Posts tonen met het label folkrock UK. Alle posts tonen
Posts tonen met het label folkrock UK. Alle posts tonen

woensdag 10 mei 2017

Ken Hensley | Proud Words On A Dusty Shelf

Ter illustratie dat Kenneth William David Hensley een druk, bezig en bazig mannetje is, het volgende: In 1965 formeert hij The Gods, die in 1968 en 1969 lp's uitbrengen. Het volgende Hensley-album is in 1970 Head Machine's Orgasm, waarna Hensley doorstoomt naar Toe Fat, wier twee platen geproduceerd worden door John Peel. Nog voor het tweede album is Ken Hensley alweer getransfereerd naar Spice, dat zich – het is dan nog steeds 1970 – Uriah Heep noemt. Met het geweldige Uriah Heep begint Ken Hensley aan een solide carrière, maar o, ongedurigheid, in 1971 – tussen de Heep-albums Salisbury en Look At Yourself – gaat Hensley naar Hamburg, West-Duitsland om daar met de Krautrockers van Virus onder de naam Weed een gelijknamig album uit te brengen. Weed is een soort van mystificatie, maar is wel Ken Hensley in zijn hardrockende Uriah Heep-hoedanigheid all over the place. 
Hoewel het erop lijkt dat de organist, gitarist en componist zijn ei voldoende kwijt kan in Uriah Heep, is Hensleys geldingsdrang allesoverheersend, want nu - in 1972 - moet er een solo-album komen om zijn behoeften optimaal te bevredigen - Uriah Heep is dan op zijn hoogtepunt met de albums Demons and Wizards en The Magician’s Birthday, culminerend in een kokend live-dubbelalbum. Toch moet de eigenwijze Hensley juist dan met een solo-album komen. Het lijkt een zelfmoordmissie, en dat is het ook, want wie kent nu Ken Hensley’s Proud Words On A Dusty Shelf? Niemand, maar deze niemanden doen zichzelf wel tekort. Hensley heeft, verspreid over een jaar, in de Londense Landsdowne Studios een serie songs opgenomen die weliswaar in het Uriah Heep-repertoire zouden passen, maar eigenlijk net even wat pastoraler en meer folky zijn. Ken Hensley gebruikt op zijn eigen album alleen de Heep-ritmesectie, bassist Gary Thain en drummer Lee Kerslake, en doet de rest verder zelf. Zoals lekker venijnig en scherp gitaarwerk in ‘When Evening Comes’, ‘Proud Words’ en ‘Cold Autumn Sunday’, maar verzorgt ook eigenhandig zangpartijen die melodieus, harmonieus en vooral warm zijn (‘From Time to Time’, ‘King Without A Throne’ en ‘Black Hearted Lady’). Gecombineerd, gitaar en zang, levert dat in ‘Fortune’ een werkelijk hoogtepunt op.
Proud Words On A Dusty Shelf is echt een mooi album dat pastorale, ingetogen rock vermengt met hardrock - zoals bijvoorbeeld Alvin Lee dat in hetzelfde jaar ook doet met On the Road to Freedom - maar niettemin valt Ken Hensleys soloplaat tussen wal en schip. Vooral omdat Uriah Heep datzelfde jaar met het ijzersterke Sweet Freedom voor de dag komt. Ken Hensley is - ook al omdat hij het creatieve genie achter Uriah Heep is - ongebroken, want blijkens de hoestekst van Proud Words On A Dusty Shelf gezegend met een gigantisch ego:

Having lived with Ken for 27 years and having worked with him most of that time I find I quite like him really.
- Ken Hensley, November 1972 

‘When Evening Comes’ | ‘From Time to Time’ | ‘King Without A Throne’ | ‘Rain’ | ‘Proud Words’ | ‘Fortune’ | ‘Black Hearted Lady’ | ‘Go Down’ | ‘Cold Autumn Sunday’ | ‘The Last

maandag 9 juni 2014

Keith Cross & Peter Ross | Bored Civilians

Bored Civilians is vooral een opmerkelijk en bijzonder album omdat zanger/gitarist Keith Cross eerst het psychedelische powertrio T2 aanvoert en dan overstapt op totaal iets anders, namelijk pastorale folkrock. Cross gaat in 1972 een verbond aan met Peter Ross, met wie hij speelde in Sunburst, en weet T2's contract met Decca te behouden voor zijn nieuwe project. Voor dit label nemen Cross en Ross aldus hun eerste en enige plaat op – overigens met behulp van tal van muzikale vrienden, onder wie Brinsley Schwarz-leden Nick Lowe (bas) en Billy Rankin (drums) en pedal steel-maestro B.J. Cole. Het resultaat is Bored Civilians, een voortreffelijke lp die folkrock combineert met popstructuren en countryfied rock. Cross en Ross bewegen zich – vooral in opener 'The Last Ocean Rider' – in de richting van Band-achtige rootsrock, terwijl schitterend harmoniërende songs 'Bored Civilians', 'Pastels' en 'The Dead Salute' Crosby, Stills & Nash in herinnering roepen en het uitgesponnen 'Story For A Friend' aan de Canterbury-scene doet denken. Tussen de acht uitstekende Cross/Ross-composities is voorts de Fotheringay-cover 'Peace To The End' ronduit fenomenaal, en sluit het akoestisch/orkestrale 'Fly Home' het album op visionaire wijze af. Maar visie of net, Bored Civilians bereikt geen groot publiek, Het heeft als gevolg dat de Cross/Ross-combine jammerlijk mislukt en niemand ooit meer verneemt van de niet misselijke talenten, zoals uitdrukkelijk geëtaleerd op Bored Civilians, van Peter Ross en supergitarist Keith Cross.

The Last Ocean Rider / Bored Civilians / Place To The End / Story To A Friend / Loving You Takes So Long / Pastels / The Dead Salute / Bo radley / Fly Home

maandag 23 december 2013

Fairport Convention | Liege & Lief

Het leek er sterk op dat Fairport Convention ophield te bestaan toen in mei 1969 de bestelbus van de band verongelukte met daarin alle bandleden. Zowel drummer Martin Lamble als Richard Thompsons vriendin Jeannie Franklin verongelukten dodelijk. De overlevende bandleden – Sandy Denny, Richard Thompson, Simon Nicol en Ashley Hutchings – waren in diepe rouw gedompeld en zagen de zinloosheid in van het voortzetten van Fairport Convention. Hoe dan ook zou de band nooit meer het oude repertoire spelen; als Fairport Convention zou worden voorgezet, dan moest er een nieuwe muzikale richting worden gevonden. Hetgeen geschiedde. 
Vioolspeler Dave Swarbrick en drummer Dave Mattacks versterken het viertal en in de zomer van 1969 vestigt de opnieuw geformeerde band zich, op initiatief van producer Joe Boyd, in Farley Chamberlayne, een afgelegen country-house. De behoefte om in elkaars nabijheid te zijn leidt tot lange wandelingen in de omgeving, gesprekken aan de keukentafel en het zich verdiepen in oude volksmuziek. Het grote voorbeeld van vele bands in die tijd is Music From Big Pink van The Band; een revolutionair concept van folk en country in een rock-context. Daarnaast raken zowel Sandy Denny als Ashley Hutchings gefascineerd door Britse traditionals – de kunst is echter om de eeuwenoude liedjes te transformeren tot moderne rock; om akoestische liedjes om te zetten in elektrische songs. De uitdaging waarvoor Fairport Convention zich gesteld ziet, wordt een katharsis en een triomf tegelijk, want Liege & Lief is niet alleen het Britse equivalent van Music From Big Pink, maar ook dé herdefinitie van folk en folkrock. Vijf van de acht liedjes op Liege & Lief zijn traditionals, maar Fairport Convention zet de mystieke en mythologische liedjes over ziekte, dood en verderf geheel naar eigen hand. De engelenstem van Sandy Denny – een van de beste zangeressen ooit – klinkt betoverend in ‘Reynardine’ en opzwepend in ‘Tam Lin’ en ‘Matty Groves’, een traditional die al in 1630 bestond. De nieuwelingen zijn prominent aanwezig: Swarbrick met zwierig vioolspel en Mattacks, die totaal onbekend is met folkmuziek, met opvallend stevig drumwerk. Maar naast Sandy Denny is de hoofdrol weggelegd voor Richard Thompson. Niet alleen vanwege zijn evocatieve en onderscheidende gitaarspel, maar ook omdat hij twee fabelachtige composities bijdraagt: ‘Farewell. Farewell’ en ‘Crazy Man Michael’, de laatste een monument van verlies en verdriet. Als Liege & Lief in december 1968 wordt uitgebracht, wordt het direct herkend als het meesterwerk dat het is. Zowel Ashley Hutchings als Sandy Denny hebben Fairport Convention dan al verlaten.

Come All Ye / Reynardine / Matty Groves / Farewell, Farewell / The Deserter / Medley: The Lark In The Morning, Rakish Paddy, Foxhunters’ Jig, Toss The Feathers / Tam Lin / Crazy Man Michael

maandag 15 april 2013

Dave Mason | Alone Together


De muzikale carrière van Dave Mason begint in 1966 als roadie voor The Spencer Davis Group. Een kleine tien jaar later zal Mason in Amerika zijn grootste successen als solo-artiest vieren. Ergens daar tussenin bereikt Dave Mason de zanger en gitarist zijn grootste artistieke piek: Alone Together. In april 1967 promoveert de multi-instrumentalist Mason van de Spencer Davis Group naar Traffic, met wie hij twee reguliere – en legendarische – albums maakt. Vanwege muzikale meningsverschillen met Steve Winwood stapt Mason in de herfst van 1968 uit Traffic, waarna hij weer in Amerika opduikt in het gevolg van Delaney & Bonnie Bramblett. Via hen ontmoet Mason de eveneens uit Engeland uitgeweken Eric Clapton, met als gevolg dat Mason tijdens het eerste live-optreden van Derek & The Dominos gitarist in Claptons band is. Mason speelt mee op George Harrisons All Things Must Pass en maakt een fraai popalbum met Cass Elliott.
Dan is de tijd rijp voor een solo-album, dat Mason in Los Angeles opneemt – in de Sunset Sound-studio’s en de Elektra Recording Studio – en met een keur aan muzikale vrienden. Naast Delaney & Bonnie (zang) spelen mee de toetsenisten Leon Russell, Larry Knechtel en John Simon (producer van The Band), de bassisten Chris Etheridge (Flying Burrito Brothers) en Carl Radle (Derek & The Dominos), de drummers Jim Capaldi (Traffic), Jim Gordon (Derek & The Dominos) en Jim Keltner, en zangeres Rita Coolidge. Het resultaat is van een zeer hoog niveau en ondanks de sterrenbezetting, bezield en intens. Gehuisd in een prachtige driedubbel-uitklapbare hoes en geperst op psychedelisch gekleurd vinyl is Alone Together een fascinerend product van tijd en plaats. De rockmuziek anno 1970 zit niet alleen in een uiterst creatieve fase; de Westcoast-sound genereert vele, vele muzikale hoogtepunten, en Alone Together is daar één van. Alone Together bevat acht ruimtelijke, organische nummers die gebaseerd zijn op akoestische gitaar en relaxte ritmes. Daaroverheen draperen Mason en zijn all-starbezetting elektrische gitaar, piano, Hammond en soulvolle en harmonieuze achtergrondzang. Dave Mason, schrijver van de prachtige, pastorale composities, is met zijn uitstekende stem en vloeiende gitaarspel het stralende middelpunt van Alone Together. ‘Only You Know And I Know’, ‘Waitin’ On You’ en ‘Just A Song’ zijn pure en oorspronkelijke Westcoast countryrock, terwijl trage songs als ‘Can’t Stop Worrying, Can’t Stop Loving’ en ‘Sad And Deep As You’ herinneren aan Masons Traffic-tijd. Het prachtige ‘World In Changes’ heeft een rollende Hammond in de hoofdrol, terwijl die in de lange songs ‘Shouldn’t Have Took More Than You Gave’ en ‘Look At You Look At Me’ is weggelegd voor Masons kristallijnen gitaarspel. Vooral de gitaar-climax in afsluiter ‘Look At You Look At Me’ is meesterlijk en exemplarisch voor de creatieve piek die Alone Together inneemt in het oeuvre van Dave Mason.
Midden jaren zeventig is de populariteit van Dave Mason op zijn hoogtepunt, het creatieve hoogtepunt ligt echter vijf jaar eerder; bij het fenomenale Alone Together.

Only You Know And I Know / Can’t Stop Worrying, Can’t Stop Loving / Waitin’ On You / Shouldn’t Have Took More Than You Gave / World In Changes / Sad And Deep As You / Just A Song / Look At You Look At Me

maandag 11 februari 2013

Trees | On The Shore


Trees is nooit de cultstatus ontstegen. De band uit Londen heeft nooit uit de schaduw kunnen stappen van tijdgenoten Fairport Convention en Steeleye Span. De overeenkomsten met de op traditionele folk gebaseerde rock van de beroemdere collega’s zijn talloos. Maar er zijn ook verschillen. Die verschillen zijn vooral te vinden in de venijnige en avontuurlijke psychedelische gitaarsolo’s, een typisch en onderscheidend kenmerk van Trees – en reden waarom de groep bij verzamelaars en sixties-adepten zeer geliefd is. Opgericht in 1969 in Notting Hill door folkfan David Costa (akoestische en twaalfsnarige gitaar, mandoline, dulcimer), is Trees in eerste instantie een ongeregeld zootje non-muzikanten. Maar de band, in een stabiele bezetting met naast Costa Celia Humphris (zang), Tobias Boshell (bas, toetsen), Barry Clarke (sologitaar) en Unwin Brown (drums), leert snel. Zo snel dat Trees al datzelfde jaar tekent bij Columbia – al vindt de band van zichzelf dat ze amateurs zijn. Trees heeft echter twee belangrijke pluspunten: de engelachtige zang van Celia Humphris en het prachtige lyrische gitaarspel van Barry Clarke. Het repertoire is, zoals een exponent van de Britse folkrock-boom betaamt, een mengeling van traditionals en meer eigentijds en eigen materiaal – waarvoor Tobias Boshell verantwoordelijk is. Toch omvat hun muziek, zoals bij verschijnen van het debuut The Garden Of Jane Delawney blijkt, meerdere stijlen. Het wat drukke klankbeeld, waarin niettemin muzikaal veel interessants gebeurt, komt voort uit de geldingsdrang van de zich nog ontwikkelende muzikanten; alle bandleden willen de lead-partijen voor hun rekening nemen. Dat dit uiterst spannend klinkt, blijkt wel uit de opvolger uit hetzelfde jaar, On The Shore. Trees verwerkt meer psychedelische en ook Amerikaanse invloeden in hun spacy folkrock, waardoor de vergelijking met Jefferson Airplane meer voor de hand ligt dan Fairport Convention. Gebleven zijn de folktraditionals, waarvan ‘Polly On The Shore’, ‘Geordie’ en ‘Streets Of Derry’ fenomenaal worden geïnterpreteerd en omgetoverd worden tot adembenemende rocksongs. Het ronkende basspel van componist Boshell is voorts een stevig fundament voor de toverfee-achtige zang van Celia Humphris en de rondcirkelende gitaarsolo’s van Clarke, zoals Trees dat etaleert op ‘Murdoch’, ‘Fool’ en de magnifiek georkestreerde sea-shanty ‘Sally Free And Easy’. Het succes van On The Shore is bescheiden. Toch blijft Columbia in Trees investeren maar de bandleden zijn jong en ontwikkelen zich in alle richtingen en koesteren hun vrijheid, waardoor de band op het tweede plan komt. De druk vanuit de platenmaatschappij om te presteren wordt te groot en aldus valt Trees in 1971 in stukken uiteen, een mooi klein maar exquis oeuvre achterlatend.

Soldiers Three / Murdoch / Polly On The Shore / Adam’s Toon / Sally Free And Easy / Fool / Geordie / While The Iron is Hot / Little Sadie / Streets Of Derry

donderdag 10 januari 2013

Loudest Whisper | The Children Of Lir


Een stokoude legende over de Ierse koning Lir vormt in 1970 voor Brian O'Reilly de inspiratie tot het schrijven van de musical The Children Of Lir. Met zijn band Loudest Whisper – uit Fermoy, Ierland – voert O'Reily vanaf januari '73 de musical talloze malen en met veel succes op. Zo veel succes dat de Ierse poot van Polydor de musical in de studio vastgelegd wil zien. Dat gebeurt in de Trend Studio in Dublin, en daarbij treden een mannen-, vrouwen- en kinderkoor, het Testore String Quartet en de schitterende stem van Geraldine Dorgan aan. De basis van The Children Of Lir is Angelsaksische folkrock, lyrische samenzang, vloeiende elektrische gitaren en de onvermijdelijke hippiesfeer. Het resultaat is in 1974 een klassiek folkrockalbum, dat even schitterend en gedreven is als fenomenale albums als Liege And Lief, On The Shore en Eclection. Fascinerend en meeslepend zijn 'Wedding Song' en 'Farewell Song'; hemels en angstaanjagend fraai de koorzang in 'Children Of The Dawn', 'Dawning Of The Day' en 'Sad Children'; wild en woest de scherpe acid-gitaren in 'Good Day, My Friend' en 'Mannanan II'. Tezamen vormen de dertien songs een avontuurlijke folkrock-musical, althans dat is het fundament van The Children Of Lir, maar in een ruimer verband is dit enige album van Loudest Whisper een royaal hoogtepunt in de al zo rijke Britse traditie van de jaren zeventig folkrock. Commerciële tegenslag weerhoudt Loudest Whisper echter van een doorbraak buiten Ierland, zodat The Children Of Lir een album voor de ingewijden is.

Overture / Lir's Lament / Good Day, My Friend / Wedding Song / Children's Song / Mannanan I / Mannanan II / Children Of The Dawn / Dawning Of The Day / Septimus / Farewell Song / Cold Winds Blow / Sad Children

dinsdag 24 juli 2012

Thoughts & Words | Thoughts & Words

Jeugdvrienden Bob Ponton en Martin Curtis maken in 1968 met Pandamonium drie singles, maar het beknellende bandconcept en teveel platenmaatschappijbemoeienis doen Ponton en Curtis besluiten als duo verder te gaan. Het maakt alles simpeler – het duo gaat voornamelijk akoestische muziek maken en weet zich vooral beïnvloed door Amerikaanse folkrock en de Britse folk van Fairport Convention. Hun kersverse label Liberty stelt Mike Batt aan als producer – die feitelijk het derde bandlid wordt – en als trio nemen Ponton, Curtis en Batt het debuut op dat Thoughts & Words gedoopt wordt, naar een song van The Byrds. Als de plaat in de winkels ligt, blijkt dat ook de bandnaam abusievelijk Thoughts & Words is.
De winterse hoes reflecteert op toepasselijke wijze de weemoedige, melodieuze folkrock van Ponton en Curtis. Vooral de innig verstrengelde harmoniezang van het duo verleent het album een stijlvolle gratie. Elegant en pastoraal glijden de dertien prachtige liedjes voort op een winterse stroom. Maar helaas zinkt de plaat direct na de release naar de bodem zonder een noemenswaardig spoor achter te laten, waardoor Thoughts & Words een van die wonderschone, veronachtzaamde albums van de begin jaren zeventig is.

Morning Sky / And The Tears Fall Like Rain / Friends / Back In 1939 / Today has Come / Give Me A Reason / Go Out And Find Sun / Seven Years / Father And Son / Lifetime / Annette / Vision / Charlie Gates

vrijdag 6 januari 2012

Eclection | Eclection

Als Elektra Records in 2006 zijn grote zes cd’s tellende overzicht uitbrengt, is er ook een plekje ingeruimd voor Eclection. Eclection past perfect binnen Elektra’s handelsmerk van Amerikaanse folk, psychedelica en Westcoast folkrock, alleen is Eclection is een Britse band; Eclection speelde nooit in de Verenigde Staten. En dat is des te opmerkelijker omdat het in Londen gevestigde vijftal de folkrock van de vroege Jefferson Airplane, The Mamas and the Papas en The Peanut Butter Conspiracy naar de kroon steekt. In Londen komen in 1968 de talenten samen van de Canadees Michael Rosen, de Australiërs Kerrilee Male en Trevor Lucas, de Noor – maar zoon van een Russische prins en Finse beeldhouwster – Georg Hultgreen en de enige Engelsman, drummer Gerry Conway. Zangeres kerrilee Male is met haar prachtige stemgeluid het boegbeeld van Eclection, Hultgreen en in mindere mate Rosen daarentegen, zijn de componisten van de band. Het vijftal speelt een mix van folkrock en progrock, getuige de zwaar aangezette orkestrale arrangementen en de nimmer afwezige mellotron. De samenzang van Male en Rosen is fenomenaal en de gelaagde gitaarpatronen van Hultgreen – akoestische, elektrisch en 12-snarig – bepalen, samen met de mellotron het klankbeeld. Dat is althans te horen op de gelijknamige debuutplaat die onder leiding van Bee Gees-arrangeur Ossie Byrne in de Londense IBC-studio’s wordt opgenomen. De band neemt hun partijen op, waarna er later – buiten hen om – gedubbelde zang en orkestraties aan toegevoegd worden. Het resultaat is behoorlijk verrassend: Eclection klinkt organisch en psychedelisch tegelijk. De composities zijn als kathedralen opgetrokken, wat een sprookjeachtige, barokke plaat oplevert. ‘Will Tomorrow Be The Same’, ‘Still I Can See’, Another Time Another Place’ en ‘Confusion’ zijn complexe, kunstig gearrangeerde madrigalen, evenals ‘In Her Mind’ dat. een meeslepend en klassiek countryfolknummer is. Eclection is kortom een prachtige lp. Elektra faalt echter volledig in de promotie ervan, omdat het de band naar het voor deze muziek meer ontvankelijke Californië had moeten halen. Aan het eind van 1968 verlaat Kerrilee Male echter de band om terug te keren naar Australië en na diverse personeelswisselingen valt Eclection in 1969 uiteen. Gerry Conway en Trevor Lucas vertrekken naar Fotheringay – Lucas zal later trouwen met Sandy Denny – Rosen verdwijnt in de marge, wat niet geldt voor George Hultgreen. Hij zal zelfs in Nederland in 1974 diverse malen de top-10 halen; Hultgreen noemt zich dan George Kajanus en is de zanger en leider van Sailor.
In Her Mind / Nevertheless / Violet Dew / Will Tomorrow Be The Same / Still I Can See / In The Early Days / Another Time Another Place / Morning Of Yesterday / Betty Brown / St. Georg & The Dragon / Confusion