Posts tonen met het label folkpop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label folkpop. Alle posts tonen

zaterdag 15 april 2017

Greenfield & Cook | Greenfield & Cook

Ze ontmoeten elkaar in The Hurricanes, een Haagse beatgroep met een single op hun conto, dan gaan ze in 1968 verder als het duo Popshop. Al vlot veranderen Rink Groeneveld en Peter Kok hun naam in, inderdaad, Greenfield & Cook. Het is nogal paradoxaal dat de debuutsingle ‘The End’ heet, maar niettemin is het het begin van een mooie reeks hits. Na ‘A Day Begins’ volgt in de nazomer van 1971 de eerste echt grote hit: ‘Only Lies’. Dat succes wordt in het voorjaar van 1972 uitgebouwd met het inmiddels klassieke ‘Don’t Turn Me Loose’ dat gelijktijdig met de lp Greenfield & Cook wordt uitgebracht. Geproduceerd door ex-Golden Earrings Jaap Eggermont en begeleid door muzikanten als Hans Hollestelle, John Lagrand en Louis Debij zingen Greenfield & Cook met z’n beiden de sterren van de hemel. Het album is bezaaid met honingzoete, maar zeer fraaie popliedjes als ‘To Rob (What Am I Supposed To Do)’, ’Darling, Darling’, ‘Gone’ en ‘The End’. De akoestische sound en de meanderende samenzang is zo hier en daar versierd met een klaaglijke Toots Thielemans-mondharmonica (‘To Rob (What Am I Supposed To Do))’, een sfeerverhogend Herb Alpert-trompetje (‘Baby Don’t Cry’) en bloedrode strijkers (‘It’s Up To You (Part Two’)). Noem het softpop, noem het folkrock, prachtig is het en het doet vooral sterk denken aan de jaren zestig sound van The Byrds. Greenfield & Cook is een loepzuivere popplaat, geschraagd door de klassieke nederpophits ‘Only Lies’ en ‘Don’t Turn Me Loose’.

Greenfield & Cook. Polydor, 1972. ‘Don’t Turn Me Loose’ | ‘To Rob (What Am I Supposed To Do)’ | ‘Where’ | ‘Darling, Darling’ | ‘Going Home’ | ‘Baby Don’t Cry’ | ‘Only Lies’ | ‘All Over the World’ | ‘It’s Up To You’ | ‘It’s Up To You (Part Two)’ | ‘Gone’ | ‘The End’

woensdag 30 oktober 2013

Prefab Sprout | Steve McQueen

Al jong een muzikaal talent: Paddy McAloon schrijft zijn eerste liedjes op zijn twaalfde. Met zijn eerste bandjes Chrysalis Cognosco en Grapled Institution speelt hij covers van T.Rex, Mott The Hoople en Slade in koffiehuizen en bejaardentehuizen in zijn woonplaats Newcastle. In 1977 begint hij met zijn broer Martin Prefab Sprout dat in 1982 zijn eerste single uitbrengt. Dan voegt zich Wendy Smith, met haar zwoele sirenenzang, bij de broers en verschijnt een tweede single op het Kitchenware-label. Debuutalbum Swoon maakt vooral op popcritici indruk vanwege de ambachtelijke popliedjes die tegen de heersende mores in niet op klinische synthesizers leunen, maar op akoestische gitaren, mondharmonica en piano. Voor een grote doorbraak zorgt in 1985 echter opvolger Steve McQueen. 
Dit geweldige popalbum, geproduceerd door de professorale Thomas Dolby en voorzien van een sophisticated sound, opent met het opzienbare 'Faron Young' – door McAloon al in 1978 geschreven – dat een Smiths-gitaarsound koppelt aan een country-ritme en genoemd is naar jaren vijftig country & western-zanger Faron Young. Er volgt dan een fraaie serie schijnbaar eenvoudige en lichtvoetige popliedjes die subtiel leunen op jazz en blue-eyed soul: de trits 'Bonny', 'Appetite' en 'When Love Breaks Down' bezit een sprankelende, ongrijpbare pracht. Roland- en Yamaha-synthesizers duiken op in zwoel-sophisticated liedjes als 'Hallelujah' en 'Moving The River'; 'Horsin' Around' knipoogt vanwege de jazzy toetsen sterk naar Steely Dan. Het moge duidelijk zijn; Steve McQueen – geen postpunk en geen synthpop – is halverwege de jaren tachtig een tamelijk uniek album en daarom iconisch voor het tijdsgewricht. Hoewel typisch Brits, krijgt Prefab Sprout met Steve McQueen ook een voet aan de grond in Amerika. Alleen heet het album daar Two Wheels Good omdat de erven-McQueen de albumtitel bepaald niet op prijs stellen. Overigens is Paddy McAloon met de Triumph-motorfiets op de lp-hoes stevig onderuit gegaan.

Faron Young / Bonny / Appetite / When Love Breaks Down / Goodbye Lucille #1 / Hallelujah / Moving The River / Horsin' Around / Desire As / Blueberry Pies / When The Angels

donderdag 3 oktober 2013

Jimmy Campbell | Half Baked

Muzikaal zeer begaafd, maar altijd achtervolgd door pech, is Jimmy Campbell een nogal tragische figuur gebleven. De muzikant en songschrijver uit Liverpool, Engeland heeft talent in overvloed en voert in het midden van de jaren zestig – en in de donkere schaduw van The Beatles – bands aan als The Kirkbys en 23rd Turnoff. Voor Philips mag Campbell drie solo-albums opnemen. Na de eerste, Son Of Anastasia, promoveert Jimmy Campbell naar het progressieve Vertigo, het prestigieuze sublabel van Philips. De lat voor Campbells tweede soloplaat komt daarmee hoger te liggen, wat in september 1970 resulteert in het bijzonder geslaagde Half Baked. Campbell wordt hierop begeleid door buddy Bill Kinsley en andere vrienden met wie Campbell een jaar later Rocking Horse zal vormen. Half Baked is gevarieerd – zowel stemmig als vlot rockend – en bestaat uit voortreffelijke songs: galmende, Spectoriaanse pracht (‘Don’t Leave me Now’); White Album-periode Beatles (‘Half Baked’), landerige, Dylaneske countryfolk (‘Green Eyed American Actress’) en hartverscheurende, door strijkers begeleide ballads ('In My Room', 'I Will Not Mind'). Gestoken in een prachtige klaphoes vaste Vertigo-hoesontwerper Marcus Keef is het voortreffelijke Half Baked niettemin een jammerlijke commerciële mislukking, een lot dat Jimmy Cambell zal blijven achtervolgen – tot aan zijn vroegtijdige dood op 12 februari 2007.

Green Eyed American Actress / Loving You Is All I Do / So Lonely Without You / In My Room / That's Right, That's Me / I Will Not Mind / Dulcie (It's December) / Forever Grateful / Half baked / Closing Down The Shop / Don't Leave Me Now 

woensdag 30 januari 2013

Skooshny | Even My Eyes


Dat Skooshny onbekend, onbemind en ondergewaardeerd is, ligt vooral aan de bandleden zelf. In 1970 ontmoet muzikaal mastermind en mensenschuwe kluizenaar Mark Breyer in Chicago, Illinois fotograaf en jazzdrummer David Winoground. Ze formeren een band die uiteindelijk naar Los Angeles verhuist. Aldaar ontmoet het duo in 1975 de uit Columbus, Ohio afkomstige chirurg en multi-instrumentalist Bruce Wagner. Gedrieën starten ze een project dat ze Skooshny noemen – het Russische woord voor 'saai'. Een muzikaal studioproject, want vooral Breyer wil geen live-optredens doen, en dus zal Skooshny nooit voor publiek spelen. Op het eigen Alien Records brengt Skooshny eind jaren zeventig singles en ep's uit die op goede kritieken onthaald worden, maar begin jaren tachtig gaan de drie ieder huns weegs. Zo'n tien jaar later worden Bryer, Wagner en Winoground gewaar dat hun releases in Europa collector's items zijn. Platenbaas Greg Shaw (Bomp/Voxx Records) brengt Skooshny in contact met Bill Forsyth van de legendarische Londense platenwinkel Minus Zero. Op het speciaal voor Skooshny opgerichte Minus Zero Records komt in 1991 een compilatie uit van Skooshny-materiaal. Dit minimale succes spoort het drietal aan om Skooshny een doorstart te bezorgen, wat in 1992 leidt tot een 7” met daarop vier magnifieke tracks die herinneren aan The Byrds, Love en The Left Banke, maar ook aan R.E.M., Green Pajamas en The Church. Maar Bill Forsyth wil een heel album van Skooshny.
Het drietal voegt een aantal in diverse Californische studio's opgenomen muzikale projecten tezamen, met als resultaat het onwaarschijnlijk coherente Even My Eyes. Niet alleen dat, Skooshny's eerste originele album in ruim twintig jaar is uniek en van een onnadrukkelijke schoonheid door de combinatie van zoete harmonieën, verbazingwekkende arrangementen en neo-psychedelische gitaren. Schitterende songs als 'Holy Land', 'You Can't Love Me' en 'We Share Breath' combineren folkrock, baroque-pop en jaren zeventig Westcoast en promoveren dit tot actuele jaren negentig gitaarpop. Herfstig, droef en vol verlangen klinken aldus de popsongs die uit Breyer en Wagners koker komen. Maar ook avontuurlijk: 'No Life Story' doet onwillekeurig denken aan Arthur Lee; 'Tonight' is dynamische gitaarpop met symfonische trekken; en 'Even My Eyes' is melancholiek, meeslepend en rechtstreeks afkomstig uit het popwalhalla – een klassieker. Skooshny creëert op Even My Eyes een eigen universum, dat echter in zijn bescheidenheid maar nauwelijks wordt opgemerkt. Eenzelfde lot is opvolger Water vier jaar later beschoren, waarna na zo'n 25 jaar het doek valt voor Mark Bryer, Bruce Wagner, David Winoground en het bescheiden studioproject dat Skooshny was.

Even My Eyes / Holy Land / I Never Change Mind / You Can't Love Me / Private Jokes / No Life Story / Words of War / Love's Not Impossible / We Share Breath / Science Changes Everyone / Tonight / Time Goes Fast / Holy Land (Reprise) / Clickin' My Fingers




dinsdag 16 oktober 2012

Mark Mulcahy | Smilesunset


In 1984 maakte ik voor het eerst kennis met de stem van Mark Mulcahy. The Backyard Seems So Empty Now, zong de toenmalige zanger van Miracle Legion met bijkans huilende stem. IJzingwekkend mooi. Met Miracle Legion, een band die het in zich had om mee te groeien met tijdgenoten R.E.M., is het niet echt goed gekomen. Anno 2001 lijkt het erop dat Mark Mulcahy zijn finest hour gaat beleven. Na het kale Fathering komt Mulcahy nu voor de dag met het exuberante Smilesunset. Een caleidoscopische plaat waarop een scala aan instrumenten tevoorschijn getoverd wordt. Naast de normale rockbegeleiding is er ruimte gemaakt voor mandolines, klarinetten, cello’s, klokkenspel en zelfs dream pedals. Dit inventief ingezette instrumentarium kleurt meesterlijk bij zowel Mulcahy’s indrukwekkende stem als diens compositorisch talent. Vooral dit laatste heeft geleid tot een afwisselende en zeer boeiende cd. Mulcahy bestrijkt met Smilesunset het complete popspectrum. In 'Until I Say So' klinkt de stem door van Kurt Weill, 'We’re Not In Charleston Anymore' is een op akoestisch gitaargerinkel gebaseerde uptempo-popsong en 'Wake Up Whispering' is een intens melancholieke ballad. En zo valt er over elk nummer wel iets positiefs te melden. Dit is simpelweg superieure popmuziek. Wellicht is er een behoorlijk aantal draaibeurten nodig om door te dringen in de wondere wereld van Mark Mulcahy. Maar dan is het een genot om je mee te laten drijven met Mulcahy’s prachtige liedjes en diens expressieve stemgeluid. Mark Mulcahy’s achtertuin is niet langer leeg. Het is omgetoverd tot een sprookjesbos waarin de luisteraar eindeloos kan ronddwalen.

Micon The Icon / I Just Shot Myself In The Foot Again Alamo In Alabama / The Quiet One / The Way That She Really Is / Until I Say So / We’re Not In Charleston Anymore Wake Up Whispering / The Come On / Resolution #1 / I Hate To Needy Need You / A Cup Of Tea And Your Insights (From Spring Forward

zondag 3 juni 2012

Husky | Forever So




De bandnaam – vernoemd naar zanger/componist Husky Gawenda – spreekt misschien niet zo tot de verbeelding, de muziek doet dat des te meer. De prachtige, klassieke, akoestisch geladen droompop van het kwartet uit Melbourne, Australië steekt qua raffinement, subtiliteit en melodieuze kracht en pracht ver boven het maaiveld uit. De band nam deze tweede plaat, Forever So, op in Australische keukens, kelders en slaapkamers en liet het ruwe materiaal in Los Angeles mixen door Davendra Banhart-associé Noah Georgeson. Het resultaat, al in 2011 in het thuisland uitgebracht en nu ook wereldwijd door Sub Pop, is een betoverend album waarop piano-intro's, akoestische gitaren en schitterende harmoniezang overheersen. De sfeer is die van een landelijk, jaren zeventig Westcoast-album, maar ook is Husky vergelijkbaar met bands als Midlake, Chief en The Soft Hills. Zonder het schitterende samenhangende geheel tekort te doen, verdienen niettemin parels als 'History's Door', 'The Woods', 'Dark Sea' en het hemelse 'Animals & Freaks' een expliciete vermelding. Husky's bijzonder beloftevolle majordebuut is veel meer dan de loutere som der delen; Forever So is – om maar eens een cliché van stal te halen – van een echt verbluffende schoonheid.
Tidal Wave / Fake Moustache / History's Door / The Woods / Hunter / Dark Sea / Forever So / Animals & Freaks / Instrumental / Hundred Dollar Suit / How Do You Feel / Don't Tell Your Mother / Farewell (In 3 Parts)

vrijdag 27 april 2012

Guy Chadwick | Lazy, Soft & Slow

Razendsnel kwam The House Of Love, tussen postpunk en Britpop, op in 1987, maar bijna net zo snel doofde de vlam een paar jaar later. Interne ruzies en grote problemen met platenlabel Creation maken van creatieve spil Guy Chadwick een geestelijk wrak. Hij is er jarenlang niet best aan toe; is zwaar depressief en verbitterd. Toch klimt Chadwick na zo'n vijf jaar, waarin hij voornamelijk in bed gelegen heeft, uit het dal. Ontwaakt uit een jarenlange lethargie komt hij begin 1998 op de proppen met een wonderschoon album. Lazy, Soft & Slow is een bijzondere rake titel voor de verzameling relaxte, laidback folkliedjes, die over het algemeen van een opmerkelijke schoonheid zijn. Chadwick, de getormenteerde kunstenaar, zou Chadwick niet zijn als er op zijn solo-album niet een paar rammelende uitschieters naar beneden te vinden zouden zijn, maar de pastorale liedjes die elegant weg zweven op de tonen van akoestische gitaar, viool, accordeon en pedal steel zijn rijkelijk in de meerderheid. Met berustende stem gezongen, en warm geproduceerd door ex-Cocteau Twin Robin Guthrie, bevat Lazy, Soft & Slow vooral bitterzoete, serene folkliedjes. Briljante liedjes als 'Soft & Slow', 'One Of These Days', 'Mirrored In My Mind' en 'Crystal Love Song' maken het des te betreurenswaardiger dat Guy Chadwick het bij één soloplaat gelaten heeft, al deed Chadwick in 2005 wel een halfhartige poging The House Of Love nieuw leven in te blazen. Lazy, Soft & Slow is dan ook Chadwicks – wonderschone – dark horse.
Soft & Slow / You've Really Got A Hold Of Me / One Of These Days / In Her Heart / Song For Gala / Mirrored In My Mind / Waited In Song / Fall In Love / This Strength / Crystal Love Song / Close Your Eyes

woensdag 15 februari 2012

Mother Earth | The People Tree

Met The People Tree zet Mother Earth vele muziekliefhebbers op het verkeerde been. In de begin jaren negentig staat het Acid Jazz-label garant voor een genre dat funk, disco en jazz vermengt met elektronische dance. Acid jazz is daarmee ook een genre-aanduiding en een duidelijke afbakening ten opzichte van pop en rock. Morther Earths debuut, Stoned Woman, past met zijn gesampelde grooves dan ook prima binnen de hippe Acid Jazz-familie. Dat is echter totaal anders op Mother Earth’s tweede, The People Tree. Bij het Acid Jazz zijn ze totaal verslingerd geraakt aan het Hammond orgel, althans dat geldt voor labelbaas Eddie Piller. Het evangelie is aldaar gebracht door James Taylor, organist extraordinair en de Cor Steijn van de neo-garage. Het is die Hammond-sound die in zo’n extreme mate overheerst op The People Tree. Verantwoordelijk daarvoor is Bryn Barklam, die al die machtige rollende klanken uit zijn orgel tovert. Het muzikale brein van Mother Earth is echter zanger, sologitarist en componist Matt Deighton, met zijn hangsnor en lange haar een reïncarnatie van de jaren zeventig rockhelden. Het duo wordt geassisteerd door het funky basspel van Neil Corcoran en de droog tikkende drums van Chris White. Althans, dat is de groovende rocksound die Mother Earth onder productionele regie van Piller neerzet op The People Tree. De Britten grijpen met hun retro-geluid volledig terug op de swingende rock van The Small Faces en het folky terug-naar-de-natuur-geluid van Caravan en Traffic. Barklams toetsen en Deightons stem roepen dan ook meer dan eens Steve Winwoods karakteristieke geluid op voor het geestesoog, hetgeen op fraaie wijze tot uitdrukking komt in de intense ballad ‘Jesse’ en de soulvolle rocker ‘Find It’. ‘Dragster’ is opzwepende soulrock en hier springt de Lenny Kravitz-vergelijking in gedachten; in die zin dat zowel Mother Earth als Kravitz hebben geput uit dezelfde bron van psychedelische soul. Onmiskenbaar is ook – als een schakel tussen de jaren zeventig en de jaren negentig – de invloed van modfather Paul Weller, die dan ook een gastrol vervult. De hoofdrollen zijn echter weggelegd voor het ongekend sfeervolle spel van Barklam – op Fender Rhodes, Hammond, piano en mellotron – en de zang en de geweldige composities van Matt Deighton. Zijn klasse gitaarspel etaleert hij trouwens ruimhartig in de Santana-achtige latinrock van ‘Warlocks Of The Mind Part 1’; in de prachtige bluesy gitaarsolo van ‘Time Of The Future’; en in de gierende feedback van de finale van ‘Saturation 70’. Het moge duidelijk zijn; The People Tree is een collectie uitbundige en groovende rocksongs die een massa sfeer ademen. Weliswaar heeft The People Tree een overduidelijk retro-karakter, maar dwars tegen alle trends in is The People Tree een unieke plaat, die bovendien van grote klasse is.
Institution Man / Jesse / Stardust Bubblegum / Mister Freedom / Warlocks Of The Mind Part 1 / Dragster / Find It In The End / The People Tree / Apple Green / Time Of The Future / Saturation 70 / Illusions / Warlocks Of The Minds Part 2 / A Trip Down Brian Lane