Posts tonen met het label 2001. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 2001. Alle posts tonen

maandag 7 maart 2016

Stephen Malkmus | Stephen Malkmus

Terror Twilight was in 1999 het laatste Pavement-album. In naam een Pavement-album, want alle composities zijn van de hand van Stephen Malkmus en tijdens de opnamen ervan duldt hij geen enkele tegenspraak. De daarop volgende zes maanden durende wereldtournee sloopt de band volledig en maakt de weg vrij voor de solo-carriere van Malkmus. En zo verschijnt in februari 2001 het zelfgetitelde Stephen Malkmus, welke plaat duidelijk maakt dat Pavement Stephen Malkmus was. Pavement brak uiteen op zijn hoogtepunt en liet een imposant oeuvre achter, waarvan minstens Crooked Rain, Crooked Rain (1994), Wowee Zowee (1995), Brighten The Corners (1997) en Terror Twilight tot de hoogtepunten behoren van de alternatieve rock in de jaren negentig. 
Stephen Malkmus was zonder meer toe aan een nieuwe uitdaging, maar de Pavement-fans hebben niet ongerust hoeven zijn; de enigmatische zanger/gitarist borduurt trouw voort op de ‘voorganger’. De uitdaging zal erin hebben bestaan dat hij vanaf dan de volledige zeggenschap heeft over zijn muziek en zelf de sessiemuzikanten - afkomstig uit de kringen rondom Elliott Smith - heeft kunnen selecteren. Malkmus opent met ‘The Black Book’, een heerlijk rocknummer met rondzingende gitaren en een catchy refrein. de opener is een opmaat voor het vele moois dat volgt. Stephen Malkmus is een begenadigd songschrijver, want de dertien nummers zijn zonder uitzondering van een hoog niveau. Hier geen rauwe of rommelige nummers, maar afgewogen composities. Het ene nummer (‘Phantasies’) is wat vrolijker van toon dan het andere (‘Church On White’). Het ene nummer is luie Westcoastrock, het andere psychedelische Eastcoastrock. En zo biedt Stephen Malkmus volop variatie waarop het aangenaam wegdromen is; de typische Pavement-sfeer is in ruime mate voorhanden. Stephen Malkmus is vooral een gitaarplant geworden, want Malkmus gaat zich te buiten in talloze solo’s, van stevig rockend tot lyrisch solerend, van krakende minisolo’s tot huilende glissando’s. De nummers zijn compact en uiterst melodieus - in het bijzonder het schitterende ‘Trojan Curfew’. En Malkmus kraait dat het een lieve lust heeft; ademt volop speelplezier. 
Stephen Malkmus is een debuutplaat van een rockster in wording. Althans, in 2001 was die gedachte gerechtvaardigd.

Black Book / Phantasies / JoJo’s Jacket / Church On White / The Hook / Discretion Grove / Troubbble / Pink India / Trojan Curfew / Vague Space / Jenny & The Ess-dog / Deado 

zaterdag 29 november 2014

Dancer | Tales Of The River Bank

The Isle Of Wight is in de popcultuur, als de Britse tegenhanger van Woodstock, beroemd geworden vanwege het gelijknamige popfestival. Het eiland heeft in The English Patient-regisseur Anthony Minghella, die in 2008 overleed, zijn beroemdste inwoner. Minghella voerde ook samen met zanger/gitarist Mike Jolliffe in 1971 Isle Of Wights enige rockband aan: Dancer. Gefinancierd door de lokale maffia en per witte Rolls Royce naar de Londense Olympia Studios vervoerd, neemt het vijftal in vier sessies, verdeeld over een maand in de zomer van 1972 een album op met als producer Tony McPhee van The Groundhogs. Tot een release van Dancers debuutplaat komt het echter niet, omdat de bandleden kort na de opnamen ieders hun weegs gaan. Maar liefst 29 jaar later worden deze opnamen onder de titel Tales Of The River Bank voor het eerst uitgebracht door het reissue-label Kissing Spell. Mellotron, Hammond, harmoniezang en breed neergepenseelde composities – en niet te vergeten de incidentele bijtende gitaarsolo – maken van Tales Of The River Bank een landelijke, sfeervolle progressive rockplaat. Welgeteld zeven tracks, waaronder voortreffelijke rural prog-songs als 'America Wood', 'Morning' en 'Fairhill Affair' vormen Dancers – en Oscar-winnaar Minghella's – muzikale erfgoed.

Tales Of The Riverbank / America Wood / Morning / Mac's Cafe / This Change In Me / Fairhill Affair / Mind The Houses



woensdag 19 februari 2014

Rufus Wainwright | Poses

Zonder twijfel is de Canadees-Amerikaanse Rufus Wainwright een bijzonder groot muzikaal talent. Geboren in New York als gevolg van een kortstondig huwelijk tussen de Canadese folkzangeres Kate McGarrigle en singer-songwriter Loudon Wainwright III, en opgegroeid in Montreal, Canada is Rufus al op jonge leeftijd een geboren muzikant, maar ook een nukkige, arrogante jongen die zich op 14-jarige leeftijd realiseert dat hij gay is. Van Dyke Parks – vriend van de familie – seint platenbaas Lenny Waronker in en deze haalt Rufus naar Californië, om hem onder contract te nemen bij Steven Spielbergs Dreamworks-label. In 1998 debuteert Rufus Wainwright met een zelfgetiteld album dat bol staat van rijk geornamenteerde Westcoast singer-songwriters pop in de traditie van Randy Newman, Harry Nilsson en Van Dyke Parks. De liedjes blinken uit, maar de arrangementen zijn nogal barok – en toch is Rufus Wainwright een essentieel en grandioos debuut.
Rufus zelf ondertussen worstelt met zijn identiteit; verliest zich in het nachtleven van New York, dompelt zich onder in one night stands en raakt verslaafd aan crystal meth. Te midden van deze excessen – en de daarop volgende rehab – neemt Rufus Wainwright zijn tweede album op: Poses, dat verklaarbaar slordiger en morsiger klinkt dan het debuut. Violen, cello's en Wainwrights piano domineren het klankbeeld, drums en elektrische gitaar worden spaarzaam ingezet. In dit theatrale decor schitteren Rufus Wainwrights zwierige, groteske en complexe zangharmonieën in de merendeels decadente popsongs. 'Cigarettes And Chocolate Milk' is een fantastische opener; 'Greek Song' doet qua meerstemmige zang zowel denken aan The Beach Boys als aan Elliott Smith. Wainwright bezwijkt bijna in topzware romantische torchsongs als 'Poses', 'Evil Angel' en 'The Consort' – maar triomfeert. 'One Man Guy' is een fraaie cover van zijn vaders compositie, maar het albumhoogtepunt – naar het voorbeeld van Todd Rundgren in de vroege jaren zeventig – is het hemelse 'Grey Gardens'; een moderne klassieker. Die erkenning komt er natuurlijk niet zomaar, evenmin als het besef dat Poses – beslist geen gemakkelijke plaat – een potentieel popmeesterwerk is. Hoe dan ook, het talent van Rufus Wainwright komt in de jaren daarna volop in de etalage. Want One en Want Two zijn opvallende albums, de fantastische single 'Going To A Town' is in 2007 een internationale hit en Rufus Does Judy At Carnegy Hall een gedurfd eerbetoon aan Judy Garland. Rufus Wainright is kortom een popmuzikant met statuur.

Cigarettes And Chocolate Milk / Greek Song / Poses / Shadows / California / The Tower Of Learning / Grey Gardens / Rebel Prince / The Consort / One Man Guy / Evil Angel / In A Graveyard / Cigarettes And Chocolate Milk (Reprise)


dinsdag 29 oktober 2013

P. Hux | Purgatory Falls

In 1998 staat Electric Light Orchestra in een uitverkochte Royal Albert Hall, maar Jeff Lynne is niet de leadzanger, nee, het is de Amerikaan Parthenon Huxley. De onbekende Huxley heeft de kans om de gerevitaliseerde ELO aan te voeren terecht niet laten lopen, maar door op te treden met zijn jeugdhelden ontneemt de zanger – en songschrijver – gemakkelijk het zicht op zijn eigen niet misselijke talenten. Als Rick Miller na acht jaar met zijn ouders in Griekenland terugkeert naar Amerika, neemt hij de Griekse voornaam Parthenon aan, en als achternaam de naam van een Britse schrijver: Huxley. Terug in Chapel Hill, North Carolina studeert Huxley journalistiek en speelt in de bands The Blazers, The Dads en Rick Rock. Parthenon Huxley trekt vervolgens naar Los Angeles en weet een deal te sluiten met Columbia Records. In 1988 maakt Huxley zijn nogal mislukte major-debuut met het fout geproduceerde Sunny Nights, waarna het maar liefst zes jaar nogal stil is rondom Parthenon Huxley. 
Dan komt hij onder de naam P. Hux sterk terug met de independent powerpop van Deluxe en in 1997 met het trio VeG dat eveneens een fraaie cd aflevert. Huxleys band valt dan uiteen, maar erger nog is dat zijn vrouw Janet – Huxleys inspiratiebron – na dertien maanden strijd op 39-jarige leeftijd overlijdt aan een hersentumor. Parthenon Huxley verwerkt zijn verdriet door twee jaar lang liedjes te schrijven over de liefde voor zijn vrouw. Als hij dan met trouwe drummer Gordon Townsend de lamentabele liedjes opneemt, is het niet minder dan een catharsis. De mineursetting overheerst op Huxleys vagevuurplaat, Purgatory Falls. Huxleys intense en soms radeloze stem gaat de strijd aan met herfstig getoonzette akoestische gitaren en bloedrode strijkers. Pijnlijke onderwerpen als Huxleys favoriete jurk in ‘I Loved Everything’ en Janets make-up in ‘Red Eyeliner’ passeren de revue en worden omlijst door kaalgeslagen rock. Ook Parhenon Huxleys gitaar schreeuwt het uit, maar violen en cello’s brengen soms enige verlichting, zoals in het wat meer kleurrijke maar niet minder aangrijpende ‘My Sweet Nothing’: I’d give you everything but everything’s gone / Nothing comes before you. ‘Rubble’ relativeert de onverbiddelijke scheidslijn tussen het hier en hiernamaals; ‘Offer You The World’ kent een bevrijdende gitaarsolo en het schitterende en bij de strot grijpende ‘Belief’ is Parthenon Huxleys voortdurende strijd tegen de wanhoop. Purgatory Falls is een onwaarschijnlijk emotionele en aangrijpende songcyclus, die – ondanks de niet te benijden omstandigheden – het lyrische en muzikale talent van P. Hux blootlegt, en celebreert.

4258 / I Loved Everything / Rubble / My Sweet Nothing / Goldmine / Red Eyeliner / Steer Clear / Offer You The World / Belief / Chordothelord

donderdag 27 juni 2013

Lift To Experience | The Texas Jerusalem Crossroads

This is the story of three Texas boys minding their own business when the angel of the lord appeared unto them. Zo begint The Texas Jerusalem Crossroads, een soort van conceptalbum dat de luisteraar wil doen geloven dat Texas het beloofde land is. De brenger van de boodschap is Josh T. Pearson, verlaten zoon van een Pinkstergemeente-predikant, die met bassist Josh 'The Bear' Browning – ontmoet in de kerk – en jazzdrummer Andy 'The Boy' Young in 1996 in Denton, Texas Lift To Experience opricht. Het trio verwerft een twijfelachtige reputatie vanwege de verwoestende optredens waarin de Texaanse vlag geëerd wordt met een massieve wall of sound van feedback en distortion. Dat is voor de labelbazen van Bella Union, ex-leden van het Schotse Cocteau Twins, niettemin de aanleiding om de Texanen te tekenen.
Inmiddels heeft Pearson noot voor noot, woord voor woord gecomponeerd van The Texas Jerusalem Crossroads, een ouderwets dubbelalbum met een diep-religieuze lading. Bewaakt door bas en drums, en incidenteel bijgestaan door de fiddle van Centro-matics Scott Danborn, is Pearson een soort van eenmansorkest dat lappen tekst declameert en zijn gitaar door Leslie-box en allerhande effect-apparatuur stuurt. Het resultaat is een magnifieke sound – gemixt door Simon Raymonde en Robin Guthrie – die cowpunk en indierock afwisselt met vele momenten van overstelpende schoonheid. Muzikaal legt de Texaanse gruisrock het de facto dan ook af tegen de atmosferische gitaarsongs die, verrassend, lijken afgeleid van de Britse shoegazerspop. 'Falling From Cloud 9', 'With Crippled Wings' en 'Waiting To Hit' (alle van cd 1) zijn intens en etherisch, en worden verrijkt met Pearsons zang die gekwelde geesten als Jeff Buckley en Jeffrey Lee Pierce oproept. 'Down With The Prophets' (van cd 2) is met Pearsons declamerende stem en Danborns dreigende viool zwanger van dreigend onheil, 'To Guard And To Guide You' – lof zingend over beschermengel Gabriël – vooral atmosferische indierock met ruimtelijke gitaren en 'Into The Storm' gecontroleerde, apocalyptische Bad Seeds-noiserock.
The Texas Jerusalem Crossroads is een onwaarschijnlijk intens dubbelalbum, compromisloos maar niettemin schoonheid nastrevend, en uitzonderlijk uniek. Bella Union brengt in juni 2001 Lift To Experience dubbele debuutalbum op de Britse en Europese markt, maar een Amerikaanse release zit er tot op heden niet in. Lift To Experience stort in 2003 door allerlei persoonlijke drama's; Josh Pearson verliest zijn geloof in god en bijna zijn verstand. Al moet hij immer het besef hebben gehad dat hij met het complexe – muzikaal en tekstueel – The Texas Jerusalem Crossroads een baanbrekend indie-conceptalbum de wereld in geslingerd heeft. En dat heeft Josh T. Pearson bij het recht eind.

Just As Was Told / Down Came The Angels / Falling From Cloud 9 / With Crippled Wings / Waiting To Hit / The Ground So Soft / These Are The Days / When We Shall Touch / Down With The Prophets / To Guard And To Guide You / Into The Storm

woensdag 17 april 2013

Ed Harcourt | Here Be Monsters

Hoewel in Engeland zwaar gehyped, de New Acoustic Movement – met het adagium quiet is the new loud – brengt niettemin bijzonder fraaie plaatjes voort. Je kunt eenvoudig constateren dat onze westerburen anno 2000 weer helemaal op de popmuzieklandkaart staan. De talloze voorbeelden – Turin Brakes, I Am Kloot, Tom McRae – spreken voor zich en ook Ed Harcourt behoort nu tot deze dan jonge elite te worden gerekend.
Here Be Monsters is na de mini-cd Maplewood (2000) het volwaardige, volwassen en volledig geslaagde debuut van de 23-jarige singer-songwriter uit Brighton. Was Maplewood een huiskameraangelegenheid – Harcourt nam alles thuis en alleen op – Here Be Monsters is een fullscreen technicolour production. Strijkers, blazers, vibrafoon, wurlitzer, grand piano en allerlei tapeloops, ziehier het instrumentarium van de moderne singer-songwriter die weet wat hij wil en ook hiertoe in staat gesteld wordt (door producer Dave Fridmann) . Meer dan eens voert Harcourt de luisteraar terug naar de verlichtende voorbeelden uit de zo grauwe jaren tachtig. Overeenkomsten met Echo & The Bunnymen, The Teardrop Explodes, music-hallpop van Gavin Friday en de ketelmuziek van Tom Waits vind je terug in de uitgekiende composities en de doeltreffende arrangementen op Here Be Monsters. Voor actueler vergelijkingsmateriaal moet je echter de oceaan over; naar geestverwanten als Michael Penn, Jason Falkner en de betreurde Jeff Buckley. Het moge duidelijk zijn; bij Harcourt gaat het, ondanks de barokke verpakking, uiteindelijk om het liedje, het prachtige liedje. Opener 'Something In My Eye' is traag en bezwerend en zet de toon voor 50 minuten poplyriek; voor bijna een uur muzikale diversiteit. 'She Fell Into My Arms' hoort gewoon in Top Of The Pops, 'Hanging With The Wrong Crowd' en 'Beneath The Heart Of Darkness' zijn uitermate geschikt voor laat op de avond, en 'Apple Of My Eye' nodigt uit tot uit volle borst meegalmen. Afsluiter 'Like Only Lovers Can' ten slotte laat je ademloos achter. Het maakt Here Be Monsters tot zowel een uitstekend serum tegen de natte en winderige herfst van 2001 en aldus een perfecte soundtrack voor lange, donkere avonden.
In 2003 is Harcourt terug met het even fantastische From Every Sphere, maar de daaropvolgende albums laten helaas geen stijgende lijn zien. Een (commerciële) Europese doorbraak zit er daarom vooralsnog helaas niet in.

Something In My Eye / God Protect Your Soul / She Fell Into My Arms / Those Crimson Tears / Hanging With The Wrong Crowd / Apple Of My Eye / Beneath The Heart Of Darkness / Wind Through The Trees / Birds Fly Backwards / Shanghai / Like Only Lovers Can

dinsdag 16 oktober 2012

Mark Mulcahy | Smilesunset


In 1984 maakte ik voor het eerst kennis met de stem van Mark Mulcahy. The Backyard Seems So Empty Now, zong de toenmalige zanger van Miracle Legion met bijkans huilende stem. IJzingwekkend mooi. Met Miracle Legion, een band die het in zich had om mee te groeien met tijdgenoten R.E.M., is het niet echt goed gekomen. Anno 2001 lijkt het erop dat Mark Mulcahy zijn finest hour gaat beleven. Na het kale Fathering komt Mulcahy nu voor de dag met het exuberante Smilesunset. Een caleidoscopische plaat waarop een scala aan instrumenten tevoorschijn getoverd wordt. Naast de normale rockbegeleiding is er ruimte gemaakt voor mandolines, klarinetten, cello’s, klokkenspel en zelfs dream pedals. Dit inventief ingezette instrumentarium kleurt meesterlijk bij zowel Mulcahy’s indrukwekkende stem als diens compositorisch talent. Vooral dit laatste heeft geleid tot een afwisselende en zeer boeiende cd. Mulcahy bestrijkt met Smilesunset het complete popspectrum. In 'Until I Say So' klinkt de stem door van Kurt Weill, 'We’re Not In Charleston Anymore' is een op akoestisch gitaargerinkel gebaseerde uptempo-popsong en 'Wake Up Whispering' is een intens melancholieke ballad. En zo valt er over elk nummer wel iets positiefs te melden. Dit is simpelweg superieure popmuziek. Wellicht is er een behoorlijk aantal draaibeurten nodig om door te dringen in de wondere wereld van Mark Mulcahy. Maar dan is het een genot om je mee te laten drijven met Mulcahy’s prachtige liedjes en diens expressieve stemgeluid. Mark Mulcahy’s achtertuin is niet langer leeg. Het is omgetoverd tot een sprookjesbos waarin de luisteraar eindeloos kan ronddwalen.

Micon The Icon / I Just Shot Myself In The Foot Again Alamo In Alabama / The Quiet One / The Way That She Really Is / Until I Say So / We’re Not In Charleston Anymore Wake Up Whispering / The Come On / Resolution #1 / I Hate To Needy Need You / A Cup Of Tea And Your Insights (From Spring Forward

donderdag 20 september 2012

Reigning Sound | Break Up... Break Down


Voor de heersende muzikale begrippen in het nieuwe millennium heeft Reigning Sound een tamelijk unieke sound. Vanuit de basis van de sixties garagerock laat het kwartet uit Memphis, Tennessee zich op hun debuutplaat vrijelijk beïnvloeden door country, folk en soul. Die basis van rammelende garagerock wordt gelegd door zanger/gitarist Greg Cartwright, een ervaren rot in het metier. Begin jaren negentig richt Cartwright namelijk The Compulsive Gamblers op, in de zomer van 1993 gevolgd door de oprichting van het garagepunktrio The Oblivians. Na een grote reputatie opgebouwd te hebben in het internationale undergroundcircuit – The Oblivians zijn een legende – ontbindt Greg Cartwright de band in 1998 en gaat hij weer vrolijk door met The Compulsive Gamblers. Intussen heeft Cartwright in Memphis samen met zijn vrouw zijn eigen platenwinkel geopend, Legba Records, die moet dienen om in slappe tijden te kunnen overleven. Maar in 2001 stort hij zich met Alex Greene (orgel), Jeremy Scott (bas) en Greg Robertson (drums) op een nieuw muzikaal project: Reigning Sound. In de voor Cartwright vertrouwde Easley Studio neemt het kwartet zijn debuut op dat in mei 2001 uitgebracht wordt in een hoes met daarop de vier gestoken in lullige, ouderwetse college-kostuums. De retrosfeer op Break Up… Break Down komt verder nadrukkelijk tot uiting in de ouderwetse rockliedjes die vet knipogen naar de countrysoul van Memphis-beroemdheden Dan Penn en Spooner Oldham, zij het gedrenkt in echo en aangescherpt door Cartwrights vervormde gitaar-reverb. Hoewel de rommelige garagerocksound wordt gehandhaafd, klinkt Reigning Sound op ‘Since When’, ‘You Don’t Hear The Music’ en ‘Want You’ subtiel en soulvol, terwijl ‘As Long’ vanwege de pedal steel pure countryrock is. Het dreinerige orgeltje in ‘I Don’t Care’ en ‘Take A Ride’ roept associaties op met Green On Red, ‘So Sad’ kent een melodielijn die sterk aan de country van Gram Parsons doet denken, terwijl Cartwrights zang op ‘I’m So Thankful’ herinneringen oproept aan Jeffrey Lee Pierce. Maar het hoogtepunt van Break Up… Break Down is het slepende en van priemende gitaarsolo’s voorziene ‘Goodbye’, in alles een Reigning Sound-song. Deze sound bouwt Greg Cartwright verder uit op Time Bomb High School (2002), Too Much Guitar! (2004) en Love And Curses (2009), al wordt het geluid rauwer en luider. Het grote talent van Greg Cartwright wordt in 2007 nog eens bevestigd als hij producer, gitarist en songschrijver is voor het comebackalbum van Mary Weiss van The Shangri-Las.

Since When / I Don’t Care / You Don’t Hear The Music / Goodbye / As Long / Want You / So Goes Love / Take A Ride / Waiting For The Day / So Sad / I’m So Thankful

dinsdag 3 juli 2012

Whipping Post | Live At Norwegian Wood 2000

Een tribute-band met de naam Whipping Post laat aan duidelijkheid weinig te wensen over: hier wordt eer betoond aan de fameuze Allman Brothers Band. Een club van acht bevriende Noorse muzikanten, afkomstig uit de gelederen van The Hellbillies, Jaga Jazzist, Big Bang en het aan Motorpsycho gelieerde HGH treden puur voor de lol op met de songs van The Allmans. Op 12 juni 2000 beleven ze hun derde optreden ooit tijdens het Norwegian Wood Festival in Oslo en in het voorprogramma van Lynyrd Skynyrd, of althans wat daar van over is. Als de crew van Lynyrd Skynyrd de soundcheck van Whipping Post hoort – met in de line-up drie gitaristen en twee drummers – pogen ze het optreden van de tribute-band te verhinderen. Zonder succes, want Whipping Post speelt met tomeloze inzet een fantastische set met hoogtepunten uit het Allman Brothers-repertoire, zo blijkt wel uit de cd Live At Norwegian Wood 2000 die in gelimiteerde oplage in 2001 verschijnt op het Glitterhouse-label.
Getuige de hoesafbeelding is het vertrekpunt At Fillmore East, de legendarische live-dubbelaar uit 1971, maar Whipping Post houdt zich niet zo stringent aan die setlist. Van de zeven tracks van de oorspronkelijke dubbel-lp worden er drie gecovered door Whipping Post: Willie McTells 'Statesboro Blues', 'Whipping Post' en 'In Memory Of Elisabeth Reed'. 'Don't Want You No More' is van de gelijkgetitelde debuutplaat van The Allmans en nota bene geschreven door de Brit Spencer Davis. Dickey Betts' 'Blue Sky' is van Eat A Peach uit 1972; 'Jessica' van Brothers And Sisters, het eerste album van The Allmans met nieuw werk na het overlijden van Duane Allman en Berry Oakley; en 'One Way Out' een outtake van de Fillmore-concerten, maar niet op de oorspronkelijk live-dubbelaar te vinden. Dat dondert allemaal helemaal niks, want Whipping Post maakt er een feestje van. Live At Norwegian Wood 2000 is dan ook een superieur eerbetoon omdat enerzijds de losse sfeer en het heerlijke jammen uitstekend getroffen wordt en anderzijds de muzikanten van Whipping Post ook net lekker buiten de lijntjes kleuren. Er wordt voortreffelijk en vol emotie gemusiceerd – en dat begint met de rollende Hammond in de opener 'Don't Want You No More', loopt continue door in de dubbele, syncoperende drums en de imponerende gitaar-improvisaties, om uiteindelijk te culmineren in het extatische, instrumentale hoogtepunt: 'In Memory Of Elisabeth Reed'
Wat moeten de Noren voldaan geweest zijn na zo'n verbluffend optreden en wat is het geweldig voor de Allman Brothers-fan dat dit optreden voor eeuwig is vastgelegd. En zoals het een tribute-band betaamt: Dedicated to the memory of Duane Allman en Berry Oakley.

Don't Want You No More/Whipping Post / Blue Sky/One Way Out / Jessica / Statesboro Blues / In Memory Of Elisabeth Reed

dinsdag 19 juni 2012

Jay Farrar | Sebastopol

Na vier platen met Uncle Tupelo en drie met Son Volt rukt Jay Farrar zich los van het bandconcept. Farrar wil zonder de dwingende aanwezigheid van bandleden nieuwe songs schrijven; wil songs schrijven die niet per se live hoeven te worden uitgevoerd. Farrar experimenteert met ongewone toonzettingen en construeert zodoende de skeletten voor zijn nieuwe songs. Producer John Agnello helpt Farrar bij het verder vormgeven van zijn composities. In de bloedhete zomer van 2000 nemen Farrar en Agnello hun intrek in een tot primitieve opnamestudio omgebouwd fabrieksgebouw in Millstadt, Illinois. De jonge vader Jay Farrar wil dicht bij huis blijven, want opgegroeid in het nabijgelegen Belleville, en slaat het aanbod van Agnello af in diens professionele studio aan de Oostkust op te nemen. Vanwege het lawaai in de fabriek zijn Farrar, Agnello, ex-Bottle Rockets-bassist Tom Ray en Superchunk-drummer Jon Wurster noodgedwongen de songs in de hete nachturen in te spelen. Het mist zijn invloed niet op de broeierige songs en de vervreemdende sfeer op Farrars solo-album, al is dit wellicht nog meer toe te schrijven aan de bemoeienis van multi-instrumentalist Steven Drozd, bekend van The Flaming Lips. Het zal nog een jaar duren voordat Jay Farrar zijn album weet onder te brengen bij een platenlabel, maar de voorbode ervan, een dwingende uitvoering van Alexander Spence’s ‘Weighed Down’ op de tribute-cd More Oar, is indrukwekkend. Sebastopol, vernoemd naar een stadje in Noord Californië, verschijnt op 25 september 2001 en blijkt een gecompliceerd album dat als niets anders dan als alt.country kan worden omschreven. Steven Drozd heeft met behulp van elektronica voor een spookachtig en atmosferisch decor gezorgd dat wonderwel past bij de country-benadering van Farrar. Dit laatste, weemoedig en poëtisch, komt fraai tot uitdrukking in ‘Outside The Door’, met slidespel van Kelly Joe Phelps, en in de klassiek klinkende roadsong ‘Barstow’, waarin de tweede stem voor rekening komt van Gilian Welch en David Rawlings bijdraagt op lapsteel. Het bonte gezelschap – met ook nog Centromatic-drummer Matt Pence, broer Dade Farrar op staande bas en Agnello op gitaar – biedt Jay Farrar de gelegenheid om op ontspannen wijze en met gebruikmaking van zijn unieke sonore stemgeluid een collectie klassesongs voor het voetlicht te brengen. Sebastopol is zeer afwisselend met popsongs als ‘Clear Day Thunder’ ‘Feed Kill Chain’ en ‘Vitamins’, en de rockers ‘Voodoo Candle’ en ‘Damn Shame’. Weergaloze ballads als ‘Dead Promises’ en ‘Damaged Son’ verkrijgen een extra dimensie door Drozds ijle synthesizer, al brengt het puur-traditionele en indringende ‘Drain’ de meeste ontroering teweeg. Sebastopol is het ware bewijs van de kwaliteiten van Jay Farrar, die zich revancheert ten opzichte van de zwakkere Son Volt-albums en zich weer de gelijke mag noemen van Jeff Tweedy, zijn voormalige Uncle Tupelo-kompaan. Zo bezien is het dromerige, doch urgente Sebastopol Jay Farrars zeer geslaagde meesterproef.
Feel Free / Clear Day Thunder / Voodoo Candle / Barstow / Damn Shame / Damaged Son / Prelude (Make It Alright) / Dead Promises / Feed Kill Chain / Make It Alright / Fortissimo Wah / Drain / Different Eyes / Outside The Door / Equilibrium / Direction / Vitamins