Posts tonen met het label 1996. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1996. Alle posts tonen

zondag 13 april 2014

Scud Mountain Boys | Massachusetts

Een gedeukte Pontiac uit een voorbij tijdperk, zonder nummerplaat en met een over de grond slepende achterbumper, dat is het vervoermiddel waarmee de Scud Mountain Boys zich over de highways en byways bewegen van Massachusetts en Connecticut. Als je op basis van de afgetrapte auto en bandnaam een stelletje langharige rednecks verwacht, dan kom je bedrogen uit. De Scud Mountain Boys staan op Massachusetts namelijk garant voor fragiele countryliedjes, weliswaar met een niet al te opwekkende lading, maar altijd voorzien van uiterst sfeervol en diepmelancholiek klankbeeld.
Zanger en gitarist Joe Pernice richt in Northampton, Massachusetts in 1991 samen met gitarist en pedal steelspeler Bruce Tull, bassist Stephen Desaulniers en drummer en mandolinespeler Tom Shea The Scuds op. Het kwartet speelt rauwe punkrock en toert extensief door New England, maar is al snel het rondzeulen met apparatuur zat. Liever speelt de band akoestische countryliedjes rond de keukentafel. Maar al snelt verruilt het viertal de keukentafel voor een podium en gaat opnieuw toeren met een vernieuwd repertoire en een nieuwe, niet van ironie gespeende naam: Scud Mountain Boys. Getrouw aan de vernieuwde – akoestische – formule nemen de Scud Mountain Boys hun eerste twee platen – Pine Box (verschijnt als cassette) en Dance The Night Away op in de keuken van Bruce Tull. Begin 1996, binnen een jaar na de release van de beide platen, worden de Scud Mountain Boys getekend door het fameuze Sub Pop-label en gaan de boys in Mike Demings Studio.45, met hulp van producer Tom Monahan, werken aan de door Joe Pernice gecomponeerde liedjes.
Het resultaat, Massachusetts, is het eerste internationale – en dus ook Europese – teken van leven van de Scud Mountain Boys; overduidelijk geen bebaarde rednecks, maar sensitieve jongemannen, muzikaal gevormd door punkrock en country. De veertien liedjes, alle geworteld in een country- en folktraditie, zijn in de kern kampvuurliedjes die gestuurd worden door de stem en gitaar van Joe Pernice; zijn hese en ijle stem – sterk gelijkend op die van Colin Blunstone – sluit naadloos aan op de akoestische toonzetting van de composities. Daarbij zorgen een jankende elektrische gitaar en een jengelende pedal steel voor rake nuances. Massachusetts is een combinatie van melodieuze pop en verstilde country: countryfied pop, zoals de toepasselijke Britse benaming luidt. Massachusetts is vanzelfsprekend geen grotestadsmuziek, doch is opgebouwd uit introverte en soms wanhopige liedjes die bij uitstek de rurale sfeer van New England verbeelden. Muziek voor bij een kampvuur, gesitueerd in de eindeloze bossen van Amerika’s oostkust. Nummers als ‘In A Ditch’, ‘Big Hole’ en ‘Grudge****’ – met priemende gitaarsolo – getuigen van een compositorisch vernuft en worden bovendien aangejaagd door de Weltschmertz van Joe Pernice. Titelnummer ‘Massachusetts’ is een gracieus popnummer en ‘Knievel’, met daarin ongetwijfeld Evil Knievels levensmotto: I’m only free when I’m flying, is de indrukwekkende afsluiter. Maar het prijsnummer van de plaat is ‘Lift Me Up’, een slepende countryrocksong in de beste Neil Young-traditie die bovendien de algehele atmosfeer van Massachusetts treffend neerzet; die van een roadmovie zonder happy end.
Met Massachusetts hebben de Scud Mountain Boys een van de betere cd’s van 1996 gemaakt en bewijzen ze een welkome toevoeging te zijn aan de ontkiemende alt.countrymovement. Massachusetts is een geladen en tegelijk ingetogen klein meesterwerk en behoort aldus tot het beste dat Sub Pop heeft uitgebracht in het post-grungetijdperk. De internationaal lovende recensies blijken overigens voor Joe Pernice geen reden om voort te bouwen aan het Scud Mountain Boys-bouwwerk: binnen twee jaar verschijnt Overcome By Happines, het debuut van The Pernice Brothers.

In A Ditch / Scratch Ticket / Penthouse In The Woods / Grudge**** / Big Hole / Van Drunk / Lift Me Up / Liquor Store / A Ride / Holy Ghost / Cigarette Sandwich / Massachusetts / Glass Jaw / Knievel



woensdag 29 januari 2014

Blind Melon | Nico

Talentvolle maar tragische band uit Los Angeles; Blind Melon had het in zich een grote alternatieve rockband te worden, maar de overdosis in 1995 van bandleider Shannon Hoon verhindert dat. Hoon, afkomstig uit Lafayette, Indiana, trekt in 1990 naar Californië om daar met andere boerenzonen Blind Melon op te richten. In 1992 verschijnt het zelfgetitelde debuut op Capitol Records, dat pas een jaar later een succes wordt door de onverwachte hit 'No Rain'. De band trekt zich terug in het Midwesten en neemt in New Orleans Soup op. Het tomeloze toeren stelt Hoon danig op de proef: wangedrag, arrestaties en heftig drugsgebruik brengen hem in de afkickkliniek. Toch voelt Hoon zich kennelijk goed genoeg om in september '95 weer op tournee te gaan, maar op 21 oktober wordt hij dood in de toerbus aangetroffen. Een jaar later verschijnt het laatste, min of meer postume Blind Melon-album, vernoemd naar Hoons pasgeboren dochter: Nico
Nico is een verzameling outtakes en bijzondere opnamen en is wellicht Blind Melons beste plaat, vooral omdat de hinderlijk funky bas achterwege blijft. Nico heeft een meer organisch geluid, met ruimte voor akoestische gitaren en eenvoudige drumpartijen; Nico is Blind Melons meest rootsy album, al vechten Led Zeppelin-invloeden – in het fascinerend mystieke 'Glitch' – grunge en southern rock om voorrang. Schitterend zijn de rocksongs 'Soup', 'Swallowed' en 'Full', strak en raak de cover van Steppenwolfs 'The Pusher' en aangrijpend de spannende ballad 'Soul One'. De alternatieve versie van 'No Rain' is vele malen beter dan het origineel en is bovendien opgenomen in Nederland in het kader van de Twee Meter Sessies. Nico is een rauw, puur, prachtig rockalbum en een waardig afscheid van Blind Melons Shannon Hoon, die slechts 28 jaar werd.

The Pusher / Hell / Soup / No Rain (Ripped Away Version) / Soul One / John Sinclair / All That I Need / Glitch / Life Ain't Shitty / Swallowed / Pull / St. Andrew's Hall / Letters From A Porcupine


zondag 27 oktober 2013

Landberk | Indian Summer


In het dorre progressive rock-landschap van de begin jaren negentig breekt een Scandinavische lente aan als bands als Anglagard, Anekdoten en Landberk aan het firmament verschijnen. Landberk gaat aanvankelijk op de klassieke neo-prog-toer met de albums Lonely Land (1992) en One Man Tells Another (1994), maar met Indian Summer laat de band zich in 1996 van zijn meer introspectieve kant zien. Verstilling, atmosfeer en arctische weemoed zijn de sleutelbegrippen op dit indrukwekkende album, dat de rural prog van Genesis versmelt met de arty vervreemding van Radiohead; de postpunk-pathos van U2's October met het machtig minimalisme van Talk Talks Spirit Of Eden.
Een snorrende bas, stroperige, hypnotiserende drums en de stille dreiging van een mellotron gaan een verbond aan met Patric Heljes intense zang en Reine Fiskes fabelachtige gitaarspel. 'Humanize' is een sterke opener die een Cure-invloed ('Lullabye') verraadt, waarna de rockkant van Landberk – tussen postpunk en indierock – ten volle tot uiting komt in '1st Of May', 'Dustgod' en 'Dreamdance'. Maar met het schurende, sferische 'All Around Me', met in de hoofdrol Fiskes lyrische, ingehouden gitaarspel, gaat Landberk de peilloze diepte in. Ook in het fenomenale 'Why Do I Still Sleep' pakt de band op eenzelfde wijze uit: intens gloeiend als een smeulend vuur. Met Indian Summer geeft Landberk op unieke wijze invulling aan een gedateerd genre als progressive rock. Daarmee is de band een postmodernistische vernieuwer van het genre, maar profijt van deze kwalificatie heeft Landberk niet.
Na de release van Indian Summer wordt er niets meer van de band vernomen, en blijken de bandleden in allerlei nieuwe bands – Paatos, Dungen – te zijn opgedoken. Desalniettemin is Indian Summer een Zweedse klassieker.

Humanize / All Around Me / 1st Of May / I Wish Had A Boat / Dustgod / Dreamdance / Why Do I Still Sleep / Indian Summer



vrijdag 27 september 2013

The Beatifics | How I Learned To Stop Worrying

Na The Rockerfellers richt zanger/gitarist Chris Dorn in 1995 een nieuwe band op. Gebleven is gitarist Andy Schulz, maar nieuw is de ritmesectie. The Beatifics, afkomstig uit Minneapolis, Minnesota, maken zo blijkt uit hun debuut voor Twin Tone-dochter No Alternative, bitterzoete powerpop met een hoge jengelfactor en voortreffelijke melodieën. De sound op How I Learned To Stop Worrying herinnert aan de skinny tie-powerpop van The Shoes, maar is tegelijk van alle tijden: drieminutenpop met stekelige gitaren en schitterende koortjes. En meer nog: rinkelende akoestische gitaren, fuzzende elektrische, lekkere drums en een dreinerige mellotron verfraaien prachtliedjes als 'Almost Something There', 'Something/Anything?', 'Without A Doubt' en 'Last Thing On My Mind', die zonder uitzondering handelen over vluchtige relaties en kortstondig verdriet nadat de ander het heeft uitgemaakt. Happy to be sad, aldus The Beatifics in het gelijknamige liedje. How I Learned To Stop Worrying is een parel in de kroon van de powerpop, maar ook een obscuriteit want The Beatifics komen al snel zonder platenlabel te zitten, zodat Chris Dorn alleen achterblijft.

Almost Something There / Something/Anything? / This Year's Jessica / Without A Doubt / Last Thing On My Mind / Happy To Be Sad / Crazy Lovesick Heart / Those Kides / Read You Wrong / Green Day Rising



maandag 12 augustus 2013

The Roswells | The Roswells

Geweldige debuutplaat van Canadese band, die de powerpop van The Posies vermengt met psychedelische pop. The Roswells vernoemen zich naar een stadje in New Mexico waar in 1947 een ufo landde, maar het kwartet komt zelf uit Vancouver, Canada. In 1996 komt de band met een uitstekende powerpopplaat waarop ze in veertien prachtliedjes rijkelijk strooien met verwijzingen naar de pophistorie. Neem bijvoorbeeld de typische George Harrison-gitaar op 'Heaven Knows' of de op Big Star gelijkende harmonieën op het schitterende 'Fell To Earth'. Meerstemmige zang en jengelende, scheurende gitaren bepalen in de beste powerpoptraditie de sfeer op The Roswells dat in 'Like it This Way', 'What's Going On?', 'Sea Of Tranquility' en 'Yellow Means Yes' vele hoogtepunten kent. Een klassieker, dit debuutalbum van The Roswells, maar verder dan lokale bekendheid komt het kwartet niet. In 2000 verschijnt de onopgemerkte opvolger Mantra en in 2009 het debuut van The Tomorrows, de voortzetting van The Roswells.

Like it This Way / What's Going On? / C'mon C'mon / Sparkle / 'Sea Of Tranquility / 'Yellow Means Yes / Foul Weather Friend / Never Say Never / Heaven Knows / Lying On The Grass / Eyes Wide Open / Pair Of Green Eyes / Tell Her Please / Fell To Earth

zaterdag 25 mei 2013

Zakk Wylde | Book Of Shadows


Zakk Wylde is een allesverslindend gitaarmonster; een heavy metal-gitarist van het agressieve en gespierde soort. Zijn samenwerking met Ozzy Osbourne omspant maar liefst twee decennia – in 1988 was de 21-jarige knaap uit Bayonne, New Jersey voor het eerst te horen op een album van Ozzy. Na zeven jaar Ozzy Osbourne gaat Wylde in 1994 voor zijn eigen kansen en komt, gesteund door het grote Geffen, verrassend voor de dag met zijn southern rock-trio Pride & Glory. Nog verrassender is de stap die Zakk Wylde in 1996 zet met een heus singer-songwritersalbum: Book Of Shadows. Hier domineren akoestische gitaren, piano en orgel in organische rocksongs die zelfs opgeluisterd worden met sfeervolle, herfstige strijkers. Zakk Wylde blijkt over een uitstekend rauw stemgeluid te beschikken, dat nu eens niet overstemd wordt door zessnarige powerchords. Dat neemt echter niet weg dat Wylde's merendeels stemmige liedjes – organisch, melodieus en bedachtzaam – regelmatig enthousiast opgepookt worden door fantastische gitaarsolo's. Uit onverwachte hoek dus, dit superieure, beheerste solo-album van een temperamentvolle gitaarbeul.

Between Heaven And Hell / Sold My Soul / Road Back Home / Way Beyond Empty / Throwin' It All Away / What You're Look'n For / Dead As Yesterday / Too Numb To Cry / The Things You Do / 1,000,000 Miles Away / I Thank You Child

woensdag 30 januari 2013

Skooshny | Even My Eyes


Dat Skooshny onbekend, onbemind en ondergewaardeerd is, ligt vooral aan de bandleden zelf. In 1970 ontmoet muzikaal mastermind en mensenschuwe kluizenaar Mark Breyer in Chicago, Illinois fotograaf en jazzdrummer David Winoground. Ze formeren een band die uiteindelijk naar Los Angeles verhuist. Aldaar ontmoet het duo in 1975 de uit Columbus, Ohio afkomstige chirurg en multi-instrumentalist Bruce Wagner. Gedrieën starten ze een project dat ze Skooshny noemen – het Russische woord voor 'saai'. Een muzikaal studioproject, want vooral Breyer wil geen live-optredens doen, en dus zal Skooshny nooit voor publiek spelen. Op het eigen Alien Records brengt Skooshny eind jaren zeventig singles en ep's uit die op goede kritieken onthaald worden, maar begin jaren tachtig gaan de drie ieder huns weegs. Zo'n tien jaar later worden Bryer, Wagner en Winoground gewaar dat hun releases in Europa collector's items zijn. Platenbaas Greg Shaw (Bomp/Voxx Records) brengt Skooshny in contact met Bill Forsyth van de legendarische Londense platenwinkel Minus Zero. Op het speciaal voor Skooshny opgerichte Minus Zero Records komt in 1991 een compilatie uit van Skooshny-materiaal. Dit minimale succes spoort het drietal aan om Skooshny een doorstart te bezorgen, wat in 1992 leidt tot een 7” met daarop vier magnifieke tracks die herinneren aan The Byrds, Love en The Left Banke, maar ook aan R.E.M., Green Pajamas en The Church. Maar Bill Forsyth wil een heel album van Skooshny.
Het drietal voegt een aantal in diverse Californische studio's opgenomen muzikale projecten tezamen, met als resultaat het onwaarschijnlijk coherente Even My Eyes. Niet alleen dat, Skooshny's eerste originele album in ruim twintig jaar is uniek en van een onnadrukkelijke schoonheid door de combinatie van zoete harmonieën, verbazingwekkende arrangementen en neo-psychedelische gitaren. Schitterende songs als 'Holy Land', 'You Can't Love Me' en 'We Share Breath' combineren folkrock, baroque-pop en jaren zeventig Westcoast en promoveren dit tot actuele jaren negentig gitaarpop. Herfstig, droef en vol verlangen klinken aldus de popsongs die uit Breyer en Wagners koker komen. Maar ook avontuurlijk: 'No Life Story' doet onwillekeurig denken aan Arthur Lee; 'Tonight' is dynamische gitaarpop met symfonische trekken; en 'Even My Eyes' is melancholiek, meeslepend en rechtstreeks afkomstig uit het popwalhalla – een klassieker. Skooshny creëert op Even My Eyes een eigen universum, dat echter in zijn bescheidenheid maar nauwelijks wordt opgemerkt. Eenzelfde lot is opvolger Water vier jaar later beschoren, waarna na zo'n 25 jaar het doek valt voor Mark Bryer, Bruce Wagner, David Winoground en het bescheiden studioproject dat Skooshny was.

Even My Eyes / Holy Land / I Never Change Mind / You Can't Love Me / Private Jokes / No Life Story / Words of War / Love's Not Impossible / We Share Breath / Science Changes Everyone / Tonight / Time Goes Fast / Holy Land (Reprise) / Clickin' My Fingers




dinsdag 8 januari 2013

Sixteen Horsepower | Sackcloth 'N' Ashes


Gedreven door een pure aanbidding voor God en opgejaagd door de duivel; het is een mijnenveld waarin David Eugene Edwards zich begeeft. Het is daarom des te genialer dat Edwards met zijn Sixteen Horsepower die loodzware last weet om te zetten in een zinderend, striemend amalgaam van punk, country, blues en Appalachen-folk. Edwards, geboren uit half Schotse en half Cherokee ouders, groeit op bij zijn grootouders; zijn opa is een door Colorado en Texas rondtrekkende predikant – en daarvan krijgt de jonge Edwards een klap van de molenwiek mee. Hel, verdoemenis en oudtestamentisch onheil is dan ook de lyrische basis voor de band die Edwards begin jaren negentig in Denver, Colorado opricht met timmerman-drummer Jean-Yves Tola en staande bassist Kevin Soll. Zelf speelt David Eugene Edwards gitaar, banjo, lap steel en bandoneon, een Argentijnse trekzak. Zijn songs komen tot hem als in een koortsdroom – en dertien daarvan worden vastgelegd in de fameuze Ardent Studios in Memphis, Tennessee en komen onder de titel Sackcloth 'N' Ashes in het voorjaar van 1996 op de markt.
Hier is een betoverende, bezeten redenaar aan het woord die op weg is om zielen te winnen, die op reis is door een landschap van schuld, boete en loutering. I go round o Lord / I go round heet het in 'Scrawled In Sap', O praise Jesus I got her in in 'American Wheeze', meesterlijk opgepompt door Edwards' zuigende en trekkende bandoneon, en het wanhopige O Lord where is the fear in me in het door banjo aangejaagde 'Heel On The Shovel'. De teksten zijn als declamaties, de muziek is furieus – tezamen klinkt het als de niet te torsen last van de nalatenschap van William Faulkner en Jeffrey Lee Pierce: The Sound And The Fury en The Fire Of Love. De krakende stem van voorganger Edwards – geflankeerd door God en de duivel – sleept alles mee in een dwingende cadans, voortjakkerend in 'Ruthie Lingle', dreigend in 'Neck On The New Blade' en van apocalyptische proporties in 'Horse Head' en 'The Strong Man'. Het woords Gods gaat door Edwards' lichaam. Hij weet wat er van komt als je niet gehoorzaamt: vervloeking, een baksteen tegen de achterkant van je hoofd, want zo klinkt het in 'Black Soul Choir': every man a liar. David Eugene Edwards, begeleid door slidegitaar, banjo en trekzak pepert het ons in. Hij is de gehoorzamer van God. De boodschapper op Aarde. En Sixteen Horsepower is zijn vehikel; een rondreizende Medicine Show, een gezelschap van reizende apostelen. En met Sackcloth 'N' Ashes, en ook Low Estate (1997) en Secret South (2000), een exceptionele verrijking van de rockmuziek bovendien.

I Seen What I Saw / Black Soul Choir / Scrawled In Sap / Horse Head / Ruthie Lingle / Harm's Way / Black Bush / Heel On The Shovel / American Wheeze / Red Neck Reel / Prison Shoe Romp / Neck On The New Blade / Strong Man 

zondag 14 oktober 2012

The Mutton Birds | Envy Of Angels


Sterk ondergewaardeerde band uit Nieuw Zeeland, met flinke cult-following maar met weinig commercieel succes. Onder leiding van Don McGlashan ontwikkelen The Mutton Birds zich tot een geliefde band in het thuisland, maar op zoek naar grotere bekendheid vestigen The Mutton Birds zich in 1995 in Engeland, waar eerder ook de kiwi-pop van Flying Nun-bands als The Chills, The Clean en Sneaky Feelings enthousiast werd ontvangen. De band is dan al onder contract bij EMI, maar sluit voor Engeland een deal met Virgin en gaat voor het eerst onder leiding van een producer opnemen. Dat gebeurt in de landelijk gelegen Rockfield-studio's, in Wales, met Hugh Jones, bekend om zijn aardse, landelijke producties. Die kwalificaties gelden dan ook voor Envy Of Angels, het derde album van de groep, met daarop in mineur gestemde gitaarpopliedjes die druipen van hemelse melancholie. De jengelende folkrock en de stemmige teksten bieden uitzicht op groene velden, rollende heuvels en onheilszwangere luchten. Op een wonderlijke wijze ademt Envy Of Angels eenzelfde sfeer als Echo & The Bunnymens Heaven Up Here en Dumptrucks For The Country – beide niet toevallig Hugh Jones-producties. Met schitterende pastorale gitaarpopsongs als 'Straight To Your Head', 'Ten Feet Tall' 'Like This Train' en het broeierige titelnummer is Envy Of Angels een ware artistieke triomf, die The Mutton Birds niet zouden evenaren. Internationaal succes blijft uit, de band keert terug naar Nieuw Zeeland en wordt uiteindelijk in 2000 opgeheven

Straight To Your Heart / She's Been Talking / Trouble With You / April / Like This Train / Another Morning / Ten Feet Tall / Come Around / Crooked Mile / While You Sleep / Inside MY Skin / Envy Of Angels

donderdag 28 juni 2012

Radar Bros. | Radar Bros.

Wat Radar Bros. uniek maakt is de vreemde combinatie van americana en psychedelica; van western sferen en jaren zeventig Pink Floyd; van alt.country en Mercury Rev. Beeldend en cinematografisch ontrolt zich via de muziek van Radar Bros. een soundtrack die lijkt toegesneden op aanrollende oceaangolven of zinderende woestijnvlakten. Zo bezien is het niet toevallig dat Radar Bros. afkomstig is uit Los Angeles. De band bestaat sinds de oprichting in 1995 uit Jim Putnam (zang, gitaar, toetsen), Senon Williams (bas) en Steve Goodfriend (drums). Radar Bros. is vooral een studioband en gebruikt voor zijn platen steevast dezelfde studio en hetzelfde procédé: in zijn eigen Skylab-studio legt Jim Putnam – zoon van de beroemde jaren vijftig producer Bill Putnam – alles tot in de kleinste details vast, waarna hij zijn vrienden Williams en Goodfriend opdraagt bas en drums in te vullen. Putnam is de studio-wizzard die zijn muzikale dromen in Skylab omtovert tot waarlijk betoverende popmuziek. Na een ep in 1995 verschijnt een jaar later het zelfgetitelde debuutalbum op Restless Records. Het heeft slechts een bescheiden impact op pers en publiek – en in feite is dat geheel in lijn met de vloeiende, zachtaardige muziek op Radar Bros. De composities van Putnam zijn bedrieglijk eenvoudig en uitzonderlijk transparant; diens stem is louterend en fluweelzacht. In een serene tred bewegen superieure liedjes als 'Lose Your Face Again', 'Wise Mistake Of You' en 'We're Over Here' zich voort op het ritme van een trage hartenklop. Datzelfde luie tempo domineert ook de andere songs op dit uiterst consistente debuut, waarbij op 'Capital Gain', 'Supermarket Pharmacy' en 'Distant Mine' bovendien ijle gitaarsolo's worden gelanceerd. Maar altijd blijven de liedjes spaarzaam uitgevoerd en van een feeërieke pracht, wat zelfs in bijzondere mate geldt voor het fantastische 'Stay', dat ondanks de zonder meer subtiele climax volledig in harmonie blijft met de structuur van het liedje. De overtreffende trap van Putnams intense maar tegelijk ontspannen muzikale trip is de zinderende afsluiter 'Goddess', die niet had misstaan op Pink Floyds Meddle, maar toch ook weer pure zongebleekte Westcoast-americana is. Razendknap is dit zelfgetitelde debuut van Radar Bros., een oordeel dat zijn bevestiging ziet in de ijzersterke opvolgers The Singing Hatchet (1990) en And The Surrounding Mountains (2002). Tezamen een sublieme trilogie; ondergewaardeerd maar ook onweerstaanbaar.

Lose Your Face Again / Capital Gain / Wise Mistake Of You / Stay / Supermarket Pharmacy / On The Floor / We're Over Here / Distant Mine / Underwater Culprits / This Drive / Take Stuff / Goddess

dinsdag 8 mei 2012

Weird Summer | I.S.O.

In 1995 keert zanger/gitarist Bob Kimbell van Arizona terug naar Champaign, Illinois en blaast zijn band Weird Summer nieuw leven in. Datzelfde jaar verschijnt nog Incarnata Mysterica, een jaar later gevolgd door het meesterlijke I.S.O. Het album is geproduceerd door powerpop-meester Adam Schmitt, en is een mengeling van slepende popliedjes en rustieke, countryeske songs. R.E.M. Is een lichtend voorbeeld, maar ook bijvoorbeeld Big Star en de jangle pop van The Connells. Deze samensmelting van stijlen levert een schitterende plaat op, overladen met sprankelende popsongs die zijn opgetuigd met wonderschone harmonieën en majestueus rinkelende gitaren. Hemels zijn traag voortrollende gitaarliedjes als 'Pop Rocker', 'Neap Tide' en 'Never Tell', waarin lyrische solo's van gitarist Nick Rudd het bevrijdende luchtruim kiezen. Dit geldt ook zeker voor 'Rained Like Hell', dé archetypische Weird Summer-song: pastoraal, elegant en weemoedig. Daar blijft het bij, I.S.O. – In Search Of – is niet alleen een geweldig album, maar ook de zwanenzang van Bob Kimbell en zijn Weird Summer.
Who Are You? / Pop Rocker / Neap Tide / Don't Like You No Mo' / Rained Like Hell / Take My Life, Please / Arrow Of My Eye / Sittin' Here / Stay Awhile / She's Not The One / Billy Distant / Never Tell

woensdag 18 april 2012

Maria McKee | Life Is Sweet

Maria McKee stond aan de wieg van de algehele herwaardering van de rootsrock – die nog voortduurt tot de dag van vandaag. De hernieuwde belangstelling voor traditionele, op country, blues en rhythm & blues geschoeide rock ontstond in de punkscene van Los Angeles. Gebaseerd op de gejaagde garagepunk van The Gun Club en The Cramps, waren het rootsbands als The Blasters, Los Lobos en The Beat Farmers en cowpunkers als Blood On The Saddle, Rank And File en Lone Justice die de punkrock een tree verder de evolutieladder op hielpen. De laatste, Lone Justice, werd aangevoerd – en aangevuurd – door Maria McKee. McKee, geboren in 1964, is een typisch product van de Californische hippiecultuur, groeit op in een gebroken gezin en is de halfzuster van Bryan MacLean, gitarist van de legendarische sixtiesband Love. Samen met hem doet ze haar eerste optredens in lokale clubs, waaronder de hippe Whisky-a-G-Go. Maria McKee is nog een teenager als ze in 1982 haar versie van een countrypunkband opricht: Lone Justice. Nog voor de debuutplaat komen McKee en haar mannen dankzij Linda Ronstadt onder contract bij Geffen Records en hier begint het gemanipuleer van de grote platenjongens. Lone Justice wordt flink gehyped en de gelijknamige debuutplaat krijgt met Jimmy Iovine zijn gelikte producer. Onder druk van Geffen formeert McKee een nieuwe Lone Justice en maakt in 1987 onder productionele leiding van Miami Steve VanZandt het gladgestreken en mislukte Shelter. Ondertussen heeft Maria McKee wel Undertones-zanger Fergal Sharkey met ‘A Good Heart’ van een wereldhit voorzien. McKee heeft talent in overvloed, daar zijn de executives bij Geffen het over eens en dus dient zij een solo-carrière te starten. Al in 1989 verschijnt het door Mitchell Froom geproduceerde Maria McKee. Het is een tamelijk tamme cd waarop te horen is dat een onzekere McKee haar definitieve vorm nog niet gevonden heeft. Maar dan scoort ze een regelrechte wereldhit met ‘Show Me Heaven’, afkomstig van de Tom Cruise-speelfilm soundtrack Days Of Thunder en waarin ze figureert naast arrivé’s als Elton John, Tina Turner en Chicago.
Hoewel nog steeds gebonden aan Geffen Records, vangt McKee’s interessante muzikale fase aan met You Gotta Sin To Get Saved, een fraaie countryrock-cd waarop Maria McKee’s talenten nu wel eens tot haar recht komen; hier is een gerijpte en gelouterde zangeres aan het werk. Met ondersteuning van Lone Justice-leden van het eerste uur Marvin Etzioni en Don Heffington, The Jayhawks Mark Olson en Gary Louris en producer George Drakoulias levert McKee een sfeervolle plaat af, geworteld in country, folk en gospel.
Wie verwacht dat Maria McKee voortborduurt op de ingeslagen weg komt bedrogen uit. McKee maakt namelijk een muzikale ommezwaai en komt in 1996 met een inktzwarte rockplaat: Life Is Sweet. Samen met haar muzikale partner uit de Lone Justice-tijd, Bruce Brody, neemt McKee in verschillende studio’s in Los Angeles een dozijn heftige rocknummers op. Slechts ondersteund door drummer en bassist, en het nadrukkelijke toetsenspel van Brody, schreeuwt McKee de longen uit haar lijf in emotionele rocksongs. Ze gilt en raspt, reikt naar duizelingwekkende hoogten en peilloze diepten en pleegt daarmee een frontale aanval op de argeloze luisteraar. Life Is Sweet is geen eenvoudige kost; Life Is Sweet is een ontlading, een katharsis. Nog opvallender dan McKee’s stem is het gierende en rafelige gitaargeluid dat ze produceert op haar Gibson Les Paul. Al gelijk in de opener ‘Scarlover’ zet ze de toon met een rauwe gitaarsound die beton doet scheuren en die in extreem grote mate de herinnering oproept aan Mick Ronson, Bowie’s vroegere gitarist. Maar ook McKee’s geëxalteerde performance, evenals haar barokke composities, doen denken aan David Bowie ten tijde van Aladdin Sane. Life Is Sweet biedt talloze hoogtepunten in de vorm van ‘This Perfect Dress’, ‘I’m Not Listening en ‘I’m Awake’ met zijn ijzige mellotron, dreigende gitaar en melodramatische strijkers. De echte hoogtepunten worden echter gevormd door het claustrofobische ‘Absolutely Barking Stars’ – I’m tearing at the seam but it never comes apart – en het naar een briljante climax gevoerde titelnummer ‘Life Is Sweet’, een titel die alleen maar cynisch opgevat kan worden. Hoe het ook zij; Life Is Sweet is zowel een onvervalste heavy glamrockplaat als een gevaarlijk en angstaanjagend album.
Hoe de toekomst er ook voor Maria McKee uit gaat zien – pas na zeven jaar en losgeweekt van Geffen verschijnt haar volgende cd – Life Is Sweet is hoe dan ook de dark horse in haar oeuvre. Grote kans dat Life Is Sweet de geschiedenis in zal gaan als Maria McKee’s barokke meesterwerk.
Scarlover / This Perfect Dress / Absolutely Barking Stars / I’m Not Listening / Everybody / Smarter / What Else You Wanna Know / I’m Awake / Human / Carried / Life Is Sweet / Afterlife

zondag 1 april 2012

The Freewheelers | Waitin' For George

Luther Russell is een talentvol muzikant: hij speelt gitaar, bas, drums, piano en orgel. Hij is bovendien een producer die producties op zijn naam heeft staan van sterke platen van Warren Pash, Fernando en Richmond Fontaine. Ook heeft Russell – die zijn eerste bandje, The Boothills, in 1987 begon met Jakob Dylan – een serie cd's op eigen naam uitgebracht. Luther Russell is ook die zanger met de cokeskloppersstem op Waitin' For George, het rauwe, opwindende album van The Freewheelers dat in 1996 op American Recordings verscheen. Na het mislukte zelfgetitelde debuut op Geffen in 1991 komen The Freewheelers na een verhuizing van Los Angeles naar Portland onder de vleugels van producer George Drakoulias. Hij bezorgt The Freewheelers een rauwe rootsrocksound die het midden houdt tussen Derek And The Dominoes, Joe Cocker en Little Feat. De albumtitel is dan ook een verwijzing naar Little Feats' live-album en naar producer Drakoulias. Op Waitin' For George zingt Luther Russell zijn amandelen uit zijn strot om boven de dampende southern rock van zijn kornuiten uit te komen – met groot effect op het prijsnummer '(Chico's Sellin') Maps To The Stars'. Blues, soul en countryrock domineren Waitin' For George, opgepookt door de hamerende piano van Chris Joyner, Dave Sobels rollende Hammond en Luther Russells imposante scheur die Joe Cocker doet verbleken. Zelf noemt Luther Russell het een 'built-in Mad Dogs And Englishmen sound'. En dat is de spijker op zijn kop.
Best Be On Your Way / What's The Matter Ruth? / Mother Nature Lady / Ghost Of Tchoupitoulas St. / My Little Friend / (Chico's Sellin') Maps To The Stars / Crime Pays / Walkin' Funny / About Marie / Kiss Her For The Punk / Elevator Man / Blame / Let The Music Bring A Smile