Posts tonen met het label 1994. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1994. Alle posts tonen

donderdag 18 mei 2017

Soundgarden | Superunknown

De opkomst van de grunge – de hardrock van de jaren negentig – is onverbrekelijk verbonden met de stad Seattle en het platenlabel Sub Pop. De eerste bands die eind jaren tachtig hun lawaaiige metalpunk op het label uitbrengen zijn Green River, Mudhoney en Soundgarden. De laatste zal, al loopt hun ontwikkeling niet parallel, met Nirvana uitgroeien tot dé exponenten van Sub Pop-Seattle. Soundgarden breekt dan ook niet door met een explosie, maar geleidelijk. Op de debuut-ep Screaming Life klinkt Soundgarden – Chris Cornell (zang), Kim Thayil (gitaar), Matt Cameron (drums) en Hiro Yamamoto (bas) – als een jeugdige, schreeuwerige variant van Led Zeppelin-bravado en Black Sabbath-riffs. 
Het eerste album, Ultramega OK, verschijnt in 1988 op het SST-label, waarna de band als eerste grungeband bij een major tekent. Na Louder Than Love in 1989 verschijnt in 1991 Badmotorfinger bij het A&M-label, Yamamoto is dan vervangen door Nirvana-roadie Ben Shepherd. De grote katalysator in de ontwikkeling van Soundgarden – of althans in die van componist en songschrijver Cornell – is de release van het Temple Of The Dog-album, een eerbetoon aan Cornells vriend, de overleden zanger van Mother Love Bone, Andrew Wood. Chris Cornells compositorische bijdragen zijn slepend en bluesy; diens zang is fenomenaal. 
Voor het volgende album van Soundgarden zal Cornell gebruikmaken van deze nieuwe verworvenheden. Met producer Michael Beinhorn (Herbie Hancock, Red Hot Chilli Peppers) neemt de band zijn nieuwe album op in de Bad Animals-studio in Seatlle, eigendom van de Heart-zusjes Ann en Nancy Wilson. Superunknown, uitgebracht op 8 maart 1994, is een definitieve afrekening met het grungetijdperk, want Soundgarden combineert de melodieuze kant van Zeppelin en Sabbath met de heavy kant van The Beatles. Transparant, slepend en soms bijna pastoraal zijn de midtempo-songs die op Superunknown de dienst uitmaken: 'Fell On Black Days', 'Limo Wreck', 'The Day I Tried To Live', '4th Of July'  en 'Like Suicide'. Ze zijn alle opgetrokken uit Thayils dromerige gitaarmuren en Cornells verbluffende zang. In overtreffende zin blijkt dat ook wel uit het fantastische 'Black Hole Sun', een wereldwijde hit – mede door fascinerende, vervreemdende videoclip – die ook in Nederland in de top 40 staat. Superunknown is in feite geconcipieerd als een mijlpaal in de rockhistorie; alle ingrediënten – sterke composities, fenomenale zang, gitaren en rockpower – zijn inderdaad aanwezig om daarvan te kunnen spreken. Superunknown is dan ook een puur meesterwerk. 
Dat vinden de platenkopers ook: al aan het eind van '94 is Superunknown wereldwijd meer dan vier miljoen maal over de toonbank gegaan. Soundgarden wordt er aldus verantwoordelijk voor gehouden de grunge definitief ten grave te dragen. Dat mag zo zijn, maar als een feniks uit de as herrijst er een nieuwe rockhiërarchie van helderheid, logheid, ruimtelijke gitaren en Chris Cornells geweldige zang – die overigens in 2006 verantwoordelijk is voor de themasong van de James Bond-film Casino Royale.  

Let Me Drown / My Wave / Fell On Black Days / Mailman / Superunknown / Head Down / Black Hole Sun / Spoonman / Limo Wreck / The Day I Tried To Live / Kickstand / Fresh Tendrils / 4th Of July / Half / Like Suicide / She Likes Surprises 

Op 17 mei 2017 benam Chris Cornell zich het leven.

donderdag 13 maart 2014

The Auteurs | Now I’m A Cowboy

The Auteurs maken door en door Britse muziek, maar kunnen niet bij de Britpop worden ingedeeld. The Auteurs zijn in het begin van de jaren negentig behoorlijk onmodieus, anachronistisch bijna. The Auteurs zijn de T.Rex van de nineties; Luke Haines is een contemporaine Bowie. De band verschijnt in 1993 op het muzikale podium met New Wave en is niet meer dan een muzikaal omhulsel van de in Londen woonachtige Luke Haines. Haines, klassiek geschoold, is de dictator van The Auteurs, die in 1994 naast Haines bestaan uit zijn vriendin Alice Readman (bas), Barney Crockford (drums) en James Banbury (Hammond, cello). De laatste, met diens donkere en dreigende cellospel, speelt een nadrukkelijke rol op de tweede cd van The Auteurs, Now I’m A Cowboy – al is het volledig ten dienste van de zwarte humor van Haines. Het openingsnummer van Now I’m A Cowboy, ‘Lenny Valentino’, is met zijn riffende gitaar betrekkelijk onschuldig en radiovriendelijk bovendien. Dat verandert met ‘Brainchild’, dat muzikaal melancholiek is, maar tekstueel cynisch. De toon is gezet. ‘I’m A Rich Man’s Toy’ – een duet tussen een echoënde gitaar en lieflijk glockenspiel – bevat Haines’ raison d’être: Sick of the way you’ve been putting me down. ‘New French Girlfriend’ is een afrekening met het kindsterretje Vanessa Paradis en vormt de opmaat naar het hart van de plaat: ‘The Upper Classes’. Snerend en vilein zingt Haines met een Ray Davies-dictie over de Britse elite. De weerzin en walging die uit Haines’ tekst spreekt gaat in bijna zeven minuten een volmaakt verbond aan met de gruizige elektrische gitaren en die dreinende cello. Haines, de onaangepaste, de misfit, hakt in zijn liedjes metaforisch met de bijl in op de burgerij in het algemeen en de Britse samenleving in het bijzonder, totdat het spreekwoordelijke bloed vloeit. Welkom in het morsige universum van misantroop Haines, wiens liedjes paradoxaal genoeg van een huiveringwekkende schoonheid zijn. De nietsontziende teksten gedijen perfect op de sobere begeleiding van gitaar, bas, drums en die zeurende cello. Nog een plaat verschijnt er van The Auteurs, waarna Luke Haines opduikt in uiteenlopende projecten als Black Box Recorder en Baader Meinhof, tevergeefs zoekend naar het momentum van Now I’m A Cowboy.

Lenny Valentino / Brainchild / I’m A Rich Man’s Toy / New French Girlfriend / The Upper Classes / Chinese Bakery / A Sister Like You / Underground Movies / Life Classes/Life Model / Modern History / Daughter Of A Child

vrijdag 4 oktober 2013

The Bottle Rockets | The Brooklyn Side

Zijn vrienden van Uncle Tupelo tekenen in 1990 een platencontract en zijn eigen band, Chicken Truck, valt uit elkaar. En dus wordt zanger/gitarist Brian Henneman roadie bij de band van Jeff Tweedy en Jay Farrar. Henneman blijft echter wel demo's opnemen en brengt zelfs, begeleid door Tweedy en Farrar, een single uit. Hierdoor aangespoord richt Henneman met zijn oude muzikale maten uit Festus, Missouri weer een band op: The Bottle Rockets. Vanuit Festus trekt de band door het Midwesten en maakt de kroegen en clubs onveilig met stevige, vette boogie- en countryrock. Hierdoor worden The Bottle Rockets een van de vroege exponenten van de alt.country, met uiteraard de blik stevig gericht op de jaren tachtig gitaarmuziek van The Replacements en de jaren zeventig rock van Neil Youngs Crazy Horse, Lynyrd Skynyrd en ZZ Top. 
Op een klein label verschijnt in 1993 het zelfgetitelde debuut, waarna het kwartet Henneman, Tom Ray (gitaar), Tom Parr (bas) en Mark Ortmann een jaar later de opvolger The Brooklyn Side laat uitbrengen. The Brooklyn Side, een bowling-term, wordt echter al snel opgepikt door major Atlantic en prompt wereldwijd ge-rerelased. Op no nonsens wijze geproduceerd door Eric 'Roscoe' Ambel is The Brooklyn Side een aards, doordenderend, recht-voor-z'n-raap-album, dat scheurende countryrock vermengt met southern rock, hillbilly en geloofwaardige teksten. Op literair knappe wijze plaatst Henneman zijn opwindende rootsrock-'n-roll in een context van de door het leven worstelende burger: 'Welfare Music' handelt over zwangerschap op jonge leeftijd; de boogierock van '1000 Dollar Car' over je niet meer kunnen permitteren dan aftandse barrels; de country-galop van 'Idiot's Revenge' over de overdreven aandacht voor de indie-rockscene; en het scheurende 'Radar Gun' met in de hoofdrol een verknipte verkeersagent. IJzersterk en uiterst catchy is ook de neo-countryrock van 'Gravity Falls' en 'I Wanna Come Home', die echter in pure power overtroffen wordt door de van hitte zinderende fatalistische rocksong 'Stuck In A Rut' en het sublieme 'Sunday Sports' – een gitaar-epos met in de hoofdrol een pathetische, in onderbroek gehulde tv-kijkende sukkel. In veertien geweldige songs laten The Bottle Rockets anno 1994 de state-of-the-art zien van de nieuwe generatie countryrockers – The Brooklyn Side is dan ook alt.country in optima forma. Maar The Bottle Rockets blijven een cultband omdat Atlantic ze al bij het volgende album 24 Hours A Day bij het grofvuil zet. Brian Henneman en de zijnen houden echter stand en blijven albums maken, al zal The Brooklyn Side niet meer overtroffen worden.

Welfare Music / Gravity Fails / I'll Be Comin'Around / Radar Gun / Sunday Sports / Pot Of Gold / 1000 Dollar Car / Idiot's Revenge / Young Lovers In Town / Take Me To The Bank / What More Can I Do? / Stuck In A Rut / I Wanna Come Home / Queen Of The World



dinsdag 19 maart 2013

The Greenberry Woods | Rapple Dapple


Ze beginnen The Greenberry Woods in 1988 aan de universiteit van Maryland, maar terug in Baltimore gaan Ira Katz (zang, gitaar), Matt Huseman (zang, sologitaar), Brandt Huseman (zang, bas) en Miles Rosen (drums) professioneel als ze een contract krijgen bij Seymour Steins Sire Records. Hun leren jekkies refereren aan de Ramones, hun labelgenoten zo'n achttien jaar daarvoor; hun muziek neigt naar bubblegum-punk, maar herinnert evenzeer aan de meerstemmige zang van The Beatles en The Byrds. The Greenberry Woods zijn kortom, pure powerpop, zo bewijst in 1994 ook hun debuutplaat Rapple Dapple. Geproduceerd door Andy Paley, een Brian Wilson-acoliet, is Rapple Dapple een energieke, pittige plaat met heerlijke liedjes zoals '#37 (Feels So Strange)', 'I'll Send A Message', 'Adieu' en de sterke single 'Trampoline'. De rinkelende gitaren en driestemmige zang maken van zowel Rapple Dapple als de opvolger Big Money Item juweeltjes in het genre. Verder dan twee cd's komen The Greenberry Woods helaas niet omdat ze in 1996 muteren in het warrige Splitsville.

Trampoline / #37 (Feels So Strange) / Sentimental Role / I'll Send A Message / Oh Christine / I Knew You Would / Waiting For Dawn / That's What She Said / The Sympathy Song / Adieu / Busted / More And More / Nowhere To Go / Hold On

maandag 8 oktober 2012

Ride | Carnival Of Light


Shoegaze: bleke jonkies in kleurige t-shirts die onder het genot van een pilletje naar hun schoenen staren. Voorafgegaan door de gruisrock van The Jesus & Mary Chain en de stonede pop van The Stone Roses is shoegaze – zwaar leunend op vervormde gitaarmuren – eind jaren tachtig een ferme opleving in de Britse gitaarpop met bands als My Bloody Valentine, Moose en Ride.
Ride, opgericht in Oxfordshire door de zanger/gitaristen Mark Gardener en Andy Bell, komt al snel onder contract bij het hippe Creation-label en brengt met succes drie ep's op de markt, alvorens in 1990 het spraakmakende debuut Nowhere op major Sire verschijnt. Opvolger Going Blank Again (1992) bevestigt Ride's reputatie en ook niet meer dan dat. Het derde album moet weer wat bijzonders worden en herbergt dan ook verrassenderwijs Amerikaanse invloeden. Ride is in '92 op tournee geweest door de Verenigde Staten en heeft in Californië zijn heil gezocht bij producer George Drakoulias (The Black Crowes), maar keert toch terug naar Londen – naar producer John Leckie en de Abbey Road-studio's – voor de opnamen voor het cruciale derde album: Carnival Of Delight. Toch hebben de folkrock-invloeden van Buffalo Springfield en The Byrds hun werk gedaan: 12-snarige rinkelgitaren, zweverige zang en Westcoast-psychedelica springen in en uit het klankbeeld van het fascinerende Carnival Of Light. Verder valt de rollende Hammond op in 'Moonlight Medicine', de elektrische piano in het swingende 'From Time To Time' en de hemelse meerstemmige zang in het adembenemende 'Only Now'. En meer: even Byrdsy als 'Natural Grace' klinkt, zo puur Beatlesk is 'How Does It Feel To Feel?' Gardener en Bell – onzeker over Ride's toekomst – hebben zichzelf niettemin overtroffen in prachtige liedjes die schoegazer-gitaren, zangharmonieën en 18-karaats melodieën combineren. Men draaie: '1000 Miles', 'Birdman', 'Crown Of Creation', 'Magical Spring' of 'I Don't Know Where It Comes From' .
Uitgebracht in 1994 is Carnival Of Light – te midden van alt.klassiekers als dEuS' Worst Case Scenario, Live's Throwing Copper en Pavements Crooked Rain Crooked Rain – een van de meest imposante releases van dat jaar. Onsuccesvol is de plaat echter wel; een gewenste internationale doorbraak zit er helaas niet in. Dat heeft als onvermijdelijk gevolg dat Ride in 1995 uiteenvalt. Carnival Of Light bewijst achteraf – en alleen dan – het ongelijk van Gardener en Bell, want wat is dit Ride-album een fantastische plaat.

Moonlight Medicine / 1000 Miles / From Time To Time / Natural Grace / Only Now / Birdman / Crown Of Creation / How Does It Feel To Feel? / Endless Road / Magical Spring / Rolling Thunder / I Don't Know Where It Comes From

woensdag 25 juli 2012

Pete Droge | Necktie Second

Tussen het grunge-geweld uit Seattle is het debuut van Pete Droge in 1994 een totale verrassing. Toegegeven, Droge, 25 jaar, behoort tot de Seattle-scene van slackers en neo-hippies die opgroeien met punk en metal, maar anderszins is Droge evenzeer een Dylan-adept. Na dienst gedaan te hebben in punkrockbandjes struint Droge, gewapend met akoestische gitaar, voortaan liever de koffiehuizen af. Pearl Jam-gitarist Mike McCready is nogal enthousiast over de ironische, stemmige liedjes van Droge en neemt een demo op van de songs, die hij vervolgens aan producer Brendan O'Brien laat horen. Ook O'Brien is direct verkocht en tekent hem voor Rick Rubins American Recordings-label.
Met zijn eigen band – met daarin toekomstige echtgenote Elaine Summers – neemt Droge thuis bij O'Brien in Atlanta, Georgia zijn ijzersterke debuutplaat op. Necktie Second kent een warme, organische sound die gebaseerd is op Droge's laidback voordracht, countryrock-gitaren en een zoemende Hammond B-3. Droge's liedjes lijken in niets op de harde, Seattle grunge-sound, maar liggen eerder in het verlengde van de neo-countryrock van labelgenoten The Jayhawks of de popsongs van Tom Petty – zoals het aanstekelijke 'So I Am Over You'. Het zijn de droeve, traag slepende liedjes die in het bijzonder imponeren: 'Northern Bound Train', 'Straylin Street' en 'Faith In You'; nog eens overtroffen door het persoonlijke 'Fourth Of July' – waarin Droge een hemelse gitaarsolo loslaat – en het zuigende 'Hardest Things To Do'. Necktie Second is een droom van een debuutplaat en stuwt Pete Droge terecht hoog op in de vaart der volkeren: hier klinkt een origineel geluid – dat van een grungy singer-songwriter.
Zoals dat zo vaak gaat bij een spraakmakend debuut, is dat wat er volgt van een mindere kwaliteit. Dat geldt ook voor Pete Droge: de opvolgers kunnen niet tippen aan diens fantastische debuut. Er volgt een bescheiden serie cd's, waarbij de cd van The Thorns – met Matthew Sweet en Shawn Mullins – nog het meest opmerkzaam is. Aan de exposure ligt het ook niet: Droge's liedjes figureren in talloze speelfilms en zelf speelt hij Gram Parsons in Cameron Crowe's Almost Famous. Een wereldwijde doorbraak zit er voor Pete Droge echter niet in – Necktie Second blijft zijn chef d'oeuvre.

If You Don't Love Me (I'll Kill Myself) / Northern Bound Train / Straylin Street / Fourth Of July / Faith In You / Two Steppin Monkey / Sunspot Stopwatch / Hardest Thing To Do / So I Am Over You / Dog On A Chain / Hampton Inn Room 306

maandag 4 juni 2012

The Electric Hippies | The Electric Hippies

Achter de de illustere bandnaam The Electric Hippies – hippies zijn niet hip in de jaren negentig – gaat een duo schuil. Steve Balbi en Justin Stanley zijn afkomstig uit Sydney, Australië en vormen uit onvrede met andere bands en projecten een studioproject. Instrumentaal heeft het duo alles in huis: gitaar, bas, drums, toetsen en ook de strijkersarrangementen op het zelfgetitelde album uit 1994 zijn van eigen hand. Vertrekpunt is de sound van The Beatles' White Album, met een hint naar The Dukes Of Statosphear' Psychedelic Psunspot en Jellyfish' Bellybutton. De samenzang is voortreffelijk, evenals Calbi's gitaarspel en Stanleys toetsenpartijenen. De tracks op Electric Hippies zijn complex en weelderig gearrangeerd, al blijven de popliedjes als zodanig overduidelijk herkenbaar. Prachtig melodieus zijn dan ook 'Didn't mean To Make You Cry', 'It's Cool', 'Precious' en ook het neo-psychedelische 'Schizophrenic Terry'. Electric Hippies is een avontuurlijk een complex popalbum, en zal het enige blijven van Stanley en Calbi, want verwarring en drugsverslaving doen The Electric Hippies desintegreren.
Didn't Mean To make You Cry / Believe In You / Greedy People / Nothing To Lose / Jonny Courageous / It's Cool / Acid Lady / Schizophrenic Terry / And / My Turn To Cry / Precious / Falling Star / I'm Leaving / I'm Leaving (Reprise)

woensdag 7 maart 2012

Toad The Wet Sprocket | Dulcinea

Zo rond 1991 is Toad The Wet Sprocket, in Amerika althans, op zijn commerciële hoogtepunt. In Nederland doet de band uit Santa Barbara, Californië hoegenaamd niets. In het thuisland echter, scoort Toad The Wet Sprocket – hoewel ontleend aan Monthy Python toch een ridicule naam – een aantal grote hits, afkomstig van het derde album Fear. De opvolger van vier jaar later, Dulcinea, is beduidend minder gepolijst met zijn combinatie van gedempte grunge-gitaren en R.E.M.-somberte. Wel levert Dulcina, met op de hoes de doodsbloemen bij uitstek, aronskelk en lelie, hits op met het catchy collegerocknummer 'Fall Down' en het prachtig broeierige 'Something's Always Wrong'. Maar achter de hits gaan pareltjes schuil als de logge gitaarpopsong 'Woodburning', het rauwe 'Reincarnation Song' en vooral de van weemoed druipende folkrockliedjes 'Crowing' en 'Listen', beide meeslepend vertolkt door zanger Glen Phillips. Dulcinea is een gevarieerd en bijzonder sfeervol gitaarpopalbum; het is in 1994 het creatieve hoogtepunt van Toad The Wet Sprocket. Nog een plaat volgt en dan is het in 1998 voorbij als de hits uitblijven en Phillips vervolgens solo gaat.
Fly From Heaven / Woodburning / Something's Always Wrong / Stupid / Crowing / Listen / Windmills / Nanci / Fall Down / Inside / Begin / Reincarnation Song / Hope

woensdag 15 februari 2012

Mother Earth | The People Tree

Met The People Tree zet Mother Earth vele muziekliefhebbers op het verkeerde been. In de begin jaren negentig staat het Acid Jazz-label garant voor een genre dat funk, disco en jazz vermengt met elektronische dance. Acid jazz is daarmee ook een genre-aanduiding en een duidelijke afbakening ten opzichte van pop en rock. Morther Earths debuut, Stoned Woman, past met zijn gesampelde grooves dan ook prima binnen de hippe Acid Jazz-familie. Dat is echter totaal anders op Mother Earth’s tweede, The People Tree. Bij het Acid Jazz zijn ze totaal verslingerd geraakt aan het Hammond orgel, althans dat geldt voor labelbaas Eddie Piller. Het evangelie is aldaar gebracht door James Taylor, organist extraordinair en de Cor Steijn van de neo-garage. Het is die Hammond-sound die in zo’n extreme mate overheerst op The People Tree. Verantwoordelijk daarvoor is Bryn Barklam, die al die machtige rollende klanken uit zijn orgel tovert. Het muzikale brein van Mother Earth is echter zanger, sologitarist en componist Matt Deighton, met zijn hangsnor en lange haar een reïncarnatie van de jaren zeventig rockhelden. Het duo wordt geassisteerd door het funky basspel van Neil Corcoran en de droog tikkende drums van Chris White. Althans, dat is de groovende rocksound die Mother Earth onder productionele regie van Piller neerzet op The People Tree. De Britten grijpen met hun retro-geluid volledig terug op de swingende rock van The Small Faces en het folky terug-naar-de-natuur-geluid van Caravan en Traffic. Barklams toetsen en Deightons stem roepen dan ook meer dan eens Steve Winwoods karakteristieke geluid op voor het geestesoog, hetgeen op fraaie wijze tot uitdrukking komt in de intense ballad ‘Jesse’ en de soulvolle rocker ‘Find It’. ‘Dragster’ is opzwepende soulrock en hier springt de Lenny Kravitz-vergelijking in gedachten; in die zin dat zowel Mother Earth als Kravitz hebben geput uit dezelfde bron van psychedelische soul. Onmiskenbaar is ook – als een schakel tussen de jaren zeventig en de jaren negentig – de invloed van modfather Paul Weller, die dan ook een gastrol vervult. De hoofdrollen zijn echter weggelegd voor het ongekend sfeervolle spel van Barklam – op Fender Rhodes, Hammond, piano en mellotron – en de zang en de geweldige composities van Matt Deighton. Zijn klasse gitaarspel etaleert hij trouwens ruimhartig in de Santana-achtige latinrock van ‘Warlocks Of The Mind Part 1’; in de prachtige bluesy gitaarsolo van ‘Time Of The Future’; en in de gierende feedback van de finale van ‘Saturation 70’. Het moge duidelijk zijn; The People Tree is een collectie uitbundige en groovende rocksongs die een massa sfeer ademen. Weliswaar heeft The People Tree een overduidelijk retro-karakter, maar dwars tegen alle trends in is The People Tree een unieke plaat, die bovendien van grote klasse is.
Institution Man / Jesse / Stardust Bubblegum / Mister Freedom / Warlocks Of The Mind Part 1 / Dragster / Find It In The End / The People Tree / Apple Green / Time Of The Future / Saturation 70 / Illusions / Warlocks Of The Minds Part 2 / A Trip Down Brian Lane