Posts tonen met het label popsinger-songwriter. Alle posts tonen
Posts tonen met het label popsinger-songwriter. Alle posts tonen

donderdag 6 april 2017

Father John Misty | Pure Comedy

Josh Tillman heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een van de grote indie-rocksterren. In zijn hoedanigheid van Father John Misty maakte hij al schitterende platen; zijn derde, Pure Comedy, is misschien wel briljant. Al in 2003 debuteerde Tillman, toen hij zich, geboren in Rockville, Maryland, eenmaal in Seatlle gevestigd had. Zijn platen werden steeds beter, met als voorlopig hoogtepunt Vacilando Territory Blues in 2009, maar toen was Tillman al als drummer ingelijfd bij Fleet Foxes. Gepokt en gemazeld door het wereldsucces van Fleet Foxes ontpopte Tillman zich vervolgens als een enigmatische, ja priester-achtige verschijning: Father John Misty. Tillman graaft diep in zijn ziel op Pure Comedy, een puur persoonlijke album. Hij zingt over zijn innerlijk leven in de moderne metropool Los Angeles en ziet alles langzaam afbrokkelen. Opener en titelsong 'Pure Comedy' heeft in die zin net zo’n dwingende intensiteit als Rufus Wainwrights 'Going To A Town' (2007) en voort gaat Tillman, zingend vanuit zijn hart en spaarzaam begeleid door piano, gitaar, bas en gestopte drums, maar uitbundig door zwaarmoedige en onheilszwangere strijkers. Het levert, in een co-productie met Jonathan Wilson, een schitterend geluidsbeeld op, modern maar ook verwijzend naar klassieke jaren zeventigplaten van Jackson Browne, Elton John en The Beach Boys. Tillman rijgt het ene hoogtepunt aan het andere, het zou dwaas zijn er een uit te tillen - of het moet het dertien minuten klokkende 'Leaving LA' zijn. De dertien soul-searching songs tezamen - op vinyl een dubbelaar - zijn een zinderende luisterervaring. Pure Comedy kan niet anders dan een van de beste platen van 2017 zijn.

Pure Comedy | Total Entertainment Forever | Things That Would Have Been Helpful To Know Before | Ballad Of The Dying Man | Birdie | Leaving LA | A Bigger Paper Bag | When The God Of Love Returns There’ll Be Hell To Pay | Smoochie | Two Wildly Different Perspectives | The Memo | So I’m Growing Old On Magic Mountain | In Twenty Years Or So

Bella Union, 2017

Gepubliceerd in Platomania

zondag 25 mei 2014

Chris Von Sneidern | Wood And Wire

Als perfecte pop bestaat – ultieme rockmuziek waar alle elementen, alle details op de juiste én enige plaats gerangschikt zijn – kan dit losstaan van alle sentimenten, van enig historisch besef? Nee, vermoed ik, maar Chris Von Sneidern – een onbekende singer-songwriter uit San Francisco – komt met Wood And Wire dicht bij de angstige perfectie. Rockende elektrische en akoestische gitaren, Hammonds, elektrische piano’s, klavecimbels, bas, drums en meermalen gedubbelde vocalen, maar bovenal smetteloze composities, dát is een benadering van perfectie. Wood And Wire heeft het, Wood And Wire is er tot de rand mee gevuld. En vooral, Wood And Wire is het product van een man die bij het grote publiek een totale nobody is; een muzikant die los staat van historisch besef. Die dus beoordeeld kan worden op het pure product, beoordeeld kan worden op zijn godgegeven talent, op zijn sonische schepping.
Chris Von Sneidern is een ultieme doe-het-zelver. In de begin jaren negentig duikt Von Sneidern voor het eerst op in Flying Color, een extreem talentvolle popband uit San Francisco. Na één magistrale lp gaat Flying Color ten onder, Von Sneidern in zijn zog meenemend. De onafhankelijke en eigenwijze geest die hij is, leidt ertoe dat hij erin slaagt talloze cd’s uitgebracht te krijgen. Sight & Sound, Go! en White Lies leveren hem een reputatie op van singer-songwriter in het powerpop-idioom. Het trio platen bevat voldoende kwaliteit om Von Sneidern te vergelijken met de top in het genre zoals Jason Falkner en Matthew Sweet, maar laat ook zien dat hij qua diepgang tekort komt. Totdat Von Sneidern besluit zijn nieuwe plaat in New York op te nemen; weg van het bekende, gretig op zoek naar nieuwe verten. Op uitnodiging van jazz-producer Lou Holtzman reist Von Sneidern – met op de koptelefoon ononderbroken Dusty In Memphis – naar New York om op te nemen in de EastSide studio. In een week tijd, van 5 t/m 12 februari 1996, neemt Von Sneidern zes tracks live in de studio op met begeleiding van keyboardverzamelaar Dave Amels, drummer Dennis Diken (ex-Smithereens) en Nancy en Richard X. Heyman. Alleen Von Sneiderns vocalen krijgen een dubbele behandeling.
Maar zes nummers is geen album. Terug in San Francisco heeft Chris het plan de opnamen aldaar te vervolgen, maar er komt niets van de grond. Von Sneidern mist de feel van New York. Anderhalf jaar later wordt hem via Gene Holder, van de legendarische dB’s, de gelegenheid geboden het ‘New York album’ te voltooien. In de Jolly Rogers Studio wordt, met een gewijzigde ploeg, tussen 25 en 29 juli 1997, opnieuw een trits nauwelijks uitgewerkte composities live in de studio opgenomen. In sommige gevallen zijn de nummers pas tijdens de opnamen ontstaan, hetgeen ongetwijfeld heeft bijgedragen aan de frisheid en directheid ervan.
Wood And Wire is een gitaarplaat, de rauwheid en zwaarte van de elektrisch gitaren en de vloeiende en emotierijke gitaarsolo’s laten hierover geen twijfel bestaan. Maar Wood And Wire is ook een keyboardsplaat. De ruimte voor Dave Amels met zijn Hammonds, elektrische piano’s, mellotrons, klavecimbels en de Ondioline (een primitief orgel) draagt bij aan het organische karakter van Wood And Wire. De plaat, uitgebracht in 1998, is perfect in zijn uitgebalanceerdheid – de 13 composities doen geen van alle voor elkaar onder –, bezit de ultieme verhouding, ja de Gulden Snee, van gitaren en keyboards en heeft een hoge meezingfactor. Wood And Wire biedt talloze klassieke momenten, zoals de gitaarsolo in 'Lines', het refrein van 'Sun', de brug in 'As You Are', het subtiele intro van 'Don’t Worry Now', en zo valt over elk van de 13 goddelijke nummers wel iets bijzonders te melden. Daarbij is het een geschenk uit de hemel dat de oorspronkelijke digitale opnamen zoek zijn geraakt bij een vliegmaatschappij, zodat Chris Von Sneidern besloot alles analoog aan de band toe te vertrouwen. Het ontnam hem correctiemogelijkheden maar het leverde hem een knallende en loodzware sound op. Dit alles tezamen heeft Wood And Wire tot een meesterwerk gemaakt. Een meesterwerk dat niemand kent of erkent, maar dat het toch is. Het is rockmuziek in zijn angstige perfectie.

Starting Out / Lines / Sun / As You Are / Don’t Worry Now / Split It / Circles / Love / I Can See / Like Me That Way / Got A Way With Her / Feel / The End


woensdag 19 maart 2014

Aimee Mann | Bachelor No. 2


Als in 2000 Aimee Manns derde solo-album uitkomt heeft zij reeds grote hoogten bereikt en diepe dalen gekend. Succes was er in de jaren tachtig als frontvrouw van de nogal commerciële popgroep ‘Till Tuesday, maar Mann wil geen marionet zijn van de platenbazen. Het lijdt tot een confrontatie met Epic als deze weigert ‘Till Tuesdays Everything’s Different Now te promoten – en tot een scheuring in de band. Aimee Mann krabbelt weer op en met steun van multi-instrumentalist en arrangeur Jon Brion maakt ze in 1993 Whatever en weet ze een deal te bemachtigen bij Imago Records, dat een jaar later op de fles gaat, juist op het moment dat Manns I’m With Stupid op uitkomen staat. Een rechtzaak en een jaar later krijgt ze toestemming haar plaat uit te brengen, bij Geffen Records dit keer. Haar volgende label, Interscope Records, weigert vervolgens het nieuwe werk waar Mann hard op gezwoegd heeft uit te brengen, tenzij ze bereid is een aantal radiovriendelijke songs toe te voegen. 
Mann weigert, waardoor het nieuwe werk – Bachelor No. 2 – op de plank blijft liggen. Uiteindelijk koopt Mann de rechten terug om er zelf over te kunnen beschikken. Een aantal liedjes komen dan via Jon Brion terecht bij filmregisseur Paul Thomas Anderson, die zo onder de indruk is dat hij een complete speelfilm baseert op Manns muziek en teksten. Die speelfilm – Magnolia – is een wereldwijd succes en levert Aimee Mann een Oscar-nominatie op voor haar ‘Save Me’. Op 2 mei 2000 brengt Mann Bachelor No. 2 uit in eigen beheer; dertien nummers, waarvan er drie ook te vinden zijn op de Magnolia-soundtrack. Aimee Manns neurotische en grillige persoonlijkheid – beschadigd en bedrogen – komt bij uitstek tot uiting in de sterk psychologiserende songs die de menselijke relaties tot onderwerp hebben. Met giftige pen beschrijft Mann een huwelijk als een oorlog in ‘Nothing Is Good Enough’, al is het evenzeer een afrekening met alle platenbazen die haar het leven zuur hebben gemaakt. Met een fileermes ontleedt Aimee Mann in sublieme songs als ‘Deathly’ en ‘Calling It Quits’ gedoemde relaties en hopeloze huwelijken, gelijk Edward Albee in zijn Who’s Afraid Of Virginia Woolf? De muzikale omlijsting bezit een gebutste grandeur door gebruik van chamberlin en celeste tegenover licht-geprogrammeerde drums, te horen in ‘Red Vines’ en het met Elvis Costello gecomponeerde ‘The Fall Of The World’s Own Optimist’. Manns muzikale invloeden – The Zombies, The Beatles, Elton John – komen sterk naar voren in barokke prachtsongs als ‘Satellite’ en ‘Driving Sideways’, die bovendien fantastisch worden uitgevoerd door gitarist Michael Lockwood, toetsenist Patrick Warren en gitarist Michael Penn, zelf singer-songwriter maar bovenal de echtgenoot van Aimee Mann. Het schijnt een gelukkig huwelijk te zijn.

How Am I Different / Nothing Is Good Enough / Red Vines / The Fall Of The World’s Own Optimist / Satellite / Deathly / Ghost World / Calling It Quits / Driving Sideways / Just Like Anyone / Susan / It Takes All Kinds / You Do

zondag 9 maart 2014

Emitt Rhodes | Emitt Rhodes

Als Emitt Rhodes in 1970 toe is aan zijn eerste soloplaat heeft hij er al een muzikantenleven op L.A.’s Sunset Boulevard opzitten. Zat van het rondzeulen met een drumkit stapte Rhodes uit The Palace Guard en richtte The Merry-Go-Round op. Als zanger, gitarist en componist was Rhodes de bepalende factor in één van de hipste bands van The Strip. The Merry-Go-Round had landelijke hits met het Beatleske 'Live' en het prachtige psychedelische 'You’re A Lovely Woman', maar kon zich uiteindelijk niet ontworstelen aan de greep van platenmaatschappij A&M, die met de groep hun eerste rockband binnenhaalde. Na de opnamen voor wat de tweede lp had moeten worden werd The Merry-Go-Round bij het grof vuil gezet. De teleurstelling was groot, Rhodes trok zich gedesillisioneerd terug in zijn huisstudio – uitgerust met een viersporen bandrecorder – in Hawthorne, een buitenwijk van Los Angeles. Emitt Rhodes sloot de deur achter zich en ging experimenteren.
Tegen de tijd dat hij een hele plaatkant had opgenomen tekende hij een contract voor meerdere lp’s – sterker nog; voor twee platen per jaar – met ABC/Dunhill, een thuishaven voor singer-songwriters en folkrockbands. Na de voltooide thuisopnamen werden de tapes gemixt door Keith Olsen en Curt Boettcher, bekend van Sagitarius en The Millennium. Het spreekt voor zich dat Olsen en Boettcher de nadruk legden op de complexe vocale harmonieën die Rhodes soms vijf tot zes maal dubbelde. En net als de zangpartijen zijn de instrumenten, alle bespeeld door Rhodes, laag voor laag opgebouwd.
Emitt Rhodes is een muzikant van het breekbare soort. Snel uit het lood geslagen, levend zonder illusies en een zwak voor drugs. Geïsoleerd in zijn garage en huisstudio sloot hij vriendschap met zijn instrumenten en bandrecorder. Het resultaat van deze vrijage is het gelijknamige Emitt Rhodes dat bevolkt wordt door ongepolijste, fragiele en wonderschone liedjes. Emitt Rhodes bewijst alle aspecten van het songschrijven én arrangeren onder de knie te hebben. Kale liedjes, slechts versierd met piano en gitaar, georkestreerde en van fuzz-gitaar voorziene pareltjes, Rhodes etaleert zijn muzikale talenten en voegt daar zijn meermalen gedubbelde zijden stem aan toe. 'Long Time No See' is een van de voorbeelden van de complexe simpelheid die op Emitt Rhodes breed wordt uitgemeten – inclusief het psychedelische gitaarwerk. 'Live Till You' Die is een catchy popsong met een gratuite filosofische tekst die in het muziekgeheugen wordt gebrand. En dat geldt voor het merendeel van de hoogwaardige composities die voortkomen uit eerlijke en nijvere huisvlijt. Die do-it-yourself houding plaatst Emitt Rhodes naast een studiowizzard als Todd Rundgren en levert hem de bijnaam The American McCartney op. Op basis van de schoonheid en zeggingskracht van de piano-aangedreven ballads en de melodieuze powerpopsongs is die reputatie – ook al is dat slechts in kleine kring bekend – zeer verdiend. Met zijn solodebuut leverde Emitt Rhodes een, wellicht marginaal, kunstwerk af; Emmitt Rhodes, met zijn twaalf breekbare en harmonieuze popsongs, is daarmee een klassiek debuut.
De langlopende platendeal met Dunhill kreeg Emitt Rhodes in een knellende greep. De snelheid waarmee de volgende plaat moest worden geproduceerd had een negatief effect op Rhodes. Mirror is een waardige opvolger van het debuut, maar het daarop volgende Farewell To Paradise is een mediocre en incoherente plaat. De druk van Dunhill en Rhodes’ heftige drugsgebruik veroorzaken een mentale inzinking en een diepgewortelde haat jegens platenmaatschappijen. Tegen beter weten in aanvaardt Rhodes een baan als studiotechnicus en later als A&R manager bij Elektra Records. Maar als hij door het aantreden van een nieuwe directie wordt weggesaneerd is Emitt Rhodes voorgoed verloren voor de popmuziek. Verbitterd en teleurgesteld trekt hij zich terug in Hawthorne.
Er is echter een naschrift. Begin ’97 treedt Rhodes voor het eerst sinds meer dan 25 jaar op. Hij speelt met een gelegenheidsband, bestaande uit fans, op het prestigueuze Poptopia! festival in Los Angeles. Daarnaast doet het verhaal de ronde dat Emitt Rhodes aan een come-back werkt. Het lijkt onwaarschijnlijk en dat is het ook. Zeventien jaar later is nog steeds niets van hem vernomen. Het doet ook niets terzake; Emitt Rhodes’ debuut is een tijdloze klassieker, vast verankerd in de muziekhistorie.

With My Face On The Floor / Promises I’ve Made / She’s Such A Beauty / You Must Have / Lullaby / Fresh As A Daisy / You Should Be Ashamed / Somebody Made For Me / You Take The Dark Out Of The Night / Ever Find Yourself Running? / Live Till You Die / Long Time No See



woensdag 19 februari 2014

Rufus Wainwright | Poses

Zonder twijfel is de Canadees-Amerikaanse Rufus Wainwright een bijzonder groot muzikaal talent. Geboren in New York als gevolg van een kortstondig huwelijk tussen de Canadese folkzangeres Kate McGarrigle en singer-songwriter Loudon Wainwright III, en opgegroeid in Montreal, Canada is Rufus al op jonge leeftijd een geboren muzikant, maar ook een nukkige, arrogante jongen die zich op 14-jarige leeftijd realiseert dat hij gay is. Van Dyke Parks – vriend van de familie – seint platenbaas Lenny Waronker in en deze haalt Rufus naar Californië, om hem onder contract te nemen bij Steven Spielbergs Dreamworks-label. In 1998 debuteert Rufus Wainwright met een zelfgetiteld album dat bol staat van rijk geornamenteerde Westcoast singer-songwriters pop in de traditie van Randy Newman, Harry Nilsson en Van Dyke Parks. De liedjes blinken uit, maar de arrangementen zijn nogal barok – en toch is Rufus Wainwright een essentieel en grandioos debuut.
Rufus zelf ondertussen worstelt met zijn identiteit; verliest zich in het nachtleven van New York, dompelt zich onder in one night stands en raakt verslaafd aan crystal meth. Te midden van deze excessen – en de daarop volgende rehab – neemt Rufus Wainwright zijn tweede album op: Poses, dat verklaarbaar slordiger en morsiger klinkt dan het debuut. Violen, cello's en Wainwrights piano domineren het klankbeeld, drums en elektrische gitaar worden spaarzaam ingezet. In dit theatrale decor schitteren Rufus Wainwrights zwierige, groteske en complexe zangharmonieën in de merendeels decadente popsongs. 'Cigarettes And Chocolate Milk' is een fantastische opener; 'Greek Song' doet qua meerstemmige zang zowel denken aan The Beach Boys als aan Elliott Smith. Wainwright bezwijkt bijna in topzware romantische torchsongs als 'Poses', 'Evil Angel' en 'The Consort' – maar triomfeert. 'One Man Guy' is een fraaie cover van zijn vaders compositie, maar het albumhoogtepunt – naar het voorbeeld van Todd Rundgren in de vroege jaren zeventig – is het hemelse 'Grey Gardens'; een moderne klassieker. Die erkenning komt er natuurlijk niet zomaar, evenmin als het besef dat Poses – beslist geen gemakkelijke plaat – een potentieel popmeesterwerk is. Hoe dan ook, het talent van Rufus Wainwright komt in de jaren daarna volop in de etalage. Want One en Want Two zijn opvallende albums, de fantastische single 'Going To A Town' is in 2007 een internationale hit en Rufus Does Judy At Carnegy Hall een gedurfd eerbetoon aan Judy Garland. Rufus Wainright is kortom een popmuzikant met statuur.

Cigarettes And Chocolate Milk / Greek Song / Poses / Shadows / California / The Tower Of Learning / Grey Gardens / Rebel Prince / The Consort / One Man Guy / Evil Angel / In A Graveyard / Cigarettes And Chocolate Milk (Reprise)


dinsdag 29 oktober 2013

P. Hux | Purgatory Falls

In 1998 staat Electric Light Orchestra in een uitverkochte Royal Albert Hall, maar Jeff Lynne is niet de leadzanger, nee, het is de Amerikaan Parthenon Huxley. De onbekende Huxley heeft de kans om de gerevitaliseerde ELO aan te voeren terecht niet laten lopen, maar door op te treden met zijn jeugdhelden ontneemt de zanger – en songschrijver – gemakkelijk het zicht op zijn eigen niet misselijke talenten. Als Rick Miller na acht jaar met zijn ouders in Griekenland terugkeert naar Amerika, neemt hij de Griekse voornaam Parthenon aan, en als achternaam de naam van een Britse schrijver: Huxley. Terug in Chapel Hill, North Carolina studeert Huxley journalistiek en speelt in de bands The Blazers, The Dads en Rick Rock. Parthenon Huxley trekt vervolgens naar Los Angeles en weet een deal te sluiten met Columbia Records. In 1988 maakt Huxley zijn nogal mislukte major-debuut met het fout geproduceerde Sunny Nights, waarna het maar liefst zes jaar nogal stil is rondom Parthenon Huxley. 
Dan komt hij onder de naam P. Hux sterk terug met de independent powerpop van Deluxe en in 1997 met het trio VeG dat eveneens een fraaie cd aflevert. Huxleys band valt dan uiteen, maar erger nog is dat zijn vrouw Janet – Huxleys inspiratiebron – na dertien maanden strijd op 39-jarige leeftijd overlijdt aan een hersentumor. Parthenon Huxley verwerkt zijn verdriet door twee jaar lang liedjes te schrijven over de liefde voor zijn vrouw. Als hij dan met trouwe drummer Gordon Townsend de lamentabele liedjes opneemt, is het niet minder dan een catharsis. De mineursetting overheerst op Huxleys vagevuurplaat, Purgatory Falls. Huxleys intense en soms radeloze stem gaat de strijd aan met herfstig getoonzette akoestische gitaren en bloedrode strijkers. Pijnlijke onderwerpen als Huxleys favoriete jurk in ‘I Loved Everything’ en Janets make-up in ‘Red Eyeliner’ passeren de revue en worden omlijst door kaalgeslagen rock. Ook Parhenon Huxleys gitaar schreeuwt het uit, maar violen en cello’s brengen soms enige verlichting, zoals in het wat meer kleurrijke maar niet minder aangrijpende ‘My Sweet Nothing’: I’d give you everything but everything’s gone / Nothing comes before you. ‘Rubble’ relativeert de onverbiddelijke scheidslijn tussen het hier en hiernamaals; ‘Offer You The World’ kent een bevrijdende gitaarsolo en het schitterende en bij de strot grijpende ‘Belief’ is Parthenon Huxleys voortdurende strijd tegen de wanhoop. Purgatory Falls is een onwaarschijnlijk emotionele en aangrijpende songcyclus, die – ondanks de niet te benijden omstandigheden – het lyrische en muzikale talent van P. Hux blootlegt, en celebreert.

4258 / I Loved Everything / Rubble / My Sweet Nothing / Goldmine / Red Eyeliner / Steer Clear / Offer You The World / Belief / Chordothelord

zondag 30 juni 2013

Elliott Smith | XO


Het lijkt nauwelijks voor te stellen dat Elliott Smith een immens minderwaardigheidscomplex had. De maker van liedjes waarop geliefden liefdeskastelen kunnen bouwen, waar levenslange relaties op kunnen schragen – deze schepper van popsymfonieën lijkt nauwelijks te hebben geweten welke impact zijn muziek had. Elliott Smith meende werkelijk dat zijn muziek te breekbaar en te intiem was om een groot publiek
aan te spreken. Maar hij had het mis, hij had het helemaal mis. Elliott Smith bracht luisteraars met zijn compacte maar imponerende oeuvre in complete vervoering, en maakte met XO misschien wel de mooiste plaat van 1998.
Steven Paul Smith werd in 1969 geboren in Omaha, Nebraska, groeide op in Dallas, Texas en later in Portland, Oregon. Hij studeerde aan de oostkust en keerde terug naar Portland om samen met Sam Coombes – die prachtige platen maakte met The Donner Party – Heatmiser op te richten. Maar de loner die Smith was voelde zich niet happy – een understatement – in dit groepsverband en ging in z’n eentje optredens doen in koffiehuizen. In 1994 en 1995 maakte Smith twee cd’s, Roman Candle en Elliott Smith, kale en tot op het bot uitgeklede platen, in 1997 gevolgd door Either/Or. Op deze plaat, opgenomen met het producersduo Tom Rothrock en Rob Schnapf, is Smith getransformeerd tot een enigmatische singer-songwriter en laat hij de luisteraar versteld staan van zijn melodieuze vernuft en zijn superieure componeerkwaliteiten. Het levert Elliott Smith de status van culthero op. Op het persoonlijke vlak gaat het echter niet zo goed met Smith. Hij overleeft een zelfmoordpoging en verliest zich in alcohol en heroïne. Smith schrijft zich in bij een ontwenningskliniek om er zes dagen later weer gerevitaliseerd uit te lopen en het drugsgebruik met hernieuwd elan te hervatten. Maar dan komt de doorbraak die hem van zijn undergroundstatus verlost. Nadat Smith enkele liedjes heeft gecomponeerd voor Gus Van Sants speelfilm Good Will Hunting, wordt ‘Miss Misery’ genomineerd voor een Oscar. Tijdens het uitreikingsgala treedt Smith op, gestoken in een totaal misplaatst kostuum en met de schuwe uitstraling van een tragisch figuur: Smith is incongruent en anachronistich.
Volgend op dit succes tekent Elliott Smith bij Dreamworks, Steven Spielbergs platenlabel, en neemt in L.A. met dezelfde producers zijn major label-debuut op. Smith speelt en zingt alles in z’n eentje in, met de sporadische hulp van drummer Joey Waronker en muzikaal genie Jon Brion. Veertien ambachtelijk geconstrueerde liedjes, veertien verfijnde popsongs vormen tezamen XO, vormen tezamen een onverbiddelijk meesterwerk.
In een beknopte en serene stijl laat Smith de luisteraar getuige zijn van zijn overvloedige verbeeldingskracht. De liedjes zijn opgebouwd uit meanderende melodielijnen, fraaie akkoordenreeksen en Smiths sensitieve – afwisselend hese en ijle – stemgeluid. Hij uit bovendien zijn gevoelens over verlies, angst en onzekerheid in poëtische teksten – die daadwerkelijk Smiths universele liefdesverdriet voelbaar maken. ‘Sweet Adeline’ wordt na een intro van akoestische gitaar en piano naar een weelderige climax gebracht, maar de toon van bitterheid en verval is dan gezet: Waiting for sedation to disconnect my head / Or any situation where I’m better off than dead. Het uiterst opzwepende ‘Amity’ herbergt een scherpe gitaarsolo en wordt gevolgd door de tweeënhalve minuut verstilde perfectie van ‘Oh Well, Okay’ – met claustrofobische en toch poëtische tekst: An airless cell that blocks the day / Oh well, okay.eet scherpe gitaarsolo, gevolgd door eertien verfijnde popsongs, vormen Elliott Smiths rd uit te lopen ‘Baby Britain’ bezit een luie groove en nestelt zich qua sound dicht tegen de orkestrale psychedelische pop aan van The Left Banke en The Zombies. In ‘Bled White’ stuurt Smith zijn elektrische gitaar door een Leslie-box en wordt hij heen en weer geslingerd tussen blijheid en verdriet: ‘Cos happy and sad come in quick succession. En dan zijn er nog talloze perfecte popliedjes als ‘Walz #2 (XO)’, ‘Independence Day’, ‘Bottle Up And Explode!’ en ‘Everybody Cares, Everybody Understands’, waarin Elliott Smith XO naar een nog hoger plan tilt en het niveau benadert van Big Stars Third en The Beatles’ Let It Be. Het werkelijke hartverscheurende en superieur gearrangeerde ‘I Didn’t Understand’ maakt dit absolute meesterwerk nog ongenaakbaarder.
XO bewees de extreme begaafdheid van deze modernistische singer-songwriter en bezorgde hem een prominente plek in het popwalhalla, maar Smith bleef bescheiden en schuw – bescherming zoekend vanonder de wollen muts. Het succes werd een molensteen om zijn nek, want ook de volgende plaat, Figure 8, mocht er zijn. Maar toen werd het lang stil rondom Smith. Hij werkte aan een nieuwe plaat, maar de release hiervan heeft Elliott Smith niet mogen meemaken. Op 21 oktober 2003 stak hij in zijn huis in L.A. een mes in zijn hart en overleed ter plekke. Elliott Smith was te zacht en te gevoelig voor de werkelijkheid, ook al was een deel van die werkelijkheid dat hij een zeer grote waardering genoot van muzikanten, pers en publiek. Maar dát kon hij nauwelijks geloven: I didn’t understand / I didn’t understand.
In 2004 verscheen From A Basement On The Hill, een triest postscriptum.

Sweet Adeline / Tomorrow Tomorrow / Walz #2 (XO) / Baby Britain / Pitseleh / Independence Day / Bled White / Walz #1 / Amity / Oh Well, Okay / Bottle Up And Explode! / A Question Mark / Everybody Cares, Everybody Understands / I Didn’t Understand


woensdag 17 april 2013

Ed Harcourt | Here Be Monsters

Hoewel in Engeland zwaar gehyped, de New Acoustic Movement – met het adagium quiet is the new loud – brengt niettemin bijzonder fraaie plaatjes voort. Je kunt eenvoudig constateren dat onze westerburen anno 2000 weer helemaal op de popmuzieklandkaart staan. De talloze voorbeelden – Turin Brakes, I Am Kloot, Tom McRae – spreken voor zich en ook Ed Harcourt behoort nu tot deze dan jonge elite te worden gerekend.
Here Be Monsters is na de mini-cd Maplewood (2000) het volwaardige, volwassen en volledig geslaagde debuut van de 23-jarige singer-songwriter uit Brighton. Was Maplewood een huiskameraangelegenheid – Harcourt nam alles thuis en alleen op – Here Be Monsters is een fullscreen technicolour production. Strijkers, blazers, vibrafoon, wurlitzer, grand piano en allerlei tapeloops, ziehier het instrumentarium van de moderne singer-songwriter die weet wat hij wil en ook hiertoe in staat gesteld wordt (door producer Dave Fridmann) . Meer dan eens voert Harcourt de luisteraar terug naar de verlichtende voorbeelden uit de zo grauwe jaren tachtig. Overeenkomsten met Echo & The Bunnymen, The Teardrop Explodes, music-hallpop van Gavin Friday en de ketelmuziek van Tom Waits vind je terug in de uitgekiende composities en de doeltreffende arrangementen op Here Be Monsters. Voor actueler vergelijkingsmateriaal moet je echter de oceaan over; naar geestverwanten als Michael Penn, Jason Falkner en de betreurde Jeff Buckley. Het moge duidelijk zijn; bij Harcourt gaat het, ondanks de barokke verpakking, uiteindelijk om het liedje, het prachtige liedje. Opener 'Something In My Eye' is traag en bezwerend en zet de toon voor 50 minuten poplyriek; voor bijna een uur muzikale diversiteit. 'She Fell Into My Arms' hoort gewoon in Top Of The Pops, 'Hanging With The Wrong Crowd' en 'Beneath The Heart Of Darkness' zijn uitermate geschikt voor laat op de avond, en 'Apple Of My Eye' nodigt uit tot uit volle borst meegalmen. Afsluiter 'Like Only Lovers Can' ten slotte laat je ademloos achter. Het maakt Here Be Monsters tot zowel een uitstekend serum tegen de natte en winderige herfst van 2001 en aldus een perfecte soundtrack voor lange, donkere avonden.
In 2003 is Harcourt terug met het even fantastische From Every Sphere, maar de daaropvolgende albums laten helaas geen stijgende lijn zien. Een (commerciële) Europese doorbraak zit er daarom vooralsnog helaas niet in.

Something In My Eye / God Protect Your Soul / She Fell Into My Arms / Those Crimson Tears / Hanging With The Wrong Crowd / Apple Of My Eye / Beneath The Heart Of Darkness / Wind Through The Trees / Birds Fly Backwards / Shanghai / Like Only Lovers Can

vrijdag 4 januari 2013

Beck | Sea Change


Beck is als kwikzilver. Altijd wegglippend; ongrijpbaar. Als 22-jarige debuteert Beck Hansen op een onafhankelijk label met de ironische hiphop-single ‘Loser’. Het levert hem een contract op bij Geffen Records, dat van ‘Loser’ een wereldhit maakt. Becks major-debuut Mellow Gold slaat in 1994 in als een bom, twee jaar later gevolgd door het al even bijzondere Odelay. Beck combineert genres als gitaarpop, hiphop, folk en funk tot een nieuwe mengvorm die nog niet eerder bestond. Ondertussen brengt Beck ook voor onafhankelijke labels cd’s uit, met daarop rudimentaire countryblues en Woody Guthrie-folk. Na Mutations in 1998 verrast Beck een jaar later opnieuw met de computer-funk van Midnite Vultures. Beck – dwars, productief, schuw – is voor gewone stervelingen niet te volgen. Maar de neergang komt als Beck ontdekt dat zijn verloofde Leigh Limon een geheime relatie heeft. Beck Hanson wordt verscheurd door verdriet – en dat komt ten volle tot uiting op Becks meest persoonlijke album, Sea Change. Sea Change is Becks breakup-album met songtitels als ‘Lonesome Tears’, ‘Already Dead’ en ‘Lost Cause’. Sea Change is een eerzame catharsis waarop Beck zijn emoties niet verhult, al lijkt ‘Guess I’m Doing Fine’ een leugentje om bestwil. In een beklemmende atmosfeer – Nigel Goodrichs productie klinkt als opgenomen in een grote, kale ruimte – lamenteert Beck in grootse songs over zijn verdriet. Hij wordt hier bijgestaan door topmuzikanten als Smokey Hormel (gitaar), Joe Waronker (drums) en Roger Manning (toetsen) en Jason Falkner (gitaar), beiden ex-Jellyfish. Ook Becks vader, arrangeur David Campbell, staat zijn zoon bij door het creëren van een aardedonkere sfeer met zware strijkers en ronkende cello’s. Het is een volmaakt decor voor Becks bittere en weeklagende songs, die nu zijn gebaseerd op jaren zeventig Westcoast-rock en psychedelische, barokke pop. Dit epische minimalisme komt fantastisch tot zijn recht in machtige orkestrale songs als ‘End Of The Day’, ‘Paper Tiger’ en het loodzware Scott Walker-achtige ‘Round The Bend’. Sea Change is een melancholieke, maar louterende tour de force, waarin Beck zijn ware gezicht toont en bewijst tot de grootste talenten van het nieuwe millennium te behoren. Puur en volstrekt oprecht is Sea Change een adembenemend fraaie gebroken-hartenplaat. Met dit meesterwerk transformeert de ongrijpbare whizz-kid met de trukendoos tot het muzikale genie dat hij werkelijk is.

The Golden Age / Paper Tiger / Guess I’m Doing Fine / Lonesome Tears / Lost Cause / End Of The Day / It’s All In Your Mind / Round The Bend / Already Dead / Sunday Sun / Little One / Side Of The Road