Met
Urge Overkill denkt Geffen de opvolger van Nirvana binnen te halen.
Vergeet het maar, daar zijn National ‘Nash’ Kato (zang, gitaar,
toetsen), ‘Eddie’ King Roeser (zang, bas, gitaar) en Blackie
Onassis veel te bijzonder voor. Het punkrocktrio uit Chicago,
Illinois, speelt jarenlang voor anderhalve man en een paardenkop,
brengt zijn eerste platen uit op het bulldozerpunk-label Touch &
Go en covert en passant liedjes van Neil Diamond, Jimmy Webb en Hot
Chocolate’s ‘Emma’. Maar met de komst van een kitscherige
kledinglijn en op effectbejag gerichte glitterpop gaat het roer om:
hier zijn de nieuwe helden, met een knipoog, dat wel. Het drietal
neemt zijn derde plaat op in Philadelphia, in het hart van de
seventies philly-soul, met hiphopproducers The Butcher Brothers. In
drie weken staan de twaalf songs op tape, met minimale overdub en een
directe, frontale sound. Het drietal houdt bij de release van
Saturation een nieuwe kledinglijn ten doop van kitscherige
glimmende pakken en slicke bordeelsluipers. Kato, Roeser en
Onassis dragen bovendien medaillons om de nek zo groot als
onderzetters. Kitsch onder een vergrootglas, Amerikaans ten voeten
uit. Saturation, voorzien van een nepperig hoesje en met
bijgeleverde UO-sticker, sluit hier naadloos op aan, maar bevat wel
urgente en aanstekelijke gitaarpop met zowel evidente
glamrock-invloeden als een schatplichtigheid aan radiovriendelijke
hardrock. Zo is ‘Bottle Of Fur’ gezegend met een lekker Mud-intro
en ‘Erica Kane’ – vernoemd naar een soapsterretje – een
stevige rocker. Maar meer classic style-hardrock – in de
beste Blue Öyster Cult-traditie – is de knallende
openingstrits ‘Sister Havana’, ‘Tequila Sundae’ en ‘Positive
Bleeding’, waarin de gitaren riffen en schuren. Het ultieme
popgevoel komt naar boven in ‘Back On Me’ dat voortdrijft op een
cadans van akoestische gitaren en kartonnen drums, en het afsluitende
‘Heaven 90210’ dat maatschappijkritiek combineert met een
bitterzoete gevoeligheid. Zoals gezegd, de nieuwe Nirvana zijn ze
niet, worden ze niet. Maar dan komt het succes uit onverwachte hoek:
Urge Overkills cover van Neil Diamonds ‘Girl, You’ll Be A Woman
Soon’ wordt een hit doordat deze op de soundtrack van Tarantino’s
Pulp Fiction is opgenomen. Om bij dit succes aan te haken laat
Geffen Urge Overkill nog een plaat maken, maar Exit The Dragon
brengt niet wat werd gehoopt. Exit Urge Overkill, voorlopig.
Posts tonen met het label 1993. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1993. Alle posts tonen
dinsdag 12 augustus 2014
Urge Overkill | Saturation
zondag 22 juni 2014
Gigolo Aunts | Flippin' Out
Hoewel
hun melancholieke, met stevige gitaren aangezette powerpop zeer tot
de verbeelding spreekt, is mainstream succes Gigolo Aunts niet
gegund. De band uit Boston, Massachusetts wordt in 1989 geformeerd en
vernoemt zich naar een compositie van Syd Barrett. Energieke powerpop
is hun idioom. Na twee albums en een mini-cd maken de Gigolo Aunts in
1993 voor het Britse Fire Records Flippin'
Out.
Op de hoes staat supermodel Chloé Sevigny; op de schijf tien
hemelse gitaarpopsongs. Beschaafde gitaarriffs, puntige solo's en een
flinke dosis briljante melodieën zijn de troeven van het
kwartet. Ze spelen deze uit in prachtsongs als 'Where I Find My
Heaven', 'Lullaby', 'Easy Reader', 'Gun' en het superieure
'Figurine'. In Engeland halen de singles van Gigolo Aunts de radio,
maar de fraaie gitaarpop van de band laat de rest van Europa en ook
thuisland Amerika onberoerd. Perikelen met hun platenmaatschappij
maken de Gigolo Aunts vervolgens jarenlang vleugellam; pas in '99
verschijnt het volgende album, welk latere werk niet kan tippen aan
de obscure powerpop-klassieker die Flippin'
Out werkelijk
is.
zondag 6 april 2014
Widespread Panic | Everyday
De
stijl van The Allman Brothers Band en The Grateful Dead samensmedend,
is Widespread Panic een typische jamband. Terwijl het populaire
Amerikaanse genre vooral oude hippies trekt, is daar begin jaren
negentig een jamband voor Generation X. Als kwartet opgericht in
Athens, Georgia, toert de band onuitputtelijk door de zuidelijke
staten en het midwesten en trekt zo een eigen publiek van neo-hippies
die zijn opgegroeid met punk en gitaarmuziek. Als beloning voor de
succesvolle marathonshows wordt Widespread Panic getekend door hét
southern rock-label: Capricorn. Net als het titelloze tweede album
van de band wordt Everyday
geproduceerd
door legende Johnny Sandlin. Widespread Panic is ondertussen
uitgebreid met een vaste organist en percussionist; het zestal staat
nu garant voor een groovende, tussen southern rock, blues en jazz
hangende sound die volop ruimte biedt voor gitaar-geïmproviseer.
Opgenomen in de al even befaamde Muscle Shoals-studio's in Alabama,
is Everyday
een
broeierig album met veertien uitgesponnen southern rock-songs, die
zonder uitzondering een langzame opbouw kennen en dan exploderen in
lyrisch gitaarwerk. Everyday
grossiert
in live-favorieten als 'Hatfield', 'Papa's Home', 'Diner' en het
albumhoogtepunt 'Pilgrims'. Zoals het een jamband betaamt gaat
Widespread Panic, weliswaar in wisselende bezettingen, maar door en
door en geniet ze in het Amerikaanse heartland
de reputatie een van de grootste neo-hippie jambands te zijn.
vrijdag 7 maart 2014
Red House Painters | Red House Painter (Rollercoaster)
In
theorie is het debuutalbum van Red House Painters uit 1993 een
zelfgetitelde dubbelaar met daarop 22 tracks en een speelduur van
ruim twee uur. De werkelijkheid zit iets anders in elkaar. In 1989
richt de oorspronkelijk uit Ohio afkomstige singer-songwriter Mark
Kozelek in San Francisco met kompaan Anthony Koutsos (drums) Red
House Painters op. Aangevuld met gitarist Gorden Mack en bassist
Jerry Vessel gaat Red House Painters optreden in de kleinere clubs
van San Francisco en neemt talloze demo's op in de hoop een label te
kunnen interesseren. Die wens wordt vervuld als Mark Eitzel van
American Music Club – een grote invloed – het contact legt met
een Britse journalist die op zijn beurt 4AD-baas Ivo Watts-Russell
inseint.
Het
eerste internationale teken van leven is het, zeg maar, debuut Down
Colourful Hill,
in augustus 1992 wereldwijd uitgebracht. Het zijn zes betoverende
demo's, die de aandacht op Red House Painters moeten vestigen, een
strategie die 4AD ook toegepast heeft op bijvoorbeeld The Pixies. Na
deze introductie gaat Red House Painters in verschillende San
Francisco-studio's gedurende negen maanden werken aan het werkelijke
debuut. De regie en productie is volledig in handen van Mark Kozelek;
hij werkt dag en nacht aan de enorme hoeveelheid songs die de band
produceert. Uiteindelijk zijn er maar liefst 22 songs gereed voor
release, maar er wordt besloten – vermoedelijk door Watts-Russell –
dat dat in twee porties zal geschieden: op 24 mei 1993 verschijnt Red
House Painters;
op 18 oktober 1993 Red
House Painters.
Om de albums van elkaar te onderscheiden zijn de beide Red
House Painters-platen
op
basis van hun hoezen
inmiddels
voorzien van de subtitels Rollercoaster
en
Bridge.
Rollercoaster
– zo
genoemd vanwege de afbeelding van de achtbaan van Coney Island – is
van de twee met zijn 76 minuten speelduur het meest bijzonder, want
een overdadig,
van rijpheid lekkend album. Kozelek stuurt zijn muzikanten op
avontuur; leidt ze langs afgronden en spelonken; gidst ze naar
muzikale vergezichten. De muziek is traag, intens en van een
diepgevoelde weemoed doortrokken. Red House Painters leunt sterk op
de romantische, beklemmende rock van stadgenoten American Music Club,
maar is evenzeer schatplichtig aan The Cure, The Smiths en de Britse
shoegazers.
Tergend langzaam trekt Kozelek – ontwapenende zang, meesterlijk
akoestisch gitaarspel – de luisteraar mee het moeras in van
verdriet, verlangen, liefde en pijn. 'Down Through' is een akoestisch
pareltje, evenals 'Take
Me Out', een gitaarballad met fraaie koorzang tegen een achtergrond
van stadsgeruis. Een hoogtepunt is voorts het trieste 'Katy Song',
dat sterk leunt sterk op de gitaarsound van The Smiths en een
gelijksoortige mistroostigheid kent. De bloedrode tristesse
van
Red
House Painters is
uniek, betoverend en immer
trager dan de menselijke hartenklop. De talloze hoogtepunten –
''Funhouse',
'Rollercoaster', 'New Jersey', 'Mother' – zijn even barok als
verstild; even cerebraal als diep-emotioneel. Red
House Painters (Rollercoaster)
is een sadcore-meesterwerk;
een knarsende katharsis. Zelf omschrijft Mark Kozelek het album en
het scheppingsproces zo: 'If records were movies I guess this one
would be my
Apocalypse Now'
Grace
Cathedral Park / Down Through / Katy Song / Mistress / Things Mean A
Lot / Funhouse / Take Me Out / Rollercoaster / New Jersey /
Dragonflies / Mistress (piano version) / Mother / Strawberry Hill /
Brown Eyes
dinsdag 3 december 2013
Uncle Tupelo | Anodyne
In
1987 opgericht in Belleville, Illinois door Jay Farrar, Jeff Tweedy
en Mike Heidorn, is Uncle Tupelo een van de wegbereiders van de
alt.country, een stroming waarin country, folk, punk en pop
gebroederlijk een rol vervullen. Een stroming, ferm geworteld in de
muziekgeschiedenis, gepositioneerd in de actualiteit van de 21e
eeuw. Farrar en Tweedy zijn jeugdvrienden met een voorliefde voor
dezelfde muziek. De punkinvloeden zijn evident en vanuit die
invalshoek begint het trio te experimenteren met country en folk. Het
rustieke leven van de front-porch klinkt door in de rammelende
countrypunk, die evenveel delen Meat Puppets als Carter Family bevat.
Na drie platen voor het onafhankelijke Rockville tekent Uncle Tupelo
in 1992 bij Sire Records, onderdeel van major Warners. In datzelfde
jaar gaat Uncle Tupelo op tournee met zowel The Band, Taj Mahal en
Michelle Shocked, in het kader van de Arkansas Traveller Review, als
met Bob Moulds Sugar, met wie ze toert door Europa. De groep wordt
uitgebreid met Ken Coomer en John Stiratt en in mei 1993 vertrekt
Uncle Tupelo naar Austin, Texas om met producer Brian Paulson haar
vierde cd en major debuut op te nemen.
Anodyne is net als zijn voorganger live en zonder overdubs aan de band toevertrouwd. Het grotere budget verchaft Anodyne een helder en afgewogen klankbeeld. De plaat is een sprong voorwaarts en combineert de oorspronkelijke punkrockhouding met de akoestische aangedreven folk-country van March 16-20, 1992. De sound is logger, dieper en afgewogener geworden. De akoestische kant van Uncle Tupelo’s geluid heeft bovendien aan variatie gewonnen door het doeltreffende gebruik van pedal steels, violen, mandolines en banjo’s. Het maakt Anodyne tot een boeiende mix van traditie en moderniteit. Zowel Farrar als Tweedy – vooral de laatste – zijn beter gaan zingen waardoor de leadvocalen keurig zijn verdeeld over de twee. Er is voorts een gastrol van Doug Sahm op diens ‘Give Back the Key to My Heart’, wat daarmee een passend eerbetoon is aan de Tex-Mex aartsvader. Nummers als ‘Slate’ en Anodyne zorgen voor een juiste afwisseling met rocknummers als ‘The Long Cut’, ‘We’ve Been Had’ en de schitterende countryrock van ‘Fifteen Keys’. Samen maken ze van Anodyne een zeer fraaie en afwisselende countryrockplaat. Zonder meer Uncle Tupelo’s beste plaat, maar ook de laatste. Na een intensieve tournee door Amerika en Europa gooit Jay Farrar het bijltje erbij neer en zegt er dit van: ‘It just kind of ran out of gas.’ Tweedy’s commentaat is bondig: ‘Jay quit.’ De twee schoolvrienden laten een belangwekkende erfenis achter.
Anodyne is net als zijn voorganger live en zonder overdubs aan de band toevertrouwd. Het grotere budget verchaft Anodyne een helder en afgewogen klankbeeld. De plaat is een sprong voorwaarts en combineert de oorspronkelijke punkrockhouding met de akoestische aangedreven folk-country van March 16-20, 1992. De sound is logger, dieper en afgewogener geworden. De akoestische kant van Uncle Tupelo’s geluid heeft bovendien aan variatie gewonnen door het doeltreffende gebruik van pedal steels, violen, mandolines en banjo’s. Het maakt Anodyne tot een boeiende mix van traditie en moderniteit. Zowel Farrar als Tweedy – vooral de laatste – zijn beter gaan zingen waardoor de leadvocalen keurig zijn verdeeld over de twee. Er is voorts een gastrol van Doug Sahm op diens ‘Give Back the Key to My Heart’, wat daarmee een passend eerbetoon is aan de Tex-Mex aartsvader. Nummers als ‘Slate’ en Anodyne zorgen voor een juiste afwisseling met rocknummers als ‘The Long Cut’, ‘We’ve Been Had’ en de schitterende countryrock van ‘Fifteen Keys’. Samen maken ze van Anodyne een zeer fraaie en afwisselende countryrockplaat. Zonder meer Uncle Tupelo’s beste plaat, maar ook de laatste. Na een intensieve tournee door Amerika en Europa gooit Jay Farrar het bijltje erbij neer en zegt er dit van: ‘It just kind of ran out of gas.’ Tweedy’s commentaat is bondig: ‘Jay quit.’ De twee schoolvrienden laten een belangwekkende erfenis achter.
woensdag 21 augustus 2013
The Serenes | Back To Wonder
Pretenties
heeft Theo de Jong niet, al vindt hij zichzelf wel de grootste
ouwehoer van Joure. De zanger/gitarist van The Serenes is een
sympathieke zonderling, die het van grote woorden noch grote gebaren
moet hebben. Aards, eigenzinnig en kwetsbaar; een muzikale poët
van de koude grond. Eind jaren tachtig voegt parttime
fabrieksarbeider De Jong zich bij zanger/gitarist Paul Dokter in The
Toylets. Gezamenlijk starten ze met drummer Joan Hooghiemstra en
bassist Ale Bosma The Serenes. Het componistenduo De Jong/Dokter
blijkt een eigen stijl gevonden te hebben waarin folk, rock en new
wave vermengd worden. Ver van de Randstad, vanaf het Friese
platteland, lanceren The Serenes in 1990 hun grandioze debuutplaat
Barefoot And Pregnant die in Nederland goed wordt ontvangen.
Maar de grootse verwachtingen en het toeren langs ’s lands
jeugdhonken, versterkt door het stevige blowen en drinken leveren
spanningen op binnen The Serenes. Eerst vertrekt bassist Bosma, dan
Paul Dokter en tot overmaat van ramp krijgt de onzekere De Jong een
writer’s block. Na anderhalf jaar komt De Jongs zelfvertrouwen
terug door nieuwe bassist Pyter Kuipers en de gunstige reacties op
zijn nieuwe composities, die vooral tijdens depressies tot stand
komen. Met het sluiten van een deal met major BMG/Ariola en het
aantrekken van gitaarrockproducer Lou Giordano komt De Jongs grote
doorbraak naar betere tijden. De Amerikaan schenkt de Fries zijn
volste vertrouwen. Bovendien blijkt dat Giordano een voorliefde voor
de natuur en voor vogels gemeen heeft met De Jong. Alvorens de nieuwe
Serenes-plaat in Studio Zeezicht in Spaarndam op te nemen, trekken de
twee naar Terschelling om door de natuur te zwalken en vogels te
observeren. Het resultaat van de activiteiten binnen en buiten de
studio is Back To Wonder, een verbluffend sterk
gitaarpopalbum. De Angelsaksische sfeer van het lichtvoetige Barefoot
And Pregnant is op Back To Wonder ingeruild voor een
Amerikaanse, zwaarder aangezette sound. Dit is herkenbaar aan de
logge bassound van Kuipers, maar vooral aan de grofkorrelige,
overstuurde gitaar van De Jong in magische en meeslepende rocksongs
als ‘Spirit (Let Me Walk With You)’, ‘Millbank Wood’ en
‘Wider Green’. Het stemmige en herfstige ‘Here’ is met zijn
strijkers een rustpunt en ook de folky akoestische gitaren en het
orgel van Rob van Zandvoort in ‘Love Under Will’ zorgen voor een
fraai verstild moment. Hoewel Back To Wonder nadrukkelijk de
landelijke, organische sfeer van het platteland ademt, klinken vooral
de gitaarrock van Hüsker Dü en de koele romantiek van Joy
Division door. Voortgejaagd door de krassende, roterende gitaarsound
van De Jong en voorzien van diens van weemoed druipende composities
zijn de Sturm und Drang van ‘Dreamscape’ en ‘Back To Wonder’
eenvoudigweg overrompelend. Een letterlijke verwijzing naar Joy
Division is terug te vinden in ‘Every Sunday’, een fraaie
popsingle die inderdaad een radiohit wordt. Aangestoken door het
Nederlandse succes van single en cd, wordt Theo de Jong overmoedig:
‘Ik wil wereldberoemd worden.’
Dat lukt hem niet met The Serenes en ook niet met Slide en Simmer. Op 6 juni 1998 neemt Theo de Jong op het Frozenland-festival afscheid van zijn publiek met de woorden: ‘Tot niet meer ziens’, hopelijk in het besef dat zijn Back To Wonder een puur meesterwerk is. Wat het inderdaad is.
Dat lukt hem niet met The Serenes en ook niet met Slide en Simmer. Op 6 juni 1998 neemt Theo de Jong op het Frozenland-festival afscheid van zijn publiek met de woorden: ‘Tot niet meer ziens’, hopelijk in het besef dat zijn Back To Wonder een puur meesterwerk is. Wat het inderdaad is.
dinsdag 11 juni 2013
Counting Crows | August And Everything After
Gezien
het onmiddellijke succes van August And Everything After lijkt
het of het alsof het allemaal van een leien dakje ging voor Adam
Duritz en zijn band, Counting Crows. Niets is minder waar.
Barstensvol zelfkwelling en ziekelijke twijfel lijkt Duritz
nauwelijks opgetogen als Counting Crows – waarvan de leden allen de
dertig al naderen – in het voorjaar van 1992 getekend worden door
Geffen Records. Opnemen in een grote studio zit er niet in wat Duritz
betreft. Op advies van Duritz’ held Robbie Robertson kiest de band
voor de opnamen van hun debuut voor een ‘big house on the hill' in
Los Angeles. Onbetwist bandleider Duritz eist in samenspraak met
producer T-Bone Burnett van de bandleden dat ze afstand doen van hun
moderne instrumenten. In plaats daarvan spelen ze de debuutplaat in
met een simpele drumkit, tweedehands gitaren, een oude Vox-bas, een
Hammond en een accordeon. Voor de hypochondrische Adam Duritz wordt
het een lijdensweg, maar moeizaam komt het debuutalbum tot leven en
vlak voor kerstmis ’92 is het album gereed als Maria McKee en
Jayhawks Mark Olson en Gary Louris de achtergrondvocalen hebben
ingezongen.
Negen maanden later, in september 1993, verschijnt August And Everything After en blijkt het album, in weerwil van de moeizame totstandkoming, zeer evenwichtig en organisch. August And Everything After wordt direct vergeleken met het werk van Bob Dylan & The Band, Bruce Springsteen en Van Morrison. In navolging van tijdgenoten als The Jayhawks en The Wallflowers herinterpreteert Counting Crows de traditionale Amerikaanse rootsrock. Het album, begeleid door de single ‘Mr. Jones’, wordt een instant succes, de single een monsterhit. Mr. Jones and me, we’re gonna be big stars, zingt Adam Duritz over een begeleiding van ruimtelijke gitaren en hij zal gelijk krijgen. De ingetogen up-temposongs als ‘Mr. Jones’ en ‘Rain King’ zijn de blikvangers van August And Everything After, maar de kwaliteit zit verstopt in de herfstige zwaarmoedigheid en desolaatheid van traag trekkende songs als ‘Anna Begins’, ‘Time And Time Again’ en ‘Ghost Train’. Maar nog beklemmender is Duritz’ afrekening met zijn verleden, ‘Raining In Baltimore’, en ‘Perfect Blue Buildings’ dat de lethargie van de city slacker perfect tot uitdrukking brengt. De intense Adam Duritz weet zijn gedachten en gevoelens op overtuigende wijze over te brengen in tekst en compositie, welke zijn band op ingetogen en sfeervolle wijze inkleurt. August And Everything After spreekt verschillende generaties aan – zowel de traditionele rockliefhebber als de alternatieveling – waardoor de cd binnen een jaar meer dan drie miljoen keer verkocht wordt.
Big stars, dat worden de Counting Crows inderdaad, mede door de uitstekende opvolger Recovering The Satellites. Maar de daarop volgende cd’s stellen ronduit teleur en erger nog: Duritz’ ziekelijke pathos groeit uit tot megalomane proporties. De puurheid en organische intimiteit van het imponerende debuut is echter nog steeds verfrissend.
Negen maanden later, in september 1993, verschijnt August And Everything After en blijkt het album, in weerwil van de moeizame totstandkoming, zeer evenwichtig en organisch. August And Everything After wordt direct vergeleken met het werk van Bob Dylan & The Band, Bruce Springsteen en Van Morrison. In navolging van tijdgenoten als The Jayhawks en The Wallflowers herinterpreteert Counting Crows de traditionale Amerikaanse rootsrock. Het album, begeleid door de single ‘Mr. Jones’, wordt een instant succes, de single een monsterhit. Mr. Jones and me, we’re gonna be big stars, zingt Adam Duritz over een begeleiding van ruimtelijke gitaren en hij zal gelijk krijgen. De ingetogen up-temposongs als ‘Mr. Jones’ en ‘Rain King’ zijn de blikvangers van August And Everything After, maar de kwaliteit zit verstopt in de herfstige zwaarmoedigheid en desolaatheid van traag trekkende songs als ‘Anna Begins’, ‘Time And Time Again’ en ‘Ghost Train’. Maar nog beklemmender is Duritz’ afrekening met zijn verleden, ‘Raining In Baltimore’, en ‘Perfect Blue Buildings’ dat de lethargie van de city slacker perfect tot uitdrukking brengt. De intense Adam Duritz weet zijn gedachten en gevoelens op overtuigende wijze over te brengen in tekst en compositie, welke zijn band op ingetogen en sfeervolle wijze inkleurt. August And Everything After spreekt verschillende generaties aan – zowel de traditionele rockliefhebber als de alternatieveling – waardoor de cd binnen een jaar meer dan drie miljoen keer verkocht wordt.
Big stars, dat worden de Counting Crows inderdaad, mede door de uitstekende opvolger Recovering The Satellites. Maar de daarop volgende cd’s stellen ronduit teleur en erger nog: Duritz’ ziekelijke pathos groeit uit tot megalomane proporties. De puurheid en organische intimiteit van het imponerende debuut is echter nog steeds verfrissend.
Round
Here / Omaha / Mr Jones / Perfect Blue Buildings / Anna Begins / Time
And Time Again / Rain King / Sullivan Street / Ghost Train / Raining
In Baltimore / Murder Of One
maandag 1 april 2013
The Screamin' Cheetah Wheelies | The Screamin' Cheetah Wheelies
Ze
worden in 1993 gespot door Atlantic-stafproducer Paul Ebersold in
Nashville, Tennessee in nota bene een bluesclub. Hetzelfde jaar nog
ligt het majordebuut in de winkel. The Screamin' Cheetah Wheelies
rijden gretig mee op de dan heersende golf van grunge en stevige
rock, maar het vijftal is meer een groovende jamband die live graag
improviseert. Dat is getuige de soms uitgesponnen gitaarsongs op het
zelfgetitelde album duidelijk te merken. The Wheelies gaan flink
tekeer met hun opzwepende mix van blues, soul en southern rock. Funky
en swingend is 'Somethin' Else', soulvol en met een zuigend orgel is
'This Is The Time', dito het broeierige 'Sister Mercy'. 'Majestic'
ademt classic rock, terwijl 'Let It Flow' de magnifieke afsluiter is
van een dampende plaat, ergens tussen Burning Tree, Blind Melon en
Widespread Panic.
Shakin'
The Blues / Ride The Tide / Somethin' Else / This Is The Time / Slow
Burn / Leave Your pride (At The Front Door) / Jami / Sister Mercy /
Majestic / Moses Brown / Let It Flow
zaterdag 22 december 2012
Masters Of Reality | Sunrise On The Sufferbus
Er
kan geen enkele discussie over bestaan dat Masters Of Reality het
vehikel, het persoonlijke eigendom is van Chris Goss, brombeer uit
Syracuse, New York, United States. In eerste instantie zijn Masters
Of Reality een traditionele rockband in een traditionele bezetting:
naast zanger/gitarist Goss, bestaat de band uit gitarist Tim
Harrington, bassist Googe en drummer Vinnie Ludivico, maar al na een
lp valt de groep uiteen en is het Goss die het trademark (™)
Masters Of Reality bezit. Goss zal uitgroeien tot een zeer
gerespecteerd muzikant en topproducer in het stonerrock-genre, maar
dat is pas in de jaren negentig van de vorige eeuw.
Masters
Of Reality – vernoemd naar de derde lp van Black Sabbath –
repeteren jarenlang in een duistere kelder alvorens zij aan het
daglicht treden. Slechts een enkele keer treedt de band op in hun
thuishaven Syracuse, maar dan plukt befaamd Def Jam-producer Rick
Rubin de band uit de kelder om ze te tekenen voor zijn nieuwe label
Def American. Masters Of Reality passen uitstekend in het plaatje dat
Rubin met zijn label voor ogen heeft; Rubin is de rapmuziek zat en
wil alleen nog maar loodzware en harde rockplaten produceren. En daar
blijken Chris Goss en kompanen uitermate geschikt voor. Masters Of
Reality zijn bij hun verschijning op het internationale rockpodium
dan ook niets meer en minder dan een sensatie. Een anachronisme ook,
trouwens. Hun heavy bluesrock is gebaseerd op jaren zeventig
hardrock-iconen als Cream en Led Zeppelin, maar er zijn ook invloeden
waarneembaar van de Texaanse rockers ZZ Top en de southern-rock van
Lynyrd Skynyrd. De gelijknamige debuutplaat, verschijnend in 1989, is
ondanks de hang naar het verleden van zo’n 20 jaar daarvoor, een
verademing en wordt door publiek en pers ervaren als een frisse wind.
Masters Of Reality weten wereldwijd te imponeren – niet in de
laatste plaats door de support van Rick Rubin. Maar al snel begint
zowel het groepsverband als Rick Rubins bemoeienis hevig te knellen.
Goss heft de Masters Of Reality simpelweg op, waarna gitarist
Harrington en drummer Ludivico hun bluesrockmissie voortzetten met
The Bogeymen.
Rond
1992 herformeert Chris Goss Masters Of Reality. Terug is bassist
Googe, maar dé verrassing is de drummer die Goss heeft weten
te strikken: ex-drumbeest en inmiddels heer op leeftijd, de
legendarische Cream-drummer Ginger Baker. In deze sensationele
triobezetting nemen de nieuwe Masters Of Reality hun tweede plaat op
in Los Angeles. Het drietal Goss, Googe en Baker houdt de productie
in eigen handen en laat zich muzikaal ondersteunen door een pianist
en een cellist. Het tekent de natuurlijke en organische benadering
die het trio – uiteraard onder leiding van Chris Goss – kiest
voor Sunrise On The Sufferbus. Ginger Baker zet gelijk de toon
met een majestueuze drumroffel in de knallende opener ‘She Got Me
(When She Got Her Dress On)’ en vanwege diezelfde Baker valt nu de
vocale gelijkenis op tussen Chris Goss en Cream-zanger Jack Bruce.
Goss perst er een stuwende riff uit en laat dit volgen door
kristalheldere en puntige licks, waardoor deze vlammende rocker al
gelijk nauwelijks te overtreffen lijkt. Maar dit is slechts schijn,
want de volgende song, ‘J.B. Witchdance’ – een heksendans op
een maanverlicht kerkhof – is al even transparant en pakkend. De
stevige popsongs en heldere rockers zijn ingebed in een warmbloedig
gitaargeluid dat afwijkt van wat gangbaar is in de metal van de jaren
negentig. Sunrise On The Sufferbus heeft dan ook nauwelijks
wat te maken met metal. Hoewel Goss’ gitaar krijst en jankt in de
beste jaren 70 rock-traditie, spelen de ijzersterke songs zich af in
een popidioom – getuige de verwijzing naar The Beatles’ ‘Ticket
To Ride’ in het fraaie ‘Ants In The Kitchen’. Zelfs een
niemendalletje als ‘T.U.S.A.’, waarin Ginger Baker in
parlandostijl de kwaliteit van Amerikaanse thee(!) bekritiseert, weet
Goss met vloeiend gitaarspel te tranformeren tot een aantrekkelijk
liedje. Het ruimtelijke gitaargeluid – nimmer volgeplamuurd; altijd
transparant – is dan ook de grootste kwaliteit van deze superbe
rock-cd. De perfect doorgevoerde samenhang in de sound, de
ultraheldere productie en de zeer gevariëerde songstructuren
verlenen Sunrise On The Sufferbus een absolute meerwaarde. Het
levert een fikse hoeveelheid zeer memorabele songs op: naast de
genoemde liedjes vormen ‘V.H.V.’, ‘100 Years (Of Tears On The
Wind)’, ‘Rabbit One’ en ‘Gimme Water’ evenzovele
hoogtepunten van een van de beste ouderwetse rockplaten van de jaren
negentig van de vorige eeuw.
Hoewel
Goss platen blijft maken met Masters Of Reality – in 2004
verrassend sterk met Give Us Barabbas –
en een veelgevraagde producer is, ligt zijn hoogtepunt in de
begintijd, want tegelijk visionair en respectvol naar het verleden.
Met Sunrise On The Sufferbus hebben Masters Of Reality dan ook
rockgeschiedenis geschreven.
She
Got Me (When She Got Her Dress On) / J.B. Witchdance / Jody Sings /
Rolling Green / Ants In The Kitchen
/ V.H.V. / Bicycle / 100 Years (Of Tears On The Wind) / T.U.S.A. /
Tilt-A-Whirl / Rabbit One / Madonna / Gimme Water / The Moon In Your
Pocket
zaterdag 17 maart 2012
The Prodigal Sons | Wine Of Life
Last Song / Wine of Life / You Still Think / Shut Your Mouth / That's When I Love You / In Another Land / What About Yourself / Jimi / Waiting / Gone / Dark Days
Abonneren op:
Posts (Atom)








