Posts tonen met het label 1987. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1987. Alle posts tonen

zondag 17 september 2017

The Stems | At First Sight... Violets Are Blue

Eind 2007 verschijnt Head Up, het tweede album van The Stems. Merkwaardig, omdat de eerste plaat van The Stems van twintig jaar eerder dateert en dat de bezetting van de band exact dezelfde is. In 1987, als het debuutalbum At First Sight… Violets Are Blue verschijnt, bestaan The Stems al drie jaar, gedurende welke tijd het kwartet uit Perth, Australië een aantal fenomenale singles uitbrengt. Begin 1985 maken Dom Mariani (zang, leadgitaar), Richard Lane (zang, toetsen, gitaar), Julian Matthews (bas, zang) en Gary Chambers (drums) de oversteek van West Australië naar Oost Australië. Hét garagerocklabel Citadel Records neemt The Stems op in hun stal en releasen kort na elkaar de fantastische singles ‘Make You Mine’ en ‘Tears Me In Two’. Het zijn perfecte neo-garagerocksongs die de sixtiessfeer ademen van bands als The Yardbirds, The Standells, The Electric Prunes en The Monkees. 
De zinderende, over het gehele continent verspreide liveshows bevestigen de reputatie van The Stems als een opwindende rock-‘n-rollband. De band vestigt zich definitief in Sydney en maakt de EP ‘Love Will Grow’ met Radio Birdman-zanger Rob Younger als producer, die de band een meer poppy en modernere sound geeft. Landelijke tournees in 1986 met The Hoodoo Gurus en de Amerikaanse Flamin’ Groovies leveren The Stems veel erkenning op, maar Citadel-baas John Needham is te druk met Died Pretty om The Stems voldoende aandacht te geven. Met nieuwe drummer Dave Shaw – Chambers gaat aardappelen telen – tekenen The Stems een contract bij EMI-sublabel White Label Records. Met producer Rob Younger en sessiemuzikant Steve Harris op Wurlitzer-piano nemen The Stems dan hun debuut-lp op in de Planet Studios in thuishaven Perth. 
At First Sight… Violets Are Blue laat horen dat The Stems het primitieve geluid van de begintijd ontstegen zijn. Toegevoegd is een duidelijke powerpop-invloed van bands als Raspberries en The Plimsouls. Het geluid is diverser, kleurrijker, maar de spirit van de garagerock is nog volop aanwezig, zoals in de melodieuze rockers als ‘For Always’ en ‘Mr Misery’, niet toevallig vroege bandcomposities. ‘Can’t Forget That Girl’ speelt wel erg nadrukkelijk leentjebuur bij The Monkees’ ‘Day Dream Believer’, maar dat maakt het aanstekelijke liedje niet minder goed. ‘At First Sight’, ‘Sad Girl’, ‘Running Around’ en ‘Move Me’ zijn voorzien van orgeltjes, riffende gitaren en een heerlijke bubblegumbeat. Maar het zijn bovenal uitstekende liedjes met doordachte structuren. Wat in extreme mate geldt voor het prijsnummer van het album: ‘You Can’t Turn The Clock Back’, met zijn overvloed aan ruimtelijke gitaren, bongobeat en het prachtige jazzy coda. At First Sight… Violets Are Blue is een klassiek powerpopalbum, met een vette knipoog naar zowel de jaren zeventig powerpop als naar de garagerock van de midden jaren zestig. Met At First Sight… Violets Are Blue verbinden The Stems beide werelden op voorbeeldige wijze. Het album ontvangt dan ook goede kritieken en is een prima opstap naar een tournee door Europa. Maar daar komt het niet van; om mysterieuze redenen houdt The Stems al eind 1987 op te bestaan. De nieuwe start – twintig jaar later – biedt wat dat betreft nieuwe perspectieven.

At First Sight / Sad Girl / Rosebud / Man With The Golden Heart / Running Around / For Always / You Can’t Turn The Clock Back / Move Me / Mr Misery / Can’t Forget That Girl / Never Be Friends / The Otherside


Gepubliceerd in Platenblad 230, sept/okt 2017

donderdag 21 april 2016

Prince | Sign O' The Times

Prince Leroy Rogers is in 1987 al jarenlang een wereldster. Zijn chef d'oeuvre moet dan nog verschijnen, maar Prince heeft de wereld reeds veroverd met een compromisloze attitude en een unieke cross-over tussen soul en pop. Vanaf zijn twaalfde zit Prince in een groep die top 40-materieel speelt in en om Minneapolis, Minnesota. Vanuit een fascinatie voor pornografische lectuur gaat Prince zijn eigen scabreuze songs schrijven, die hij als de multi-instrumentalist die hij is, zelf opneemt. Een eerste poging een platencontract te scoren mislukt omdat de kleine eigenwijze prins volledige artistieke vrijheid wenst, maar met behulp van een kiene manager en een gewiekste jurist lukt dat bij Warner Bros.wel. Prince is dan krap aan 17 jaar, maar kwaliteit verloochent zich niet. Na drie in zijn eentje in elkaar geknutselde albums is de schuchtere Prince 's werelds meest meest controversiële popartiest vanwege zijn teksten over triootjes, pijpen en incest. Zijn liedjes worden om die reden overigens niet op de Amerikaanse radio gedraaid, maar live is Prince een exhibitionistische geilneef in vieze man-regenjas en jarretels. Voor wereldwijd succes zorgt Purple Rain in 1984, een geslaagde mix van moderne soul en gitaarrock, twee jaar later gevolgd door het commercieel geslaagde Parade. Maar na deze groepsalbums – Prince houdt er met The Revolution, The Time, Vanity 6 en Sheila E een heuse hofhouding op na – keert His Royal Badness terug naar zijn basis: zijn volgende album neemt hij in z'n eentje op in zijn eigen Paisley Park-studio. Prince gooit alles in de centrifuge: klassieke soul, George Clinton-funk, new wave-synthesizers, mechanische percussie en Hendrix-gitaren. Het resultaat is een opwindende muzikale hutspot, nota bene verspreid over twee separaat uitgebrachte cd's: Sign O' The Times. De creatieve duizendpoot bereikt in maart 1987 zijn artistieke zenit, want een orgiastisch popalbum en caleidoscopische soulplaat tegelijk – en ook nog eens in tweevoud. Tussen de vertrouwde Prince-funk bevinden zich voortreffelijke, universele popsongs als 'Strange Relationship' en 'I Could Never Take The Place', die schaamteloos catchy zijn. Opvallend is ook het kirrende 'U Got The Look', de barok-funk van 'It' en de Stylistics-soul van 'Slow Love'. Ronduit geniaal is Prince echter in 'The Ballad of Dorothy Parker', dat op zwoele Stevie Wonder-soul is gebaseerd, het hypnotiserende, orkestrale 'If I Was Your Girlfriend', de ultieme Prince-natte droom, en het apocalyptische 'Sign O' The Times'. Tekstueel betoont Prince zich hierin geëngageerd – But if a night falls and a bomb falls / Will anybody see the dawn / Time, time – muzikaal is het titelnummer schurend, wurgend, deprimerend funky. De magnifieke single, nummer 6 in de top 40, is de volmaakte prelude van een even magnifiek en tevens artistiek volledig geslaagd dubbelalbum. Sign O' The Times, gevolgd door een indrukwekkende wereldtournee, is Prince's beklimming van de Olympus; een levenskunstwerk. 

Sign O' The Times / Play In The Sunshine / Housequake / The Ballad Of Dorothy Parker / It / Sarfish And Coffee / Slow Love / Hot Thing / Forever In My Life / U Got The Look / I Was Your Girlfriend / Strange Relationship / I Could Never Take The Place Of Your Man / The Cross / It's Gonna Be A Beautiful Night / Adore 

maandag 15 december 2014

Opal | Happy Nightmare Baby

Ze hebben een liefdesrelatie, maar Kendra Smith speelt bas in The Dream Syndicate, terwijl haar vriend David Roback de leider is van The Rain Parade. Beide groepen spelen een voorname rol in de opkomst van de neo-psychedelische gitaarmuziek in het Los Angeles van de begin jaren tachtig en maken deel uit van de legendarische Paisley Underground. Smith is ontevreden over de ondergeschikte rol die ze moet spelen ten opzichte van Steve Wynn en David Roback zit barstensvol nieuwe muzikale ideeën die hij niet in The Rain Parade kwijt kan. En dus vormen Smith en Roback eind 1983 gezamenlijk een band: Clay Allison.
Op het coveralbum Rainy Day, een samenwerking tussen de sleutelfiguren van The Paisley Underground, had het duo al samengewerkt, maar het eerste echte resultaat van de muzikale relatie is de fenomenale single ‘Fell From The Sun’. Met Gun Club-drummer Terry Graham gaat het duo de studio in maakt talloze opnamen die de groep laten horen als een dromerige folkrockband met psychedelische invloeden. Maar na de afronding ervan weigert Roback de opnamen in de vorm van een album uit te brengen omdat hij vindt dat de band zich ontwikkelt in een andere, meer duister psychedelische richting. In navolging van de single verschijnt er nog wel een 12”; de overige opnamen verschijnen in 1989 onder de titel Early Recordings. Hoewel Kendra Smith ervan gruwt, gaat Clay Allison wel op tournee. Het zullen slechts zes optredens worden, maar het is wel genoeg om een contract te krijgen bij het punkrocklabel SST. David Roback weet Kendra Smith, die eigenlijk genoeg heeft van muziekbizz, over te halen hun bivak op te slaan in de studio en in afzondering te werken aan het debuutalbum. In de periode van een jaar schrijven ze samen een serie songs die in de studio een heavy muzikale lading krijgen. Het sprookjesachtige van de eerdere folky liedjes heeft plaatsgemaakt voor de unheimische zang van Smith, sterk onder invloed van drugs en mystieke ervaringen, de Doors-achtige orgelsound en Robacks heftige, zwaar overstuurde gitaargeluid. De nieuwe drummer Keith Mitchell voegt met zijn ritmische spel, tablas en Oosterse effecten een extra dimensie toe aan het hypnotiserende Opal-geluid.
Happy Nightmare Baby verschijnt in de zomer van 1987 en bevat negen nummers, voornamelijk traag sluipende stukken als ‘Magick Power’, ‘Supernova’, ‘Siamese Trap’ en ‘Soul Giver’. Daarnaast is het betoverende en logge ‘Rocket Machine’ een eerbetoon aan Marc Bolan, ‘She’s A Diamond’ een stroperige psychedelische blues en komt het schitterende Velvet Underground-achtige titelnummer nog het dichtst in de buurt van een popsong, zij het gedrenkt in echo en voorzien van stevige gitaarfeedback. De elektrische boogie van Happy Nightmare Baby is een duistere geestverruimende trip richting het heelal en een duidelijke markering van het einde van The Paisley Underground. Maar ook het einde van Opal is nabij. Omdat ze niet wil toeren verlaat Kendra Smith de band al een paar maanden na de release van het debuut. Smith wordt vervangen door haar vriendin Hope Sandoval, wat David Roback doet besluiten Opal te beëindigen en een nieuwe band op te richten: Mazzy Star.

Rocket Machine / Magick Power / Relevation / A Falling Star / She’s A Diamond / Supernova / Siamese Trap / Happy Nightmare Baby / Soul Giver


zondag 12 oktober 2014

Dumptruck | For The Country

‘Op een dag liepen Kirk en ik op straat en toen we een kiepauto zagen zeiden we beiden Hé, dat is een goeie naam voor een band!’ ‘Kiepauto’ betekent ‘Dumptruck’ en aan het woord is Seth Tiven, het meesterbrein van Dumptruck, een Amerikaanse band die in het voetspoor van R.E.M. in de jaren tachtig van de vorige eeuw een bescheiden succes was in het collegecircuit. In 1983 werd Dumptruck in New Haven, Connecticut opgericht door Seth Tiven en Kirk Swan, die elkaar afwisselen als zanger, gitarist en bassist en gezamenlijk Dumptrucks composities schrijven. Met behulp van verschillende drummers – waaronder Mark Mulcahy, die later als singer-songwriter enige bekendheid geniet – neemt Dumptruck zijn eerste elpee voor het alternatieve Big Time-label. D Is For Dumptruck is een zeer matig art-rockalbum, een vage schaduw van Television, inclusief de dubbele gitaarline-up. De opvolger Positively is echter heel erg veel beter; Dumptruck is rijper en volwassener geworden door de vele live-optredens in de kleine clubs aan de oostkust en in het midwesten en heeft inmiddels een vaste ritmesectie. Bovendien past de productie van fameus producer Don Dixon (R.E.M.) heel goed bij het ritmische, doch melancholieke groepsgeluid. Positively is ruim gevuld met tintelende popsongs, waarbij de ingetogen en smaakvolle voordracht overheerst en de muzikale pretentie ondergeschikt gemaakt is aan de subtiele en gloedvolle melodieën. Dumptruck onderneemt vervolgens tournees naar de westkust, naar Canada en zelfs naar Engeland. Tijdens de intensieve live-shows wordt het publiek naast de eigen nummers getrakteerd op covers van ‘I Wanna Be Your Dog’ van The Stooges, ‘You Ain’t Going Nowhere’ van Bob Dylan en Neil Youngs ‘Down By The River’. De groep groeit en groeit en lijkt in op het toppunt van zijn kunnen. Het lijkt een geschikt moment, nu ook Dumptrucks budget is verruimd, om het ijzer te smeden als het heet is.
Tijdens hun Britse tournee is de band in contact gekomen met de Welshe producer Hugh Jones – bekend van postpunk-acts als Echo & The Bunnymen, The Sound en Modern English. Jones huurt de Rockfield Studios in Wales voor de maand mei (1987) af en is in afwachting van SethTiven, Kirk Swan en Dumptrucks drummer en bassist om aan hun nieuwe plaat te werken. Maar als Dumptruck arriveert in Wales blijkt Swan de band verlaten te hebben en is de kern van Dumptruck gehalveerd en ontdaan van een sleutelfiguur. De opnamen lijken tot mislukken gedoemd, maar niets is minder waar. Niet alleen heeft Seth Tiven een serie schitterende composities mee naar Wales genomen, maar eveneens een zanger-gitarist in de persoon van Kevin Salem.
Als For The Country in september 1987 verschijnt, blijkt hoe geïnspireerd Dumptruck in de Rockfield Studios was. Tiven heeft zich niet van zijn doel af laten leiden door het vertrek van Swan; For The Country is een plaat volgestouwd met melancholieke pop, afgezet tegen een decor van moderne countryrock en contemporaine college-rock. Tinkelende en rondcirkelende gitaren en meerstemmige zang, gecombineerd met fraaie melodiewendingen zijn Dumptrucks meest in het oog/oor springende kenmerken en deze leveren op For The Country heel veel sprankelende pop op. Dumptruck heeft met For The Country een klein meesterwerkje afgeleverd, dat in ieder geval tot de beste cd’s van het jaar 1987 mag worden gerekend. Al in de opener ‘Island’ blijkt het compositorische en muzikale vernuft van Seth Tiven; ‘Island’ is een kristallijnen popsong die naar een climax gebracht wordt door zijn lyrische gitaarspel. Verder zijn er talloze fabuleuze poprocknummers over de plaat verspreid die in lichte mineur zijn getoonzet en die daarmee aansluiten bij de tamelijk zwartgallige teksten van Tiven. ’50 Miles’ – 50 miles from nowhere / Help will not arrive – is bitter en weemoedig maar toch opgetuigd met stevige rockgitaren; in ‘Friends’ vraagt de zanger zich af waar vrienden goed voor zijn; en het deprimerende maar indrukwekkende ‘Dead Weight’ biedt een kijkje in Tivens donkere en onzekere ziel. ‘Wire’ is daarentegen een aanstekelijk rocknummer, waarin Dumptruck zijn versie van southern-rock doet en waarop een voorname rol ingeruimd wordt voor B.J. Cole’s pedal steel. Ook het Hammond-spel van sessiemuzikant Tommy Eyre (o.a. Joe Cocker, John Martyn) speelt een opvallende rol en geeft de Dumptruck-sound een warme en organische extra dimensie. ‘Barking Up The Wrong Tree ‘ is diep melancholiek en uiterst fraai, maar legt het af tegen het sleutelnummer van de plaat: het titelnummer ‘For The Country’, een traag en onheilspellend nummer van bijna epische proporties, met als terugkerend thema de hopeloze eenzaamheid die Tiven doeltreffend verwoordt: Drifting on an ocean / Till you die. ‘For The Country’ tilt For The Country simpelweg naar een hoger niveau.
De verkooppresultaten van For The Country zijn bemoedigend en als gevolg daarvan zijn er grote labels geïnteresseerd in Dumptruck. De band staat echter nog onder contract bij Big Time – waardoor het door de major aangeboden miljoen dollars Big Time ten goede komt –, maar dan blijkt dat er in het contract met Big Time een cruciale clausule ontbreekt waardoor Dumptruck contractvrij is. Als Tiven tekent bij de major ziet hij zich geconfronteerd met een miljoenenclaim van Big Time. Het betekent het einde van het veelbelovende Dumptruck; jaren en jaren wordt er in de rechtbank gevochten om wie de rechten op Dumptruck heeft. Pas zeven jaar later verschijnt er een nieuwe plaat van Dumptruck, dan een trio, geleid door een gedesillusioneerde en uitgehuilde Seth Tiven.

Island / 50 Miles / Friends / Carefree / Brush Me Back / Hung Out On A Line / Going Nowhere / For The Country / Dead Weight / Wire / Barking Up The Wrong Tree



woensdag 6 november 2013

The Thanes | Thanes Of Cawdor

Voor zanger/gitarist Lenny Helsing en toetsenist/gitarist Bruce Lyall begint de adoratie voor de sixties garagebeat pas echt als zij in 1983 vinylverzamelaar Alan McLean ontmoeten. Hij voegt zich als bassist bij Helsings en Lyalls band: The Green Telescope, een retrosixtiesbandje uit Edinburgh, Schotland. De zoektocht naar een drummer is niet eenvoudig, maar op de in 1985 opgenomen debuut-ep 'Two By Two' – inmiddels een veelgezocht item – is de bezetting compleet en klinkt er een hechte beatgroep. In september 1986 verandert The Green Telescope zijn naam in Thanes Of Cawdor, vijf maanden later in The Thanes – met nieuwe drummer Calvin Burt. In deze bezetting nemen The Thanes in juli en augustus van 1987 in Chamber Studio in Edingburgh hun debuutlangspeler op: Thanes Of Cawdor. Net als vele andere neo-sixtiesbands zijn The Thanes zwaar beïnvloed door de nederbeat van The Outsiders, maar het zijn andere Nederlandse bands die The Thanes coveren op hun plaat. Naast 'Some Kinda Fun', een weirde cover van popidool Chris Montez, een cover van The Allusions' 'Where Have All The Good Times Gone' en een gierende uitvoering van The Beaux Jens' 'She Was Mine, zijn er verrassende, naïef-primitief klinkende covers van 'Cold As Ice', een obscuur b-kantje van Peter And The Blizzards, en 'Kicks And Chicks' van The Zipps. Maar ook authentiek en rauwe klinkende originals van The Thanes als 'Keep You Out', 'Buzz Buzz Yeh Yeh' en het broeierige 'You'll Be Blue' – met knarsend en piepend Farfissa-orgeltje – zijn ijzersterke beatsongs. Dit alles tezamen maakt van Thanes Of Cawdor een van de allerbeste Britse neo-garageplaten van de jaren tachtig – en van The Thanes een onovertroffen beatband.

Keep You Out / Kicks And Chicks / You'll Be Blue / Won't You C'mon Girl / Days Go Slowly By / When I Love You / She Was Mine / Girls / Buzz Buzz Yeh Yeh / Cold As Ice / Where have All The Good Times Gone / Before I Go / All Gone Now / Some Kinda Fun




zondag 17 februari 2013

John Mellencamp | The Lonesome Jubilee


Aanvankelijk mislukt de muzikale carrière van John Mellencamp volledig, omdat David Bowie-manager Tony DeFries de doodgewone plattelandsjongen uit Seymour, Indiana wil transformeren tot de pin-up popster Johnny Cougar. In 1978 heeft Mellencamp, een illusie armer, zijn identiteit al ingeleverd en kost het hem een fortuin om terug te kopen. Maar het wordt nog erger; tegen de tijd dat John Cougar Mellencamp begin jaren tachtig in Amerika doorbreekt, is hij 5 miljoen dollar kwijt om zijn rechten terug te kopen. Dan krijgt Mellencamp ook weer een grote mond, die hij gebruikt om zich in te zetten voor de Democraten in het algemeen en de arbeider en het kleinschalige boerenbedrijf in het bijzonder. Het arbeidsethos van de heartland fier in het vaandel, worden zijn teksten kritischer en kritischer en richten zich tegen de realpolitik van president Reagan. Hij is de small town boy uit Indiana; een imago heeft hij niet. Mellencamp is in de kern een hardwerkende rock-'n-roller met een geweten, een beeld dat bevestigd wordt door het werkstuk dat een centrale positie inneemt in 's mans oeuvre: The Lonesome Jubilee. Muzikaal grijpt Mellencamp op dat album terug op authenticiteit en traditie: accordeon, viool, banjo en hakkebord zijn de smaakmakers te midden van knallende drums, scherpe gitaren en soulvolle dameskoortjes. Verlies van jeugd en idealen en een toekomst zonder perspectief zijn de centrale thema's op The Lonesome Jubilee, het felst verwoord in 'Down An Out In Paradise', dat geadresseerd is aan Reagan: Dear mr. president / I live in the suburbs / It's a long way from Washington, D.C. / Had me a job / Workin' for wages / Till the company moved out / And they forgot about me. Voortreffelijk is ook het sociaal bewogen 'We Are The People', fraai opgeluisterd door fiddle en twangende gitaar. In een messcherpe productie van Don Gehman en met een geweldige bezetting van onder meer Kenny Aronoff (drums, hakkebord), Toby Myers (bas, banjo), Larry Crane (gitaar, pedal steel, mandoline) en Mike Wanchic (gitaar, dobro, banjo, dulcimer) zet Mellencamp een serie bijzonder catchy rootsrocksongs neer die ook nog eens hits worden. 'Paper In Fire', 'Check It Out' en 'Cherry Bomb' maken van The Lonesome Jubilee een commercieel succes dat in de loop der jaren maar liefst 4 miljoen keer verkocht wordt. Maar daarnaast is het een bijzonder integer album dat thematisch en muzikaal een schitterende eenheid vormt, wat nog eens extra kracht bijgezet wordt door de iconische hoes waarop John Mellencamp zo fraai geportretteerd is aan de bar in het Midway Cafe in Elnora, Indiana met de 73-jarige lasser Woody Baker. The Lonesome Jubilee is in 1987 de lange neus die John Mellencamp naar de wereld maakt; het succes heeft Indiana's beroemdste rockzoon namelijk geheel zelf afgedwongen. Maar bovenal geldt The Lonesome Jubilee natuurlijk als een puur artistieke triomf.

Paper In Fire / Down And Out In Paradise / Check It Out / The Real Life / Cherry Bomb / We Are The People / Empty Hands / Hard Times For An Honest Man / Hotdogs And Hamburgers / Rooty Toot Toot

zaterdag 17 november 2012

10,000 Maniacs | In My Tribe


In My Tribe is niet alleen 10,000 Maniacs' beste, maar ook meest bijzondere album. Het betekent in 1987 een doorbraak voor de band uit Jamestown, New York. Er zijn bescheiden hits in 'LikeThe Weather' en 'What's The Matter Here?', maar de kracht van In My Tribe zit dieper verscholen.
10,000 Maniacs, gecentreerd rond Natalie Merchant, lift in het midden van de jaren tachtig mee op de successen van Amerikaanse gitaarbands als R.E.M. en het fenomeen college rock. In 1984 tekent 10,000 Manics – losjes vernoemd naar een cultfilm – bij folkrocklabel Elektra en weet producer Joe Boyd te strikken voor het major debuut The Wishing Chair en vervolgens legende Peter Asher (o.a. James Taylor en Linda Ronstadt) voor de opvolger In My Tribe. 10,000 Maniacs genereert een bijzondere sound die de southern-indie van R.E.M. combineert met de Britse folkrock van Fairport Convention. Op In My Tribe komt dit vooral tot zijn recht in jengelende, countryeske folkrockliedjes als 'Hey Jack Kerouac', 'Don't Talk' en het epische 'The Painted Desert' – een ode aan het overweldigende Amerikaanse landschap. 'Verdi Cries' is voorts een superieure ballad die Sandy Denny in herinnering roept, 'A Campfire Song' herbergt een korte Michael Stipe cameo en de cover van Cat Stevens' 'Peace Train' een live-favoriet die aanvankelijk een comfortabel plekje krijgt op In My Tribe. Aanvankelijk, want als Cat Stevens – tot de islam bekeerd – zich achter de fatwa tegens Salman Rushdie schaart, verwijdert platenlabel Elektra de track van het album..
Ook zonder 'Peace Train' is In My Tribe nog steeds een fraai jaren tachtig folkrockalbum van een band die niet meer beter zal worden. Temeer daar de ziel van de band, zangeres en componiste Nathalie Merchant, 10,000 Maniacs in 1993 vaarwel zegt.

What's The Matter Here?/ Hey Jack Kerouac / Like The Weather / Cherry Tree / The Painted Desert / Don't Talk / Peace Train / Gun Shy / My Sister Rose / A Campfire Song / City Of Angels / Verdi Cries

zaterdag 10 maart 2012

Flying Color | Flying Color

Het zijn vier jonge en onschuldige knapen. Haardracht in de beste moptop-Beatles-traditie, met bloemen bezaaide bloesjes en bleekwitte gelaten. De archetypische popband is van alle tijden; dromend van meisjes, verlangend naar succes en angst voor het ouder worden. De nervositeit is geïntegreerd in de sound, de lyriek is die van de onschuld, teenangst de grote motivator. De popmuziek kent karrevrachten bekende en minder bekende voorbeelden: The Byrds, The Flamin’ Groovies, The Feelies, The dB’s, The Plimsouls, waaraan qua chronologie Flying Color kan worden toegevoegd.
Eind 1984 wordt de band in San Francisco opgericht door Hector Penalosa (zang, bas) en Dale Duncan (zang, gitaar) die in Richard Chase (zang, leadgitaar) en John Stuart (zang, drums) geschikte partners vinden. De eerste demo die Flying Color opneemt, wordt gelijk een lokale hit in de demotape top 5 van radiostation KUSF. De demo weet de aandacht te trekken door een rake cover van Alex Chiltons 'September Gurls', maar meer nog door de fantastische eigen composities 'Through Different Eyes' en 'Dear Friend'. Dat vindt ook Tom Mallon, de Phil Spector van de San Francisco punkscene en huisproducer van de American Music Club. Onder zijn leiding neemt Flying Color 'Dear Friend' op als single, in 1985 uitgebracht op het New-Yorkse garagelabel Cryptovision. Dit leidt tot een tour naar de Oostkust alwaar het prille kwartet in het voorprogramma optreedt van Camper Van Beethoven en Green On Red. Terug in San Francisco doet de band samen met The Replacements een aantal optredens in de fameuze Fillmore West. Dan stelt mentor Tom Mallon het kwartet in staat om onder zijn nadrukkelijke leiding en in zijn zelfgebouwde studio opnamen te maken voor de debuut-lp die zal gaan verschijnen op Mallons eigen label, Grifter Records. Gedurende de periode tussen de zomer van 1986 en het voorjaar van 1987 weet Tom Mallon zijn pupillen voorbeeldig te kneden. ‘At Toms House’, aldus de hoestekst, ontstaat onder toevoeging van de juiste ingrediënten – jeugdige zorgeloosheid, ongepolijste muzikaliteit, compositorisch vernuft en productionele geslepenheid – een uniek album. De tastbare aanwezige tienerromantiek wordt uiterst doeltreffend getransformeerd tot een compacte verzameling kristallijne droompop. Op het gelijknamige debuut brengt Flying Color in 10 nummers het beste samen van folkrock en powerpop, eert de grote voorbeelden en voegt daar zijn eigen melancholieke pracht aan toe.
De lp opent met de single, het onweerstaanbare 'Dear Friend'. Het is een fantastische opmaat voor de hemelse dingen die komen gaan. Een klassenummer als 'Dear Friend' met zijn aanstekelijke ritme, ragfijne gitaarlijnen en dromerige samenzang is nauwelijks te overtreffen. Toch slaagt Flying Color hierin door zijn grootste troef in te zetten: 'It Doesn’t Matter', een ongehoord knap poprocknummer; een klassieke compositie waarin onvergankelijkheid in drie minuten muzikale genialiteit is geperst. De koek is dan nog lang niet op, want Chase, Penalosa, Duncan en Stuart schudden de ene 24-karaats popsong na de andere uit de mouw. De gitaren rinkelen en rinkelen en de engelachtige adolescentenstemmen buitelen over elkaar heen zonder de perfecte harmonie uit het oog te verliezen. De bitterzoete melancholie is de ene keer in synchronie met de tokkelende folkrock-benadering, en de andere keer in scherp contrast met de schurende elektrische gitaren. Onnadrukkelijk tikkende drums bieden alle ruimte aan de sporadische pedal steel of aan een vlijmscherpe gitaarsolo. Van dit laatste is in 'Tumble', met zijn loeiende climax, een sprekend voorbeeld te horen. De samengevoegde elementen – pure pop gemengd met zachte psychedelica en jaren tachtig countryrock – maken Flying Color tot een overdonderend debuut dat paradoxaal genoeg slechts in kleine kring op waarde wordt geschat.
Het blijft echter bij een plaat. De intensieve tournee’s eisen hun tol; de samenwerking en eens aanwezige chemie lost op het niets. Producer en mentor Tom Mallon is dan ook teleurgesteld in het materiaal voor de opvolger en weigert de voorgestelde songs van zijn pupillen op te nemen, hetgeen een klassieke karaktermoord betekent. Het geschreven en reeds live gespeelde materiaal zal nooit het daglicht zien. Het beneemt het zeer talentvolle Flying Color de kans op een glorieuze toekomst – de groep valt, met een werkelijk prachtig album op het conto, in vier delen uiteen.
Dear Friend / It Doesn’t Matter / One Saterday / Through Different Eyes / Tumble / Believe Believe / Farewell Song / Bring Back The Rain / I’m Your Shadow / Wise To Her Ways