Albert Bartelds en drummer Henk Holsappel. Op de plaat krijgen ze versterking van gospelkoortjes, piano en slidegitaar, wat resulteert in een gedegen, volle sound. De vlotte rockers gebaseerd op de bluesy hardrock van Bad Company en de southern rock van The Black Crowes geven Wine Of Life dan ook een flinke vaart. Maar het zijn de traag trekkende nummers, ingekleurd met Hammond en mellotron, die indrukwekkend zijn: de fantastische single 'You Still Think', het Gene Clark-achtige 'In Another Land' en de epische afsluiter 'Dark Days', die schitterend naar een climax wordt gewerkt. Wine Of Life is een uitstekend product van vaderlandse bodem, dat een essentiële toevoeging is aan de dan in Nederland heersende hausse van fiere gitaarpop. In 1994 staat de band op Pinkpop; een jaar later komt het nog rootsier The Eye Of A Stranger uit, het tweede en tevens laatste album van The Prodigal Sons.
Last Song / Wine of Life / You Still Think / Shut Your Mouth / That's When I Love You / In Another Land / What About Yourself / Jimi / Waiting / Gone / Dark Days